id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060418.11 Rolnummer: 2003-0169 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-30 Raadplegingen: 307 - laatst gezien 2026-07-04 06:39 Fiches 1 - 3 De overeenkomst tussen een kandidaat huisarts in beroepsopleiding en zijn stagemeester is geen arbeidsovereenkomst wanneer eerstgenoemde enkel werkzaamheden verricht met het oog op de beroepsopleiding en op het verwerven van de vereiste beroepsbekwaarmheid. Dat de kandidaat werkt onder het gezag van de stagemeester doet daaraan geen afbreuk. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Soorten arbeidsovereenkomsten - Algemeen Vrije woorden: toepassingsgebied - ondergeschikt verband - kandidaat huisarts in beroepsopleiding Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 1 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: bepaling : arbeidsovereenkomst voor bedienden - ondergeschikt verband - kandidaat huisarts in beroepsopleiding Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) Vrije woorden: toepassingsgebied - uitbreiding van de regeling - arbeidsovereenkomst - ondergeschikt verband - kandidaat huisarts in beroepsopleiding Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 2 § 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: II AAN - VII A Gerangschikt onder II AAN - artikel 1, onder II AAN - artikel 3 en onder VII A - artikel 2 §
- Annotaties Publicaties: SRK 2008 - - nr. 3, blz. 148-151 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2030169 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN ZES mevrouw xxxxx xxxxx, wonende te xxxxx xxxxx, appellante, in persoon verschenen, tegen : xxxxx XXXXX, wonende te xxxxx xxxxx, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. xxxxx, advocaat te 2018 xxxxx . Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 21 maart
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 april 2003, 5 april 2004 en 21 maart
- STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op xxxxx op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te xxxxx, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep van mevrouw xxxxx, neergelegd ter griffie van dit hof op 10 maart 2003; * de conclusie van de heer xxxxx, ontvangen ter griffie van dit hof op 23 februari 2004; * de beschikking d.d. 19 juli 2005 overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek; * de conclusie van mevrouw xxxxx, ontvangen ter griffie van dit Hof op 15 september 2005; * de samenvattende conclusie van de heer xxxxx, ontvangen ter griffie van dit hof op 31 oktober 2005; * de aanvullende antwoordconclusie, tevens samenvattende conclusie van mevrouw xxxxx, ontvangen ter griffie van dit hof op 12 december
- VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING Met inleidende dagvaarding van 13 juni 2000 vorderde mevrouw xxxxx de veroordeling van de heer xxxxx tot betaling van: - 8.924,14 EUR achterstallig loon januari t/m mei 2000 - 5.354,49 EUR opzeggingsvergoeding - 10.708,97 EUR forfaitaire vergoeding wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst ingevolge zwangerschap - 16.063,46 EUR schadevergoeding ex aequo et bono wegens uitstel van erkenning als onafhankelijk arts te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke interest. Verder vorderde mevrouw xxxxx de heer xxxxx te veroordelen tot regularisering van alle RSZ -bijdragen en fiscale heffingen en tot afgifte van de wettelijk verplichte sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 BEF. Met conclusie, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te xxxxx op 12 juli 2001, vorderde mevrouw xxxxx in ondergeschikte orde, in zoverre het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet werd weerhouden, de betaling van: - 360.000 BEF achterstallige basisvergoedingen - 216.000 BEF verbrekingsvergoeding - 648.000 BEF schadevergoeding ex aequo et bono wegens uitstel van erkenning als onafhankelijk arts. Mevrouw xxxxx vorderde alsdan de zaak m.b.t. deze in ondergeschikte gestelde vorderingen, gesteund op het bestaan van een opleidingsovereenkomst, te verwijzen naar de rechtbank van eerste aanleg te xxxxx . Met conclusie, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te xxxxx op 25 oktober 2000, stelde de heer xxxxx een tegenvordering in en vorderde de betaling van een verbrekingsvergoeding, in zoverre het bestaan van een arbeidsovereenkomst werd weerhouden, dan wel de betaling van een schadevergoeding wegens voortijdige beëindiging van de samenwerking ten bedrage van 1 BEF provisioneel. Met samenvattende conclusie, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te xxxxx op 2 april 2002, stelde de heer xxxxx een tweede tegenvordering in en vorderde hij de betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos procesgedrag ten bedrage van 5.000 EUR minimaal en provisioneel. Bij vonnis van xxxxx werd de hoofdvordering van mevrouw xxxxx ontvankelijk maar ongegrond verklaard. M.b.t. de vordering gesteund op grond van de opleidingsovereenkomst verklaarden de eerste rechters zich onbevoegd en verwezen de zaak i.t.v. artikel 660 van het Ger.W. naar de rechtbank van eerste aanleg te xxxxx . De tegenvordering van de heer xxxxx in betaling van een verbrekingsvergoeding, in zoverre gesteund op een arbeidsovereenkomst, werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De eerste rechters verklaarden zich onbevoegd om kennis te nemen van de tegenvordering uit hoofde van tergend en roekeloos geding en verwezen de zaak i.t.v. artikel 660 van het Ger.W. naar de rechtbank van eerste aanleg te xxxxx . Tegen dit vonnis stelde mevrouw xxxxx op 10 maart 2003 hoger beroep in. Met samenvattende conclusie, ontvangen ter griffie van dit hof op 31 oktober 2005, stelde de heer xxxxx incidenteel beroep in, beperkt tot de uitspraak van de eerste rechters m.b.t. de door hem ingestelde tegenvordering wegens tergend en roekloos geding.
