id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060420.5 Rolnummer: 2005-0238 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-21 Raadplegingen: 261 - laatst gezien 2026-07-04 08:27 Fiches 1 - 3 Artikel 81 van het gerechtelijk wetboek schrijft voor dat elke kamer in de arbeidsrechtbank wordt voorgezeten door een rechter in de arbeidsrechtbank en daarenboven bestaat uit twee rechters in sociale zaken. Artikel 322, derde lid van het gerechtelijk wetboek bepaalt dat de verhinderde rechter in sociale zaken wordt vervangen door een plaatsvervangende rechter in sociale zaken. Dit artikel laat niet toe een verhinderde rechter in sociale zaken te vervangen door een rechter in de arbeidsrechtbank. Zijn nietig alle verrichtingen van een aldus onregelmatig samengestelde kamer. Wanneer er geen geschrift voorhanden is, moet de kwalificatie die de partijen aan hun samenwerking gaven, worden afgeleid uit andere elementen van het dossier. De rechter kan geen andere kwalificatie in de plaats stellen van de door de partijen aangenomen kwalificatie, tenzij de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de kwalificatie van de partijen uitsluiten. Geen deelname aan het bedrijfsrisico en werken in de lokalen van de opdrachtgever en met zijn materialen, sluiten een zelfstandige samenwerking niet uit. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK organen van de rechterlijke macht - hoven en rechtbanken - arbeidsrechtbank - leden - rechters in sociale zaken - uitoefening van gerechtelijke ambten - verhindering en vervanging - nietigheid van de verrichtingen en van het vonnis. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 81 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 322 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING toepassingsgebied - personen - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - geen schriftelijke overeenkomst - onrechtstreekse kwalificatie - wijziging kwalificatie - elementen die zelfstandige samenwerking uitsluiten - verantwoordelijke kippenkwekerij. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1§1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Eveneens gerangschikt onder I A - artikel 81, onder I A - artikel 322 en onder VII A - artikel 1 ,§
- Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN AFDELING ANTWERPEN ARREST A.R. Nr. 2050238 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: P., met zetel gevestigd te 2322 HOOGSTRATEN-MINDERHOUT, Bredaseweg 29, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. G. MICHIELS loco mr. R. CEUSTERS, advocaat te 2300 TURNHOUT en mr. G. MICHIELS loco mr. L. VERMEULEN, advocaat te 2230 HERSELT, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. G. VAN DEN EYNDE, advocaat te 2440 GEEL. Na beraadslaging over de zaak, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 13 april 2005, van 19 januari 2006 en van 16 februari
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 13 januari 2005, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Turnhout; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 17 maart 2005 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek op 17 maart 2005; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 2 juni 2005; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 28 juni 2005; x het verzoekschrift van eiser in hoger beroep, in toepassing van artikel 750, ,§2 van het gerechtelijk wetboek, ontvangen op de griffie van dit hof op 5 augustus 2005; x de opmerkingen van verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie op 26 augustus 2005; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie op 2 september 2005; x de beschikking in toepassing van artikel 750, ,§2 van het gerechtelijk wetboek van raadsheer J. VERHAVERT, van 6 september 2005; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 26 oktober 2005; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie op 2 december 2005; x het advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de zitting van 16 februari 2006 en meegedeeld aan partijen op 17 februari 2006 in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek; x de repliekconclusies van verweerder in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 1 maart
