id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060426.13 Rolnummer: 2004-0246 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 04:23 Fiches 1 - 2 De sociale zekerheidsbijdragen zijn verschuldigd niet op grond van een verbintenis die wordt aangegaan door de werkgever maar wel op grond van de bepalingen van de R.S.Z.-wet die van openbare orde zijn. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is slechts gerechtigd sociale zekerheidsbijdragen te innen indien het loon waarop deze bijdragen worden geheven de tegenprestatie is van arbeid die geleverd werd in het kader van een arbeidsovereenkomst. Vermits de bekentenis, zowel de gerechtelijke als de buitengerechtelijke, niet kan slaan op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken en betreffende welke het verboden is een dading aan te gaan en de bepalingen van de R.S.Z.-wet van openbare orde zijn, kan de vrijwillige aangifte van sociale zekerheidsbijdragen door of namens de werkgever niet als een buitengerechtelijke bekentenis in aanmerking genomen worden. Bijgevolg blijft dergelijke aangifte een gewoon bewijsmiddel waarvan de bewijswaarde door de feitenrechter wordt geapprecieerd. Waneer de werkgever voorhoudt dat zijn eigen aangifte dient geannuleerd te worden moet hij hiervoor wel een verantwoording geven, zonder dat van hem echter verlangd kan worden dat hij een negatief bewijs zou leveren en bijvoorbeeld het bewijs zou moeten leveren dat een of ander looncomponent niet werd betaald. Van zodra de werkgever voor zijn vraag tot wijziging een aanvaardbare uitleg geeft, behoort het opnieuw aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om het bewijs te leveren dat de bijdragen alsnog verschuldigd zijn. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Toepassingsgebied - personen - bijdrageregeling - vrijwillige aangifte - bewijswaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING De bijdragen - berekening - bijdrageregeling - vrijwillige aangifte - bewijswaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 14 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder VII A - artikel 1 en onder artikel 14 Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2007(00966,P.28-29) Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Vierde Kamer Tegensprekelijk eindarrest bijdragen sociale zekerheid Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2040246 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ZES. In de zaak: DE R.S.Z., met maatschappelijke zetel gevestigd te , appellant, verschijnend bij mr. A. C., advocaat te Tongeren; tegen :
- J. B.V.B.A., met maatschappelijke zetel gevestigd te , eerste geïntimeerde, verschijnend bij mr. P. L., advocaat te Tongeren.
- S, S. S. VZW, met maatschappelijke zetel gevestigd te , tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. J. P., advocaat te Hasselt. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest. Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden eindvonnis op 9 april 2003 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren, gekend onder A.R. nr. 1252/99 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 20 juli 2004 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en de stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET PRINCIPAAL HOGER BEROEP EN VAN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP Het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep werden naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist, zodat beide rechtsmiddelen ontvankelijk dienen te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 8 februari 2006 van deze kamer. PROCESVERLOOP - PRECEDENTEN De vordering van de RSZ, als gesteld in de gedinginleidende dagvaarding van 27 april 1999 strekte ertoe Drukkerij J. BVBA te horen veroordelen tot betaling van 307.155 BEF of 7.614,17 EUR, meer de wettelijke interesten aan 7% per jaar op de som der bijdragen, zijde 236.915 BEF of 5.872,97 EUR vanaf 15.01.
