id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060222.1 Rolnummer: 2004-0616 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-01 04:12 Fiches 1 - 2 Uit artikel 69 van de EEG-verordening 1408/71 blijkt dat de werknemer die na de bedoelde termijn van drie maanden terugkeert naar de bevoegde staat, tegenover deze staat geen aanspraak meer kan doen gelden op uitkeringen, tenzij die termijn wordt verlengd, zoals voorzien is in artikel 69 voornoemd, lid 2 in fine, in buitengewone gevallen. De terugkeer van de werkloze naar de bevoegde staat, na het verstrijken van de periode van 3 maanden, bepaald bij artikel 69 van de EEG-verordeing nr. 1408/71, sluit de werkloze dus uit van elk recht op uitkeringen, zelfs indien het nationale recht in een meer gunstige regeling voorziet, behalve indien de werkloze zich in een buitengewoon geval bevindt in de zin van de EEG-reglementering. De Europese wetgever heeft niet uitgelegd wat er moet verstaan worden onder een buitengewoon geval. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Gerechtigde - stagevoorwaarden - verblijf in het buitenland - terugkeer buiten de termijn - verlies van uitkeringen - toepassing artikel 69 EEG - verordening 1408/
- Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 20-12-1963 - 118 - 02 ELI link Pub nr 1963122002 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP . SOCIALE-ZEKERHEIDSREGELING - VERORD 1408/71 - 2864 Werkloosheid - verblijf in het buitenland - terugkeer buiten de termijn - verlies van uitkeringen - toepassing artikel 69 EEG - verordening 1408/
- Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 14-06-1971 - 69 - 01 Link Justel databank 19710614-01 Nota: Gerangschikt onder V A - artikel 118 en onder IX D 3 - artikel
- Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00009,P.512-514) Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Werkloosheidsuitkering ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040616 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak van: de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. D. D. G. loco mr. J. D. K., advocaat te Leuven, tegen: mevrouw I. S., geïntimeerde, die persoonlijk verschijnt, bijgestaan door mr. S. S., advocaat te Mechelen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen d.d. 8 september 2004, 1 februari 2005, 6 december 2005 en 11 januari
- Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis (A.R. 3040/82), op 31 augustus 1983 uitgesproken door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Leuven; x het eensluidend verklaard afschrift van het arrest (A.R. 15.908), op 14 juni 1984 uitgesproken door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel; x het eensluidend verklaard afschrift van het arrest (nr. 4864), op 18 november 1985 uitgesproken door het Hof van Cassatie, waarbij de zaak naar het arbeidshof te Antwerpen werd verwezen; x het exploot en de uitgifte van het cassatiearrest van 18 november 1985, door gerechtsdeurwaarder L. D. T. betekend aan I. S. op 19 juli 2004, per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit hof op 2 september 2004, waarmee voldaan werd aan de voorwaarden van artikel 1115 Ger. W.; x de conclusies voor I. S., neergelegd ter griffie van dit hof op 27 december 2004; x het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 11 januari 2006, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 11 januari
- Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 6 december
- Feiten en voorafgaande procedure I. S. was gehuwd met een beroepsmilitair, gekazerneerd in Duitsland. Zij volgde haar echtgenoot op 2 december
- Zij was toen volledig uitkeringsgerechtigd werkloos. Op 13 augustus 1982 keerde I. S. naar België terug en diende een aanvraag in om werkloosheidsuitkeringen. De gewestelijke werkloosheidsinspecteur van het werkloosheidsbureau Leuven besliste op 6 oktober 1982, gelet op de artikelen 118, 121, 123, 125, 172 en 174 van het K.B. van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, en gelet op het artikel 69 van de E.E.G.-Verordening nr. 1408/71 inzake sociale zekerheid, dat I. S. niet gerechtigd was op werkloosheidsuitkeringen. De gewestelijke werkloosheidsinspecteur nam deze beslissing op grond van volgende overwegingen: "Datum van de aanvraag: 13.8.