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 19 januari
- Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 16 februari
- De ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat De P. baat een kippenkwekerij uit in Minderhout. Zaakvoerder is Hdb. Hij is daarnaast ook zaakvoerder van de XXX, die een varkenskwekerij uitbaat. In het najaar van 2000 wordt Hdb ondervraagd over de medewerking die hij heeft met AG. Deze laatste wordt zelf ook ondervraagd op 28 oktober
- Hij verklaarde op zelfstandige basis te werken vanaf 16 januari
- Hij kocht een kleine bestelwagen en wat bureaumateriaal en ging aan de slag hoofdzakelijk bij de P.. Hij hield zich bezig met het verzorgen van de kippen wat concreet inhoudt: het controleren van de technische installaties, voederen van de kippen, afvoeren van dode kippen, bestellen van voeders, het verwittigen van de dierenarts, het laten uitvoeren van testen, papierwerk enz... In samenspraak met Hdb werd het "pakken" van de kippen geregeld en werden de afspraken met de leveranciers geregeld. Verder verklaarde hij: "Ik ben geen vennoot in de beide N.V.'s. Met administratie van de N.V.'s heb ik niets te maken, ik bedoel met het beleid. Wel doe ik de technische administratie vanP. Elke dag noteren van geleverd materiaal, sterfte, gewichtscontrole bij afhalen en leveren. Wel bepaal ik de werking van de praktische kant van het bedrijfP. te Oud Turnhout. Er is tussen mij enP. geen contract opgesteld. Ik dien mijn gewerkte uren niet te verantwoorden. Als er iets is dat gecontroleerd wordt is het de verhouding tussen het netto afgeleverd gewicht, nuchter, en het verbruikte voeder. Hiervoor zijn geijkte normen (in vaktermen voederconventie). Indien deze norm slecht is of ik ze niet kan verantwoorden door mijn nalatigheid zal onze samenwerking beëindigd worden. Werkkledij is van mijzelf. Het materiaal en de kippen in de stal zijn eigendom vanP." Hij factureerde 950 ex BEF per uur. Op basis van de afgelegde verklaringen kwam de R.S.Z. tot het besluit dat AG voor zijn tewerkstelling onderworpen diende te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers voor de periode van het eerste kwartaal 1999 tot en met het derde kwartaal
- Op 13 juni 2003 kondigde de R.S.Z. aan dat hij de P. ambtshalve zou inschrijven en verder dat hij tot ambtshalve aangifte van de prestaties en lonen zou overgaan. Hdb was niet bereid vrijwillig de toestand te regulariseren zodat de R.S.Z. op 1 december 2003 overging tot dagvaarding. Het bestreden vonnis De eerste rechters, bij vonnis van 13 januari 2005, kenden de vordering van de R.S.Z. toe omdat de samenwerking nauwelijks kenmerken van zelfstandigheid vertoonde. Op verzoek van de R.S.Z. werd voornoemd vonnis betekend op 21 februari
- Eisen in hoger beroep De P. tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis, bij verzoekschrift neergelegd op de griffie van dit hof op 17 maart
- Zij is van oordeel dat AG, in de lijn van de actuele cassatierechtspraak, wel degelijk moet worden aanzien als een zelfstandige. Zij vraagt om het vonnis a quo te vernietigen en de oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. als ongegrond af te wijzen. De R.S.Z. vraagt om het hogere beroep als ongegrond af te wijzen. Volgens het recht Nietigheid van het vonnis van 13 januari 2005 Het hof stelt vast dat het vonnis van 13 januari 2005, uitgesproken door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout, vermeldt dat deze kamer zitting hield met twee rechters in de arbeidsrechtbank en slechts één rechter in sociale zaken. De samenstelling van de zetel van de rechtbank behoort tot de openbare orde. Deze samenstelling moet beantwoorden aan het voorschrift van artikel 81 van het gerechtelijk wetboek. Het hof moet ambtshalve nagaan of het voorschrift van het bedoelde artikel 81 werd nageleefd. Artikel 81 van het gerechtelijk wetboek schrijft voor dat elke kamer in de arbeidsrechtbank wordt voorgezeten door een rechter in de arbeidsrechtbank en daarenboven bestaat uit twee rechters in sociale zaken. Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 13 januari 2005 vermeldt dat die dag de samenstelling van de zetel dezelfde was als op 9 december 2004, terechtzitting waarop de pleidooien werden gehouden, het advies van het openbaar ministerie werd aanhoord en waarop de zaak in beraad werd genomen. Verder vermeldt dit proces-verbaal dat de rechter in de arbeidsrechtbank zetelde in vervanging van de rechter in sociale zaken, benoemd als werknemer, "wettelijk verhinderd". Het proces-verbaal verduidelijkt niet welke wet de desbetreffende rechter in sociale zaken verhinderde om op 9 december 2004 in de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout te zetelen. Het verduidelijkt helemaal niet of diezelfde rechter ook verhinderd was op de terechtzitting van 13 januari
