← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060309.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 09 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060309.5 Rolnummer: 2003-0747 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 296 - laatst gezien 2026-07-04 08:40 Fiches 1 - 2 Een mandaat als bestuurder in een vennootschap is een activiteit welke de werkloze verricht voor zichzelf en die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en niet beperkt is tot het gewone beheer van eigen bezit. De vaststelling dat de werkloze heeft nagelaten aangifte te doen van dit mandaat, dat als bijberoep wordt uitgeoefend, bij zijn uitkeringsaanvraag volstaat om hem uit te sluiten van de werkloosheidsuitkeringen, ongeacht de bewering dat er geen activiteit werd uitgeoefend of dat het mandaat onbezoldigd was. Rechtsdwaling kan slechts in aanmerking genomen worden als rechtvaardigingsgrond wanneer zij onoverwinnelijk is. Dit is slechts het geval wanneer zij voortvloeit uit een vreemde oorzaak die niet kan toegerekend worden aan de sociaal verzekerde, voor zover elk redelijk en voorzichtig mens in dezelfde omstandigheden ook zou gedwaald hebben. In toepassing van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 moet de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheidbureau uitdrukkelijk gemotiveerd zijn ook wat de hoegrootheid van de opgelegde administratieve sanctie betreft, wat inhoudt dat de motivering afdoende moet zijn en dat de juridische en feitelijke overwegingen moeten vermeld worden welke aan de beslissing ten grondslag liggen. Nu de arbeidsgerechten op de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau een toetsing met volle rechtsmacht uitoefenen, valt alles wat tot de beoordelingsbevoegdheid van de directeur behoort, met inbegrip van de keuze van de administratieve sanctie, onder de controle van de arbeidsgerechten. Vermits geen bijzondere bepaling aan de directeur een discretionaire bevoegdheid toekent voor wat de hoegrootheid van de op te leggen administratieve sanctie betreft, kan de rechter ofwel deze sanctie bevestigen, dan wel deze sanctie milderen door de duur ervan te herleiden binnen de wettelijke grenzen of ze te voorzien van een geheel of gedeeltelijk uitstel, ofwel deze sanctie beperken tot het geven van een verwittiging zoals voorzien in artikel 157bis van het werkloosheidsbesluit. Noot: zie ook Cass. 10 mei 2004, A.R. nr. S.020076.F, www.juridat.be UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . ADMINISTRATIEF RECHT werkloosheid - toekenningsvoorwaarden - zaakvoerder - nevenactiviteit - geen aangifte - administratieve sancties - hoegrootheid - motivering - beoordelingsbevoegdheid. Wettelijke bepalingen: Wet op het sociaal verweer - 09-03-2006 - 2 - 36 ELI link Pub nr 2006031113 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID administratieve sancties - toekenningsvoorwaarden - zaakvoerder - nevenactiviteit - geen aangifte - hoegrootheid - motivering - beoordelingsbevoegdheid. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 157bis - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder I L - artikel 2 en onder V AN - artikel 157bis. Annotaties Publicaties: SRK 2008 - - nr. 9 - blz. 529-532 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN, AFDELING ANTWERPEN ARREST A.R. 2030747 OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGEN MAART TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: N. C., appellante, op de zitting vertegenwoordigd door mr. A. M., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 4 februari 2004, 6 december 2005 en 9 februari 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 november 2003 (A.R. 354.426 + A.R. 354.427); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 december 2003; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 18 mei 2004; - de conclusies voor appellante, neergelegd op de griffie van dit hof op 7 november
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 3 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen), de bundel van de raadsman van appellante bestaande uit 4 genummerde stukken en de bundel van de raadsman van geïntimeerde bestaande uit 3 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 9 februari
  3. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
  4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 december 2003, tekende N. C. hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd gewezen door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 20 november 2003 (A.R. 354.426 en 354.427). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 24 november
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorgaande rechtspleging N. C. vroeg werkloosheidsuitkeringen aan vanaf 5 maart