- Leeftijd op de datum van de aanvraag: 23 jaar. Aantal in rekening gebrachte dagen: 118 dagen binnen de referteperiode. Aantal in aanmerking genomen dagen in de loop van de periode van 13.10.81 tot 12.8.82: geen. Overwegende dat om voor de werkloosheidsuitkeringen in aanmerking te kunnen komen, u moet voldoen aan de met betrekking tot de wachttijd gestelde voorwaarden in het artikel 118 of in artikel 120 van het K.B. van 20.12.63 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid; Overwegende dat het aantal arbeids- en daarmede gelijkgestelde dagen waarvan u het bewijs levert, kleiner is dan het aantal, nl. 150 dagen, dat in die artikelen geëist wordt; Overwegende dat om in aanmerking te kunnen genomen worden, de arbeids- of daarmede gelijkgestelde dagen moeten beantwoorden aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 121, 122 en 125 van het voornoemd koninklijk besluit en in het M.B. van 4.6.64; Overwegende dat de arbeids- of daarmede gelijkgestelde dagen die u in rekening brengt, om de volgende redenen niet in aanmerking kunnen genomen worden: u had van 2.12.81 tot en met 1.3.82 recht op werkloosheidsuitkeringen in de Duitse Bondsrepubliek in toepassing van artikel 69 van de E.E.G.-verordening nr. 1408/71 inzake sociale zekerheid. De werkloze die terugkeert na het verstrijken van het tijdvak dat hij recht had op werkloosheidsuitkeringen in toepassing van dit artikel, verliest elk recht op uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat. Overwegende dat u de vereiste voorwaarden met betrekking tot de wachttijd dus niet vervult." I. S. tekende tegen deze beslissing verhaal aan bij de arbeidsrechtbank te Leuven met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 4 november 1982 (A.R. 3040/82). De eerste rechters te Leuven verklaarden in hun vonnis van 31 augustus 1983 de vordering ontvankelijk en gegrond, vernietigden de bestreden administratieve beslissing van 6 oktober 1982 en zegden voor recht dat I. S., mits naleving van de ter zake geldende reglementaire verplichtingen, vanaf 13 augustus 1982 gerechtigd was op werkloosheidsuitkeringen. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelde hoger beroep in op 12 december
- Het arbeidshof te Brussel verklaarde bij arrest van 14 juni 1984 (A.R. 15.908) het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigde, zij het op grond van andere beweegredenen, het bestreden vonnis in zijn dispositief. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelde een voorziening in cassatie in. Bij arrest van 18 november 1985 (nr. 4864) werd het arrest van het arbeidshof te Brussel vernietigd en de zaak doorverwezen naar het arbeidshof te Antwerpen. Met een exploot, ten verzoeke van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening door gerechtsdeurwaarder L. D. T. betekend aan I. S. op 19 juli 2004 en per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit hof op 2 september 2004, werd de zaak ingeleid voor het arbeidshof te Antwerpen.
- Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vordert het hoger beroep tegen het vonnis van 31 augustus 1983 van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Leuven (A.R. 3040/82) ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis a quo teniet te doen, de oorspronkelijke vordering van I. S. ongegrond te verklaren en de oorspronkelijke administratieve beslissing integraal te bevestigen; I. S. te veroordelen tot de kosten van het geding. I. S. vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven te bevestigen.
- Ten gronde 3.
