← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060323.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060323.3 Rolnummer: 2005-0108 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-01 04:15 Fiches 1 - 2 De storting door de uitbetalingsinstelling van de op de werkloosheidsuitkeringen ingehouden bedrijfsvoorheffing in de schatkist op naam van de werkloze belastingsplichtige houdt een betaling in van een gedeelte van de uitkering waarop hij gerechtigd is. Het bedrag van deze voorheffing maakt samen met het "netto" gedeelte van de uitkering, welke de werkloze rechtstreeks heeft ontvangen, deel uit van de totale ten onrechte ontvangen som welke door hem, in toepassing van artikel 47, lid 1 en artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit, moet terugbetaald worden. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Toekenningsvoorwaarden - onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn - wordt als loon beschouwd - voorlopige uitkeringen - terugvordering - bedrag - roerende voorheffing. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 47,lid1 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Terugvordering van uitkeringen - voorlopige uitkeringen - bedrag - roerende voorheffing. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 169 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N - artikel 47, lid 1 en onder artikel

  1. Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2050108 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEËNTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: B. M., appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. Ph. B., loco mr. E. V., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
  2. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 2 maart 2005, 24 november 2005, 26 januari 2006 en 9 februari 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 7 januari 2005 (A.R. 365.910); - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 3 februari 2005; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 5 april 2005; - de conclusies voor appellant, ontvangen op de griffie van dit hof op 18 juli 2005; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 9 februari 2006, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 9 februari 2006; - de repliek van appellant op het advies van het openbaar ministerie, ontvangen op de griffie van dit hof op 20 februari
  3. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen), en de bundel van de raadsman van B. M. bestaande uit 1 stuk. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 26 januari
  4. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 9 februari 2006 en is de zaak, na repliektermijn van 10 dagen, in beraad genomen.
  5. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, ontvangen op de griffie van dit hof op 3 februari 2005, tekende B. M. hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd uitgesproken door de elfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 7 januari 2005 (A.R. 365.910). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 11 januari
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  7. Feiten en voorgaande rechtspleging De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeids-voorziening te Antwerpen besliste op 22 januari 2004, - in toepassing van de artikelen 44, 46 ,§1, 47, 55,7°, 139, 142, 144, 169 en 170 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en in toepassing van het artikel 7, ,§12 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers -: - B. M. uit te sluiten van het recht op werkloosheidsuitkeringen van 11 maart 2003 tot en met 1 januari 2005; - de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen ten bedrage van 3.319,70 euro terug te vorderen voor de periode van 11 maart 2003 tot en met 31 december 2003 (vermits er vanaf 1 januari 2004 geen toelating meer werd gegeven om uit te betalen). De directeur nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 11 administratief dossier): "U maakt vanaf 11.03.2003 aanspraak op werkloosheidsuitkeringen. Tengevolge van de verbreking van uw arbeidsovereenkomst en de bij uw werkgever DE KEYSER THORNTON gedane stappen werd er u een verbrekingsvergoeding toegekend voor de periode tot en met 31.12.
  8. De werknemer die werkloze is geworden, kan niet van de werkloosheids-uitkeringen genieten gedurende de periode die gedekt is door een vergoeding of schadevergoeding, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade waarop hij aanspraak kan maken uit hoofde van de verbreking van de arbeidsovereenkomst (toepassing van artikel 7, ,§12 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers en van artikelen 44, 46 ,§ 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsregle-mentering). Uit het voorgaande blijkt dus dat u niet zonder loon bent voor de periode van 11.03.2003 tot en met 01.01.2005 en niet voldoet aan de vereiste van art. 44 van het bovenvermeld K.B. (In toepassing van art. 55,7° is de zaterdag niet vergoedbaar wanneer de zaterdag volgt aansluitend op vijf niet vergoedbare dagen). De voorlopige werkloosheidsuitkeringen die u ontvangen heeft dienen bijgevolg teruggevorderd te worden. In uitvoering van de overdracht van schuldvordering, aangegaan bij uw aanvraag tot uitkeringen, zal de terugvordering van de onrechtmatig ontvangen uitkeringen bij voorrang bij uw advocaat voortgezet worden. Wanneer echter de vordering bij uw advocaat niet op bevredigende of volledige wijze kan geschieden, zal de terugvordering (van het saldo) ten uwe laste voortgezet worden." Met verzoekschrift, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 5 april 2004, tekende B. M. beroep aan tegen voornoemde beslissing, stellend dat hij van zijn uitbetalingsinstelling slechts 2.985,76 euro netto heeft ontvangen zodat hij slechts dit bedrag dient terug te betalen. Bij vonnis van de elfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 7 januari 2005 werd de vordering van B. M. ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de bestreden beslissing bevestigd. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd bij toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek veroordeeld tot de kosten van het geding, aan de zijde van B. M. begroot op 209,71 euro rechtsple-gingsvergoeding. Met verzoekschrift, ontvangen op de griffie van dit hof op 3 februari 2005, tekende B. M. hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.
