← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060420.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060420.6 Rolnummer: 2004-0446 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 269 - laatst gezien 2026-07-04 06:40 Fiches 1 - 2 Bij een herkwalificatie van een overeenkomst van zelfstandige samenwerking in een arbeidsovereenkomst kunnen de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen slechts berekend worden op het loon dat ingevolge de dienstbetrekking verschuldigd is op de geleverde prestaties. Het door partijen overeengekomen uurloon tot vergoeding van de prestaties van de zelfstandige kan niet zonder meer als basis voor berekening van de verschuldigde bijdragen in aanmerking genomen worden nu niet bewezen wordt dat partijen hetzelfde uurloon zouden vastgesteld hebben indien zij beseft zouden hebben dat hun samenwerking finaal zou gekwalificeerd worden als een arbeidsovereenkomst. Het behoort aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid te bewijzen dat dit wel het geval zou zijn. Nu er geen vaststaande gegevens bekend zijn omtrent het akkoord van partijen omtrent de vergoeding voor de geleverde prestaties in het kader van een arbeidsovereenkomst kan enkel teruggegrepen worden naar het loon dat baremiek voor deze prestaties minimaal verschuldigd is. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Toepassingsgebied - personen - bijdrageregeling - schijnzelfstandige - herkwalificatie - grondslag berekening verschuldigde bijdragen Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1,§1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Inning en invordering van de bijdragen - aangifte - schijnzelfstandige - herkwalificatie - grondslag berekening verschuldigde bijdragen Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22en22bis - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder VII A - artikel 1, ,§ 1 en onder artikel 22, 22bis. Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2040446 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, eiser in hoger beroep, incidenteel geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. M.C. RYCKAERT, advocaat te 2300 TURNHOUT, tegen : GVDM, met zetel te verweerder in hoger beroep, incidenteel appellant, voor wie verschijnt: mr. C. VAN DER SCHUEREN, advocaat te 2000 ANTWERPEN. Na beraadslaging over de zaak, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 8 september 2004, van 20 mei 2005, van 19 januari 2006 en van 16 februari 2006; Gelet op de stukken van de rechtspleging en in het bijzonder op: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 22 april 2004, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Turnhout; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 10 juni 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek op 10 juni 2004; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 17 maart 2005; x het verzoekschrift van verweerder in hoger beroep, in toepassing van artikel 747 ,§2 van het gerechtelijk wetboek, ontvangen op de griffie van dit hof op 1 juli 2005; x de beschikking hierop van raadsheer J. VERHAVERT van 6 september 2005; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het hof op 7 oktober 2005; x de syntheseconclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 28 november 2005; x de kostennota voor eiser in hoger beroep, neergelegd op de zitting van 19 januari 2006; x het advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de zitting van 16 februari 2006 en ter kennis gebracht in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek op 17 februari 2006; x de repliekconclusies voor verweerder in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 28 februari

  1. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van de partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 19 januari
  2. Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 16 februari