- Het Hof van Cassatie verklaarde het middel van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening gegrond en vernietigde het arrest van het arbeidshof te Brussel van 14 juni 1984 als volgt: "Overwegende dat eiser (de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, noot van het hof) aanvoert dat verweerster (I. S., noot van het hof), ingevolge artikel 69, lid 2, eerste volzin, van de Verordening (E.E.G.) nr. 1408/71, dat in het middel is geciteerd, tegenover de bevoegde staat, dit is België, geen aanspraak meer had op werkloosheidsuitkeringen na haar terugkeer uit de Bondsrepubliek Duitsland, ongeacht de bepalingen van de Belgische reglementering met betrekking tot het behoud en het verlies van het recht op uitkeringen; Overwegende dat de vraag of artikel 69, lid 2, van voormelde verordening de werkloze werknemer, die na het verstrijken van de in artikel 69, lid 1, sub c, bedoelde termijn naar de bevoegde staat terugkeert, uitsluit van elk recht op werkloosheidsuitkering tegenover deze staat, zelfs indien hij volgens het nationale recht nog een resterende aanspraak op uitkering bezit, een uitlegging van eerst vermelde bepaling noodzakelijk maakt; Overwegende echter dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zich hierover reeds heeft uitgesproken in zijn arrest van 19 juni 1980 (gevoegde zaken 41, 121 en 796/79), zodat het Hof van Cassatie vrijgesteld is van de in artikel177, laatste lid, van het E.E.G.-Verdrag vervatte verplichting zich tot het Hof van Justitie te wenden voor de uitlegging die deze vraag met zich brengt; Overwegende dat het Hof van Justitie in het arrest van 19 juni 1980 voor recht verklaart: "De werknemer die na het verstrijken van de in artikel 69, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 bedoelde termijn van drie maanden terugkeert naar de bevoegde staat, kan ingevolge artikel 69, lid 2, eerste volzin, tegenover de bevoegde staat geen aanspraak meer doen gelden op uitkeringen, tenzij vorenbedoelde termijn krachtens artikel 69, lid 2, tweede zin, wordt verlengd"; Dat het voormeld arrest in de motivering vermeldt: "
- Artikel 69 van de verordening nr. 1408/71 biedt de werkloze werknemer met het oog op het zoeken van werk in een ander Lid-Staat de mogelijkheid, gedurende een bepaalde periode te worden vrijgesteld van de door de verschillende nationale wettelijke regelingen opgelegde verplichting zich ter beschikking te stellen van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de bevoegde staat, zonder dat hij daardoor zijn recht op werkloosheidsuitkeringen tegenover de bevoegde staat verliest.
- Deze bepaling is niet enkel een maatregel ter coördinatie van de nationale wettelijke bepalingen op het gebied van de sociale zekerheid. Ten gunste van de werknemers die ervan gebruik willen maken, schept zij een autonome, van de regels van nationaal recht afwijkende regeling, die in alle Lid-Staten eenvormig moet worden uitgelegd ongeacht de door de nationale wettelijke regeling voor het behoud en het verlies van het recht op uitkeringen voorziene regeling.
- Volgens artikel 69, lid 1, is het aan de werknemer in dit artikel toegekende voordeel beperkt tot een tijdvak van drie maanden, te rekenen vanaf de datum waarop hij niet meer ter beschikking staat van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de bevoegde staat. (...)
- Blijkens de uitdrukkelijke bewoordingen van (artikel 69, lid 2) is aan het behoud van het recht op uitkering tegenover de bevoegde staat na voornoemd tijdvak van drie maanden de voorwaarde verbonden, dat de werknemer vóór het verstrijken van genoemd tijdvak naar deze staat terugkeert, en 'verliest (hij) elk recht op uitkering krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde staat' bij te late terugkeer. Het enige geval waarin de werknemer zijn recht op uitkeringen tegenover de bevoegde staat bij terugkeer na het verstrijken van de periode van drie maanden behoudt, is dat van artikel 69, lid 2, tweede volzin, op grond waarvan de bevoegde diensten of organen deze termijn in bepaalde gevallen kunnen verlengen"; Overwegende dat uit deze uitlegging die het Hof van Justitie aldus geeft aan artikel 69, volgt dat lid 2 van dit artikel de werkloze werknemer, die na het verstrijken van de in lid 1, sub c, bedoelde termijn naar de bevoegde staat terugkeert, uitsluit van elk recht op werkloosheidsuitkeringen tegenover deze staat, zelfs indien hij volgens het nationale recht nog een aanspraak op uitkering bezit; Dat het bestreden arrest derhalve artikel 69, lid 2, van de Verordening (E.E.G.) nr. 1708/71 schendt door op grond van de in het middel weergegeven redenen te beslissen dat verweerster haar hoedanigheid van gerechtigde op de werkloosheidsuitkeringen had behouden op datum van haar aanvraag, niettegenstaande zij buiten de termijn van drie maanden bepaald bij dit artikel 69 uit Duitsland terugkeerde en alsdan haar aanvraag indiende;". Uit dit arrest van het Hof van Cassatie blijkt: - dat er in casu exclusief toepassing moet gemaakt worden van de Europese wetgeving, met uitsluiting van de nationale werkloosheidsregeling; - dat de terugkeer van de werkloze naar de bevoegde staat, na het verstrijken van de periode van 3 maanden, bepaald bij artikel 69 van de E.E.G.-Verordening nr. 1408/71, de werkloze uitsluit van elk recht op werkloosheidsuitkeringen tegenover deze staat, zelfs indien het nationale recht van de werkloze in een meer gunstige regeling voorziet; - dat I. S. derhalve enkel kan genieten van de handhaving van haar recht op werkloosheidsuitkeringen conform de bepalingen van artikel 69 van de E.E.G.-Verordening nr. 1408/71, en meer bepaald artikel 69, lid 2, in fine, waarin vermeld staat: In buitengewone gevallen kunnen de bevoegde diensten of organen deze termijn verlengen. 3.