  7. Bij haar aangifte van de persoonlijke en familiale toestand verklaarde zij geen nevenactiviteit uit te oefenen (stuk 1 appellante: formulier C1 van 6 maart 2001). Met schrijven van 19 december 2001 meldt N. C. aan de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling dat zij recent onbezoldigd zaakvoerder is van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Naar aanleiding van een onderzoek legde N. C. ten overstaan van een sociale controleur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen op 1 augustus 2002 volgende verklaring af (stuk 9 administratief dossier: formulier C25.2): "U deelt mij de reden van dit verhoor mee, namelijk de nevenactiviteit die ik uitoefen in de BVBA publibook. Door mijn vroeger werk en door een vriend die dit in het buitenland deed kwamen we op het idee een bezigheidsen leesboekje te ontwikkelen dat gratis in de wachtkamers van doktersspecialisten en in de ziekenhuizen zou gelegd worden. Het zou gefinancierd worden door kindervriendelijke publiciteit. Uiteindelijk is het een totaal financieel fiasco, wij steken er continu geld in. U zegt mij dat ik een aangifte had moeten doen van mijn nevenactiviteit; ik was daar niet van op de hoogte, de BVBA is ook opgericht toen ik nog werkte, dus ik had de reflex niet om na te gaan of ik niet op zoek moest naar meer informatie. Ik heb het formulier C1 ondertekend zonder te beseffen dat nevenactiviteit, mijn activiteit bedoelde. De bedienden van de HVW hebben daar ook geen verdere uitleg over gegeven of vragen gesteld. Ik heb de activiteit steeds gemeld bij al mijn contacten met VDAB en RVA, waarvan ik dacht dat deze instellingen samenwerkten. U vraagt mij wanneer wij, dus vooral ik aan die activiteit bezig was, enkel in het weekeinde en heel uitzonderlijk eens een avond in de week. Mijn onwetendheid en eerlijkheid blijkt ook uit het feit dat ik zelf een kopie heb bijgevoegd van mijn brief van 19/12/
  8. Ik zal zo gauw mogelijk aangifte doen, en houd vol dat ik totaal onwetend was, totaal te goeder trouw was en nog steeds ben." Met een schrijven van 24 september 2002 werd N. C. door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening uitgenodigd om op 4 oktober 2002 gehoord te worden in haar verweermiddelen omtrent "het feit dat u geen aangifte deed van uw zelfstandige activiteit, u bent nl. met uw echtgenoot zaakvoerder van bvba Publibook. U plaatste geen schrappingen op uw controleformulier waardoor u ten onrechte aanspraak kon maken op werkloosheidsuitkeringen." Op het verhoor van 4 oktober 2002 legde N. C. volgende verklaring af: "Ik kreeg voorlezing van mijn verklaring afgelegd aan de controleur op 1/8/
  9. Ik heb aan mijn verklaring niets toe te voegen. Ik ben zaakvoerder geworden toen ik nog voltijds werkte omdat ik over de nodige diploma's beschikte. Het is nog steeds onze droom om het boekje verder te kunnen uitgeven en rendabel te maken. Er wordt geannonceerd in het boekje om de kosten te dekken. Het was hoofdzakelijk mijn echtgenoot die er aan werkte. Ikzelf enkel in het weekeinde omdat ik voor de kinderen zorgde. Vanaf 3/8/2002 werk ik opnieuw bij mijn vader. In het ziekenhuis moet hij wel op pensioen maar zijn eigen praktijk houdt hij aan. Ik werk deeltijds voor hem en geniet geen bijkomende uitkeringen. Ik was mij van geen kwaad bewust dat ik geen recht op uitkeringen zou hebben. Ik heb zelf in mijn brief melding gemaakt van mijn activiteit. Wanneer ik frauduleuze bedoelingen had zou ik dit wel verzwegen hebben. In januari 2002 ben ik mijn adreswijziging gaan melden bij HVW en had opnieuw dezelfde fout gemaakt door geen melding te maken en het formulier C1 te ondertekenen zonder het zelf na te lezen. Ik leg een verklaring van de accountant voor waaruit de minieme verdiensten blijken. Op een jaar tijd werden slechts twee boekjes gemaakt. Ik ben wel ingeschreven in een kas voor zelfstandigen maar betaal de minimum bijdragen per kwartaal. Van de belastingen had ik vorig jaar geen brief gekregen als zelfstandige, dit jaar wel ik heb hiervoor getelefoneerd en gemeld dat ik geen inkomsten had. Men had me aangeraden om het formulier te schrappen en nihil op te vermelden wat ik dan ook gedaan heb." De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen besliste op 25 november 2002 (beslissing die de eerder genomen beslissing van 12 november 2002 vernietigde en verving) (stuk 15 administratief dossier): - N. C. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 5 maart 2001 op grond van de artikelen 44 en 45 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit); - de uitkeringen die N. C. vanaf 5 maart 2001 onrechtmatig ontving terug te vorderen op grond van artikel 169, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit; - N. C. op grond van artikel 154 van het Werkloosheidsbesluit uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 2 december 2002 gedurende een periode van 10 weken waarvan 6 weken met uitstel omdat zij heeft nagelaten vóór het begin van een activiteit die niet verenigbaar is met het recht op uitkeringen, het overeenstemmende vakje van haar controlekaart zwart te maken; de effectieve uitsluiting voor een periode van 4 weken te laten aanvangen op 13 januari
  10. Met schrijven van 11 december 2002 betekende de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen, in uitvoering van zijn beslissing C29 van 25 november 2002, een beslissing tot terugvordering met verzoek de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 5 maart 2001 tot en met 31 juli 2002 ten bedrage van 9.625,17 euro terug te betalen (stuk 5 bundel appellante: beslissing tot terugvordering C31). Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 20 februari 2003, tekende N. C. beroep aan tegen de administratieve beslissing van 25 november