  9. Eisen in hoger beroep B. M. (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw recht doende: x de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; x dienvolgens voor recht te zeggen dat B. M. slechts gehouden kan zijn de door hem netto ontvangen werkloosheidsuitkeringen over de periode van 11 maart 2003 tot en met 31 december 2003 t.b.v. 2.985,76 euro terug te betalen, en dienvolgens vast te stellen dat dit bedrag reeds werd terugbetaald, zodat niets meer aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verschuldigd is; x de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening alleszins te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van B. M. begroot op 209,71 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, op 285,55 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en op 59,47 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - bijgevolg het vonnis a quo te bevestigen; - over de kosten te oordelen als naar recht.
  10. Ten gronde 5.
  11. Situering van het geschil Overeenkomstig artikel 44 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit) moet de werkloze, om uitkeringen te kunnen genieten, wegens omstandig-heden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Overeenkomstig artikel 46, ,§1, 5° van het Werkloosheidsbesluit wordt als loon beschouwd "de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering". De werknemer die de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel aanspraak kan maken wegens beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, niet of slechts gedeeltelijk ontvangen heeft, kan voorlopig uitkeringen genieten gedurende de periode die gedekt zou zijn door deze vergoeding, indien volgende voorwaarden vervuld zijn (artikel 47, eerste lid Werkloosheids-besluit):
  12. zich ertoe verbinden van zijn werkgever de betaling te eisen, indien nodig langs gerechtelijke weg, van de vergoeding of de schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft;
  13. zich ertoe verbinden de voorlopig ontvangen uitkeringen terug te storten van zodra hij de vergoeding of de schadevergoedingen verkregen heeft;
  14. zich ertoe verbinden de Rijksdienst op de hoogte te brengen van elke schuldbekentenis die zijn werkgever doet of van elke gerechtelijke beslissing die wordt genomen met betrekking tot de vergoeding of de schadevergoeding;
  15. aan de Rijksdienst de vergoeding of de schadevergoeding, waarvan het recht hem is erkend, over te dragen ten belope van het bedrag van de voorlopig toegekende uitkeringen. Appellant werd, in het kader van artikel 47 van het Werkloosheidsbesluit, toegelaten tot het recht op voorlopige werkloosheidsuitkeringen vanaf 11 maart 2003 (stuk 2 administratief dossier: beslissing van 17 juni 2003 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen). Appellant heeft op 28 maart 2003 zijn gewezen werkgever (N.V. De Keyser-Thornton) gedagvaard teneinde betaling te bekomen van achterstallig loon en een opzeggingsvergoeding. Bij arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 3 december 2003 werd geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst op 28 februari 2003 onregelmatig werd beëindigd door de werkgever zodat de werknemer aanspraak kan maken op de conform artikel 39 Arbeidsovereenkomstenwet verschuldigde opzeg-gingsvergoeding; het hof veroordeelde de werkgever tot betaling van een provisionele opzeggingsvergoeding van 98.301,72 euro. Met brief van 16 december 2003 meldde de raadsman van appellant aan geïntimeerde dat het arbeidshof een vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst had toegekend overeenstemmende met 22 maanden opzeggingsvergoeding (stuk 10 administratief dossier: schrijven van 16 december 2003 uitgaande van mr. E. V. en gericht aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening Antwerpen) Met beslissing van 22 januari 2004 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen werd appellant vervolgens uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen van 11 maart 2003 tot en met 1 januari 2005 en werden de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen, ten bedrage van 3.319,70 euro teruggevorderd. Appellant is van oordeel dat de terugvordering slechts kan gebeuren voor een bedrag van 2.985,76 euro, zijnde het bedrag dat hij werkelijk heeft ontvangen van zijn uitbetalingsinstelling. Geïntimeerde, hierin gevolgd door de eerste rechter, laat gelden dat de bedrijfsvoorheffing die door de uitbetalingsinstelling wordt ingehouden in toepassing van de fiscale wetgeving, deel uitmaakt van de onrechtmatig ontvangen sommen zodat, in toepassing van artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit, de werkloze de werkelijk betaalde uitkeringen (nettobedragen) verhoogd met de ingehouden bedrijfsvoorheffing dient terug te betalen. Huidig geschil is dienvolgens beperkt tot de vraag of geïntimeerde, op grond van artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit, enkel de werkelijk betaalde uitkeringen kan terugvorderen (nettobedrag) dan wel het nettobedrag verhoogd met de ingehouden bedrijfsvoorheffing. 5.