- Buitengewoon geval ? De enige vraag die nog rest in deze zaak (die gedurende ...twintig jaar door partijen niet geactiveerd werd) is te weten of de verhuis van I. S. naar Duitsland in 1981, omdat haar man daar gekazerneerd was als beroepsmilitair, te beschouwen is als een "buitengewoon geval". Het openbaar ministerie stelt hierover als volgt in zijn schriftelijk advies : "De Europese wetgever heeft niet uitgelegd wat er moet verstaan worden onder buitengewone gevallen. De linguïstische context van de Europese wetgeving geeft geen informatie prijs over de wijze waarop het fenomeen buitengewoon geval moet geïnterpreteerd worden. Uit het semantisch onderzoek van het begrip buitengewoon, zoals het in de dagelijkse taal wordt gebruikt, blijkt dat daarmee wordt bedoeld: wat van het gewone, van de regel afwijkt... boven het gewone, gemiddelde uitstekend, niet alledaags, ongemeen, bijzonder, uitzonderlijk, exceptioneel, speciaal, zeldzaam... Hoewel in de jaren tachtig heel wat Belgische militairen gekazerneerd waren in Duitsland, moet de situatie van de (werkloze) echtgenoten van die Belgische militairen in Duitsland als eerder uitzonderlijk beschouwd worden wanneer men hun situatie vergelijkt met de vrouwelijke werklozen die hun man niet moeten volgen naar het buitenland. Deze gestructureerde verhuis naar het buitenland met gans het gezin, ingevolge de militaire verplichtingen van de echtgenoot, maken hun afwijking van de termijn van 3 maanden objectief en redelijk verantwoord. De evenredigheidstoets op deze zaak laat ons toe te besluiten dat I. S. kan genieten van de afwijking van artikel 69 van de E.E.G.- Verordening nr. 1408/71, wegens het buitengewoon karakter van haar geval, zonder dat die afwijking moet leiden tot een onrechtvaardige remuneratie en niet-rationeel gebruik van de sociale zekerheid, in casu de werkloosheid. Aangezien de termijn van 3 maanden, bepaald bij artikel 69 van de E.E.G.- Verordening nr. 1408/71, kan verlengd worden, behoudt I. S. haar hoedanigheid van gerechtigde op uitkeringen op de datum van haar aanvraag." Het hof sluit zich volledig aan bij de zienswijze van het openbaar ministerie en maakt diens overwegingen uitdrukkelijk tot de zijne. De oorspronkelijk bestreden administratieve beslissing dient te worden vernietigd. Het vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven wordt bevestigd, zij het op grond van enigszins andere overwegingen. Wat de kosten betreft, toont de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening niet aan waarom deze, in afwijking van artikel 1017, tweede lid, Ger. W., ten laste van I. S. dienen te worden gelegd. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer P. VAN DEN BON, advocaat-generaal, op de openbare terechtzitting van 11 januari
- Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 31 augustus 1983 (A.R. 3040/82), zij het op grond van enigszins andere overwegingen. Legt de kosten, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, door I. S. begroot op 476,12 EUR en door het hof niet vereffend bij gebreke aan een gedetailleerde kostenbegroting. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op tweeëntwintig februari tweeduizend en zes. Het hof bestond uit: mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, de heer C. AMSSOMS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, aangewezen bij beschikking van 22 februari 2006 door mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eer-ste lid, Ger. W.) om de heer C. SYSMANS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest waarover hij mede beraadslaagd heeft bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (art. 779 Ger. W.), de heer C. HOREMANS, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060222.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div