  11. Dit hoger beroep werd ingeschreven onder algemene rolnummer 354.
  12. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 20 februari 2003, tekende N. C. beroep aan tegen de terugvorderingsbeslissing van 11 december
  13. Dit hoger beroep werd ingeschreven onder algemene rolnummer 354.
  14. Bij vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 november 2003 werd(en): - de zaken gekend onder A.R. 354.426 en A.R. 354.427 samengevoegd overeenkomstig artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek; - de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard; - de administratieve beslissingen van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 25 november 2002 en 11 december 2002 bevestigd; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van N. C. begroot op 100,40 euro en 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding, doch herleid tot één enkele rechtsplegingsvergoeding van 102,63 euro; aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werden de kosten niet begroot. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 december 2003, tekende N. C. hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis.
  15. Eisen in hoger beroep N. C. (appellante) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende : x de administratieve beslissingen te vernietigen; x te zeggen voor recht dat er geen enkele reden voorhanden is om enige sanctie op te leggen aan N. C.; x minstens in ondergeschikte orde de aan N. C. opgelegde sanctie te herleiden tot een verwittiging, dan wel een sanctie met uitstel; x de terugvordering af te wijzen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van appellante begroot op 214,18 euro rechtsple-gingsvergoeding eerste aanleg, op 59,47 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en op 285,55 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep als ongegrond af te wijzen; - het vonnis van 20 november 2003 van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen en de administratieve beslissingen van 25 november 2002 (C29) en 11 december 2002 (C31) integraal te bevestigen.
  16. Ten gronde 5.
  17. Toekenningsvoorwaarden Bij bestreden administratieve beslissing van 25 november 2002 werd appellante vanaf 5 maart 2001 uitgesloten van het recht op uitkeringen in toepassing van artikelen 44 en 45 van het Werkloosheidsbesluit. Overeenkomstig artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit moet de werkloze, om uitkeringen te kunnen genieten, wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Het begrip 'arbeid' wordt gedefinieerd bij artikel 45 van het Werkloos-heidsbesluit. De wetgever onderscheidt twee soorten activiteit: - enerzijds een activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van eigen bezit (artikel 45, eerste lid, 1°); - anderzijds de activiteit verricht voor een derde waarvoor de werknemer enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen (artikel 45, eerste lid, 2°). De werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45 kan, mits toepassing van artikel 130, uitkeringen genieten indien hij voldoet aan de voorwaarden zoals opgesomd in artikel 48 van het Werkloosheidsbesluit. Deze voorwaarden houden onder meer in dat hij van die activiteit aangifte dient te doen (artikel 48, ,§1, 1° Werkloosheidsbesluit). Uit de niet betwiste feitelijke gegevens van het administratief dossier blijkt: - dat appellante en haar echtgenoot op 7 april 2000 een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid hebben opgericht onder de naam "PUBLIBOOK", met zetel te 2100 Deurne, Van Duyststraat 42, waarvan het geplaatst kapitaal 18.600 euro bedraagt en verdeeld is in 620 aandelen (310 aandelen zijn ingeschreven door appellante en 310 aandelen door haar echtgenoot); - de vennootschap heeft tot doel: - het ontwerpen en voeren van reclame- en promotiecampagnes voor derden; - het ontwerpen van publicitaire teksten, slogans en publicitaire artikelen; - het concipiëren van reclametechnieken teneinde de individuele consument te benaderen; - de vennoten hebben voor een onbepaalde termijn appellante benoemd tot niet-statutaire zaakvoerder; haar opdracht van zaakvoerder is onbezoldigd; - appellante is aangesloten bij een kas voor zelfstandigen en betaalt de minimumbijdragen per kwartaal; - appellante heeft bij haar uitkeringsaanvraag geen aangifte gedaan van haar mandaat als zaakvoerder van de bvba Publibook (zie stuk 1 bundel appellante: formulier C1, aangifte van de persoonlijke