- Alsook Drukkerij J. BVBA te veroordelen tot de kosten van het geding. Tevens werd de uitvoerbaarheid bij voorraad gevorderd. De dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring d.d. 26 oktober 1999 strekt ertoe: S.S.S. VZW te horen veroordelen tussen te komen in de procedure tussen Drukkerij J. BVBA en de RSZ gekend onder A.R. 1252/99 en voor zoveel de rechtbank zou menen dat de oorspronkelijke vordering van de RSZ gegrond zou zijn, S. te horen veroordelen tot vrijwaring van Drukkerij J. BVBA voor alle bedragen die lastens de BVBA zou worden uitgesproken. Tevens S. te veroordelen tot de gedingkosten. Tenslotte werd de uitvoerbaarheid bij voorraad gevorderd. Bij eindvonnis van 9 april 2003 verklaarde de eerste rechter de hoofdvordering en de vordering in tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk. Verklaarde de hoofdvordering van de diensten van de R.S.Z. ongegrond. Zegde voor recht dat S.S.S. vzw om die reden buiten de zaak dient te worden gesteld. Veroordeelde iedere partij tot de eigen kosten, gezien het feit dat de vordering niet kan worden toegekend voor de RSZ, terwijl de houding van de andere partijen mede aan de oorzaak ligt van het voeren van voorliggend geding. Gelet op de beroepsbesluiten van eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof op 30 november 2004 inhoudende de naamswijziging van eerste geïntimeerde. Gelet op de kennisgeving overeenkomstig artikel 816 Ger. W. aan appellant en tweede geïntimeerde d.d. 1 december
- POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellant postuleert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Eerste geïntimeerde postuleert in hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; dienvolgens appellant te veroordelen tot de kosten in beide aanleggen. Ondergeschikt, het incidenteel hoger beroep van eerste geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren; tweede geïntimeerde te veroordelen tot vrijwaring van alle bedragen die lastens eerste geïntimeerde zouden worden uitgesproken. Tweede geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten. Tweede geïntimeerde postuleert de vordering van J. BVBA ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. MOTIVERING - BEOORDELING
- Het bestreden vonnis dient integraal bevestigd te worden en het hof verwijst naar de motieven van de eerste rechter waarbij het hof zich kan aansluiten om de in het aangevochten vonnis ontwikkelde redenen die wij ons eigen maken en zulks zover als nodig en zover deze niet in tegenspraak zijn met onderhavige.
- V. L. was tewerkgesteld bij de B.V.B.A. Drukkerij J. van 28 maart 1991 tot en met 16 november
- Met brief dd. 20 april 1998 stelde de vakorganisatie van deze werkneemster eerste geïntimeerde in gebreke om loonachterstal ten bedrage van 412.490 BEF en achterstallige vervoeronkosten ten bedrage van 76.409 BEF te betalen, omdat zij van mening was dat haar aangeslotene vanaf april 1993 conform de CAO van 14 mei 1980 gesloten in het P.C. voor het drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden te weinig uurloon had ontvangen voor de uitoefening van haar functie en evenmin voor de totale duur van haar tewerkstelling de vervoersonkosten had gekregen. Op 18 november 1998 wordt door het sociaal secretariaat als lasthebber van de BVBA J. een wijzigende aangifte ingediend, op basis van het aanvullend loon en de eindejaarspremies welke verschuldigd waren door de werkgever aan de gewezen werkneemster V. L. voor de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december
- Als rechtvaardiging voor deze wijzigende aangifte werd vermeld: "Bij aangifte loon en eindejaarspremie na controle vakbond...".
- Op basis van deze eigen aangifte werd een bericht van wijziging der bijdragen opgesteld door de R.S.Z. dd. 14 december
- Dit bericht van wijziging had betrekking op de regularisatiebijdragen verschuldigd voor het 1ste kwartaal 1995 tot en met het 1ste kwartaal 1998 en verwees in de motivering naar de wijzigende aangifte van 18 november
