id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060424.10 Rolnummer: 2005-0198 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-01 04:23 Fiches 1 - 2 Wanneer de werkgever een opzeggingstermijn betekent die langer is dan de duur die hij op grond van de wet strikt minimaal moest in acht nemen, dan is de duur van die termijn 'berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 82, § 2, van de Arbeidsovereenkomstenwet', zoals bedoeld in artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomsten van 19 september 2001, gesloten in het paritair comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Bedienden Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - bedienden - opzeggingstermijn - loon - aanvullende vergoeding brugpensioen - collectieve arbeidsovereenkomst - paritair comité maatschappijen voor hypothecaire leningen - voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: II CN - Gerangschikt onder II CN - artikel 82 § 2 en onder IV B - artikel
- UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Algemeen (arbeid) Vrije woorden: Collectieve arbeidsverhoudingen - collectieve arbeidsovereenkomsten - loon - aanvullende vergoeding brugpensioen - paritair comité maatschappijen voor hypothecaire leningen - voorwaarden Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 19-09-2001 - 4 Nota: IV B - Gerangschikt onder II CN - artikel 82, § 2 en onder IV B - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 3 - blz. 156-158 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2050198 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ZES L. V.W., appellant vertegenwoordigd door mr. J. VAN CAMP, loco mr. E. VERVAEKE, advocaat te Antwerpen, tegen : NV C., geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. M. VAN DER AUWERAERT, advocaat te Antwerpen. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 13 maart
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 18 april 2005, 16 januari 2006 en 13 maart
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 28 december 2004 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit hof op 8 maart 2005; * de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit hof op 14 juni 2005 en 30 september 2005 voor de heer V.W. en op 25 augustus 2005 en 26 oktober 2005 voor de NV C., hierna de NV genoemd; * de beschikking d.d. 2 mei 2005 overeenkomstig artikel 747 §2 van het Gerechtelijk Wetboek. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met proces-verbaal van vrijwillige verschijning, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 12 juni 2003, vorderde de heer V.W. te horen zeggen voor recht dat hij recht had op de betaling van een aanvullende vergoeding brugpensioen die overeenstemde met 95 % van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkeringen die hij genoot en van de achterstallen die aldus reeds waren ontstaan, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest op deze achterstallen. De NV betwistte dit standpunt, aangezien zij van oordeel was dat de heer V.W. niet voldeed aan de toepassingsvoorwaarde om recht te hebben op de verhoogde aanvullende vergoeding brugpensioen en had voor de maand mei 2003, zijnde de eerste maand waarin de heer V.W. genoot van conventioneel brugpensioen, een aanvullende vergoeding uitbetaald die overeenstemde met 50 % van dit verschil. Met conclusie van 2 augustus 2004 vorderde de heer V.W. te zeggen voor recht dat hij recht had op betaling van een aanvullende vergoeding brugpensioen bepaald op 95 % van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering, dienvolgens de NV te veroordelen tot betaling van de aldus verschuldigde bijpassingen, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de respectieve data van opeisbaarheid in zoverre reeds vervallen of in geval van laattijdige betaling. Met syntheseconclusie van 8 september 2004 vorderde de NV de vordering van de heer V.W. strekkende tot veroordeling van de NV tot betaling van een dergelijke aanvullende vergoeding van 95 %, van de achterstallen die ondertussen waren ontstaan, en van de wettelijke en de gerechtelijke intrest op deze achterstallen, onontvankelijk te verklaren, minstens als ongegrond af te wijzen. Derhalve te zeggen voor recht dat de heer V.W. niet gerechtigd is op betaling van een aanvullende vergoeding overeenstemmend met 95 %, doch enkel op een aanvullende brugpensioenvergoeding ten beloop van 50 %. In ondergeschikte orde bood de NV het getuigenbewijs aan van een aantal feiten. Met vonnis van 28 december 2004 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk doch ongegrond en zegden zij voor recht dat de heer V.W. gerechtigd was op een aanvullende vergoeding brugpensioen ten beloop van 50 % van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering. De heer V.W. werd verwezen in de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de heer V.W. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, te zeggen voor recht dat hij recht heeft op betaling van een aanvullende vergoeding brugpensioen die wordt bepaald op 95 % van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering, dienvolgens de NV te veroordelen tot betaling van de aldus verschuldigde bijpassingen, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de respectieve data van opeisbaarheid in zoverre reeds vervallen of in geval van laattijdige betaling. Met aanvullende en hernemende conclusie van 26 oktober 2005 vordert de NV het hoger beroep, indien ontvankelijk, dit ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. De NV vordert de vordering van de heer V.W. strekkende tot veroordeling van de NV tot betaling van een dergelijke aanvullende vergoeding van 95 %, van de achterstallen die ondertussen zijn ontstaan, en van de wettelijke en de gerechtelijke intrest op deze achterstallen, onontvankelijk en ongegrond te verklaren. Derhalve te zeggen voor recht dat de heer V.W. niet gerechtigd is op betaling van een aanvullende vergoeding overeenstemmend met 95 %, doch enkel op een aanvullende brugpensioenvergoeding ten beloop van 50 %. In ondergeschikte orde biedt de NV aan te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen: * dat zij aan de personeelsleden altijd en zonder onderscheid de mogelijkheid heeft geboden te opteren voor brugpensionering op 58 jaar of op 60 jaar, na het volgen van de wettelijk voorziene overlegprocedure, waarna respectievelijk de wettelijke minimum opzeg aanvaard door de werknemer in navolging van de sectorale CAO, of de opzeg volgens de formule Claeys werd gerespecteerd, en dit ook in de periode voor het sluiten van de CAO van 19 september 2001; * dat de heer V.W. perfect op de hoogte werd gesteld op 14 juni 2000, maar ook nadien, van de verschillen tussen de twee brugpensioenregelingen, de nationale en de sectorale, wat de opzeggingstermijnen en vergoedingen betreft, en hij alle achtergrondinformatie in verband met de modaliteiten ontvangen heeft; * dat hij ook nadat de opzeg op 8 mei 2001 werd betekend de mogelijkheid kreeg om vooralsnog te genieten van de aanvullende brugpensioenvergoeding van 95 %, wanneer hij zijn akkoord zou geven met de minimale wettelijke opzeggingstermijn. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten De heer V.W., geboren op 13 maart 1943, is op 18 februari 1985 als bediende in dienst getreden van de NV. Met aangetekende brief van 31 mei 2000 deelde de NV aan de heer V.W. het volgende mee: "Het personeelsstatuut van onze vennootschap voorziet dat wij de werknemers die de leeftijd van 60 jaar naderen, in het systeem van brugpensioen laten gaan. Met deze nodigen wij U uit voor een individueel gesprek hieromtrent op woensdag 14 juni 2000 om 11u30 op de Afdeling Personeelszaken.". (stuk 2 van de NV) Het wordt niet betwist dat de NV op 14 juni 2000 aan de heer V.W. een brugpensioenregeling heeft aangeboden met een aanvullende vergoeding overeenstemmend met 95% van het verschil tussen het netto referteloon en de normale werkloosheidsuitkering, indien hij onmiddellijk na het bereiken van de leeftijd van 58 jaar met brugpensioen zou gaan. De heer V.W. heeft dit geweigerd omdat hij tot de leeftijd van 60 jaar wenste te blijven werken. Met aangetekende brief van 8 mei 2001 betekende de NV opzegging van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een termijn van 22 maanden, ingaande op 1 juni
- Op 1 juni 2001 verklaarde de heer V.W. zich uitdrukkelijk akkoord met deze opzeggingstermijn. (stukken 3 van de NV) Op 2 mei 2002 ontving de heer V.W. een overeenkomst einde loopbaan die reeds vooraf door de heer J., het afdelingshoofd personeel van de NV, was ondertekend. In die overeenkomst was onder meer het volgende voorzien: "
- De heer L. V.W. verklaart uitdrukkelijk zijn akkoord met de opzeggingstermijn van 22 maanden die een aanvang nam op 1 juni 2001 en werd betekend bij aangetekend schrijven dd. 8 mei