- EISEN IN HOGER BEROEP Met aanvullende antwoordconclusie, tevens samenvattende conclusie, neergelegd ter griffie van dit hof op 12 december 2005, vordert mevrouw xxxxx het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens de heer xxxxx te veroordelen tot betaling van: - 8.924,14 EUR achterstallig loon januari t/m mei 2000 - 5.354,49 EUR opzeggingsvergoeding - 10.708,97 EUR forfaitaire vergoeding wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst ingevolge zwangerschap - 16.063,46 EUR schadevergoeding ex aequo et bono wegens uitstel van erkenning als onafhankelijk arts. te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke interest. Verder vordert mevrouw xxxxx de heer xxxxx te veroordelen tot regularisering van alle RSZ- bijdragen en fiscale heffingen, tot afgifte van de wettelijk verplichte sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR en tot de kosten van het geding. Ondergeschikt vordert mevrouw xxxxx de zaak te verwijzen naar de bevoegde rechtbank in zoverre het arbeidshof onbevoegd is om kennis te nemen van bedoelde vorderingen. Tenslotte vordert mevrouw xxxxx de tegenvordering van de heer xxxxx onontvankelijk en ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de kosten van het geding. Met samenvattende conclusie, neergelegd ter griffie van dit hof op 31 oktober 2005, vordert de heer xxxxx het hoger beroep onontvankelijk te verklaren en vast te stellen dat het bestreden vonnis in kracht van gewijsde is getreden, minstens het hoger beroep ongegrond te verklaren en mevrouw xxxxx te veroordelen tot de kosten van beide instanties. M.b.t. het door de heer xxxxx ingestelde incidenteel beroep, het ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtsprekend m.b.t. zijn oorspronkelijke tegenvordering: - mevrouw xxxxx te veroordelen tot betaling van 1 EUR minimaal en provisioneel wegens verbrekingsvergoeding, c.q. wegens schadevergoeding omwille van voortijdige beëindiging van de samenwerking, te vermeerderen met verwijlinterest, c.q. vergoedende interest vanaf 30 december 1999 tot 25 oktober 2000 en met de gerechtelijke interest; - mevrouw xxxxx te veroordelen tot betaling van 13.250 EUR schadevergoeding ex aequo et bono wegens tergend en roekeloos procesgedrag, te vermeerderen met vergoedende interest vanaf 13 juni 2000 tot 1 april 2002 en de gerechtelijke interest; - de voorlopige tenuitvoerlegging van het arrest toe te staan en mevrouw xxxxx te veroordelen tot de kosten van beide instanties. M.b.t. de door de heer xxxxx ingestelde tussenvordering, deze ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens: - mevrouw xxxxx te veroordelen tot betaling van 3.750 EUR minimaal en provisioneel schadevergoeding ex aequo et bono wegens tergend en roekeloos procesgedrag, vermeerderd met de vergoedende interest vanaf 10 maart 2003 en de gerechtelijke interest; - de voorlopige tenuitvoerlegging van het arrest toe te staan en mevrouw xxxxx te veroordelen tot de kosten van beide instanties. Ondergeschikt, vordert de heer xxxxx, alvorens recht te spreken, hem te machtigen om met alle wettelijke middelen, getuigen en vermoedens inbegrepen, het bewijs te leveren van de volgende feiten: - dat dr. xxxxx, na een telefoongesprek met dr. xxxxx, begin januari 2000, een beroep heeft gedaan op dr. xxxxx, met het oog op een bemiddelingspoging, - dat op 7.1.2000 een gesprek plaats vond tussen dr. xxxxx, dr. xxxxx en dr. xxxxx en dat tijdens dat gesprek een mondeling akkoord tot stand kwam tussen dr. xxxxx, enerzijds en dr. xxxxx anderzijds, om de tussen hen bestaande opleidingsovereenkomst met wederzijdse toestemming te beëindigen met ingang van 1.1.
- - dat in aansluiting bij dat akkoord de afspraak werd gemaakt dat dr. xxxxx zich de zondag nadien, 9.1.2000, bij dr. xxxxx zou aanbieden, om alle materiaal, toebehorend aan dr. xxxxx, en nog in haar bezit, in uitvoering van het akkoord af te geven, alsook om de bereikte mondelinge overeenkomst op dat ogenblik schriftelijk te bevestigen.
- ONTVANKELIJKHEID De heer xxxxx werpt de niet ontvankelijkheid van het hoger beroep op wegens gebrek aan voldoende opgave van enige grief tegen het bestreden vonnis. Anders dan de heer xxxxx, is het hof van oordeel dat mevrouw xxxxx in haar inleidend verzoekschrift tot hoger beroep duidelijk en ondubbelzinnig aanduiding heeft gegeven van haar bezwaren tegen de bestreden uitspraak. Zo haalde mevrouw xxxxx aan:"Ik ben overtuigd dat mijn dossier voldoende bewijzen bevat om aan te tonen dat ik een arbeidscontract had. Deze bewijzen worden niet aangehaald bij het verwerpen van mijn standpunt. Ik wens deze persoonlijk aan te halen uit de overtuiging dat essentiële bewijzen over 't hoofd zijn gezien". Uit wat voorafgaat blijkt dat mevrouw xxxxx aanklaagt dat de door haar neergelegde bewijsstukken, die wijzen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen - zijnde het enige rechtspunt dat diende te worden beslecht -, niet correct werden beoordeeld door de eerste rechters. De aangevoerde grief is weliswaar summier maar afdoende zodat de heer xxxxx daaruit met zekerheid kan afleiden om welke redenen mevrouw xxxxx de beslissing aanvecht en hij aldus weet waartegen hij zich moet weren. Er is derhalve voldaan aan de motiveringsplicht van artikel 1057,7° van het Ger.W. zodat het hoger beroep, dat tijdig en met een naar vorm regelmatige akte werd ingesteld, ontvankelijk is. Het incidenteel beroep van de heer xxxxx werd tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld en is dus bijgevolg ook ontvankelijk.
- HET VERZOEK VAN DE HEER XXXXX TOT WERING UIT DE DEBATTEN VAN STUKKEN 117 TOT/MET 129 VAN HET BUNDEL VAN MEVROUW XXXXX Ter zitting van 21 maart 2006 verzoekt de raadsman van de heer xxxxx het hof voormelde stukken van de bundel van mevrouw xxxxx, overgelegd na neerlegging van de samenvattende conclusie van 12 december 2005, wegens laattijdigheid uit de debatten te weren. Artikel 740 van het Ger.W. bepaalt: Alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies of, bij toepassing van artikel 735, vóór de sluiting der debatten zijn overgelegd, worden ambtshalve uit de debatten geweerd." Met toepassing van voormeld artikel vermag de heer xxxxx te vorderen dat de stukken 117 t/m 129 van de bundel van mevrouw xxxxx uit de debatten worden geweerd en kan het hof er geen kennis van nemen.