- De werkgever weigerde echter de bewuste regularisatiebijdragen te betalen, blijkbaar omdat de vrijwillige wijzigende aangifte berustte op een misverstand te wijten aan een slechte communicatie met het sociaal secretariaat. Met brief dd. 7 februari 1999 van de raadsman van eerste geïntimeerde werd dit aan de R.S.Z. medegedeeld, waarop deze laatste liet weten dat vermits de bijkomende aangifte spontaan gebeurde de wijzigende berichten principieel behouden blijven tenzij met stavingstukken kan aangetoond worden dat de regularisaties ten onrechte werden opgesteld. In functie daarvan schreef de raadsman van eerste geïntimeerde zowel de vakorganisatie van de gewezen werkneemster als deze laatste zelf aan ter bevestiging van het feit dat zij correct werd vergoed en dat zij geen vordering heeft ingesteld met betrekking tot de zogenaamd achterstallige bedragen (stukken nrs. 12 en 13 eerste geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 30 november 2004). Hierop werd enkel door de vakbond van de werkneemster geantwoord dat zij vanwege haar lid geen instructie had ontvangen om te dagvaarden voor de arbeidsrechtbank en dat zij overigens namens haar aangeslotene niet zou kunnen dagvaarden omdat zij niet voldeed aan de lidmaatschapsvoorwaarden. 3.a. Het Hof wenst in extenso naar deze brief d.d. 21 januari 2000 van het ACV Limburg, R. P. met volgende inhoud te verwijzen: "uw schrijven van 20 januari 2000 inzake het dossier V. tegen bvba J.. Ingevolge uw schrijven van 20 januari jongstleden kan ik U bevestigen dat ik vanwege ons lid V. L. geen enkel instructie heb om te dagvaarden voor de Arbeidsrechtbank. Trouwens, indien betrokkene ons dit zou vragen, dan kunnen wij niet dagvaarden omdat betrokken persoon, conform het a.c.v.-reglement rechtsbijstand, niet voldoet aan de lidmaatschapsvoorwaarden. Wij hopen U hiermede voldoende te hebben geïnformeerd en verblijven inmiddels." Het Hof is van oordeel dat dit schrijven de kern van het feitelijk probleem raakt. P. R. van het A.C.V. Limburg heeft blijkbaar tegen een ex-werkgever van een aangesloten lid een klacht geformuleerd met betrekking tot - al dan niet - gerechtvaardigde loonachterstallen en verplaatsingsvergoedingen tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst die liep van 28 maart 1991 tot en met 16 november
- Het is gebleken dat hieromtrent enige verwarring is ontstaan bij zoverre dat het sociaal secretariaat van de werkgever, al dan niet met toelating van of in opdracht van de werkgever, bij de R.S.Z. melding of aangifte heeft gedaan van achterstallige lonen waarop bijdragen waren verschuldigd. Als gevolg van deze aangifte hebben de diensten van de R.S.Z. achterstallige bijdragen, bijdrageopslagen en intresten gevorderd van de eerste geïntimeerde.
- De R.S.Z. zag zich uiteindelijk genoodzaakt over te gaan tot gerechtelijke invordering, op basis van het rekeninguittreksel afgesloten op 15 januari 1999, dat dan weer betrekking had op de regularisatiebijdragen, meer de bijdrageopslagen en de interest voor het 1ste kwartaal 1994 tot en met het 4de kwartaal
- Appellant stelt dat de wijzigende aangifte ingediend door het sociaal secretariaat van de werkgever als basis kan genomen worden voor de verschuldigdheid van de regularisatiebijdragen. Indien eerste geïntimeerde daarop wenst terug te komen dient hij zijn vraag tot annulering te verantwoorden, wat de werkgever niet doet. Uit het feit dat de werkgever opdracht heeft gegeven aan zijn sociaal secretariaat om de documenten nodig voor de regularisatie van de bijdragen met betrekking tot het achterstallig loon en eindejaarspremie op te stellen, blijkt dat er een akkoord bestond dat dit loon verschuldigd was. Bijgevolg zijn ook de daarop berekende sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd. Geïntimeerde betwist evenwel dat zij aan haar sociaal secretariaat opdracht zou gegeven hebben om de wijzigende aangifte in te dienen en houdt voor dat haar sociaal secretariaat is opgetreden buiten de haar gegeven volmacht. In ondergeschikte orde stelt zij incidenteel beroep in, waarbij zij haar oorspronkelijke vordering in tussenkomst en vrijwaring herneemt voor het geval dat het hoofdberoep gegrond zou verklaard worden. 6.