- In onderling akkoord komen partijen overeen dat de heer L. V.W. per 31 maart 2003 uit dienst treedt. Eventuele schorsingsperioden van de opzegtermijn zullen uitbetaald worden bij uitdiensttreding. De aanvullende vergoeding brugpensioen ten laste van C. bedraagt 50% van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering. De aanvullende vergoeding zal door C. maandelijks worden betaald aan de heer L. V.W. tot het einde van de maand die het wettelijk pensioen voorafgaat of tot het overlijden, indien dit voor die datum plaats heeft." (stuk 4 van de NV) De heer V.W. heeft deze overeenkomst niet ondertekend. Met brief van 22 augustus 2002 deelde de NV, verwijzend naar de bestaande sectorale collectieve arbeidsovereenkomst, aan de heer V.W. mee dat hij na de termijn van de schorsingsdagen met brugpensioen zou gaan en dat hij dan aanspraak kon maken op een aanvullende vergoeding brugpensioen van 50% van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsvergoeding. (stuk 3 van de heer V.W.) Bij die brief was inderdaad een becijfering gevoegd van het netto door de NV te betalen bedrag, waarop de heer V.W. recht zou hebben in een regeling aan 50%. Vervolgens werd tussen de raadslieden van partijen een uitvoerige briefwisseling gevoerd, waarbij partijen hun respectieve standpunten handhaafden. Tussen partijen werd wel een overeenkomst einde loopbaan gesloten, doch met dien verstande dat geen percentage werd opgenomen van de te betalen aanvullende vergoeding, doch er werd enkel vermeld dat "de aanvullende vergoeding brugpensioen ten laste van C. zal worden becijferd overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001 betreffende het conventioneel brugpensioen gesloten in het paritair comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie". (stuk 13 van de NV) Op 31 maart 2003 nam de arbeidsovereenkomst effectief een einde en de NV betaalde nog een saldo opzeggingsvergoeding uit die de periode dekte van 1 april tot 23 mei
- Vanaf 24 mei 2003 is de heer V.W. uitkeringsgerechtigde werkloze en betaalt de NV hem 50% van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering. Ingevolge de vrijwillige verschijning van partijen voor de arbeidsrechtbank staat het thans aan het arbeidshof om te oordelen welk het percentage is van de aanvullende vergoeding dat de NV gehouden is te betalen. Met vonnis van 28 december 2004 werd de eis van de heer V.W. ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Tegen dit vonnis stelde de heer V.W. op 8 maart 2005 hoger beroep in.
- De beoordeling Het conventioneel brugpensioen wordt geregeld door de CAO nr. 17, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, en tevens door een reeks collectieve arbeidsovereenkomsten die in de sectoren of de ondernemingen worden gesloten, met onder meer als doel de brugpensioengerechtigde leeftijd te verlagen naar minder dan 60 jaar. De laatst vernoemde collectieve arbeidsovereenkomsten moeten voldoen aan een aantal voorwaarden, met name: - van bepaalde duur zijn met een maximumduur van 3 jaar - geen bepaling bevatten van stilzwijgende verlenging - voorzien in een aanvullende vergoeding die ten minste gelijk is aan deze bepaald bij de nationale collectieve arbeidsovereenkomst. In deze werden in de schoot van het paritair comité nr. 308 voor de Maatschappijen voor Hypothecaire Leningen, Sparen en Kapitalisatie verschillende collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten, telkens voor een duur van drie jaar, onder meer die van 19 mei 1995, die van 18 juni 1999 en die van 19 september
- Deze collectieve arbeidsovereenkomsten voorzien in de mogelijkheid voor de werknemers die de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt en die, behalve om dringende reden, door de werkgever worden ontslagen, om met brugpensioen te gaan. Tussen partijen wordt niet betwist dat in huidig geschil de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001 van toepassing is. Artikel 3 van deze collectieve arbeidsovereenkomst luidt als volgt: "De algemene toepassingsmodaliteiten van deze conventionele brugpensioenregeling zijn die welke bepaald zijn door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 ... in de Nationale Arbeidsraad voor onbepaalde duur gesloten op 19 december 1974, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975.". Artikel 4 luidt als volgt: "Het bedrag van de aanvullende