  3. De ontvankelijkheid Het incidenteel beroep en het hoger beroep zijn naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Beiden zijn dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat PV heeft in 1995, 1996 en 1997 op zelfstandige basis gewerkt voor de GVDM Algemene Onderneming. Uit de door hem opgestelde facturen blijkt dat dit gebeurde tussen 4 juli 1995 en 22 februari
  4. PV was voorheen bedrijfsleider van de firma's AB en PMB, die beiden failliet gingen. Toen het slecht begon te gaan met zijn firma's legde PV contact met AVDM, afgevaardigde bestuurder van de GVDM. De N.V. was op dat moment op zoek naar personeel en wierf op 21 maart en 22 maart 1995 zes werknemers van PV aan. Kort nadien vroeg PV of hij zelf ook voor de N.V. kon werken. AVDM ging hiermee akkoord, maar dan wel op zelfstandige basis. Alle afspraken werden mondeling gemaakt, er werd hieromtrent geen schriftelijke overeenkomst opgesteld. PV heeft nooit aandelen gehad van de GVDM en er evenmin een mandaat in uitgeoefend. In het verhoor, dat op 6 juli 1998 van hem werd afgenomen, verklaarde PV o.a.: "Ik werkte zoals de andere werknemers maar dan op zelfstandige basis. Ik gaf leiding aan een ploeg metserdienders... GVDM wees de werven aan waar ik metselwerken diende uit te voeren. Mijn uren liepen gelijk met de ploeg werknemers van VDM ... Ik presteerde als zelfstandige enkel en alleen arbeidsuren." Volgens AVDM maakte hij per opdracht een afspraak met PV. Hij verklaarde dat PV vrij apart werkte t.o.v. zijn personeel. Soms zou hij alleen werken uitgevoerd hebben, soms samen met een werknemer van de firma. AVDM bepaalde de werven waarop hij moest werken, hij vertelde hem wat er moest gedaan worden en hij controleerde achteraf het werk. Indien het werk niet naar behoren was uitgevoerd, moest hij het herdoen. Volgens AVDM koos PV zelf zijn werkuren, hij moest er wel voor zorgen dat het werk binnen een bepaalde termijn klaar was. PV verplaatste zich met zijn eigen wagen naar de werven. Het kleine gereedschap dat hij gebruikte was van hem, al het andere materiaal was eigendom van de N.V. Volgens PV werd hij per uur betaald. AVDM zou hem verteld hebben dat hij tegen 700 ex BEF per uur kon werken voor zijn firma. AVDM verklaarde dat hij PV soms per uur en soms per opdracht betaalde. PV stelde onregelmatig facturen op voor zijn prestaties. Hij was in persoonlijke naam ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen en hij was in het bezit van een BTW-nummer. Tussen 4 juli 1995 en 22 februari 1997 werkte hij hoofdzakelijk voor de GVDM. Uit de nummering van zijn facturen blijkt evenwel dat hij in 1996 nog voor andere opdrachtgevers heeft gewerkt. Hierop werd niet ingegaan tijdens het verhoor. Vanaf 23 februari 1997 werkt PV niet langer voor de GVDM. Sindsdien zoekt hij terug zelf opdrachten. Nadien heeft hij ook verschillende van zijn vroegere werknemers, die in 1995 werden aangeworven door de GVDM, terug in dienst genomen. Prestaties van YC YC heeft van 25 februari 1997 (vlak na het vertrek van PV) tot 11 juni 1998 op zelfstandige basis gewerkt voor de GVDM. Dit gebeurde als "zelfstandige helper" van de vennootschap. YC was voordien van 1 november 1994 tot 1 november 1995 als bediende in dienst geweest bij de GVDM. Hij hield er zich toen bezig met werfvoorbereidingen zoals documenten klaarmaken en materialen aanbrengen. Na zijn ontslag is hij naar het buitenland vertrokken. Begin 1997 nam YC contact op met AVDM om hem te vragen of hij terug voor zijn firma kon werken, deze keer op zelfstandige basis. Volgens AVDM opteerde YC voor een zelfstandig statuut omdat er loonbeslag zou gebeuren indien hij als werknemer voor de N.V. kwam werken. Hij heeft zich niet laten inschrijven in het handelsregister en hij heeft geen B.T.W.