- Uiteraard speelt hier ook de toepassing van artikel 779 van het gerechtelijk wetboek. Hoe dan ook artikel 322, derde lid van het gerechtelijk wetboek bepaalt dat de verhinderde rechter in sociale zaken wordt vervangen door een plaatsvervangende rechter in sociale zaken. Dit artikel laat niet toe een verhinderde rechter in sociale zaken te vervangen door een rechter in de arbeidsrechtbank. Een rechter in de arbeidsrechtbank zou een rechter in sociale zaken enkel kunnen vervangen in geval van onvoorziene afwezigheid van deze laatste (idem artikel 322, derde lid van het gerechtelijk wetboek). Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting maakt enkel gewag van 'verhindering' van de rechter in sociale zaken, niet van een onvoorziene afwezigheid. Uit dit alles volgt dat de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout, toen ze zitting nam op 9 december 2004 en op 13 januari 2005 niet rechtsgeldig was samengesteld. De sanctie bij een onregelmatig samengestelde zetel is de nietigheid. Zijn derhalve nietig alle verrichtingen van de onregelmatig samengestelde kamer op de terechtzittingen van 9 december 2004 en 13 januari 2005 en in het bijzonder het eindvonnis van 13 januari
- Artikel 1068 van het gerechtelijk wetboek bepaalt dat het hoger beroep het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep (vergelijk arbeidshof Gent, 24 januari 2005, A.R. nr. 26 802, Juridat RS61299_1). De toepassing van dit artikel brengt mee dat het geschil thans beslecht wordt door het hof. De grond van de zaak Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003, van 3 mei en 6 december 2004: (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) (Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) en (Cass., 6 december 2004 - rolnummer S.04.0102.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04C62_1). Voor het hof houdt deze cassatierechtspraak in dat er in het feitenmateriaal niet moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Men dient te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient te worden onderzocht of de feitelijke uitvoering van de overeenkomst dit statuut niet tegenspreekt. Het hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. x x x Het eerste wat moet worden onderzocht is of de betrokken partijen hun samenwerking hebben gekwalificeerd en hoe ze dit hebben gedaan: rechtstreeks of onrechtstreeks. Kwalificatie gaat over het leggen van een abstract, algemeen verband tussen een rechtsfeit of een rechtshandeling en een in een rechtsnorm uitgedrukte hypothese. Toegepast op een overeenkomst gaat het om een juridische duiding van de gemaakte afspraken (W. Van Eeckhoutte, 'Gezag' in de cassatierechtspraak, in NJW 12 januari 2005, blz. 7 nr. 18). Deze duiding is rechtstreeks wanneer ze is terug te vinden in een geschrift. Ze is onrechtstreeks wanneer ze niet in een geschrift is terug te vinden. Aan het hof wordt geen schriftelijke overeenkomst voorgelegd, waarin de samenwerking tussen de P. en AG wordt geregeld. Uit de afgelegde verklaringen blijkt dat dergelijke schriftelijke overeenkomst tussen deze partijen niet werd opgemaakt. Een rechtstreekse kwalificatie van hun samenwerking ontbreekt aldus. De vraag is dan of de betrokken partijen onrechtstreeks hun samenwerking als een zelfstandige samenwerking hebben gekwalificeerd. De R.S.Z. is van oordeel dat er niet vaststaat dat AG uit vrije wil in een zelfstandige samenwerking met de P. is gestapt. In zijn verklaring van 15 maart 2001 geeft Hdb, als zaakvoerder van de P., alvast aan dat hij AG beschouwt als een zelfstandige. Het is om die reden trouwens dat hij niet bereid is diens prestaties bij de R.S.Z. aan te geven. AG