vergoeding waarin wordt voorzien door artikel 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 wordt, evenwel voor zover het brugpensioen ingaat na het bereiken van leeftijd van 58 jaar, op 95 pct. gebracht van het verschil tussen het netto referteloon en de normale werkloosheidsuitkering. De werkgever zal slechts verplicht zijn de aanvullende vergoeding te betalen voor zover de werknemer de opzeggingstermijn (of verbrekingsvergoeding) heeft aanvaard die door de werkgever werd betekend en waarvan de duur werd berekend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 59 of 82 § 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, naargelang het een arbeider of een bediende betreft." (stuk 4 van de heer V.W.) De heer V.W. beroept zich in eerste instantie op artikel 4 van voormelde collectieve arbeidsovereenkomst om aanspraak te maken op de betaling van een aanvullende vergoeding ten beloop van 95% van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering en stelt voorop dat hij daartoe alle voorwaarden vervult. Het arbeidshof stelt vooreerst vast dat het brugpensioen van de heer V.W. is ingegaan nadat hij de leeftijd van 58 jaar had bereikt, namelijk op 24 mei
- Hij was toen 60 jaar oud. Derhalve vervult de heer V.W. de leeftijdsvoorwaarde zoals voorzien in het eerste lid van artikel 4 van voormelde collectieve arbeidsovereenkomst om aanspraak te kunnen maken op de daarin bepaalde aanvullende vergoedingen ten beloop van 95 % van het verschil tussen het netto referteloon en de normale werkloosheidsuitkering. Verder stelt het arbeidshof vast dat de heer V.W. de opzeggingstermijn van 22 maanden, die hem door de NV met aangetekende brief van 8 mei 2001 werd betekend, op verzoek van de NV uitdrukkelijk heeft aanvaard op 1 juni
- Opdat de NV verplicht zou zijn om aan de heer V.W. aanvullende vergoedingen te betalen ten beloop van 95% van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 4 is, volgens het tweede lid van dit artikel 4, vereist dat de werknemer de opzeggingstermijn (of de verbrekingsvergoeding) heeft aanvaard die door de werkgever werd betekend en waarvan de duur overeenkomstig de bepalingen van artikel 82 § 2 van de Arbeidsovereenkomstenwet werd berekend. Bijgevolg rijst de vraag of de duur van de door de NV betekende opzeggingstermijn, die door de heer V.W. werd aanvaard, overeenkomstig artikel 82, § 2, van de Arbeidsovereenkomstenwet werd berekend. Artikel 82, § 2, van de Arbeidsovereenkomstenwet luidt als volgt: "Wanneer het jaarlijks loon niet hoger is dan (16 100) EUR, bedraagt de opzeggingstermijn welke door de werkgever moet worden in acht genomen, ten minste drie maanden voor de bedienden die minder dan vijf jaar in dienst zijn. Deze termijn wordt vermeerderd met drie maanden bij de aanvang van elke nieuwe periode van vijf jaar dienst bij dezelfde werkgever. Indien de opzegging wordt gegeven door de bediende, worden de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen van opzegging tot de helft teruggebracht zonder dat ze drie maanden mogen te boven gaan. ... ". De in voormelde bepaling bedoelde opzeggingstermijn is een minimumtermijn, zodat moet aanvaard worden dat de duur van de door de werkgever in toepassing van voormelde bepaling betekende opzeggingstermijn die langer is dan die welke hij strikt minimaal moet in acht nemen, eveneens "overeenkomstig artikel 82, § 2, van de Arbeidsovereenkomstenwet" is berekend. Dat de NV aan de heer V.W. een opzeggingstermijn heeft betekend van 22 maanden, hetzij een opzeggingstermijn die - gelet op zijn anciënniteit bij de NV - langer was dan strikt minimaal door artikel 82, § 2, van de Arbeidsovereenkomstenwet is voorgeschreven, doet niets af aan het gegeven dat de duur van die termijn - zoals voorgeschreven door artikel 4, tweede lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001 - "overeenkomstig de bepalingen van het artikel 82, § 2, van de Arbeidsovereenkomstenwet" werd berekend. Van belang hierbij is dat de opzegging steeds een eenzijdige rechtshandeling is die uitgaat van één van de partijen bij de overeenkomst en dat, gelet op het dwingend karakter van artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet, voorafgaand aan de kennisgeving van de opzegging geen geldige overeenkomst kan gesloten worden over de duur van de in acht te nemen opzeggingstermijn. Het is, zoals te dezen, de werkgever die volkomen eenzijdig