-nr. aangevraagd. Hij heeft nooit aandelen van de GVDM in zijn bezit gehad, geen mandaat in de N.V. uitgeoefend en hij is nooit betrokken geweest in het algemeen beleid van de firma. YC hield zich bezig met voorbereidend werk op de werven, zoals afbraakwerken, stellingen plaatsen en stenen aanbrengen. Omtrent zijn arbeidsomstandigheden legde AVDM volgende verklaring af: "YC werkt samen met mijn personeel mee op de werven... Hij ontvangt van mij de richtlijnen over het werk dat hij moet doen zoals met het personeel gebeurt. Indien hij zijn werk niet naar behoren uitvoert krijgt hij hierover een opmerking van mij. Hij heeft dezelfde werkuren als het personeel, ik verwacht van hem dat hij komt werken zoals de andere werknemers. Hij neemt samen met mijn personeel verlof, hij kan wel verlof nemen wanneer hij dit wenst. Ik verwacht van hem wel dat hij dit vooraf doorgeeft." Deze verklaring werd in grote lijnen bevestigd door YC zelf. Voor zijn prestaties ontving YC 625 ex BEF per uur. Volgens AVDM bepaalde hij dit bedrag, voor YC was het te nemen of te laten. YC stelde geen facturen op aan de GVDM, maar gaf hij wel elke 2 weken een 'prestatiestaat', waarin het aantal door hem gewerkte uren werd vermeld. Hij heeft nooit voor andere opdrachtgevers dan de GVDM gewerkt. Op basis van dit onderzoek, kwam de R.S.Z. tot het besluit dat zowel PV als YC als werknemer moesten worden beschouwd. Op 11 maart 1999 werd een bericht van wijziging der bijdragen opgemaakt voor : x 3de en 4de kwartaal 1995 x 1ste, 3de en 4de kwartaal 1996 x 1ste, 2de, 3de, en 4de kwartaal 1997 x 1ste en 2de kwartaal
  5. Op 19 oktober 1999 werd voor deze kwartalen ook gedagvaard, zij het niet voor het 3de kwartaal
  6. Het bestreden vonnis De eerste rechters, bij vonnis van 22 april 2004, verklaarden de vordering van de R.S.Z. enkel gegrond voor de tewerkstelling van YC en heropenden de debatten om de R.S.Z. toe te laten een herberekening op te maken. Van dit vonnis wordt geen akte van betekening voorgelegd. Eisen in hoger beroep De R.S.Z. tekende op 10 juni 2004 beroep aan tegen dit vonnis a quo. Hij vraagt dat beide medewerkers als werknemer zouden worden erkend en bijgevolg dat zijn oorspronkelijke vordering integraal zou worden toegekend. Bij conclusies van 17 maart 2005 stelt de N.V. incidenteel beroep in en vraagt dat de vordering van de R.S.Z. ook zou worden afgewezen m.b.t. YC. Volgens het recht Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003, van 3 mei en 6 december 2004: (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) (Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) en (Cass., 6 december 2004 - rolnummer S.04.0102.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04C62_1). Voor het hof houdt deze cassatierechtspraak in dat er in het feitenmateriaal niet moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Men dient te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient te worden onderzocht of de feitelijke uitvoering van de overeenkomst dit statuut niet tegenspreekt. Het hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. Het eerste wat moet worden onderzocht is of de betrokken partijen hun samenwerking hebben gekwalificeerd en hoe ze dit hebben gedaan: rechtstreeks of onrechtstreeks. Kwalificatie gaat over het leggen van een abstract, algemeen verband tussen een rechtsfeit of een rechtshandeling en een in een rechtsnorm uitgedrukte hypothese. Toegepast op een overeenkomst gaat het om een juridische duiding van de gemaakte afspraken (W. Van Eeckhoutte, 'Gezag' in de cassatierechtspraak, in NJW 12 januari 2005, blz. 7 nr. 18). Deze duiding is rechtstreeks wanneer ze is terug te vinden in een geschrift. Ze is onrechtstreeks wanneer ze niet in een geschrift is terug te vinden. Terzake gaat het over twee medewerkers: PV en YC. In zijn verklaring van 6 juli 1998 aan de inspectie maakt PV geen melding van de opmaak van enige schriftelijke overeenkomst, waarin zijn samenwerking met de GVDM werd vastgelegd. AVDM verklaarde op 5 oktober 1998 dat er met PV enkel mondelinge overeenkomsten werden gesloten. Uit de beide verklaringen komt nochtans vast te staan dat de samenwerking tussen de GVDM en PV op zelfstandige basis werd georganiseerd: PV: "Ik werkte als zelfstandige." GvdM: "Hij heeft mij ...gevraagd of hij op zelfstandige basis als onderaannemer voor mij werken kon