verklaarde op 28 oktober 1999 dat hij via een gemeenschappelijke kennis in contact kwam met Hdb, die op zoek was naar een zelfstandige medewerker voor bedrijven XXX en Pollo. Hij verklaarde op dit aanbod te zijn ingegaan omdat hij vroeger reeds in de pluimveesector werkte en omdat zijn vader en broer ook landbouwers waren. Verder verklaarde hij zelf voor zijn aansluiting bij een kas voor zelfstandigen te hebben gezorgd. Ook kocht hij een kleine bestelwagen en bureaumateriaal aan op eigen kosten. De hele verklaring van AG laat niet toe ertoe te besluiten dat hij niet vrijwillig zelfstandige zou zijn geworden. Het hof vindt er geen elementen in terug, die bewijzen dat het zelfstandige statuut aan AG zou opgedrongen of opgelegd zijn. Het normale spel van vraag en aanbod heeft hier gewerkt. De verklaring van AG leidt slechts tot de conclusie dat AG akkoord ging om als zelfstandige voor Hdb en dus voor Pollo te werken. Dit akkoord werd ook achteraf toegepast tijdens de uitvoering van de samenwerking. Het besluit is dat de P. en AG hun samenwerking onrechtstreeks hebben gekwalificeerd als een zelfstandige samenwerking. x x x De R.S.Z. meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking tussen de P. en AG niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er integendeel sprake is van prestaties als werknemer. In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt (vertrekken van de kwalificatie van de betrokken partijen) moet er thans worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse uitvoering van deze samenwerking onverenigbaar zijn met de kwalificatie van zelfstandige samenwerking. Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de R.S.Z., op wie de bewijslast rust. Hij zet immers een in het rechtsverkeer rechtsgeldig tot stand gekomen kwalificatie op de helling. Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en zo ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de wet van 27 juni 1969, dient te worden verwezen naar de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het gezag of het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. Het element 'arbeid' is terug te vinden in de samenwerking tussen de P. en AG. Deze laatste verklaarde dat zijn taak erin bestond de dieren te verzorgen. Hij legt daarbij in detail uit wat deze taak precies inhield. Hij verklaarde wel dat wanneer hij te weinig werk heeft met deze activiteit, hij op zoek ging naar interim-arbeid. Dit was vooral in de winter het geval. Er wordt niet aangetoond welk volume interim-arbeid AG aannam, maar hij geeft stellig de indruk dat dit eerder sporadisch was. Anderzijds leverde hij ook prestaties voor de XXX. Maar hierover verklaarde AG dat dit maar gebeurde als er teveel werk was en er daarom iemand moest inspringen. Op basis van de verklaring van AG komt het hof tot het besluit dat diens hoofdbezigheid werd uitgemaakt door prestaties voor de P. en dat deze prestaties voldoende regelmatig werden geleverd, zodat de aanwezigheid van het element 'arbeid' in de samenwerking buiten kijf staat. Ook wat het element 'loon' betreft, kan er moeilijk discussie zijn. De facturen die in het dossier aanwezig zijn, bewijzen dat AG voor zijn diensten in principe werd vergoed. Enigszins storend is wel dat zijn prestaties voor de XXX ook werden afgerekend via de P.. Blijft nog te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economische gezag of de economische afhankelijkheid. Wat juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die moet uitvoeren. De band van ondergeschiktheid laat daardoor aan de werkgever toe de werknemer om het even welke arbeid te doen uitvoeren, in de sfeer van zijn beroepsbekwaamheid, op de door hem bepaalde wijze en tijd (C. Engels, De managementvennootschap en het sociaal recht, Oriëntatie 1995, 202-203). x x x Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete werkomstandigheden van elke dag? Uit het "verslag: onderwerping" van 14 augustus 2001, dat het hof terugvindt in het dossier van de R.S.Z., blijkt dat de adviseur bij de R.S.Z. tot de conclusie komt dat AG voor de P. presteerde als werknemer omdat: o hij geen affectio societatis heeft, hij geen investeringen deed, de bedrijfsmiddelen hem ter beschikking worden gesteld, de kleine