← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060222.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060222.2 Rolnummer: 2004-0266 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-01 04:12 Fiches 1 - 3 Wanneer de directeur van de RVA een werkloze niet vrijstelt van stempelcontrole of van inschrijving als werkzoekende omdat hij geen overmacht erkent, dan ontstaat er een geschil tussen de werkloze en de RVA over de vergoedbaarheid over een bepaalde periode waarop de arbeidsgerechten volledige controle uitoefenen, zelfs wanneer de directeur het begrip overmacht interpretatief moet invullen. De omstandigheid dat een vreemde werkloze verplicht was onder te duiken en zich aan het maatschappelijk leven te onttrekken omdat hij ingevolge een bevel verplicht was het grondgebied te verlaten, waardoor hij de stempelcontrole niet kon volgen en ook niet kon ingeschreven zijn als werkzoekende, maakt geen overmacht uit. Zijn latere erkenning als vluchteling werkt niet retroactief en hij kan daaruit voor de betrokken periode geen rechten putten naar de werkloosheid toe. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt - vrijstelling van stempelcontrole - overmacht - beslissing van de directeur - volledige controle door de rechter - illegaal verblijf is geen overmacht. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 58 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - 38,2delid - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Andere voorwaarden - vrijstelling van stempelcontrole - overmacht - beslissing van de directeur - volledige controle door de rechter - illegaal verblijf is geen overmacht. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 69 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Aangifte en controle werkloosheidsperiodes - vrijstelling van stempelcontrole - overmacht - beslissing van de directeur - volledige controle door de rechter - illegaal verblijf is geen overmacht. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 71 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - 48,1stelid,8° - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Nota: Gerangschikt onder V A N - artikel 58 - V A N - artikel 69 en onder V A N - artikel

  1. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00009,P.541-543) Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Werkloosheidsuitkering ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040266 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak van: de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. H. J., advocaat te Lier, tegen: de heer H. D., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. Ph. B. loco mr. E. V. (zitting van 4 oktober 2005) en door mr. J. V. C. loco mr. E. V., advocaat te Antwerpen (zitting van 6 december 2005). Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen d.d. 5 mei 2004, 4 oktober 2005, 6 december 2005 en 11 januari
  2. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 19 februari 2004 uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger. W., aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter kennis gebracht op 26 februari 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 25 maart 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 26 maart 2004; - de conclusies voor H. D., ontvangen ter griffie van dit hof op 7 februari 2005; - het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 11 januari 2006, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 11 januari 2006; - de repliek op het advies van het openbaar ministerie voor H. D., ontvangen ter griffie van dit hof per fax op 25 januari 2006 en per post op 26 januari
  3. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2005 en 6 december
  4. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 25 maart 2004, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis van 19 februari 2004 (A.R. 83.447) van de arbeidsrechtbank te Mechelen. Het vonnis werd aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 26 februari
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorafgaande procedure H. D., van Turkse nationaliteit, verklaarde zich vluchteling op 29 augustus
  7. De aanvraag werd niet toegestaan door de Dienst Vreemdelingenzaken. In beroep besliste het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 30 maart 1994 tot verder onderzoek. H. D. werkte tijdelijk onder dekking van een voorlopige vergunning tot tewerkstelling. Uiteindelijk werd asiel geweigerd en ontving H. D. een bevel om het grondgebied te verlaten op 8 juli