uitvoeren. Dit werd door mij aanvaard." Ook de samenwerking met YC werd blijkbaar niet schriftelijk vastgelegd. Er wordt tenminste geen dergelijke schriftelijke overeenkomst neergelegd. Op 11 juni 1998 verklaarde AVDM dat YC op zelfstandige basis voor de GVDM werkte. Op 5 oktober 1998 bevestigde YC aan de inspecteur dat hij zelf rond februari 1997 aan AVDM gevraagd had om op zelfstandige basis opnieuw te mogen werken voor de GVDM. Er is geen rechtstreekse kwalificatie van de samenwerking tussen de GVDM en zowel PV als YC voorhanden, maar op basis van al de afgelegde verklaringen komt het hof tot het besluit dat deze samenwerking op zelfstandige basis was geschoeid. Deze partijen hebben hun samenwerking onrechtstreeks gekwalificeerd als een zelfstandige samenwerking. x x x De R.S.Z. meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking tussen de GVDM en beide medewerkers niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er voor hen beide sprake is van prestaties als werknemer. In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt (vertrekken van de kwalificatie van de betrokken partijen) moet er thans worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse uitvoering van deze samenwerking onverenigbaar zijn met de kwalificatie van zelfstandige samenwerking. Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de R.S.Z., op wie de bewijslast rust. Hij zet immers een in het rechtsverkeer rechtsgeldig tot stand gekomen kwalificatie op de helling. Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en zo ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de wet van 27 juni 1969, dient te worden verwezen naar de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het gezag of het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. In de samenwerking tussen de GVDM en PV was het element arbeid zeker aanwezig. PV voerde op verschillende werven metselwerken en andere werken uit. Wat YC betreft, zijn AVDM en YC het er over eens dat deze laatste werkte op diverse werven van de bouwfirma. De facturen die worden neergelegd, tonen aan dat deze arbeid voldoende regelmatig werd geleverd. Het element arbeid is aldus naar recht aangetoond. Ook het element loon is terug te vinden in de afgelegde verklaringen: YC werd per uur betaald (625 ex BEF). Ook hier tonen de facturen aan dat het ging over een volwaardige beloning. Het element loon is bewezen. Hetzelfde geldt voor PV: hij werd soms per uur betaald soms forfaitair. Ook hier tonen de facturen aan dat het element beloning zeker aanwezig is in de samenwerking met de GVDM. Blijft nog te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economische gezag of de economische afhankelijkheid. Wat juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die moet uitvoeren. De band van ondergeschiktheid laat daardoor aan de werkgever toe de werknemer om het even welke arbeid te doen uitvoeren, in de sfeer van zijn beroepsbekwaamheid, op de door hem bepaalde wijze en tijd (C. Engels, De managementvennootschap en het sociaal recht, Oriëntatie 1995, 202-203). Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete werkomstandigheden van elke dag? Hier past het de samenwerking tussen de GVDM en PV enerzijds en YC anderzijds afzonderlijk te onderzoeken. PV Het hof oordeelt dat de kwalificatie die de GVDM en PV aan hun samenwerking gaven sterk naar voren komt uit de feiten. PV was vooraleer hij met de GVDM ging samenwerken zelf zaakvoerder geweest van twee vennootschappen, actief in dezelfde branche. Hij was toen een uitgesproken zelfstandige. Ook na het beëindigen van de samenwerking is PV opnieuw zelfstandig zaken gaan doen. Zijn "verblijf" bij de GVDM is maar een overstap geweest tussen deze twee periodes. Het is volkomen logisch dat PV in die omstandigheden aan AVDM zelf vroeg om op zelfstandige basis samen te werken (dixit: AVDM). Hij was een zelfstandige en zou een zelfstandige blijven. Het is begrijpelijk dat hij niet aanstuurde op een werknemersstatuut. Nu mag aangenomen worden dat PV