- TEN GRONDE 6.
- De feiten Voor wat betreft de uiteenzetting van de ter zake relevante feiten verwijst het hof naar de uiteenzetting ervan zoals gedaan in het bestreden vonnis (onder punt II. DE FEITEN: blz. 4 en 5). Het hof aanziet deze uiteenzetting hierbij als uitdrukkelijk hernomen. 6.
- De oorspronkelijke hoofdvordering Op 13 augustus 1999 werd tussen de heer xxxxx als huisarts-stagemeester en mevrouw xxxxx als kandidaat huisarts in beroepsopleiding (hierna hibo genoemd) een opleidingsovereenkomst gesloten. Het staat niet ter betwisting dat de praktijkopleiding die een hibo bij de stagemeester geniet, wordt omkaderd door specifieke wettelijke bepalingen (o.m. het K.B. van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen), door instellingen zoals het Interuniversitair Centrum voor Huisartsen Opleiding ( hierna ICHO genoemd) dat erop toeziet dat de opleiding en het verrichte werk van de stagiair overeenstemt met de beroepsopleiding, een stage-coördinator, de Erkenningscommissie voor huisartsen (werkzaam binnen het RIZIV) en de Provinciale Raad van de Orde van Geneesheren. Het staat evenmin ter discussie dat bedoelde opleidingsovereenkomst, mits aanbrenging van enkele wijzigingen, beantwoordde aan het typecontract zoals opgesteld door het ICHO in overleg met de Orde van Geneesheren en de Erkenningscommissie, en goedgekeurd werd door de Provinciale Raad van de Orde van Geneesheren. Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering behoort het aan mevrouw xxxxx het bewijs te leveren van het bestaan van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, waarop zij de verschillende onderdelen van haar vordering steunt. In dit verband dient er vooreerst op gewezen te worden dat partijen zelf hun opleidingsovereenkomst duidelijk en ondubbelzinnig hebben gekwalificeerd als een samenwerkingsovereenkomst op zelfstandige basis. Het volstaat in dit verband te verwijzen naar artikel 15 van deze opleidingsovereenkomst dat onder 1° b bepaalt: " de hibo en de stagemeester komen overeen wat volgt: de hibo werkt in het statuut van de zelfstandige; zij/hij betaalt zelf haar/zijn wettelijke, sociale bijdragen aan een sociale kas voor zelfstandigen". Met zijn arresten van 23 december 2002 (J.T.T. 2003, 271), 28 april 2003 (J.T.T. 2003, 261), 8 december 2003 (J.T.T. 2004, 122), 3 mei 2004 (R.W. 2004-2005, 1220) en 6 december 2004 ( NjW 2005, 21) heeft het Hof van Cassatie het belang onderstreept van de kwalificatie die partijen zelf aan hun overeenkomst hebben gegeven. In dit verband heeft het Hof van Cassatie beslist dat wanneer partijen hun overeenkomst hebben gekwalificeerd, de bodemrechter deze kwalificatie niet ter zijde mag schuiven wanneer de aan hem onderworpen feitelijke elementen niet toestaan om de door de partijen gegeven kwalificatie uit te sluiten. Voor het hof houdt deze recente cassatierechtspraak in dat er niet langer in het feitenmateriaal moet gezocht worden naar bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut hetzij een werknemersstatuut samenstellen. Thans dient als uitgangspunt de kwalificatie te worden genomen die partijen aan hun samenwerking hebben gegeven, in casu een zelfstandige samenwerking in het kader van een beroepsopleiding, en dient er onderzocht te worden of de feitelijke realiteit dit statuut niet tegenspreekt. Het hof sluit zich aan bij deze rechtspraak omdat op die wijze de vrijheid tot sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. Zoals hierna zal blijken faalt mevrouw xxxxx in deze op haar rustende bewijslast. Het volstaat in dit verband niet dat zij het bestaan van een arbeidsovereenkomst aannemelijk maakt, zij moet immers de feitelijke gegevens aandragen die de zelfstandigenovereenkomst die partijen hebben gegeven aan hun opleidingsovereenkomst uitsluiten of daarmee onverenigbaar zijn, wat zij evenwel niet doet. Evenmin kan eraan voorbijgegaan worden dat het voorwerp van de opleidingsovereenkomst in onderhavig geschil bestaat in de organisatie van een beroepsopleiding in de huisartsgeneeskunde onder leiding van de heer xxxxx als stagemeester binnen zijn huisartspraktijk, tot welke praktijk mevrouw xxxxx als hibo is toegetreden, met het oog op het uitvoeren van bedoelde stage (praktische beroepsopleiding). In dit verband kan nuttig verwezen worden naar de inhoudelijke bepalingen van de desbetreffende opleidingsovereenkomst, inbegrepen de wederzijdse verplichtingen die aan beide partijen desbetreffend worden opgelegd. Zo bepaalt artikel 1 van de opleidingsovereenkomst: Met het oog op haar opleiding in de huisartsgeneeskunde neemt de stagemeester de hibo in zijn praktijk op voor een periode van een jaar, ingaande op datum van 01.09.1999 tot 31.08.2000." Artikel 3,2° van deze overeenkomst stelt: " Partijen verbinden zich ertoe elkaar met wederzijds respect en achting te bejegenen, een optimale uitwisseling van kennis en ervaring na te streven met het oog op de wederzijdse intellectuele verrijking en de ontwikkeling van huisartsgeneeskundige vaardigheden en kennis." Artikel 8 bepaalt dat de hibo voltijds in de praktijk of in de dienst van haar stagemeester werkzaam moet zijn en dat de voltijdse werkzaamheid een volledige en normale werkweek omvat waarin begrepen zijn: het werk in de praktijk, de uren voor seminaries, voor opleidingsbijeenkomsten en persoonlijke studietijd. De hibo dienst tevens praktijkwacht te doen en de wachtdienst voor de streek te verzorgen. Artikel 10 van de overeenkomst voorziet dat de hibo er toe verplicht is: "1° de nodige aandacht en zorg te besteden aan de aspecten van het werk en de opleiding in de huisartsgeneeskunde; dit houdt in o.m.: dagelijks te rapporteren aan de stagemeester over haar activiteiten met patiënten, hem wekelijks medische- en evt. samenwerkingsmoeilijkheden voor te leggen, minstens één keer per maand het verloop van de stage en eventuele leerpunten met de stagemeester door te nemen en geregeld haar stageboek voor te leggen; 2° de werk- en leeropdrachten die zij van haar stagemeester ontvangt nauwkeurig uit te voeren en zijn raadgevingen in acht te nemen; meer bepaald moeilijkheden inzake diagnose en therapie, en problemen van juridische, administratieve en deontologische aard voor te leggen om tot een oplossing te komen." Overeenkomstig het bepaalde van artikel 11 van de opleidingsovereenkomst verbindt de stagemeester zich er toe: - de hibo in te leiden in alle aspecten van de huisartsgeneeskunde, hem