  8. Hij zou hieraan geen gevolg hebben gegeven en dook, naar eigen zeggen, onder. Vanuit de illegaliteit diende hij op 24 augustus 1996 een aanvraag in om werkloosheidsuitkeringen. Op 1 juli 1996 had hij zich opnieuw vluchteling verklaard, ditmaal in de Franstalige procedure. De aanvraag werd eerst geweigerd. Op 3 maart 1997 vroeg hij werkloosheidsuitkeringen aan. Aan H. D. werd op 30 april 1997 een bevel betekend om het grondgebied te verlaten. Hij gaf hieraan geen gevolg. Hij ging in beroep bij het Com-missariat-général aux réfugiés et aux apatrides en dook, naar eigen zeggen, opnieuw onder. Het Commissariat-général aux réfugiés et aux apatrides besliste op 31 maart 1998 dat verder onderzoek noodzakelijk was. Op 26 april 1999 werd hij erkend als vluchteling. Op 14 april 2003 diende H. D., via het A.B.V.V. Mechelen, een 'aanvraag tot erkenning van overmacht' in (formulier C54), waarin een vrijstelling werklozencontrole (artikel 48, 8°, M.B. 26 november 1991) voor de periode van 24 augustus 1996 t/m 2 maart 1997 en van 1 april 1997 t/m 10 december 1997, en een vrijstelling van inschrijving als werkzoekende (artikel 38, 1ste lid, 2°, M.B. 26 november 1991) voor de periode van 24 augustus 1996 tot 18 december 1997 en van 1 april 1997 tot 18 december 1997 werd gevraagd. De motivering van deze aanvraag luidde als volgt: "Betrokkene deed op 24/8/'96 een eerste aanvraag als volledig werkloze. Hij had vlak voordien als kandidaat politiek vluchteling een beslissing gekregen om het land te verlaten. Om zijn rechten te vrijwaren en om te vermijden dat hij het land zou uitgezet worden vooraleer hij zijn beroepskansen had uitgeput is hij toen ondergedoken. Achteraf is gebleken dat de beslissing om 't land te verlaten niet gewettigd was. Hierop volgde dan een nieuwe SA dd 3/3/'
  9. Vanaf 1/4/'97 hervatten de problemen opnieuw na een nieuwe asielaanvraag. Nadat deze problemen waren opgelost volgde een nieuwe SA dd 11/12/'
  10. Hij werd in 1999 uiteindelijk erkend als politiek vluchteling. Nadat de beroepen tegen de uitsluiting van de werkloosheidsuitkeringen door betr. werden gewonnen heeft de RVA open code gegeven op 24/8/'96, 3/3/'97 en 11/12/'
  11. Mogen wij u vragen afwijking te willen overwegen voor de opgegeven periodes aub." De directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van het werkloosheidsbureau Mechelen besliste op 18 april 2003 de gevraagde vrijstellingen te weigeren, met als enige motivering: "niet akkoord". Tegen deze beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tekende H. D. verhaal aan bij de arbeidsrechtbank te Mechelen met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 15 juli
  12. De eerste rechters verklaarden in hun vonnis van 19 februari 2004 de vordering ontvankelijk en gegrond, vernietigden de bestreden administratieve beslissing en zegden voor recht dat de door H. D. ingeroepen overmacht als dusdanig kon worden erkend. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelde hiertegen hoger beroep in bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 25 maart
  13. Inmiddels werd bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 4 juni 1998 H. D. toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 24 augustus 1996, en bij vonnis van 16 maart 2000 vanaf 3 maart
  14. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, de bestreden administratieve beslissing te bevestigen en te zeggen voor recht dat de door H. D. aangevraagde overmacht als dusdanig niet kan worden erkend. H. D. vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en derhalve het vonnis a quo integraal te bevestigen.
  15. Ten gronde 4.
  16. Artikel 38, eerste lid, 2°, van het M.B. van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, bepaalt dat de werkloze die niet als werkzoekende is ingeschreven hoewel hij daartoe verplicht was, uitkeringen kan genieten indien hij zich niet of niet tijdig ingeschreven had ten gevolge van een reden van overmacht die door de directeur werd erkend. Artikel 48, eerste lid, 8°, van hetzelfde ministerieel besluit, bepaalt dat de werkloze vrijgesteld is van aanmelding ter gemeentelijke controle, de dagen waarop hij zich niet ter gemeentelijke controle kan aanmelden om een reden van overmacht die door de directeur werd erkend. 4.
  17. Er wordt niet meer betwist dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd was en dat de rechter in dat geval gehouden is ten gronde te beschikken. 4.