zelf aandrong om samen te werken op zelfstandige basis en AVDM dit aanvaardde, is de kwalificatie die ze aan hun samenwerking gaven sterk. Het is moeilijker om een dergelijke sterke kwalificatie opzij te zetten. De R.S.Z. reikt uit de concrete samenwerking tussen PV en de GVDM de volgende elementen aan die wijzen op werkgeversgezag: AVDM bepaalde de werven waar PV moest gaan werken Ook in een relatie van aannemer-onderaannemer bepaalt de hoofdaannemer voor welke werven hij een beroep zal doen op de onderaannemer. Dit element sluit geen werkgeversgezag uit. AVDM vertelde wat er moest gebeuren. Hier geldt dezelfde redenering. Het spreekt vanzelf dat de hoofdaannemer aan de onderaannemer kan uitleggen wat hij precies op de werf moet doen. Het element is niet relevant. AVDM controleerde het werk achteraf. De verklaringen die AVDM en PV aan de inspectie aflegden, laten niet toe te besluiten dat er controle was op de inzet van de arbeid van PV. Wel integendeel, AVDM verklaarde dat hij het werk van PV controleerde omdat hij verantwoordelijk bleef naar de opdrachtgever toe. Dit is een typische kwaliteitscontrole, een controle naar het product van de arbeid en geen controle naar de inzet van de arbeid zelf. Een kwaliteitscontrole is even typerend voor een onderaanneming. Ze bewijst geenszins het bestaan van gezag. PV liep geen enkel bedrijfsrisico. Dit is een element met een louter economisch karakter. Hogerop in dit arrest werd al duidelijk gemaakt dat economische elementen niet dienstig zijn om het bestaan van gezag te beoordelen. Het element is niet dienstig. PV werkte zoals de andere werknemers en hij moest zich aan dezelfde uren houden. PV verklaarde aan de inspectie dat dit zo was. AVDM vertelde een ander verhaal: "...Daar heeft hij de liftkokers gemetst en verdiepingen aangepast. Dit werd door hem ofwel alleen, ofwel met een werknemer van de nv gedaan. ... Soms werkte hij alleen, soms met een personeelslid van de nv. Hij kreeg zijn opdrachten rechtstreeks van de eigenaar van de werf. ..." Er zijn dus twee versies over de wijze waarop PV met de GVDM samenwerkte. De inspectie liet na andere bronnen (zoals de andere werknemers) aan te spreken om uit te maken hoe het nu werkelijk in elkaar zat. Dit element is omwille van de tegenstrijdigheid in de verklaringen niet naar recht bewezen. Het is niet dienstig bij de beoordeling. PV presteerde enkel arbeidsuren. Dit is een element a contrario. Wanneer PV niet alleen arbeidsuren maar bijvoorbeeld ook bouwmaterialen zou gefactureerd hebben, dan zou dit aantonen dat hij een typische zelfstandige onderaannemer was. Het feit dat hij enkel zijn uren factureerde, bewijst nog niet dat het omgekeerde waar is, namelijk dat hij geen zelfstandige maar een werknemer was. Enkel uren aanrekenen kan zowel een werknemer als een zelfstandige. Het element zegt niets over de aanwezigheid van gezag op de werkvloer. PV werd per uur betaald. AVDM verklaarde dat PV meestal per uur werd betaald, maar soms werd hij ook per opdracht betaald. PV verwijst enkel naar de afspraak over het uurloon. Uit zijn verklaring kan niet worden afgeleid hoe hij effectief werd betaald. De facturatie toont in ieder geval aan dat soms uren worden aangerekend, soms forfaitaire bedragen. Hierdoor is niet aangetoond dat PV uitsluitend per uur werd betaald, wat een indicatie zou zijn dat enkel de inzet van de arbeid werd betaald en niet de vrucht van de arbeid. Het element is onvoldoende bewezen. PV heeft nooit aandelen gehad. Opnieuw een element met een louter economisch karakter. Het is niet dienstig. V gebruikte enkel zijn eigen gereedschap alle ander materialen waren eigendom van de GVDM. Opnieuw een element a contrario, zoals dit hogerop al werd beoordeeld. Moest PV de materialen zelf hebben geleverd zou dit het zelfstandige statuut ondersteunen. Nu hij dit niet deed, is hiermee niet bewezen dat hij werknemer was. Conclusie: De elementen die de R.S.Z. aanhaalt om het werkgeversgezag te bewijzen zijn ofwel niet dienstig omdat ze