id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060303.1 Rolnummer: 2002-0679 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-23 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-01 04:13 Fiches 1 - 2 De omstandigheid dat de sociale verzekeringskas, voor het nemen van haar beslissing, is voortgegaan op een ministeriële nota van het RSVZ, terwijl ze niet wist of diende te weten dat deze niet zou geaccepteerd worden door de arbeidsgerechten, kan niet gekwalificeerd worden als een fout in de zin van artikel 1382 BW. Bovendien strekt de vordering tot terugbetaling van onverschuldigde bijdragen, tot uitvoering van verbintenissen die alleen betrekking hebben op de betaling van een geldsom, in de zin van artikel 1153 BW. In dat geval kan de vergoeding nooit in iets anders bestaan dan in de wettelijke intrest, zelfs indien wordt bewezen dat de schade belangrijker is. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK sociaal statuut zelfstandigen - terugbetaling ereloon en kosten advocaat - geen bewezen fout van de verzekeringskas - laattijdige betaling - alleen wettelijke intrest. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1153 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN . SOCIAAL STATUUT terugbetaling ereloon en kosten advocaat - geen bewezen fout van de verzekeringskas - laattijdige betaling - alleen wettelijke intrest. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 20 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Nota: Gerangschikt onder I B artikel 1153 en onder VIII A - artikel
- Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2006(00948,P.é-235) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Vijfde kamer Bijdragen zelfstandigen ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2020679 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE MAART TWEEDUIZEND EN ZES VZW, Sociaal verzekeringsfonds voor Zelfstandigen, met maatschappelijke zetel gevestigd te appellante vertegenwoordigd door mr., advocaat te, tegen : De heer P.G., wonende te, geïntimeerde vertegenwoordigd door, advocaat te. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 3 februari
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 17 januari 2003, 5 december 2003, 6 februari 2004, 2 april 2004, 4 juni 2004 en 3 februari
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het tussenarrest door deze kamer van het arbeidshof tussen partijen gewezen op 2 april 2004 waarbij het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard doch alvorens ten gronde uitspraak te doen de heropening der debatten werd bevolen. x de conclusie na heropening der debatten voor de heer P.G., ontvangen ter griffie van dit hof op 26 november 2004; x de conclusie na heropening der debatten voor de VZW A., hierna de VZW genoemd, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 april 2005; x de syntheseconclusie na heropening der debatten voor de heer P.G., ontvangen ter griffie van dit hof op 22 september 2005; x de tweede conclusie na heropening der debatten voor de VZW ontvangen ter griffie van dit hof op 14 oktober
- II. DE FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING Wat de feiten en voorafgaande rechtspleging betreft kan volstaan worden met verwijzing naar het hiervoor vermelde tussenarrest, dat de ter zake relevante feiten zoals weergegeven door het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies van 6 februari 2004 overnam. III. EISEN IN HOGER BEROEP De VZW vordert haar akte te verlenen dat zij de hoofdsom, de interest en gerechtskosten volledig heeft betaald aan de heer P.G., zodat de oorspronkelijke vordering uitgedoofd is en het hoger beroep derhalve zonder voorwerp is. Rechtsprekend op de door de heer P.G. bij tegenvordering gestelde conclusies: te zeggen voor recht dat deze tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond dient te worden verklaard en hem te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie na heropening der debatten dd. 26 november 2004 vordert de heer P.G. de betaling van de gerechtelijke interest op 3.253,24 EUR vanaf 25 juli 2001 tot 8 november 2004, hetzij de datum van effectieve betaling. Met toepassing van artikel 1154 van het B.W. vordert de heer P.G. tevens interest toe te kennen op de vervallen interest die minstens voor een geheel jaar verschuldigd is. Tenslotte de VZW te veroordelen tot betaling van 1 EUR provisioneel ten titel van advocaatkosten en tot de kosten van het geding van beide instanties. Met syntheseconclusie d.d. 22 september 