  16. Beoordeling De wettelijke grondslag voor de terugvordering van uitkeringen is artikel 169, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit hetwelk bepaalt dat de werkloze elke onrechtmatig ontvangen som dient terug te betalen. Bovendien heeft appellant, in toepassing van artikel 47, eerste lid Werkloosheidsbesluit, zich ertoe verbonden de voorlopig ontvangen uitkeringen terug te storten van zodra hij de opzeggingsvergoeding verkregen heeft. Appellant heeft in de periode vanaf 11 maart 2003 tot en met 30 juni 2003 werkloosheidsuitkeringen genoten ten bedrage van 3.319,70 euro (stuk 9 administratief dossier: terugvorderingsblad - C31 nr. 711/2004). Werkloosheidsvergoedingen vormen een beroepsinkomen in de zin van artikel 23, ,§1, 5° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en zijn derhalve belastbaar. Uit een samenlezing van artikel 270 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en artikel 87 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 blijkt dat bedrijfsvoorheffing aan de bron verschuldigd is op de werkloosheidsuit-keringen "door de in de artikelen 3, 179 of 220 vermelde belastingplichtigen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen betalen of toekennen (...)". Deze inhouding geschiedt door de uitbetalingsinstellingen vermits, in toepassing van artikel 7, ,§2 van de Besluitwet van 28 december 1944, de werkloosheidsuitkeringen aan de gerechtigden worden uitbetaald: - hetzij door bemiddeling van uitbetalingsinstellingen welke opgericht worden door representatieve werknemersorganisaties en die daartoe door de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, erkend zijn en wegens dit feit rechtspersoonlijkheid verkregen hebben; - hetzij door bemiddeling van een openbare instelling beheerd door het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De aldus ingehouden bedragen hebben tot doel de belastingen te voldoen die verschuldigd zijn door de sociaal verzekerde op ontvangen werkloosheidsver-goedingen; artikel 276 W.I.B. 92 bepaalt immers: "De in artikel 1 vermelde belastingen worden naar de mate als hierna is bepaald gekweten door verrekening van de onroerende, de roerende en de bedrijfsvoorheffing, het forfaitaire gedeelte van buitenlandse belasting en het belastingskrediet". De bedrijfsvoorheffing vormt bijgevolg een voorafbetaling in naam en voor rekening van de belastingplichtige en het bedrag van deze voorheffing wordt bij de uiteindelijke vaststelling van de belastingsschuld daarmee verrekend. Geïntimeerde laat derhalve terecht gelden dat deze bedrijfsvoorheffing enkel een modaliteit uitmaakt van de inning van de door de belastingplichtige verschuldigde belasting, welke geen afbreuk doet aan het belastbaar karakter van het volledige bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop hij recht heeft. De storting door de uitbetalingsinstelling van de ingehouden bedrijfsvoor-heffing in de schatkist ten name van de werkloze/belastingplichtige houdt dienvolgens wel degelijk een betaling in van een gedeelte van de werkloos-heidsuitkeringen waarop hij gerechtigd is; het bedrag van deze voorheffing moet dan ook beschouwd worden als een door appellant 'ontvangen som' of ontvangen uitkering welke van hem kan teruggevorderd worden op grond van artikel 169 van de werkloosheidsreglementering. Terecht merkt geïntimeerde op dat appellant geen enkel nadeel zal ondervinden daar hij, na terugbetaling van de onrechtmatig genoten uitkeringen, een negatieve fiscale fiche zal ontvangen welke melding maakt van het totale bedrag van de ten onrechte genoten werkloosheidsuitkeringen. Hierdoor zal de werkloze in de mogelijkheid zijn bij de fiscus een rechtzetting van zijn aanslag te bekomen. Geïntimeerde beschikt enkel ten overstaan van appellant over een titel om de onrechtmatig genoten werkloosheidsuitkeringen terug te vorderen maar niet ten overstaan van de belastingsadministratie; de bedrijfsvoorheffing wordt immers door de uitbetalingsinstelling gestort aan de schatkist in naam van de werkloze en het is dus enkel deze laatste die de terugbetaling van de belastingen, inclusief voorheffing, kan vragen. Samenvattend besluit het hof dat het bedrag van de bedrijfsvoorheffing deel uitmaakt van de 'ten onrechte ontvangen som' zodat, in toepassing van artikel 47, eerste lid en artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit, appellant gehouden is de onrechtmatig genoten werkloosheidsuitkeringen over de periode van 11 maart 2003 tot en met 30 juni 2003 ten bedrage van 3.319,70 euro terug te betalen. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 9 februari
  17. Appellant repliceerde schriftelijk op het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 7 januari 2005 in de openbare zitting van de elfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 365.910). Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van B. M. op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en op 58,25 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op drieëntwintig maart tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060323.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.