wijzen op economische afhankelijkheid maar niet op juridisch gezag, ofwel onvoldoende bewezen ofwel niet dienstig om de kwalificatie van zelfstandige samenwerking, die beide betrokken partijen uitdrukkelijk wilden, onderuit te halen. Wat PV betreft slaagt de R.S.Z. er niet in om naar recht het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen. Van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan eerst sprake zijn als cumulatief de componenten arbeid, loon en gezag aanwezig zijn. Terzake is het element gezag niet bewezen, zodat de samenwerking tussen PV en de GVDM niet gekwalificeerd kan worden als een arbeidsovereenkomst. De oorspronkelijke vordering van de R.S.Z., bij zoverre ze op deze samenwerking slaat, blijft ongegrond. Het vonnis a quo wordt terzake bevestigd. YC Wat YC betreft, blijkt uit de feiten dat zijn samenwerking met de GVDM wel op zelfstandige basis verliep, maar de kwalificatie aldus is veel minder sterk. In een vroegere periode hadden de GVDM en YC nog samengewerkt. Toen presteerde YC als bediende, als werknemer dus voor de GVDM. Beiden hadden dus geen traditie om op zelfstandige basis samen te werken. Blijkbaar waren er moeilijkheden ontstaan in het privé-leven van YC want er is sprake van een verblijf in het buitenland en meer nog : de samenwerking op zelfstandige basis werd artificieel aangegaan omdat onder een werknemersstatuut er loonbeslag dreigde voor YC. Het spreekt vanzelf dat een dergelijke artificiële kwalificatie niet zo'n solide basis is. Bovendien meldde YC zich bij de GVDM aan als een zelfstandige helper, niet als één of andere stielman. Men kan vraagtekens plaatsen bij de mogelijkheid om als helper een bedrijf te helpen. Om deze kwalificatie onderuit te halen, reikt de R.S.Z. de volgende elementen aan: Geen onderscheid tussen YC en het andere personeel. Hij werd verwacht te werken op dezelfde tijdstippen als de overige werknemers. Hij nam vakantie tezamen met het personeel. In tempore non suspecto verklaarde AVDM aan de inspectie: "YC werkt samen met mijn personeel mee op de werven. Hij voert diverse werkzaamheden uit. ... Hij ontvangt van mij richtlijnen over het werk dat hij moet doen zoals met het personeel gebeurt. ... Hij heeft dezelfde werkuren als het personeel, ik verwacht van hem dat hij komt werken zoals de andere werknemers. Hij neemt samen met mijn personeel verlof, hij kan wel verlof nemen wanneer hij dit wenst. Ik verwacht van hem wel dat dit vooraf doorgeeft." In zijn verklaring van 5 oktober 1998 aan de inspectie, spreekt YC enkel het gegeven tegen dat hij moest komen werken zoals het andere personeel van de GVDM. Meer bepaald verklaarde hij: "Ik kon zelf kiezen wanneer ik ging werken, ik moest er enkel voor zorgen dat het werk op een bepaald moment af moest zijn." Uit de prestatiestaten die in het dossier zitten en waarmee YC zijn prestaties afrekende aan de GVDM blijkt nochtans dat hij op regelmatige basis werkte aan een ritme van om en bij de 40 uren per week. Dit gegeven ondersteunt eerder de verklaring van AVDM dan deze van YC. Op basis van de verklaring van AVDM mag besloten worden dat er eigenlijk geen noemenswaardig verschil bestond tussen de inzet van YC op de werven en de inzet van de werknemers. De taakverdeling, de uurregeling, de vakantieregeling werden aangestuurd vanuit het bedrijf zowel naar de werknemers toe als naar YC. Er kan geen twijfel over zijn dat het inzetten van de arbeid van de werknemers gebeurde vanuit het werkgeversgezag van de GVDM. Er liggen geen bewijzen voor dat ditzelfde gezag niet over YC werd uitgeoefend bij de inzet van zijn arbeid. Het werk van YC werd gecontroleerd. AVDM geeft in zijn verklaring aan dat hij opmerkingen maakte als YC zijn werk niet naar behoren uitvoerde. YC zegt in zijn verklaring niets over een mogelijke controle. Op basis van de enige verklaring van AVDM kan niet worden uitgemaakt of het hier een controle betreft van de inzet van de arbeid dan wel van de vrucht van de arbeid. Het element is onvoldoende bewezen. YC