2005 vordert de heer P.G. het hoger beroep van de VZW ontvankelijk doch niet gegrond te verklaren, het incidenteel beroep van de heer P.G. ontvankelijk en gegrond te verklaren en de VZW derhalve te veroordelen tot betaling van: - 50 EUR saldo aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten arbeidsrechtbank (55,46 EUR - 5,46 EUR), - 59,47 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening debatten arbeidshof, - 151,67 EUR saldo rechtsplegingsvergoeding arbeidshof, 285,55 EUR (eventueel aan te passen aan het indexcijfer op het ogenblik van de uitspraak - 133,88 EUR (reeds betaald) Bovendien de VZW te veroordelen tot betaling van 8.381,36 EUR provisioneel advocaatkosten. IV. BEOORDELING
- Geen definitief akkoord Het staat niet ter discussie dat de VZW A., hierna de VZW genoemd, met brief van 23 september 2004 conform de bij tussenarrest van 2 april 2004 van dit hof vastgestelde principes aan de heer P.G. een herberekening van de bijdragen en aankleven heeft overgemaakt; herberekening die resulteerde in een gehoudenheid van de VZW tot terugbetaling van een hoofdbedrag van 3.253,24 EUR. Het staat evenmin ter discussie dat de hoofdsom werd betaald op 8 november 2004 en dat de interest en procedurekosten ten bedrage van 1.073,44 EUR op 1 december 2004 op de rekening derdengelden van de raadsman van de heer P.G. werden gestort. De heer P.G. laat gelden dat tussen partijen geen definitief akkoord werd bereikt omtrent de interest en procedurekosten en dat de betaling ervan door de VZW derhalve slechts een gedeeltelijke betaling uitmaakte. Op basis van de door de raadsman van de heer Rogge neergelegde briefwisseling tussen de raadslieden van partijen gevoerd, is ook het hof van oordeel dat omtrent de intrest en procedurekosten geen onvoorwaardelijke akkoordverklaring tussen partijen is tot stand gekomen ( cfr. na stuk 2 dossier De heer P.G.). De omstandigheid dat de VZW, na neerlegging van de conclusie van de heer P.G. dd. 26 november 2004 waarbij én de betaling van de interest en gerechtskosten werd gevorderd én de kapitalisatie van de interest alsook advocaatkosten, uiteindelijk toch akkoord ging met de oorspronkelijke afrekening inzake interest en procedurekosten en (tijdig)overgegaan is tot integrale betaling, doet evident geen afbreuk aan voorgaande overweging en besluitvorming.
- Kapitalisatie van de interest Met conclusie na heropening der debatten dd. 26 november 2004, en herhaald met syntheseconclusie, vordert de heer P.G. de kapitalisatie van de interest. Op de terechtzitting van 3 februari 2003 doet de heer P.G. afstand van deze vordering en het hof verleent aan de heer P.G. akte van deze afstand.
- Aanvullende rechtsplegingsvergoeding -incidenteel beroep Vermits geen definitief akkoord tussen partijen omtrent de afrekening is tot stand gekomen, dient het incidenteel beroep van de heer P.G. ontvankelijk te worden verklaard. De heer P.G. vordert de betaling van een saldo van 50 EUR ten titel van aanvullende rechtsplegingsvergoeding m.b.t. de heropening der debatten voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Waar de heer P.G. de aanvullende rechtspleging voor de eerste rechters ten onrechte heeft begroot op 5,46 EUR in plaats van 55,46 EUR en het ter zake om een verschrijving gaat, hetgeen overigens niet betwist wordt door de VZW, dient deze materiële vergissing rechtgezet te worden. Het incidenteel beroep is derhalve gegrond.
- Advocaatkosten Met conclusie na heropening der debatten dd. 26 november 2004 vordert de heer P.G. betaling van 1 EUR provisioneel als terugbetaling van het ereloon en de kosten van zijn advocaat in deze zaak, bij synthesebesluiten begroot op 8.381,36 EUR provisioneel. De heer P.G. verwijst desbetreffend naar het artikel van H. Lamon in de Juristenkrant van 22 september 2004 ( blz. 8 ev.), waarin het arrest van 2 september 2004 van het Hof van Cassatie ( NjW 2004, 953) wordt besproken. Met voornoemd arrest besliste het Hof van Cassatie dat het honorarium en de kosten van en advocaat of van een technisch raadsman die de benadeelde van een contractuele fout heeft betaald, een vergoedbaar element van zijn schade kunnen vormen, in zoverre zij met toepassing van artikel 1151 van het B.W. een noodzakelijk gevolg zijn van die contractuele wanprestatie. Het staat niet ter discussie in de rechtsleer dat de hierboven geponeerde vergoedbaarheid van honorarium en kosten van de advocaat ook geldt voor de gemeenrechtelijke buitencontractuele aansprakelijkheid; het buitencontractueel