daartoe geregeld huisartsgeneeskundige werk- en/of leeropdrachten te geven en hem hierin te begeleiden; ervoor te zorgen dat wetenschappelijke en praktische werkzaamheden harmonisch samengaan; - de hibo voltijds deel te laten nemen aan de huisartsgeneeskundige activiteiten van zijn praktijk, o.m. door ervoor te zorgen dat de hibo een gevarieerde morbiditeit leert kennen en patiënten van de praktijk ook zelfstandig - aangepast aan haar vorderingen in de opleiding - zal kunnen behandelen, dat de hibo elke dag huisbezoeken kan doen en minstens driemaal per week een zelfstandig spreekuur kan houden; - ter beschikking en bereikbaar te zijn voor de hibo voor informatie, richtlijnen of raadgevingen in verband met de uitoefening van de huisartsgeneeskunde; voldoende tijd te besteden aan een nauwe samenwerking met het oog op de opleiding en de begeleiding van de hibo; - opstellen van een evaluatierapport m.b.t. het verloop van de beroepsopleiding; - tijdens de streekwachten van de hibo beschikbaar te zijn; - binnen de werktijd de hibo over een halve dag studietijd per week te laten beschikken o.m. om haar alle door het ICHO georganiseerde seminaries en opleidingsbijeenkomsten te kunnen laten bijwonen. Uit wat voorafgaat blijkt duidelijk en ondubbelzinnig dat de tussen partijen gesloten opleidingsovereenkomst een overeenkomst is waarbij de stagemeester zich verbindt zijn stagiair- de hibo- hoofdzakelijk een beroepsbekwaamheid aan te leren, terwijl de stagiair er zich op zijn beurt toe verbindt tegen de overeengekomen voorwaarden arbeidsprestaties te verrichten in het raam van de beroepsopleiding onder het gezag van de stagemeester, gezagsverhouding die evenwel wezenlijk gericht is op de opleiding en het werk dat de hibo uitvoert in het kader van die opleiding. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst daarentegen vereist een overeenkomst met de werkgever krachtens welke de werknemer arbeid verricht tegen een door de werkgever toegezegd loon als tegenprestatie van arbeid en onder het gezag van die werkgever ( cfr.artikel 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet). Met betrekking tot de arbeidsvereiste dient opgemerkt te worden dat de werknemer in een arbeidsovereenkomst arbeid verricht om in zijn levensonderhoud te voorzien. Het verwerven van een inkomen via de arbeid is de primaire beweegreden voor het aangaan van de arbeidsverbintenis in de arbeidsovereenkomst. Ongeacht hun materiële aard, leiden arbeidsprestaties slechts tot " arbeid" in de zin van de arbeidsovereenkomst wanneer zij als beroepsarbeid worden verricht, en derhalve met verwerven van een inkomen als voornaamste oogmerk ( cfr. M. DE VOS, "De advocaat: zelfstandige of werknemer?", NjW 2004, 545). Het bewijs van het bestaan van de door mevrouw xxxxx ingeroepen arbeidsovereenkomst impliceert het bewijs van een overeenkomst waarbij mevrouw xxxxx er zich toe verbond tegen loon, onder het gezag van de heer xxxxx, dat zich onderscheidt van de gezagsrelatie van de stagemeester, arbeid te verrichten. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst vereist derhalve het akkoord van de partijen over de wezenlijke elementen ervan, met name arbeid, loon en gezagsverhouding. Het ontbreken van een overeenkomst met betrekking tot één van deze wezenlijke elementen impliceert meteen noodzakelijk dat partijen niet verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst (cfr. Cass. 6 maart 2000, Arr.Cass. 2000, 154; Cass. 25 mei 1998, Arr.Cass. 1998, 270; M. DE VOS, Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht", Maklu, Antwerpen , 2001, 80-170 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer). Zoals hierna zal blijken ontbreken in casu de zogenaamde beroepsactiviteit en de daaraan verbonden gezagsverhouding die kenmerkend is voor de arbeidsovereenkomst. Tot bewijs van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voert mevrouw xxxxx in haar samenvattende beroepsconclusie aan dat de heer xxxxx haar buiten het kader van de opleidingsovereenkomst uit economische overwegingen heeft opgedragen deel te nemen aan de raadplegingen van "Kind en Gezin" waardoor zij niet in staat was de verplichte seminaries bij te wonen. De omstandigheid dat voormelde consultatiezittingen geen onderdeel vormen van de tussen partijen gesloten" hibo-overeenkomst", impliceert evident niet dat door mevrouw xxxxx in het raam van de opleidingsovereenkomst niet langer hoofdzakelijk en primair arbeidsprestaties werden verricht met het oog op de stageopleiding en op het verwerven van de wettelijke beroepsbekwaamheid, alleszins is dit geen element dat noodzakelijk wijst op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Geen enkel element in het dossier laat toe te besluiten dat het houden van consultaties bij Kind en Gezin primeerden boven haar beroepsopleiding van hibo. Integendeel, blijkt uit de door Kind en Gezin( thans Preventie) neergelegde verklaring dat mevrouw xxxxx over de periode van september tot en met december 1999 slechts een achttal consultaties op dinsdagvoormiddagen heeft waargenomen ter vervanging van haar stagemeester, de heer xxxxx en diens associé, zodat niet kan worden aanvaard door het hof dat het hoofdaccent van haar arbeidsprestaties gericht was op productieve en economische arbeid. De omstandigheid dat de honoraria voor deze prestaties werden overgeschreven op naam van haar stagemeester, doet evident geen afbreuk aan bovenstaande overweging en besluitvorming. Bovendien blijkt uit haar kandidatuur voor Kind en Gezin dat mevrouw xxxxx zich vrijwillig kandidaat heeft gesteld voor deze raadplegingen als zelfstandig arts en zij er zelf mee instemde om de daaraan te volgen opleiding Jeugdgezondheidszorg te laten aansluiten op de beëindiging van haar hibo-opleiding (stuk 8 en 110 dossier xxxxx). De verplichting tot het volgen van deze postuniversitaire cyclus, die uitgaat van Kind en Gezin, kon immers niet gekoppeld worden aan het voltijds leerpakket in het raam van de hibo-opleiding. Ook de bewering van mevrouw xxxxx dat deze bijkomende activiteit voor Kind en Gezin haar beletten de seminaries in het kader van de hibo-opleiding te volgen, is volstrekt ongefundeerd en strijdig met de door haar zelf neergelegde stukken. Het volstaat in dit verband te verwijzen naar het verslag omtrent de beroepsopleiding dat mevrouw xxxxx op 19 april 2000 heeft opgesteld en waarin zij woordelijk optekent ( stuk 49 dossier xxxxx): " problemen.