en familiale toestand). Overeenkomstig artikel 3, ,§1, vierde lid van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen worden personen benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennoot-schapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging, op onweerlegbare wijze vermoed in België een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen. In uitvoering van deze bepaling wordt volgens artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van voormeld koninklijk besluit nr. 38, de uitoefening van een mandaat in een vennootschap naar rechte of in feite die zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt, op onweerlegbare wijze vermoed de uitoefening van een bedrijvigheid te zijn, die verzekeringsplicht aan het sociaal statuut der zelfstandigen met zich brengt. Een mandaat als bestuurder van een vennootschap maakt derhalve een activiteit uit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van eigen bezit (in dezelfde zin Cass., 2 maart 1998, R.V.A. / V.M., AR nr. S.97.0076.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980302.7; Cass, 30 september 2002, R.V.A. / V.K., AR nr. S.02.0026.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020930.4., J.T.T. 2002, 11). De loutere vaststelling dat appellante houder was van een mandaat in een handelsvennootschap en dat zij hiervan geen aangifte heeft gedaan bij haar uitkeringsaanvraag volstaat om de uitsluiting van het genot van de uitkeringen te rechtvaardigen zelfs indien de werkloze beweert geen werkelijke activiteit uitgeoefend te hebben of haar mandaat onbezoldigd werd uitgeoefend (Cass. 18 juni 2001, A.R. S.99.0203.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010618.11, J.T.T. 2001, 373; Cass., 22 oktober 2001, A.R. S.00.108.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011022.7). Appellante beroept zich tevergeefs op de figuur van rechtsdwaling met betrekking tot de inhoud van het begrip 'nevenactiviteit'. Rechtsdwaling maakt slechts een rechtvaardigingsgrond uit wanneer zij onoverwinnelijk is, dit wil zeggen wanneer ze voortvloeit uit een vreemde oorzaak die niet kan toegerekend worden aan de sociaal verzekerde en wanneer deze dwaalde, zoals elk redelijk en voorzichtig mens in dezelfde omstandigheden zou gedwaald hebben. De onoverkomelijkheid houdt in dat de dwaling moet zijn veroorzaakt door een externe factor die niet kan worden toegeschreven aan de nalatigheid van de betrokkene. (B. De Smet, "De onoverkomelijke rechtsdwaling als wapen tegen overregulering en artificiële incriminaties", R.W. 1992/1993, 1295). De goeder trouw is onvoldoende als bewijs van het onoverkomelijk karakter van de dwaling. Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de door appellante ingeroepen dwaling geenszins onoverwinnelijk was; appellante kon immers, op het ogenblik van haar uitkeringsaanvraag, de nodige inlichtingen inwinnen bij haar uitbetalingsinstelling met betrekking tot het begrip 'nevenactiviteit'. Overeenkomstig artikel 24 van het Werkloosheidsbesluit heeft de uitbetalings-instelling immers tot opdracht de werknemer kosteloos raad te geven en alle dienstige inlichtingen te verstrekken betreffende zijn rechten en plichten met betrekking tot de werkloosheidsverzekering. Indien appellante van oordeel is dat haar uitbetalingsinstelling zich niet behoorlijk van haar informatietaak heeft gekweten en zij daardoor schade heeft geleden had zij deze overeenkomstig de regelen van het gemeenrecht aansprakelijk kunnen stellen. Het argument van appellante dat haar onbezoldigde nevenactiviteit geen enkele impact heeft op haar beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt is niet relevant bij gebreke aan een voorafgaande aangifte van deze nevenactiviteit. Artikel 48 van het Werkloosheidsbesluit bepaalt immers dat de werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45 slechts uitkeringen kan genieten op voorwaarde dat hij daarvan aangifte doet bij zijn uitkeringsaanvraag zodat de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt kan onderzocht worden met een vermindering van het bedrag van de uitkeringen in geval van toegelaten cumulatie. Samenvattend besluit het hof dat appellante niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden en dienvolgens terecht werd uitgesloten vanaf 5 maart 2001 van het recht op werkloosheidsuitkeringen in toepassing van de artikelen 44 en 45 van het Werkloosheidsbesluit. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. 5.