- Met betrekking tot de rechtsgrond van de oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. en de bewijswaarde van de aangifte van de bijdragen van werkgever dient gesteld dat in eerste instantie de vordering lijkt gesteund te zijn op de strikte redenering dat de werkgever gehouden is de verbintenissen na te komen welke door zijn lasthebber, zijnde het sociaal secretariaat, in het kader van een regelmatige lastgeving werden aangegaan. Daarbij wordt dan de door het sociaal secretariaat van de werkgever gedane aangifte in aanmerking genomen als basis en grondslag van de vordering. Wanneer de werkgever een aangifte doet van de verschuldigde bijdragen vervult hij slechts de in artikel 21 van de R.S.Z.-wet voorziene wettelijke verplichting. De sociale zekerheidsbijdragen zijn evenwel verschuldigd niet op grond van een verbintenis die wordt aangegaan door de werkgever, maar wel op grond van de bepalingen van de R.S.Z.-wet, welke van openbare orde zijn. De rechtsgrond voor de vordering tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen dient gezocht te worden in de wetgeving betreffende de sociale zekerheid der werknemers en onder meer in de artikelen 1, 1bis en 14 e.v. van de R.S.Z.-wet. De R.S.Z. kan pas bijdragen innen indien het loon waarop deze bijdragen worden geheven de tegenprestatie is van arbeid die werd geleverd in het kader van een arbeidsovereenkomst, vermits artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt dat deze wet van toepassing is op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Het kan naar het oordeel van het hof in rechte niet volgehouden worden dat de aangifte van bijdragen gedaan door de werkgever onherroepelijk zou zijn en op zich de rechtsgrond zou uitmaken voor de verschuldigdheid van de daarin voorziene bijdragen. Anders oordelen zou inhouden dat ook het recht op terugvordering van niet- verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen na vrijwillige aangifte absoluut onmogelijk is. De werkgever kan een door hem gedane (foutieve) aangifte van bijdragen rechtzetten omdat deze bijdragen niet verschuldigd zijn in toepassing van de wetgeving inzake de sociale zekerheid van de werknemers. Dit standpunt is niet strijdig met de stelling dat het hier een wetgeving van openbare orde betreft en met de regels van de bewijslast. 6.
- De bewijswaarde van de vrijwillige aangifte moet gerelativeerd worden. De bekentenis is geen bewijsmiddel maar het ontslaat diegene die het bewijs moet leveren van verder bewijs. De aangifte gedaan door de werkgever zou door de R.S.Z. beschouwd kunnen worden als buitengerechtelijke bekentenis die hem ontheft van de op hem rustende bewijslast. De vrijwillige aangifte van sociale zekerheidsbijdragen kan echter niet in aanmerking genomen worden als een buitengerechtelijke bekentenis. De bekentenis, zowel de gerechtelijke als de buitengerechtelijke, kan niet slaan op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken en betreffende welke het verboden is een dading aan te gaan (Cass. 3 maart 1983, Arr. Cass. 1982-83, 832;Pas. 1983, I, 737; Cass. 3 oktober 1988, J.T.T. 1989, 364-365). 6.
- Voor de toepassing van artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 is een bekentenis met de daaraan verbonden gevolgen zoals omschreven in artikel 1354 en volgende van het B.W. bijgevolg niet mogelijk. Het openbare karakter van deze bepalingen van de R.S.Z.-wet laat de bekentenis in deze materie niet toe (Arbh. Antwerpen 4 september 2003 A.R. nr. 2020044, www. juridat.be; Arbh. Bergen 7 april 1995, J.T.T. 1996, 32; H. De Page, Traité élémentaire de Droit Civil Belge, derde uitgave, Brussel 1967, deel 3, blz. 1068, nr. 1008 - B). Dergelijke aangifte door de werkgever blijft dan een "gewoon" bewijsmiddel, waarvan de feitenrechter de bewijswaarde apprecieert.
- Ondanks de vrijwillige aangifte van eerste geïntimeerde is de R.S.Z. derhalve niet ontheven van de op hem rustende bewijslast inzake zowel het bestaan van een arbeidsovereenkomst als van het loon dat als berekeningsbasis moet genomen worden voor de berekening van de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen.
- Voor de beoordeling en evaluatie van de oorspronkelijke vordering van appellant dient naar het oordeel van het Hof ten gronde onderzocht te worden of de bijdragen die het voorwerp ervan uitmaken verschuldigd zijn op basis van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers. 8.