  18. Discretionaire bevoegdheid De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening houdt voor dat de toepassing van beide voormelde artikelen uitsluitend behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de directeur. Het hof is het daar niet mee eens. Wanneer de directeur een werkloze niet vrijstelt van stempelcontrole of inschrijving als werkzoekende omdat hij geen overmacht erkent, zodat hij de werkloze alzo uitsluit van het genot van de uitkeringen en deze de weigering betwist, ontstaat er een geschil tussen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en de werkloze over de vergoedbaarheid gedurende een bepaalde periode. De berechting van dit geschil behoort manifest tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank omdat deze, krachtens artikel 580, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, kennis neemt van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van werknemers welke voortvloeien uit de wetgeving inzake werkloosheid. Wanneer de arbeidsrechtbank over een dergelijk geschil uitspraak moet doen, oefent ze een toetsing met volle rechtsmacht uit op de beslissing van de directeur. Mits eerbiediging van de rechten van verdediging en binnen het kader van het geding, zoals dit door partijen is bepaald, valt alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de directeur valt, onder de controle van de rechter. (Cass., 10 mei 2004, www.juridat.be; Cass., 28 juni 1999, J.T.T., 1999, 409). Het feit dat de directeur het begrip overmacht in een bepaalde situatie interpretatief moet invullen, verhindert dus niet dat achteraf hierop een volledige rechterlijke controle gebeurt. De beslissing over de erkenning van overmacht wegens het niet inschrijven als werkzoekende en de niet aanmelding ter gemeentelijke controle, is een beslissing over het subjectieve recht van de betrokkene op uitkeringen die behoort tot de gebonden bevoegdheid van de directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en die het voorwerp uitmaakt van een toetsing met volle rechtsmacht door de arbeidsrechter. 4.
  19. De vonnissen van 4 juni 1998 en 16 maart 2000 Zorgvuldige nalezing van deze onder punt 2 vermelde vonnissen leert dat deze uitsluitend betrekking hebben op de toelaatbaarheidsvoorwaarden (artikel 30 e.v. van het Werkloosheidsbesluit van 25 november 1991), en niet op de toekenningsvoorwaarden (artikel 44 e.v. van hetzelfde besluit). Huidig geschil handelt over de vergoedbaarheid, die behoort tot de toekenningsvoorwaarden. Artikel 38 is een bepaling ter uitvoering van artikel 58 van het Werkloosheidsbesluit (inschrijving als werkzoekende). Artikel 48 is een bepaling ter uitvoering van de artikelen 71 en 72 van het Werkloosheidsbesluit (gemeentelijke werklozencontrole). Hoe dan ook, uit het overzicht van de betalingen van de werkloosheidsuitkeringen (stuk R.V.A.) blijkt dat H. D. geen werkloosheidsuitkeringen heeft genoten in de periodes die thans ter betwisting staan. Het gewijsde van de vonnissen heeft derhalve geen invloed op huidig geschil. 4.