- K&G overlapping seminaries: dinsdag 2x/mnd K&G: 8.30-12 te xxxxx Seminaries: 11.45-14.45 te xxxxx Oplossing: K&G afspraken plannen tot 10.30 ( in orde t.e.m. 4 jan) gegevens die verder in datzelfde verslag opnieuw worden bevestigd. Minstens gaat mevrouw xxxxx eraan voorbij dat krachtens artikel 9 van de geldende opleidingsovereenkomst, de uitoefening van een andere zelfstandige activiteit dan deze in het kader van de praktijk van de stagemeester niet uitgesloten wordt, in zoverre dit geschiedt met de uitdrukkelijke toestemming van de stagemeester, wat ten deze niet kan ontkend worden. Ten overstaan van haar stagemeester-coördinator, dokter xxxxx, heeft mevrouw xxxxx nooit enige bezwaren geuit met betrekking tot haar consultatieactiviteiten bij Kind en Gezin, nu deze in zijn nota's tijdens het intakegesprek van 6 oktober 1999 uitdrukkelijk vermeldt:" Voldoende patiëntencontacten. Gaat ook (Kind en Gezin) consultatie doen" ( stuk 13 dossier xxxxx). Tenslotte laat geen enkel element in het dossier toe te besluiten dat de heer xxxxx zijn verplichtingen als stagemeester, ter uitvoering van de verbintenis die hij in de hibo-overeenkomst op zich had genomen, niet zou zijn nagekomen. In dit verband volstaat het te verwijzen naar het door mevrouw xxxxx bijgebrachte weekschema, opgesteld voor het ontstaan van het geschil, en waarvan door mevrouw xxxxx niet wordt aangetoond dat de inhoudelijke gegevens ervan niet zouden overeenstemmen met de werkelijkheid (stuk 18 dossier xxxxx). Dit schema bevestigt dat elke werkdag tijd werd vrijgemaakt voor dagelijks overleg, briefing en rapportering en dat wekelijks aandacht werd besteed voor bespreking van casussen, leerervaringen, oefenmomenten en evaluatie. Uit dit schema blijkt verder dat mevrouw xxxxx steeds in de mogelijkheid werd gesteld beroep te doen op haar stagemeester of een associé, dat tal van consultaties samen door de hibo en stagemeester werden uitgevoerd, waaronder ook de bezoeken van medische vertegenwoordigers, dat de stagemeester bijsturing gaf waar nodig (zowel in de praktijk als op de huisbezoeken), dat er parellelconsultaties plaatsgrepen en dat er ruimte was voor studie. Uit wat voorafgaat blijkt afdoende dat de heer xxxxx als stagemeester aan mevrouw xxxxx de nodige tijd en mogelijkheid heeft geboden om een daadwerkelijke beroepsopleiding te genieten (begeleiding, ondersteuning en bijsturing) en dat de taken die hij haar toevertrouwde daadwerkelijk tegemoetkwamen aan de vereisten van de hibo-opleiding binnen het raam van de bestaande huisartspraktijk. Niet onbelangrijk in dit kader is vast te stellen dat noch de stagemeester-coördinator, noch de directeur van het ICHO noch dokter Derese, verantwoordelijke remediëring, kunnen bevestigen dat de opleiding van dokter xxxxx zich niet conformeerde naar de wettelijke bepalingen en de opleidingsovereenkomst; zij hebben nooit enige vorm van kritiek geuit op het functioneren van de heer xxxxx als stagemeester. Voor zoveel als nodig laat het hof opmerken, zoals de eerste rechters, dat op grond van de voorliggende gegevens van het dossier de oorzaak van de vertraging in de aangebrachte wijzigingen aan de hibo-overeenkomst niet kan achterhaald worden. Alleszins is deze vaststelling weinig relevant, nu de Provinciale Raad van de Orde van Geneesheren zijn uitdrukkelijke goedkeuring heeft gehecht aan deze tussen partijen afgesloten overeenkomst en mevrouw xxxxx correct en tijdig werd vergoed. De bewering van mevrouw xxxxx dat zij werd aangetrokken in de dokterspraktijk met als doel de zwangerschap van een medewerker op te vangen, wordt door geen enkel objectief stuk van het dossier gestaafd en wordt tegengesproken door de heer xxxxx. Het blijkt evenmin dat mevrouw xxxxx meer prestaties diende te verrichten dan de voltijdse werkzaamheden die voorzien zijn in het hierboven aangehaalde artikel 8 van de opleidingsovereenkomst. Ook het hiervoor besproken weekschema laat een zodanige besluitvorming niet toe. Samengevat is het hof van oordeel dat mevrouw xxxxx overeenkomstig het bepaalde van haar opleidingsovereenkomst werkzaamheden heeft verricht met het oog op de beroepsopleiding en op het verwerven van de vereiste beroepsbekwaamheid. De bewering van mevrouw xxxxx dat zij maandelijks een loon ontving als tegenprestatie voor economische rendabele arbeid, is volstrekt ongefundeerd. Hoger werd reeds beslist dat de door mevrouw xxxxx geleverde prestaties primair werden uitgevoerd met het oog op de stageopleiding. De toekenning van een reële vergoeding ( waarvan de kost deels ten laste wordt genomen door het RIZIV) voor die welbepaalde prestaties leidt niet tot de vaststelling van een arbeidsovereenkomst, nu deze bezoldiging voor de hibo geen doorslaggevende beweegreden vormt, maar slechts wordt toegekend teneinde deze in staat te stellen zich in zijn levensonderhoud te voorzien tijdens zijn stageopleiding. Ook de elementen die mevrouw xxxxx in het kader van de op haar rustende bewijslast aanvoert om de gezagsverhouding aan te tonen in de uitvoering van de opleidingsovereenkomst, kunnen niet overtuigen nu zij hetzij deels onbewezen zijn, hetzij niet noodzakelijk wijzen op de uitoefening van controle, a fortiori niet op de uitoefening van het voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende gezag. Zoals reeds hoger gezegd betreft de gezagsrelatie van stagemeester in de ten deze tussen partijen gesloten opleidingsovereenkomst wezenlijk