onkosten hem worden vergoed, o zijn inkomen niet afhankelijk is van het resultaat maar wel van zijn arbeid, o zijn verantwoordelijkheid enkel op het uitvoerende vlak ligt, o hij wordt gecontroleerd door Hdb, o de overeenkomst strikt persoonlijk is. In conclusies verduidelijkt de R.S.Z. deze elementen en vult ze aan. Zo geeft hij aan dat de volgende elementen verwijzen naar een werknemersstatuut: o het feit dat de arbeid wordt verricht in lokalen die aan de werkgever toebehoren met installaties, producten en benodigdheden, die aan de opdrachtgever toebehoren, o het feit dat hij uitsluitend voor bedrijven van Hdb werkte, o het feit dat hij met een vast loon werd betaald, o het feit dat hij in geval van ziekte zou vervangen worden door de dienst bedrijfshulp van de Boerenbond, o het feit dat de overeenkomst enkel middelenverbintenissen bevatte, o het feit dat hij voor het nemen van vakantie zich moest aanpassen aan het gegeven dat de stallen leeg stonden, o het feit hij niet deelnam aan winst of verlies. De affectio societatis, geen deelname aan het bedrijfsrisico, geen deelname aan winst of verlies. AG werkte exclusief voor de P.. Dat AG geen eigen handelsgeest zou hebben, is niet bewezen. Hij verklaarde immers dat hij probeerde om zijn diensten ter beschikking te stellen in andere landbouwbedrijven. Deze pogingen bewijzen dat AG wel degelijk geïnteresseerd was om van zijn bezigheid een eigen zaak te maken. Vanzelfsprekend mag het gegeven dat dit hem op het ogenblik van zijn ondervraging nog niet bijster gelukt was, niet in zijn nadeel worden uitgelegd. Het verlangen om een eigen zaak op te bouwen, wordt nog ondersteund door een aantal andere elementen: zo keek AG zelf uit naar een eigen boekhouder, hij sloot zichzelf aan bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, hij voorzag in zijn eigen werkkledij, hij deed wel degelijk investeringen in zijn eigen zaak: de aanschaf van een bestelwagen en van bureaumateriaal. Al deze elementen wijzen er op dat AG wel degelijk over een eigen handelsgeest beschikte. Hij was ook niet verplicht om exclusief voor de P. te werken vermits hij in stillere momenten voor andere opdrachtgevers effectief werkte. Dat hij niet deelnam in de bedrijven van Hdb, is geen element dat in verband kan gebracht worden met het bestaan van werkgeversgezag. Het is een element van economische afhankelijkheid en daarom niet relevant. Ook onderaannemers hebben geen participatie in het bedrijf van de hoofdaannemer en toch zijn ze zelfstandigen. Het element is deels niet bewezen, deels niet relevant. Middelenverbintenis of resultaatsverbintenis? AG leverde enkel uitvoerende arbeid. Het is vrij duidelijk dat, in tegenstelling met wat de R.S.Z. voorhoudt, er ter zake sprake is van een resultaatsverbintenis en niet van een middelenverbintenis. AG verklaarde: "Mijn opdracht is om de dieren te verzorgen, hoe dit gebeurt is mijn zaak. Hdb komt af en toe eens langs om te zien of het er netjes uitziet. Hij komt zich zeker niet bemoeien. ...Wel bepaal ik de werking van de praktische kant van het bedrijf Pollo NV. ... Ik dien mijn gewerkte uren niet te verantwoorden." Hdb spreekt deze realiteit in zijn verklaring niet tegen. De R.S.Z. toont niet aan dat dit niet de werkelijkheid was. Het kan haast niet duidelijker worden verwoord dat AG bijna autonoom instond voor het doen draaien van de vetmesterij Pollo. Hij woonde op het bedrijf en hij nam gans de praktische kant voor zijn rekening. Hdb bemoeide er zich niet mee. Het enige wat die interesseerde was dat de voederconventie (uitleg: zie verklaring AG) in orde was. Deze conventie bepaalde het rendement van het bedrijf. De interesse van Hdb ging enkel uit naar het resultaat en allerminst naar de manier waarop dit resultaat werd bereikt. Er is dus sprake van een uitgesproken resultaatsverbintenis. Het gericht zijn van de opdrachtgever, enkel op het resultaat, is kenmerkend voor een zelfstandige samenwerking en niet voor een samenwerking in ondergeschikt verband, waarin de werkgever de arbeid van zijn werknemers aanstuurt om zelf een resultaat te bereiken. Het element ondersteunt hier de realiteit van een zelfstandige samenwerking. Het is dus contraproductief. AG werd enkel betaald met een vast loon. Helemaal