  20. Overmacht Zoals onder punt 2 aangehaald, gaat de betwisting over de periodes van 24 augustus 1996 tot en met 2 maart 1997 en van 1 april 1997 tot en met 10 december 1997, voor wat betreft de vrijstelling van stempelcontrole, en van 24 augustus 1996 tot 18 december 1997 en van 1 april 1997 tot 18 december 1997, voor wat de vrijstelling van inschrijving als werkzoekende aangaat. In de betrokken periodes verbleef H. D. illegaal in het land. Hij voldeed dus niet aan de voorwaarden van artikel 69 van het Werkloosheidsbesluit, dat voorschrijft dat, om uitkeringen te genieten, de vreemde of staatloze werkloze moet voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. Het gaat hier om een toekenningsvoorwaarde waarvan de naleving noodzakelijk is om als werkloze vergoedbaar te zijn. H. D. houdt voor dat hij verplicht was, ten gevolge van twee bevelen om het grondgebied te verlaten, onder te duiken en zich gedurende de voornoemde periodes te "moeten onttrekken aan het maatschappelijk leven", waardoor hij de stempelcontrole niet kon volgen en hij ook niet kon ingeschreven worden als werkzoekende. Hij beroept zich op overmacht. Het hof is van mening dat er in casu geen sprake kan zijn van overmacht. Overmacht kan enkel voortvloeien uit een door de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die de mens niet heeft kunnen voorzien of voorkomen. (Cass., 29 november 1999, J.T.T., 2000, 97). Het openbaar ministerie heeft het bij het rechte eind waar het opwerpt dat het begrip overmacht dient gereconstrueerd te worden, rekening houdend met alle constitutieve elementen van deze casus en de toepasselijke wetgeving, inzonderheid de werkloosheidsreglementering, die van openbare orde is en van strikte interpretatie, en waarover men niet kan beschikken en waarover geen enkele verbintenis kan aangegaan worden: "De toekenningsvoorwaarden van het recht op werkloosheidsuitkeringen zijn de grenzen die door de overheid bij de uitoefening van die rechten worden getrokken en vormen als het ware de organisatie van die rechten zelf, die uit haar aard restrictief is." Wanneer men zich vluchteling verklaart, kan men voorzien dat het asiel niet altijd of automatisch wordt verleend. Weigering van asiel behoort tot de te voorziene mogelijkheden, het bevel krijgen om het grondgebied te verlaten al evenzeer. H. D. vroeg een eerste maal asiel aan op 29 augustus
  21. Dit werd geweigerd en hem werd bevel gegeven om het grondgebied te verlaten op 8 juli
  22. Deze beslissingen maken geen door de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenissen uit. H. D. verklaarde zich dan een tweede maal vluchteling op 1 juli
  23. Op 30 april 1997 ontving hij een bevel om het grondgebied te verlaten. Ook dit is geen onvoorziene gebeurtenis. Dat hij uiteindelijk toch werd erkend als vluchteling op 26 april 1999 maakt zijn daaraan voorafgaand illegaal verblijf niet wettelijk. Zijn erkenning als vluchteling werkt in geen geval retroactief, zodat hij daaruit geen rechten kan putten inzake sociale zekerheid, inzonderheid inzake vergoedbaarheid in de werkloosheidsreglementering. Dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, na een eerste weigering in 1996, dan toch in 1999 besloot om H. D. te erkennen als vluchteling, is een beslissing eigen aan die instantie en genomen op gronden die ons niet gekend zijn. De arbeidsgerechten zijn niet bevoegd om een oordeel te vellen over de al dan niet rechtmatigheid van een bevel om het grondgebied te verlaten of van de weigering van asiel. Ze kunnen slechts vaststellen dat H. D. in de betrokken periodes niet voldeed aan de bepalingen van artikel 69 van het Werkloosheidsbesluit. Overigens dient te worden opgemerkt dat uit niets blijkt dat H. D. in de bewuste periodes daadwerkelijk op het grondgebied van het Rijk verbleef. Het hoger beroep is gegrond. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer P. VAN DEN BON, advocaat-generaal, op de openbare terechtzitting van 11 januari
  24. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Doet het vonnis van 19 februari 2004 (A.R. 83.447) van de arbeidsrechtbank te Mechelen teniet. Opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk, doch ongegrond en bekrachtigt de bestreden beslissing van de directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van het werkloosheidsbureau Mechelen van 18 april
  25. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, door H. D. begroot op 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en door het hof vereffend op hetzelfde bedrag; de kosten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden door het hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op tweeëntwintig februari tweeduizend en zes. Het hof bestond uit: mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, de heer C. AMSSOMS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, aangewezen bij beschikking van 22 februari 2006 door mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid, Ger. W.) om de heer C. SYSMANS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest waarover hij mede beraadslaagd heeft bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (art. 779 Ger. W.), de heer C. HOREMANS, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060222.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.