de opleiding en de werkzaamheden die de stagiair uitvoert in het raam van die opleiding en scholing. De omstandigheid dat een stagiair onder het gezag van zijn stagemeester werkt, maakt hem immers niet tot werknemer, vermits het voorwerp van de opleidingsovereenkomst niet bestaat, zoals dat van een arbeidsovereenkomst, in het verrichten van arbeid om in zijn levensonderhoud te voorzien, maar in het verkrijgen van een praktische beroepsopleiding. De zogenaamde instructies die mevrouw xxxxx poogt af te leiden uit stuk 23 van haar dossier kaderen volledig in de uitvoering van de hibo-opleiding en zijn er enkel op gericht om haar praktische inzichten en vaardigheden bij te sturen. De stagemeester heeft immers de onmiskenbare verplichting zijn stagiair te begeleiden, bij te sturen en zo nodig te becommentariëren. Dezelfde bemerking geldt de uitvoering van de controle op haar werkzaamheden naar aanleiding van een aantal huisbezoeken alsook de frequentie van de huisbezoeken. Daarbij moet tevens rekening worden gehouden met het feit dat in de regel elke vorm van samenwerking tussen meerdere personen, ook de samenwerking tussen stagemeester en stagiair, noopt tot het maken van bepaalde bindende afspraken en het vastleggen van bepaalde regels teneinde de activiteiten op elkaar af te stemmen en het werk op een zo efficiënt mogelijke manier te organiseren en te verdelen. Dit geldt zeker in casu waar de betrokken artsen zich dienen te organiseren wat betreft hun huisbezoeken en praktijkafspraken, des te meer nu de activiteiten van mevrouw xxxxx niet altijd op zichzelf stonden, maar gebeurden in samenwerking met de stagemeester en bovendien op vraag van patiënten. Uit het bestaan van dergelijke afspraken en regels, die voortspruiten uit economisch-organisatorische noodwendigheden eigen aan de aard van de binnen het samenwerkingsverband uitgeoefende activiteiten, kan uiteraard geen element worden geput dat wijst op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Ook hier is het hof van oordeel dat geen enkel element in het dossier toelaat te besluiten dat het gezag dat de heer xxxxx als stagemeester uitoefende, niet geënt was op de praktijkopleiding tot huisarts; alleszins blijft mevrouw xxxxx in gebreke hiervan het bewijs bij te brengen en maakt zij haar beweringen zelfs niet waarschijnlijk. Waar mevrouw xxxxx een onregelmatigheid inzake de honoraria op haar prestaties tijdens streekwachtbeurten aanklaagt, kan het hof slechts vaststellen dat uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt dat de heer xxxxx opdracht zou hebben gegeven om in zijn afwezigheid gebruik te maken van zijn eigen getuigschriften voor de verstrekte hulp. Ook de door mevrouw xxxxx geuite kritiek over het feit dat de evaluatie in december 1999 gebeurde in samenspraak met de collega's van dokter xxxxx, is niet alleen niet bewezen, minstens niet relevant en evident geen aanwijzing voor het bestaan van een gezagsverhouding. Het stuk 43 waarop mevrouw xxxxx doelt is geen evaluatieverslag maar een brief van 28 maart 2000 van de heer xxxxx gericht naar het officieel organisme, het ICHO, met zijn schriftelijke motivering tot de voortijdige stopzetting van de hibo-opleidingsovereenkomst, zoals contractueel is voorgeschreven in artikel 3 van de opleidingsovereenkomst. Het houden van een crisisberaad door de heer xxxxx op 1 december 1999 met zijn collega's van de groepspraktijk, zoals aangehaald in voormeld schrijven, kan niet gekwalificeerd worden als een evaluatie, minstens kan het de heer xxxxx niet ten kwade geduid worden dat hij zijn oor te luisteren heeft gelegd bij zijn associé op wie mevrouw xxxxx beroep deed bij zijn afwezigheid. Bovendien blijkt verder uit dit schrijven van 28 maart 2000 dat de eigenlijke evaluatie, tussen mevrouw xxxxx en de heer xxxxx onderling, heeft plaatsgegrepen op 5 december
- Tenslotte is de omstandigheid dat het evaluatieverslag van 29 mei 2000 mede ondertekend werd door de collega van de heer xxxxx, volstrekt irrelevant nu het werd opgesteld na de stopzetting van de opleidingsovereenkomst. Dat de maandelijkse leeragenda en evaluaties plaatsgrepen op een zaterdag is geenszins abnormaal en vormt alleszins geen element op basis waarvan tot een juridische ondergeschiktheid, anders dan in de gezagsrelatie stagemeester-stagiair, kan worden besloten. Nu het bewijs van het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen niet werd geleverd dienen de vorderingen van mevrouw xxxxx, zoals in hoofdorde gesteld, als ongegrond te worden afgewezen. Zoals de eerste rechters, dient ook het arbeidshof zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de door mevrouw xxxxx in ondergeschikte orde gestelde vordering strekkende tot betaling van vergoedingen wegens onrechtmatige beëindiging van de opleidingsovereenkomst, anders dan een arbeidsovereenkomst, nu bedoelde vordering niet onder de volstrekte bevoegdheid van de arbeidsgerechten valt zoals omschreven in artikel 578 - 583 van het Gerechtelijk Wetboek. Het hoger beroep is derhalve ongegrond. 6.3.De oorspronkelijke tegenvorderingen De tegenvordering van de heer xxxxx strekt er toe mevrouw xxxxx te veroordelen tot betaling van een verbrekingsvergoeding van 1 EUR provisioneel, in zoverre een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestond, en van een schadevergoeding van 1 EUR provisioneel, in zoverre de opleidingsovereenkomst geen arbeidsovereenkomst is. Nu het hof sub 6.