schadebegrip heeft immers een identieke inhoud als het schadebegrip in de contractuele aansprakelijkheidsleer en de causaliteitsvereiste is daarenboven identiek in beide aansprakelijkheidsleerstukken (vgl. B. DE TEMMERMAN, "Verhaalbaarheid van kosten van juridische bijstand op het knooppunt van aansprakelijkheidsrecht en procesrecht,", R.W. 2004-2005, 1404; B.WILMS en K. CHRISTIAENS, " Erelonen en kosten van advocaten kunnen op een schadeveroorzakende partij worden verhaald als onderdeel van door een slachtoffer geleden schade", R.W. 2004-2005, 546). Het hof is evenwel van oordeel niet te kunnen ingaan op de door de heer P.G. ingestelde vordering tot betaling van de advocaatkosten om de hiernavolgende redenen. Op basis van de feitelijke uiteenzetting van het tussenarrest van 2 april 2004 van dit hof, dat verwijst naar het overzicht van de relevante feiten zoals opgenomen in het schriftelijk advies van 6 februari 2004 van het openbaar ministerie, en de neergelegde stukken, in het bijzonder stuk 15 dossier VZW, blijkt dat de heer P.G., hoewel hij zich niet kon verzoenen met de door het RSVZ weerhouden netto -bedrijfsinkomsten als zelfstandige, vrijwillig en op eigen initiatief -zij het onder voorbehoud van alle rechten -is overgegaan tot betaling van de door de VZW met brief van 20 juni 2001 gevorderde bijdragen (definitieve afrekening inzake herziening van bijdragen), om onmiddellijk aansluitend op deze betaling de VZW te dagvaarden voor de arbeidsrechtbank in terugbetaling van de door hem gedane onverschuldigde betaling. Uit wat voorafgaat blijkt dat de heer P.G. zelfstandig een keuze heeft gemaakt over de wijze waarop het tussen partijen ontstane geschil diende aangepakt te worden en daarbij heeft geopteerd voor het opstarten van een procedure. De heer P.G. heeft hierdoor elke mogelijkheid om alsnog tot een regeling in der minne te komen, uitgesloten en dient derhalve in te staan voor de gevolgen van deze handelswijze. Bovendien behoort het overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering aan de heer P.G. die, met toepassing van de " leer" van het cassatiearrest van 2 september 2004, de kosten verbonden aan de bijstand en verdediging wil verhalen in het kader van een aansprakelijkheidsvordering, het bewijs te leveren van een fout van de VZW. In casu faalt de heer P.G. in deze op hem rustende bewijslast. De omstandigheid dat het arbeidshof zich met zijn voormeld tussenarrest van 2 april 2004 niet heeft aangesloten bij de door de VZW bij brief van 20 juni 2001 opgestelde definitieve afrekening van herziening van bijdragen voor een bedrag van 2.097,60 EUR, impliceert evident niet dat de VZW een fout heeft begaan, dit geldt a fortiori nu het hof bij zijn tussenarrest heeft vastgesteld en beslist dat geen der partijen de juiste bijdragegrondslag heeft gehanteerd ter berekening van de verschuldigde sociale bijdragen in het kader van het zelfstandig bijberoep van de heer P.G.. De herzieningsbeslissing van de VZW zou alleen als foutief kunnen worden aangemerkt indien zij zou bestaan in een gedraging die een foute gedragslijn vormt, die beoordeeld moet worden volgens de maatstaf van een normaal zorgvuldig sociaal verzekeringsfonds dat in dezelfde omstandigheden verkeert ( cfr. Cass. 25 oktober 2004, http:/ www.juridat.be, op datum), gedrag dat niet wordt aangetoond door de heer P.G. en dat het hof op grond van de voorliggende stukken evenmin kan vaststellen. Zoals reeds gezegd in het hierboven vermeld tussenarrest van 2 april 2004 heeft de VZW zich voor de berekening van de bijdragegrondslag - dat leidde tot een definitieve afrekening van de herziening van bijdragen verschuldigd voor het tweede kwartaal 1994 tot en met het vierde kwartaal van 1999 - gesteund op een ministeriële richtlijn, uitgevaardigd in een "nota aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen van 21 oktober 1977 ( nr.P.740/77/21) van het RSVZ "(stuk 7 bis dossier VZW). Het RSVZ, dat door de VZW op 3 december 1999 werd verzocht een onderzoek in te stellen naar de exacte netto zelfstandige beroepsinkomsten van de heer P.G., kwam tot dezelfde bevindingen als de VZW. De omstandigheid dat de VZW voor het nemen van haar beslissing is voortgegaan op de tot dan geldende ministeriële nota van het RSVZ, terwijl niet blijkt dat zij wist of diende te weten dat deze niet zou geaccepteerd worden door de arbeidsgerechten, in casu het arbeidshof (cfr p.6 en 7 tussenarrest), kan evident niet gekwalificeerd worden als een fout in de zin van artikel 