werd per uur betaald. Uit de afgelegde verklaringen volgt dat YC inderdaad per uur werd betaald. Betalen per uur is inderdaad een indicatie dat er geen prijs wordt betaald voor het product dat de arbeid oplevert maar wel een tarief voor de inzet van de arbeid, wat eerder typisch is voor een relatie tussen werkgever en werknemer. In casu ondersteunt dit element het eerste element dat er geen verschil was tussen de arbeiders van de GVDM en YC. YC had geen btw-nummer en geen inschrijving in het handelsregister. Hij maakte geen facturen op maar prestatiestaten. Deze elementen op zichzelf genomen, bewijzen niet het bestaan van werkgeversgezag, maar ze ondersteunen wel het eerste element. Het is immers logisch dat iemand, die als zelfstandige zijn diensten wil aanbieden op de markt, is ingeschreven in het handelsregister en over een BTW-nummer beschikt. Hij zal zijn prestaties ook factureren. Het feit dat deze elementen hier ontbreken, duidt op de aarzeling om zich als zelfstandige te profileren. YC bezat geen aandelen in de GVDM. Het is een economisch element en zoals hogerop in dit arrest al werd geoordeeld is dat niet relevant bij de boordeling over het bestaan van werkgeversgezag. De GVDM beëindigde de samenwerking met YC na het bericht dat de R.S.Z. de samenwerking als een samenwerking onder arbeidsovereenkomst zou beschouwen. Dit element illustreert inderdaad de aarzeling ditmaal aan de zijde van de GVDM, over de aard van de samenwerking tussen haar en YC. Als losstaand element bewijst het nochtans niet het bestaan van werkgeversgezag. Conclusie: De kwalificatie die de GVDM en YC aan hun samenwerking gaven (zelfstandige samenwerking) was eerder zwak. Ze is er artificieel gekomen omdat YC wou ontsnappen aan loonbeslag. Het niet beschikken door YC over een BTW-nummer en over een inschrijving bij het handelsregister en het feit dat de GVDM de kwalificatie niet verdedigde toen haar duidelijk werd dat de R.S.Z. deze op de helling plaatste, bewijzen het feit dat de kwalificatie niet echt door deze betrokken partijen werd gedragen. Het gegeven dat er op de werkvloer geen onderscheid te maken viel tussen de werknemers en YC qua inzet van de arbeid, de wijze van werken en de wijze van betalen, maakt dat de zwakke kwalificatie van zelfstandige samenwerking geen stand kan houden. Wat YC betreft, toont de R.S.Z. bijgevolg wel degelijk het bestaan aan van werkgeversgezag in het samenwerkingsverband tussen de GVDM en YC in de periode waarvoor hij een vordering instelt. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst is aldus bewezen en de R.S.Z. is gerechtigd om voor die periode bijdragen te innen. Het vonnis van de eerste rechters kan worden bevestigd. Devolutieve werking van het hoger beroep. De eerste rechters heropenden de debatten om de R.S.Z. toe te laten een herberekening van zijn vordering door te voeren, nu enkel de prestaties van YC in aanmerking kwamen om sociale zekerheidsbijdragen te innen. Door de devolutieve werking van het hoger beroep komt het thans aan dit hof toe de zaak definitief te beoordelen. Het hof neemt de zaak van de eerste rechters over in het stadium net alvorens zij beslisten tot de heropening der debatten en vervolgt de zaak. Op basis van de eigen motivering, die principieel niet afwijkt van deze van de eerste rechters, komt ook het hof tot de conclusie dat er aanleiding is tot herberekening van zijn vordering door de R.S.Z. Inderdaad enkel de prestaties van YC komen in aanmerking voor een berekening van bijdragen. Hierbij werpt de GVDM echter op dat deze herberekening niet kan gebeuren op basis van de prestatiestaten die door YC werden opgemaakt en door de GVDM werden betaald. Deze prestatiestaten werden opgemaakt op basis van een overeengekomen uurloon van 625 ex BEF per uur. De GVDM geeft aan dat deze vergoeding een vergoeding is voor prestaties als zelfstandige maar dat een werknemer die dezelfde prestaties zou hebben geleverd nooit op een dergelijk hoog uurloon had kunnen rekenen. Dat betekent