- van dit arrest heeft beslist dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, is de tegenvordering die gesteund is op het bekomen van een forfaitaire opzeggingsvergoeding ongegrond. Met betrekking tot de tegenvordering in betaling van een schadevergoeding ten bedrage van 1 EUR provisioneel in de mate dat de opleidingsovereenkomst geen arbeidsovereenkomst is -waarover de eerste rechters geen uitspraak hebben gedaan -, oordeelt het hof als volgt. Hoewel hoofd - en tegeneis afzonderlijk kunnen berecht worden, kunnen beide vorderingen zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten. Het is ten deze niet voor ernstige betwisting vatbaar dat de door mevrouw xxxxx in ondergeschikte orde gestelde hoofdvordering - gesteund op de opleidingsovereenkomst - samenhangend is in de zin van artikel 30 van het Ger.W. met de tegenvordering tot schadevergoeding van de heer xxxxx -eveneens gegrond op de opleidingsovereenkomst. Nu de arbeidsrechtbank zich onbevoegd heeft verklaard om zich uit te spreken over de hoofdvordering van mevrouw xxxxx, zoals in ondergeschikte orde gesteld en bevestigd bij dit arrest sub 6.2., verklaart het hof zich, gelet op de samenhang, eveneens onbevoegd om kennis te nemen van de tegenvordering in betaling van een schadevergoeding in de mate dat de opleidingsovereenkomst geen arbeidsovereenkomst is (cfr. Artikelsgewijze commentaar bij het overzicht van rechtspraak en rechtsleer, J. LAENENS, " Regels inzake tegenvorderingen en vorderingen tot tussenkomst, inzake aanhangigheid en samenhang, commentaar bij artikel 563 van het Ger.W., losbladig, Kluwer, Antwerpen, p.6). Gelet op het voorgaande en bij toepassing van artikel 643 van het Ger.W. moet deze tegenvordering worden verwezen naar het hof van beroep te xxxxx . De heer xxxxx stelde een tweede tegenvordering in strekkende tot schadevergoeding wegens roekeloos procesgedrag ten bedrage van 5.000 EUR provisioneel. Vermits deze tegenvordering gesteund is op het bestaan van een vermeende arbeidsovereenkomst is het hof bevoegd om kennis te nemen van deze vordering (cfr. PV van terechtzitting van xxxxx). De omstandigheid dat mevrouw xxxxx zich heeft vergist omtrent het bestaan van een arbeidsovereenkomst, zoals uiteengezet sub 6.
- van dit arrest, impliceert evident niet dat haar vordering werd ingesteld met een zuiver dilatoir oogmerk. Verder stelt het hof vast dat mevrouw xxxxx een zeer uitgebreid stukkenbundel heeft neergelegd en verscheidene argumenten heeft ontwikkeld tot staving van haar vordering, argumenten waaruit duidelijk blijkt dat haar vordering geen tergend, noch lichtzinnig karakter heeft. De vaststelling dat mevrouw xxxxx nooit enige opmerking omtrent het bestaan van een arbeidsovereenkomst heeft geformuleerd ten tijde van de samenwerking tussen partijen en dat zij de overeenkomst steeds heeft benoemd als een opleidingsovereenkomst, is ten deze volstrekt irrelevant. De oorspronkelijke tegenvordering tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding is derhalve ontvankelijk doch ongegrond. 6.