  18. Administratieve sanctie Overeenkomstig artikel 154, eerste lid, 1° van het Werkloosheidsbesluit kan de werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft ontvangen van de uitkeringen worden uitgesloten gedurende ten minste 1 week en ten hoogste 26 weken doordat hij vóór de aanvang van de activiteit bedoeld in artikel 45, hiervan geen melding maakte op zijn controlekaart met onuitwisbare inkt (schending van artikel 71, eerste lid, 4° van het Werkloosheidsbesluit). In toepassing van artikel 157bis van het Werkloosheidsbesluit kan de directeur zich beperken tot het geven van een verwittiging of de uitsluitingsbeslissing voorzien van een geheel of gedeeltelijk uitstel indien in de voorafgaande twee jaar geen gebeurtenis heeft plaatsgevonden die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een sanctie op grond van de artikelen 153, 154 en 155 van het Werkloosheidsbesluit. Appellante werd bij bestreden administratieve beslissing vanaf 25 november 2002 uitgesloten van het recht op uitkeringen vanaf 2 december 2002 gedurende een periode van 10 weken waarvan 6 weken met uitstel omdat zij heeft nagelaten vóór het begin van een activiteit die niet verenigbaar is met het recht op uitkeringen, het overeenstemmende vakje van haar controlekaart zwart te maken. Appellante houdt voor dat de hoegrootheid van de sanctie niet werd gemotiveerd zodat de administratieve beslissing moet vernietigd worden; in ondergeschikte orde vordert appellante de opgelegde sanctie te vervangen door een verwittiging, of minstens - in geval van oplegging van een sanctie - deze gepaard te laten gaan met een uitstel gelet op haar spontane verbeterende aangifte, de goeder trouw, de zeer beperkte deficitaire activiteit van de vennootschap, haar werkwilligheid en het advies van de sociaal controleur aan de dienst betwistingen om de kleinst mogelijke sanctie op te leggen gezien "de activiteit weinig tijd in beslag nam en eerder humanitair dan commercieel was". In toepassing van artikelen 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991) moeten de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk worden gemotiveerd; de opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en zij moeten afdoende zijn. In tegenstelling met wat wordt beweerd door appellante werd de administratieve sanctie wel degelijk gemotiveerd en wel in hiernavolgende bewoordingen: "U hebt nagelaten om vóór het begin van een activiteit die niet verenigbaar is met het recht op uitkeringen, het overeenstemmende vakje van uw controlekaart zwart te maken. Hierdoor ontving u uitkeringen waarop u geen recht had. De werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen omdat hij nagelaten heeft om vóór het begin van een activiteit die niet verenigbaar is met het recht op uitkeringen, het overeenstemmende vakje van zijn controlekaart zwart te maken, kan worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 1 week en ten hoogste 26 weken (artikel 154, eerste lid). De directeur kan zich beperken tot het geven van een verwittiging of de uitsluitingsbeslissing voorzien van een geheel of gedeeltelijk uitstel indien in de voorafgaande twee jaar geen gebeurtenis heeft plaatsgevonden die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een sanctie op grond van artikel 153, 154 of 155 (artikel 157bis, ,§,§2 en 3). In uw geval werd de duur van de uitsluiting bepaald op 10 weken gelet op de duur van de overtreding. Om dezelfde reden(en) beperk ik mij niet tot het geven van een verwittiging (art. 157bis, ,§1, lid 1) en voorzie ik de uitsluitingsbeslissing niet van een geheel uitstel (art. 157bis, ,§2, lid 1). Deze uitsluiting wordt voorzien van een gedeeltelijk uitstel van 6 weken. Een gedeeltelijk uitstel betekent dat u het recht op uitkeringen behoudt gedurende de periode waarop het uitstel betrekking heeft op voorwaarde dat u alle andere toekenningsvoorwaarden vervult. Het uitstel wordt toegekend aangezien in de voorafgaande twee jaar geen sanctie werd toegepast op grond van artikel 153, 154 of 155 en gelet op de spontane aangifte van uw zelfstandige activiteit en uw werkwilligheid, u bent nl. opnieuw deeltijds tewerkgesteld zonder aanvullende uitkeringen." De duur van de sanctie werd dus afdoende gemotiveerd a fortiori wanneer men deze motivering situeert binnen het kader van de globale beslissing van geïntimeerde die in uitvoerige bewoordingen verwijst naar de feiten en het recht dat op die feiten moet toegepast worden. Door dergelijk motivering is appellante in staat te oordelen of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft zodat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet werd geschonden. Geïntimeerde is ten onrechte van oordeel dat het aan de rechterlijke macht niet zou toekomen om een administratieve sanctie te beoordelen. De arbeidsgerechten oefenen op de beslissing van de directeur een toetsing met volle rechtsmacht uit; met eerbiediging van het recht van verdediging en binnen het kader van het geding zoals dat door partijen is bepaald, valt alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de directeur valt - met inbegrip van de keuze van de administratieve sanctie - onder de controle van de arbeidsgerechten, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing in welk geval de rechter de directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (Cass. 2 februari 1998, Soc. Kron. 1998, 172, noot J. Put en A. Uyttenhove; Cass. 28 juni 1999, J.T.T. 1999, 410; Cass. 14 december 1998, Arr. Cass. 1998, 1129; Cass., 10 mei 2004, N.J.W., 2004, 1055). Nu geen wetsbepaling aan deze bevoegdheidsregeling afbreuk doet door zulke discretionaire beoordelingsbevoegdheid aan de directeur toe te kennen met betrekking tot de in voormeld artikel 154 van het Werkloosheidsbesluit op te leggen sanctie kan de rechter ofwel de sanctie bevestigen, ofwel de sanctie verminderen zonder evenwel te milderen tot beneden de wettelijke minimumgrenzen (Cass. 19 juni 1995, J.T.T. 1996, 79; Cass. 15 maart 1999, J.T.T. 1999, 412) ofwel zich beperken tot het geven van een verwittiging of de uitsluitingsbeslissing voorzien van een geheel of gedeeltelijk uitstel. Bij de bepaling van de sanctie heeft de directeur reeds rekening gehouden met volgende elementen: - duur van de overtreding; - spontane verbeterende aangifte van de zelfstandige activiteit; - afwezigheid van een sanctie op grond van artikel 153, 154 of 155 in de voorafgaande twee jaar; - werkwilligheid van appellante. Er worden thans door appellante geen nieuwe relevante elementen aangebracht die als verzachtende omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen om de opgelegde sanctie te vervangen door een verwittiging of de sanctie gepaard te laten gaan met een volledig uitstel. De opgelegde sanctie van 10 weken waarvan 6 weken met uitstel is accuraat en in verhouding met de feiten zodat de eerste rechter zeer terecht oordeelde dat er geen aanleiding was om deze sanctie nog verder te verminderen. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. 5.