de duur bepaalt van de opzeggingstermijn, met dien verstande dat de duur van de opzeggingstermijn die hij in acht moet nemen niet korter mag zijn dan die welke voorzien is in artikel 82, § 2, van de Arbeidsovereenkomstenwet. Dat het in casu niet de bedoeling zou geweest zijn van de NV om "vrijwillig" een opzeggingstermijn van 22 maanden te betekenen, zoals zij beweert, is dus niet verenigbaar met het gegeven dat de opzegging steeds een eenzijdige rechtshandeling is. En of het daarbij al dan niet tevens de bedoeling van de NV zou geweest zijn een aanvullende vergoeding brugpensioen van 95% te betalen, doet daarbij niet ter zake. Verder kan worden opgemerkt dat niets eraan in de weg stond dat de NV een opzeggingstermijn zou betekend hebben die beantwoordde aan het strikte wettelijke minimum zoals voorzien door artikel 82, § 3, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, waarin verwezen wordt naar de duur van de opzeggingstermijn die de werkgever volgens artikel 82, § 2, minimaal moet in acht nemen wanneer de bediende een jaarlijks loon verdient dat de daarin bepaalde grens niet overschrijdt. De omstandigheid dat de werknemer in het kader van de in artikel 10 van de CAO nr. 17 voorziene overlegprocedure zou hebben laten blijken liever niet met brugpensioen te gaan, doet aan dit alles evenmin iets af nu, enerzijds, partijen voorafgaand aan de betekening van de opzegging geen geldige overeenkomst kunnen sluiten over de duur van de opzeggingstermijn die de werkgever in acht moet nemen (behoudens in het - te dezen niet toepasselijke - geval van artikel 82, § 5, van de Arbeidsovereenkomstenwet) en, anderzijds, de opzegging een eenzijdige rechtshandeling is waarover de wederpartij geen enkele zeggingskracht heeft, dus ook niet wanneer de opzegging wordt betekend om de werknemer in staat te stellen met brugpensioen te gaan. Het feit dat de heer V.W. de door de NV betekende opzeggingstermijn aanvaard heeft, betekent uiteraard niet dat hij daardoor zou verzaakt hebben aan het recht om aanspraak te maken op een aanvullende vergoeding brugpensioen ten beloop van 95% van het verschil tussen het netto referteloon en de normale werkloosheidsuitkering. Niet ter zake dienend is eveneens het gegeven dat de heer V.W. op de hoogte zou geweest zijn van de wijze waarop de NV de betreffende collectieve arbeidsovereenkomst interpreteerde en/of er uitvoering aan gaf. Derhalve moet het bewijsaanbod van de NV dat daarop betrekking heeft niet worden ingewilligd. De heer V.W. voldoet bijgevolg aan alle voorwaarden zoals voorgeschreven door artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001, zodat hij aanspraak kan maken op de daarin voorziene vergoedingen. Alle overige door partijen aangevoerde feiten en middelen doen naar het oordeel van het arbeidshof geen afbreuk aan voormelde overwegingen en besluitvorming. Het hoger beroep is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond, Vernietigt het vonnis van 28 december 2004 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, En opnieuw rechtsprekend, Verklaart de eis van de heer V.W. ontvankelijk en als volgt gegrond: Zegt voor recht dat de heer V.W. recht heeft ten laste van de NV C. op de betaling van een aanvullende vergoeding brugpensioen die wordt bepaald op 95% van het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering. Veroordeelt de NV C. om aan de heer V.W. de aldus verschuldigde bijpassingen te betalen, vermeerderd met de wettelijke verwijlintrest vanaf de respectieve data van opeisbaarheid, voor zover reeds vervallen of ingeval van laattijdige betaling. Verwijst de NV in de kosten van beide aanleggen. Vereffent deze aan de zijde van de heer V.W. op 104,86 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank), 58,25 EUR (uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep) en 142,79 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidshof). Vereffent deze aan de zijde van de NV op 104,86 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank) en 142,79 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidshof). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: de heer J. GOEMANS, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer H. CLOOSTERMANS, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer H. LUYCKX, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060424.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div