- De advocaatkosten In zijn samenvattende conclusie stelt de heer xxxxx een tussenvordering en vordert hij betaling van 8.250 EUR minimaal en provisioneel als terugbetaling van het ereloon en de kosten van zijn advocaat in deze zaak. De heer xxxxx doet in dit verband gelden dat hij ten einde zijn aanspraken op schadevergoeding in rechte te effectueren genoodzaakt was een advocaat te raadplegen en verwijst onder meer naar het arrest van 2 september 2004 van het Hof van Cassatie ( C010186F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040902.8, http:/www.juridat.be, op datum), waarbij het Hof stelde dat het honorarium en de kosten van een advocaat of van een technisch raadsman die de benadeelde van een contractuele fout heeft betaald, een vergoedbaar element van zijn schade kunnen vormen, in zoverre zij met toepassing van artikel 1151 van het B.W. een noodzakelijk gevolg zijn van die contractuele wanprestatie. Voorts beroept de heer xxxxx zich op het gelijkheidsbeginsel en stelt hij dat ook de partij die zich met succes verweert tegen een vordering lastens haar ingesteld, aanspraak moet kunnen maken op de vergoeding van kosten van verdediging die haar onterecht zijn veroorzaakt; de heer xxxxx vordert dat de behandeling van de tegenvordering wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van het Arbitragehof op het door het hof van beroep te xxxxx bij arrest van xxxxx in dit verband gestelde prejudiciële vraag. Het staat als zodanig niet ter betwisting dat de hierboven vermelde vergoedbaarheid van honorarium en kosten van de advocaat ook geldt voor de gemeenrechtelijke buitencontractuele aansprakelijkheid; het buitencontractueel schadebegrip heeft immers een identieke inhoud als het schadebegrip in de contractuele aansprakelijkheidsleer en de causaliteitsvereiste is daarenboven identiek in beide aansprakelijkheidsleerstukken. Bovendien werden door het Hof van Cassatie met zijn arrest van 28 februari 2002 (R.W. 2002-2003, 19) het honorarium en de kosten van technische raadslieden reeds vergoedbaar gesteld in de buitencontractuele aansprakelijkheidsleer. Het hof stelt vast dat mevrouw xxxxx m.b.t. deze vordering geen enkel concreet verweer voert. Het hof is van oordeel dat de door mevrouw xxxxx in hoofdorde ingestelde oorspronkelijke vorderingen, die sub 6.2.van dit arrest ongegrond werden verklaard, op zich geen fout uitmaken. Het kan mevrouw xxxxx immers niet ten kwade geduid worden dat zij oprecht de mening was toegedaan dat zij prestaties heeft geleverd in een voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding. Waar inzake burgerlijke aansprakelijkheid de advocaatkosten een element van de schade kunnen uitmaken voor eisende partij, is dit niet het geval voor verwerende partij, in dit geval de heer xxxxx. De verwerende partij, tegen wie een ongegronde vordering wordt ingesteld, zoals ten deze het geval is, zou, om betaling te kunnen bekomen van de noodzakelijke advocatenkosten immers moeten aantonen dat het instellen van de - ongegrond bevonden - procedure een fout was van eiser, quod non in casu. In die omstandigheid stelt zich derhalve de vraag of artikel 1382 van het B.W. het gelijkheidsbeginsel niet schendt. Gelet op het in dit verband bij arrest van xxxxx van het hof van beroep te xxxxx gestelde prejudiciële vraag, houdt het hof de behandeling van deze vordering aan tot wanneer het Arbitragehof deze vraag zal hebben beantwoord en verwijst dit onderdeel van de vordering naar de bijzondere rol. 6.
- De vordering tergend en roekloos hoger beroep Ook hier is het hof van oordeel dat de vordering- door de heer xxxxx tussenvordering genoemd- tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van 3.750 EUR ex aequo et bono wegens tergend en roekeloos procesgedrag van mevrouw xxxxx in graad van beroep ongegrond is om de hiernavolgende redenen. Zoals reeds gezegd sub
- van dit arrest heeft mevrouw xxxxx wel duidelijk haar grieven kenbaar gemaakt tegen het bestreden vonnis en werd de akte tot hoger beroep ontvankelijk verklaard. Dat mevrouw xxxxx de beroepsprocedure liet activeren zonder overlegging van haar stukken, kan niet gekwalificeerd worden als een roekeloos procesgedrag, nu mevrouw xxxxx in graad van beroep haar zaak zelf ter harte heeft genomen en als zodanig niet vertrouwd is met de bijzondere regels inzake procedure. Op basis van inhoud van de brief van 1 april 2003 van de raadsman van de heer xxxxx ging mevrouw xxxxx er blijkbaar vanuit dat de mededeling van haar overtuigingsstukken slechts na kennisname van de conclusie van de heer xxxxx diende te gebeuren, zoals genoegzaam blijkt uit het stuk 8 van het dossier van de rechtspleging in hoger beroep. Omdat mevrouw xxxxx aandrong tot neerlegging van bijkomende stukken door de heer xxxxx - die naar haar oordeel tot het debat behoren - heeft zij gemeend de zaak opnieuw te moeten activeren d.m.v. een verzoek tot regeling van conclusietermijnen; verzoek waarop dit hof is ingegaan. In de gegeven omstandigheid is het hof van oordeel dat er geen sprake kan zijn van een tergend en/of lichtzinnige procedure in graad van beroep. 6.6.De voorlopige tenuitvoerlegging van het arrest De heer xxxxx vraagt de voorlopige tenuitvoerlegging van het arrest toe te staan, zonder borgstelling, spijts alle verhaal en trots kantonnement. Onderhavig arrest is in se uitvoerbaar bij voorraad vermits een eventueel cassatieberoep, anders dan het hoger beroep, een buitengewoon rechtsmiddel is zonder schorsende werking, d.w.z. dat het de tenuitvoerlegging van het arrest a quo niet verhindert. Het verzoek van de heer xxxxx om het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is dan ook overbodig. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk. Bevestigt het vonnis van xxxxx van de arbeidsrechtbank te xxxxx in zoverre het de hoofdvordering van mevrouw xxxxx, zoals gesteld in de dagvaarding dd. 13 juni 2000 en gesteund op een arbeidsovereenkomst, ontvankelijk en ongegrond verklaarde en in zoverre het de tegenvordering van de heer xxxxx in betaling van een verbrekingsvergoeding omwille van de verbreking van een arbeidsovereenkomst ontvankelijk en ongegrond verklaarde. Vernietigt het bestreden vonnis voor het overige. En opnieuw rechtsprekend. Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de resterende onderdelen van de oorspronkelijke hoofd - en tegenvordering. Verzendt de zaak naar het hof van beroep te xxxxx bij toepassing van artikel 643 van het Ger.W. Verklaart de tegenvordering tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ontvankelijk doch ongegrond. Rechtsprekend over de vordering tot betaling van honorarium en kosten van de advocaat. Houdt deze vordering aan omwille van de motieven sub 6.4 van dit arrest aangegeven en verwijst deze vordering naar de bijzondere rol. Rechtsprekend over de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekloos hoger beroep. Verklaart het ontvankelijk doch ongegrond. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 18 april 2006, waar aanwezig waren: mevrouw H.CROISIAU, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer R. VERMEULEN, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, aangewezen bij beschikking d.d. 18 april 2006 door mevrouw H. CROISIAU, raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer R. DE BROUWER, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.) de heer L. VAN NESPEN, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw S. VAN DEN EYNDE, adjunct - griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060418.11 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040902.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.