  19. Terugvordering Artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald. Appellante laat gelden: - dat voor de periode van 5 maart 2001 tot en met 18 december 2001 de terugvordering enkel en alleen kan geschieden voor die dagen waarop zij prestaties verricht heeft uit hoofde van haar nevenactiviteit; - dat zij op 19 december 2001 melding heeft gemaakt van haar nevenactiviteit zodat de uitkeringen die zij ontvangen heeft in de periode van 19 december 2001 tot en met 30 juli 2002 niet onrechtmatig zijn ontvangen. Het hof stelt vast dat appellante, voor de periode van 5 maart 2001 tot en met 18 december 2001, zich beroept op artikel 169 derde lid van het Werkloosheidsbesluit hetwelk bepaalt: "Wanneer de werkloze die de artikelen 44 of, 48 overtreden heeft, bewijst dat hij alleen arbeid heeft verricht of een zelfstandige heeft geholpen op bepaalde dagen of gedurende bepaalde periodes, wordt de terugvordering tot deze dagen of periodes beperkt". Voor de toepassing van deze bepaling draagt de werkloze, die zich op voormelde uitzondering wenst te beroepen, de bewijslast. De werkloze die de terugvordering wil beperken tot de bepaalde dagen dat hij arbeid heeft verricht dient te bewijzen dat hij enkel arbeid heeft verricht op die bepaalde dagen. Dit bewijs wordt niet geleverd. De verklaring van appellante dat de activiteiten enkel plaats hadden in de weekends en heel uitzonderlijk een avond in de week valt niet meer te controleren en is bovendien strijdig met de continuïteit van het zaakvoerderschap van een vennootschap. Aangezien appellante faalt in de op haar rustende bewijslast kan geen toepassing gemaakt worden van artikel 169 derde lid van het Werkloosheidsbesluit. Voor wat betreft de periode van 19 december 2001 tot en met 30 juli 2002 verwijst het hof naar artikel 132 e.v. van het Werkloosheidsbesluit waarin de procedure voor een uitkeringsaanvraag en aangifte van de wijzigende gebeurtenis worden vastgelegd. De bepalingen betreffende de werkloosheid zijn van openbare orde en de werkloze dient dan ook elk feit dat een wijziging kan brengen in zijn administratief dossier aan te geven op de wijze en binnen de termijn bepaald door de wet (Cass., 13 januari 1992, Arr. Cass. 1991-1992, 421). De werkloze kan niet vrijgesteld worden van de aangifteplicht omwille van het feit dat de administratie via andere wegen op de hoogte zou kunnen zijn van de situatie. In huidig geschil staat vast dat appellante geen verbeterende aangifte heeft ingediend bij haar uitbetalingsinstelling maar enkel op 19 december 2001 een schrijven heeft gericht aan de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding waarin melding wordt gemaakt dat zij zaakvoerder is van bvba Publibook. Op 6 maart 2002 werd vervolgens door geïntimeerde een onderzoek gestart teneinde haar rechten inzake uitkeringen te onderzoeken (nazicht handelsregister, controle in de zaak, ontbieding op het werkloosheidsbureau). Na verhoor van appellante op 1 augustus 2002 werd de betaling van werkloosheidsuitkeringen gestaakt. Aangezien het vaststaat dat appellante vanaf 5 maart 2001 niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden dient, in toepassing van artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit, elke onrechtmatig ontvangen som te worden terugbetaald. De door appellante ingeroepen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het vertrouwensbeginsel, kan niet gehanteerd worden tegen uitdrukkelijke wettelijke bepalingen in. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. 5.
  20. Kosten van het geding Appellante vordert geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep ten bedrage van 285,55 euro. Het hof stelt vast dat appellante verhaal aangetekend heeft tegen de administratieve beslissing van 25 november 2002 omvattende een door geïntimeerde opgelegde uitsluiting, een terugvordering van de onrechtmatig genoten uitkeringen en een administratieve sanctie. Bij een betwisting over een recht op sociale uitkeringen wordt, bij gebreke aan enige waardering van de vordering, een forfaitaire vergoeding in aanmerking genomen. Wanneer de vordering niet enkel een recht, maar tevens de uitkering van een geldsom beoogt, zal het bedrag van de vaste rechtsplegingsvergoeding (artikel 2 koninklijk besluit van 30 november 1970) eveneens berekend worden volgens het toe te kennen bedrag. In huidig geschil vordert appellante de erkenning van het recht op werkloosheidsuitkeringen. Geïntimeerde heeft in de loop van de procedure geen tegeneis ingesteld die ertoe strekt appellante te veroordelen tot terugbetaling van onrechtmatig genoten uitkeringen. Het feit dat in de loop van de administratieve procedure de omvang van het terug te vorderen bedrag door geïntimeerde werd vastgesteld door middel van een formulier C31 - en dat in casu het bedrag van 2.500 euro overschrijdt - doet geen afbreuk aan de vaststelling dat in de gerechtelijke procedure geen enkel bedrag wordt gevorderd. Hoewel geïntimeerde daartoe de mogelijkheid heeft stelt hij geen tegenvordering in tot betaling van het in het formulier C31 bepaalde bedrag. Appellante kan dienvolgens enkel aanspraak maken op de vaste rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 2, 4° van het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 9 februari
  21. Appellante werd gehoord in haar opmerkingen over het advies. Geïntimeerde verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 20 november 2003 in de openbare zitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 354.426 + A.R. 354.427). Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van appellante op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en op 57,01 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave werd ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op negen maart tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060309.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980302.7 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010618.11 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011022.7 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020930.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.