vast was het loon niet. De steeds terugkerende prestaties (routine) werden blijkbaar vergoed aan 70.000 ex BEF per maand. Extra prestaties mochten door AG ook extra worden gefactureerd. Het openbaar ministerie wijst er terecht op dat de elementen van het dossier niet toelaten om uit te maken of deze maandelijkse vergoeding ten allen tijde verworven bleef, ook al werd er niet gepresteerd door AG. Er kan inderdaad maar sprake zijn van een vast loon, als indicatie van ondergeschikt verband, indien vaststaat dat dit loon ook verschuldigd was voor periodes van niet-activiteit. Ook volgt duidelijk uit de verklaringen dat de beloning niet eenzijdig werd opgelegd door Hdb maar dat ze de vrucht was van een akkoord. Anderzijds volgt uit de verklaring van Hdb dat de beloning de globale dienstverlening van AG vergoedt, vermits het Hdb niet interesseert hoeveel arbeidsuren hij daarvoor in de plaats krijgt. Dit wijst op een belonen van de arbeid als dusdanig en niet op de vrucht ervan. Het hof is van oordeel dat dit element wel verwijst naar werkgeversgezag, maar dat het niet krachtig genoeg is om het statuut van zelfstandige samenwerking, dat werd overeengekomen, uit te sluiten. Daarvoor is het niet volkomen genoeg. Hdb oefende controle uit. De R.S.Z. houdt voor dat permanente controle mogelijk was, enerzijds rechtstreeks door bezoek op de plaats van de tewerkstelling en anderzijds via de technische boekhouding. De R.S.Z. verwijst naar drie onderdelen in de afgelegde verklaringen om dit uitgangspunt te ondersteunen:
- Hdb kwam af en toe langs om te zien of alles netjes was. De R.S.Z. vergeet er bij te vermelden dat hij evenwel niet in de stallen kwam om ziekte te vermijden. Deze sporadische controle is vooreerst veel te weinig om van een echt toezicht te kunnen spreken en ze sloeg anderzijds niet op de inzet van de arbeid van AG, wat toch noodzakelijk is om dienstig te zijn als element van werkgeversgezag.
- Controle voederconventie. Hogerop in dit arrest werd deze controle al gedefinieerd als een typische productcontrole, zeer resultaatgericht. Het is evenmin een controle van de wijze waarop AG zijn arbeid inzette.
- De automatische controle uit de verklaring van Hdb verwijst naar het geautomatiseerd productieproces in de stallen en ze heeft helemaal niets meer te maken met het al dan niet bestaan van gezag. AG verklaarde daarentegen dat Hdb zich niet bemoeide met de uitvoering van het werk, wat beduidt dat er geen controle was. Het element is niet bewezen. De overeenkomst is strikt persoonlijk. De relatie tussen AG en de P. was niet van die aard dat ze onvermijdelijk verwees naar een ondergeschikt verband. Wel integendeel: Hdb vertrouwde aan AG de volledige uitbating toe van zijn vetmesterij. Zijn wens was dat hij er zo weinig mogelijk omzien naar had. Hoe zelfstandiger AG de zaak liet draaien, hoe liever hij het had. Als Hdb op AG rekende als persoon, dan was het omwille van zijn deskundigheid (hij kwam tenslotte uit een landbouwersgezin) en omwille van zijn inzet. De aard van de bedrijvigheid brengt ook mee dat niet iedereen zo maar kan inspringen. Maar Hdb had er geen problemen mee dat de zoon de taak van zijn vader overnam wanneer die om één of andere reden even uitviel. Het hof is overtuigd dat Hdb er in principe geen probleem zou van gemaakt hebben als AG hem een vervanger zou voorgesteld hebben, bij zoverre hij hem er kon van overtuigen dat deze vervanger het werk op dezelfde manier aankon. Het was Hdb er om te doen dat de uitbating draaide, niet zozeer om wie dit werk deed. Het moest alleen leiden tot het gewenste resultaat. AG werkte in de lokalen van de P. en met haar materialen. Dit element is een a contrario element. Indien AG een bepaald product zou vervaardigd hebben in zijn eigen atelier met eigen materialen en middelen dan zou hij een uitgesproken zelfstandige zijn geweest. Maar het feit dat hij nu werkte in de lokalen van zijn opdrachtgever en met diens productiemiddelen brengt niet automatisch mee dat hij helemaal geen zelfstandige meer kon zijn en dat hij per definitie een werknemer was. Hoogstens kan men zeggen dat hij geen uitgesproken zelfstandige is, maar het element sluit niet uit dat hij nog steeds zelfstandige kan zijn. Overigens was AG