- De R.S.Z. neemt de wijzigende aangifte welke werd ingediend door het sociaal secretariaat als basis voor haar vordering. De R.S.Z. mag in eerste instantie ervan uitgaan dat prestaties die spontaan aangegeven worden met de realiteit overeenstemmen. Wanneer nadien de werkgever in kwestie voorhoudt dat zijn wijzigende aangifte geannuleerd dient te worden, dient hij een verantwoording te geven. Vanwege de werkgever mag dan echter niet verlangd worden dat hij een negatief bewijs zou leveren, met name dat hij bijvoorbeeld het bewijs zou leveren dat een of ander looncomponent niet werd betaald. In casu houdt eerste geïntimeerde voor dat de wijzigende aangifte berust op een vergissing, meer bepaald een misverstand tussen haar en haar sociaal secretariaat, vermits het uiteindelijk niet in haar bedoeling lag toe te geven aan de eisen welke gesteld werden door haar gewezen werkneemster inzake diens recht op aanvullend loon. Eerste geïntimeerde maakt deze bewering aannemelijk aan de hand van de stukken welke door haar worden voorgelegd. Meer in het bijzonder legt zij het schrijven voor van de vakorganisatie van haar gewezen werkneemster waarin deze bevestigt dat de vordering inzake loonachterstal, welke het voorwerp uitmaakte van de wijzigende aangifte, nooit effectief werd doorgezet. 8.
- Indien de R.S.Z. vervolgens op het standpunt blijft dat de regularisatiebijdragen alsnog verschuldigd zijn, dan draagt hij daaromtrent opnieuw de bewijslast. Het is aan de R.S.Z. om te bewijzen dat er ondanks alles toch een loonachterstal verschuldigd was en dat eventueel in het kader van een minnelijke regeling tussen werkgever en gewezen werkneemster dit verschuldigd loonsaldo geheel of gedeeltelijk betaald werd. Het principe blijft immers dat de R.S.Z. die bijdragen vordert het bewijs dient te leveren van de verschuldigdheid daarvan. 8.
- In casu heeft de R.S.Z. niet het minste onderzoek gedaan naar de juiste aard van de tewerkstelling van de werkneemster in kwestie en of deze inderdaad aanspraak kon maken op aanvullend loon, met andere woorden dat haar gedurende de periode van tewerkstelling te weinig loon was uitbetaald. 8.
- Het is alleszins een vaststaand gegeven dat deze ex-werkneemster heeft berust in het feit dat haar eisen onterecht waren, vermits zij geen vordering tot het betalen van dit aanvullend loonbedrag heeft aanhangig gemaakt bij de bevoegde instanties. 8.
- In de rand van de argumentatie en de door partijen voorgelegde stukken wordt gesuggereerd dat er wel eens een buitenwettelijk compromis (officieuze betaling ...) zou kunnen uitgewerkt zijn tussen de werkgever en zijn ex-werkneemster, wat zou verklaren waarom zij na de ingebrekestelling via haar vakorganisatie niets meer heeft ondernomen tot recuperatie van de beweerde loonachterstal. Het blijft op dit punt bij onbewezen verdachtmakingen, waarop de werkgever zich in feite moeilijk kan verweren, te meer omdat van hem ook niet geëist kan worden dat hij het bewijs van het tegendeel, dat een negatief bewijs zou zijn, zou leveren. Daarentegen beschikt appellante op hoofdberoep wel over een eigen inspectiedienst welke bijkomende onderzoeksmaatregelen daaromtrent zou kunnen treffen.
- Bijgevolg moet geconcludeerd worden dat door de R.S.Z. niet wordt bewezen dat de door hem gevorderde regularisatiebijdragen effectief verschuldigd zijn.
- Nu het hoofdberoep ongegrond dient te worden verklaard, is het incidenteel beroep, dat overigens slechts in ondergeschikte orde wordt ingesteld, eveneens ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer substituut-generaal F. S. in zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 22 februari 2006, waaromtrent partijen niet repliceerden. Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren dd. 9 april 2003, gekend onder het rolnummer 1252/
- Verwijst appellant in de kosten van het geding in hoger beroep; aan de zijde van eerste geïntimeerde vereffend op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure en aan de zijde van tweede geïntimeerde vereffend op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure; aan de zijde van appellant niet vereffend wegens niet-indiening van een omstandige onkostenopgave. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de openbare terechtzitting van zesentwintig april tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: Dhr. J. M., kamervoorzitter, Dhr. G. H., raadsheer in sociale zaken, werkgever, Dhr. J. V., raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider, Dhr. E. N., e.a. adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060426.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div