1382 van het B.W. en leidt derhalve niet tot een buitencontractuele aansprakelijkheid van de VZW. Het is slechts ten overvloede dat het hof ten deze nog opmerkt dat de vordering van de heer P.G. tot terugbetaling van de door hem onverschuldigde betaling van bijdragen, een vordering is die strekt tot uitvoering van verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, in de zin van artikel 1153 van het B.W. Wanneer, zoals in deze zaak, de verbintenis van de schuldenaar alleen betrekking heeft op het betalen van een geldschuld, heeft de wetgever een wettelijk schadebeding in het leven geroepen door in artikel 1153 B.W. te bepalen dat de vergoeding wegens de laattijdige betaling nooit in iets anders dan in de wettelijke intrest kan bestaan, tenzij de wet anders bepaalt. Dit impliceert dat de schuldeiser, ook wanneer hij kan bewijzen dat zijn schade belangrijker is, toch niet meer dan de wettelijke intrest als schadevergoeding kan bekomen, wanneer de verbintenis laattijdig wordt uitgevoerd. In dit verband moet er tevens aan herinnerd worden dat t.a.v. geldschulden de niet-uitvoering of de gedeeltelijke uitvoering, noodzakelijk op een laattijdige uitvoering neerkomen, zodat zij in het toepassingsbereik van artikel 1153 B.W. vallen. (vgl. CORNELIS, L. "Algemene theorie van de verbintenis", Antwerpen - Groningen, Intersentia Rechtswetenschappen, 567) Compenserende schadevergoeding bij schuldige niet nakoming van een verbintenis strekkende tot betaling van een geldsom kan door de rechter niet worden toegestaan. De rechter kan alleen vaststellen dat de verschuldigde geldsom niet betaald werd, een uitvoerbare titel uitreiken voor de opvordering en moratoire intrest toekennen wegens de vertraging waarmee de schuld werd vereffend. (vgl. VANDEPUTTE, R., "De overeenkomst. Haar ontstaan, haar uitvoering en verdwijning, haar bewijs", Brussel, Larcier, 1977, 255 en de aldaar geciteerde rechtsleer). Gelet op het voorgaande is de vordering van de heer P.G. in terugbetaling van de door hem gemaakte advocatenkosten niet gegrond.
- De oorspronkelijke tegenvordering Gezien de betaling van de hoofdsom, interest en procedurekosten m.b.t. de hoofdvordering (behoudens het gestelde sub IV.
- van dit arrest), dient de tegenvordering van de VZW strekkende tot betaling van de per 1 juli 2001 toegepaste wettelijke verhogingen betreffende het tweede tot en met het vierde kwartaal van 1994 en de jaren 1995 tot en met 1999 voor een bedrag van 50,69 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interest, ongegrond te worden verklaard. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Het tussenarrest van 2 april 2004 verder uitwerkend. Verklaart het hoger beroep van de VZW ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van de heer P.G. ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van 21 oktober 2002 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen in zoverre het de VZW veroordeelde tot betaling aan de heer P.G. van een bedrag van 2.097,59 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf 25 juli
- En opnieuw rechtsprekend hieromtrent. Verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering van de heer P.G. zonder voorwerp. Veroordeelt de VZW tot betaling aan de heer P.G. van 50 EUR saldo aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten arbeidsrechtbank Antwerpen. Verleent akte aan de heer P.G. van zijn afstand van vordering tot kapitalisatie van interest. Verklaart de vordering van de heer P.G. in terugbetaling van advocatenkosten ontvankelijk doch ongegrond. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de VZW. Vereffent deze aan de zijde van VZW op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van de heer P.G. op: 285,57 EUR - 133,88 EUR= 151,69 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, 57,01 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 3 maart 2006, waar aanwezig waren: De heer J. G, raadsheer, voorzitter van de kamer, aangewezen bij beschikking d.d. 14 februari 2006 door mevrouw H. C, raadsheer, die de Eerste Voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om mevrouw L. B, raadsheer, voorzitter van de kamer, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover zij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.) mevrouw H. C, Raadsheer, de heer G. M, Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, mevrouw S. V, Adjunct - griffier PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060303.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div