dat het uurloon van 625 ex BEF niet alleen de prestaties vergoedt die ingevolge een dienstbetrekking werden geleverd maar ook een component bevat die moet gebruikt worden om de sociale zekerheid van de zelfstandige werknemer in orde te houden. Op deze component zijn geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd, aldus de GVDM. Zij verwijst naar een cassatiearrest van 10 januari 2005 dat in een identiek geval uitspraak deed (stuk 8 van haar dossier - R.W. 2004-2005, 1353) Het hof sluit zich bij deze cassatierechtspraak aan en is van oordeel dat inderdaad slechts sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn op het loon dat ingevolge de dienstbetrekking verschuldigd is op de geleverde prestaties. Het hof beaamt de motivering van het Hof van Cassatie in het arrest van 10 januari 2005 en maakt deze motivering tot de zijne. Het hof stelt vast dat het bedrag van 625 ex BEF per uur weliswaar tussen de betrokken partijen werd overeengekomen maar niet in het kader van een arbeidsovereenkomst. Er is dus geen aanleiding voor het hof om de wilsovereenstemming van de betrokken partijen te respecteren nu een dergelijke wilsovereenstemming in het kader van een arbeidsovereenkomst niet voorhanden is. Het is niet bewezen dat deze partijen hetzelfde uurloon zouden hebben afgesproken, mocht het voor hen op het ogenblik van het aangaan van de overeenkomst duidelijk zijn geweest dat dit uurloon werd afgesproken in het kader van een arbeidsovereenkomst. De GVDM houdt thans vol dat, wat haar betreft, dit duidelijk niet het geval zou zijn geweest. In die omstandigheden komt het aan de R.S.Z. toe te bewijzen dat het wél het geval zou zijn geweest, mochten de GVDM en YC hebben beseft dat hun samenwerking finaal zou gekwalificeerd worden als een arbeidsovereenkomst. Dit bewijs levert de R.S.Z. niet. Vermist er, nogmaals in het kader van een arbeidsovereenkomst, tussen de hierbij betrokken partijen, geen akkoord is bewezen omtrent de beloning voor de geleverde prestaties, kan er enkel worden teruggevallen op het loon dat baremiek voor deze prestaties minimaal verschuldigd is. Dat betekent dat de R.S.Z. de herberekening van zijn vordering voor de prestaties van YC enkel kan steunen op het baremieke minimumloon dat voor deze prestaties in de relevante periode verschuldigd was. De GVDM legt in haar dossier en aantal stukken neer, die dit baremiek minimumloon suggereren. Het hof beveelt de R.S.Z. aan op basis van deze stukken en/of op basis van andere relevante stukken, die hij kan bijbrengen, met de GVDM tot een consensus te komen over het precieze loon waarop de bijdragen zullen worden berekend. In afwachting van dit overleg en van de uiteindelijke berekening van wat nog verschuldigd blijft, heropent het hof de debatten. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, substituut-generaal, in de lezing van zijn gedeeltelijk gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 16 februari
  7. Verweerder in hoger beroep repliceerde met conclusies, neergelegd op de griffie van 28 februari
  8. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 22 april 2004, behalve in de mate dat het aan de R.S.Z. niet de opdracht gaf de bijdragen en aankleven die verschuldigd blijven op het loon van YC in de relevante periode enkel te berekenen op het baremieke minimumloon. Opnieuw wijzende, Trekt de zaak in toepassing van artikel 1068 van het Ger.W. aan zich, Heropent de debatten alvorens verder recht te doen teneinde de R.S.Z. toe te laten tot herberekening van zijn vordering over te gaan, conform de instructies en aanbevelingen in dit arrest. Stelt de zaak na heropening der debatten vast voor pleidooien op de openbare terechtzitting van deze kamer op 15 juni 2006, om 11 uur. De uitspraak over de vereffening van de kosten wordt verdaagd. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van twintig april tweeduizend en zes PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060420.6 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.