niet totaal aangewezen op de P.. De bestelwagen was zijn eigendom, hij kocht zelf bureaumateriaal aan en ook de werkkledij was de zijne. Het element is niet dienstig. De ziekte en vakantieregeling. Over wat er moest gebeuren indien AG ziek viel, is er enkel het element dat Hdb in zijn verklaring aanbrengt, namelijk dat hij in die hypothese beroep zou hebben gedaan op de bedrijfshulp van de Boerenbond. Beroep doen op deze dienst is waarschijnlijk de meest aangewezen oplossing omdat een vetmesterij zich niet kan permitteren dat de persoon die ze draaiende houdt, uitvalt, zelfs al is dat maar eventjes. Met andere woorden de eigen specifieke aard van de bedrijvigheid brengt mee dat niet om het even wie zomaar kan inspringen. Daarom allicht bestaat er ook zo'n gespecialiseerde dienst als de dienst bedrijfshulp. Maar uit die specifieke situatie afleiden dat AG zich niet kon laten vervangen, dat gaat te ver. Voor het overige brengen de afgelegde verklaringen geen informatie bij over wat AG te doen stond indien hij zou ziek vallen: moest hij zijn afwezigheid staven? Was er een doktersbriefje vereist? Dat AG voor het nemen van vakantie rekening moest houden met de weken waarin de stallen leegstonden is ook een gevolg van de specifieke aard van de bedrijvigheid van een vetmesterij. Ook als zelfstandige moet men soms rekening houden met specifieke vereisten. Het element is geen bewijs van de concrete uitoefening van werkgeversgezag door Hdb over AG. Conclusie: De elementen die de R.S.Z. aanhaalt om het werkgeversgezag te bewijzen zijn ofwel niet dienstig omdat ze wijzen onder andere op economische afhankelijkheid maar niet op juridisch gezag, ofwel niet bewezen ofwel onvoldoende sterk om de kwalificatie van zelfstandige samenwerking, die beide betrokken partijen uitdrukkelijk wilden, onderuit te halen. Eén element is zelfs contraproductief. Het feit dat AG naar eigen inzicht en zonder bemoeienis de uitbating van de P. voor zijn rekening nam en het feit dat hij daartoe, binnen de vereisten van deze uitbating, over zijn tijd kon beschikken, ondersteunen bovendien de zelfstandigheid van zijn medewerking. In deze zaak zijn er door de R.S.Z. onvoldoende krachtige elementen aangereikt die wijzen op werkgeversgezag en die de aangenomen kwalificatie van zelfstandige samenwerking uitsluiten. De beoordeling moet zich niet richten op het statuut van zelfstandige. R.S.Z.-bijdragen zijn er niet verschuldigd als een zelfstandig statuut gebreken vertoont, maar enkel als het effectief bestaan van een arbeidsovereenkomst is bewezen. De beoordeling moet zich dan ook richten naar dit bestaan van een arbeidsovereenkomst. Eindconclusie. De R.S.Z. slaagt er niet in om naar recht het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen. Van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan eerst sprake zijn als cumulatief de componenten arbeid, loon en gezag aanwezig zijn. Terzake is het element gezag niet bewezen, zodat de samenwerking tussen de P. en AG niet gekwalificeerd kan worden als een arbeidsovereenkomst. De oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 16 februari
- Verweerder in hoger beroep repliceerde met schriftelijke conclusies, neergelegd op de griffie van dit hof op 1 maart
- Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 13 januari 2005 (A.R. nr. 77.435) nietig. Beveelt dat van deze nietigverklaring melding zal gemaakt worden in de kantlijn van de minuut van dit vonnis. Trekt, ingevolge de toepassing van artikel 1068 van het gerechtelijk wetboek, de beoordeling van het geschil, in de stand waarin het zich bevindt na de nietigverklaring, naar zich toe en oordeelt als volgt: Verklaart de vordering van de R.S.Z., zoals ingesteld bij dagvaarding van 1 december 2003, ontvankelijk doch ongegrond en wijst de R.S.Z. ervan af. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de R.S.Z. op 150,79 euro dagvaarding, 209,71 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 3,75 euro uitgifte en 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de P. op 209,71 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 59,49 euro uitgavenvergoeding en 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060420.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div