id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060427.4 Rolnummer: 1997-0428 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-01 04:24 Fiches 1 - 2 De werknemer die bij toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering als geschikt wordt beschouwd en die zich niet wenst neer te leggen bij die beslissing, kan in toepassing van artikel 62, ,§ 2 van het Werkloosheidsbesluit voorlopig werkloosheidsuitkeringen genieten op voorwaarde dat hij de beslissing waarbij hij arbeidsgeschikt wordt beschouwd aanvecht bij de bevoegde rechtsmacht. De omstandigheid dat de raadsman van de werkloze om een of andere reden in gebreke is gebleven om verhaal in te stellen voor de bevoegde rechtsmacht tegen de beslissing van arbeidsgeschiktheid kan niet weerhouden worden als overmacht. De werkloze die niet voldoet aan de voorwaarden om voorlopig uitkeringen te genieten in toepassing van artikel 62, ,§ 2 voornoemd kan evenwel gerechtigd zijn op de werkloosheidsuitkeringen voor zover hij voldoet aan de toekenningsvoorwaarden. De werknemer die de beslissing waarbij hij arbeidsgeschikt wordt verklaard betwist en tevens bevestigt dat hij tegen deze beslissing een rechtsvordering zal instellen maakt evenwel voorbehoud omtrent zijn arbeidsgeschiktheid en stelt zich aldus tegelijkertijd onbeschikbaar voor de algemene arbeidsmarkt. Hij heeft derhalve geen recht op uitkeringen zolang hij niet te kennen heeft gegeven volledig arbeidsgeschikt te zijn. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt - voorlopige uitkeringen - voorwaarden - betwisting beslissing arbeidsgeschiktheid - voorbehoud omtrent arbeidsgeschiktheid Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 56 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Arbeidsgeschiktheid - voorlopige uitkeringen - voorwaarden - beschikbaarheid voor de algemene arbeidsmarkt - betwisting beslissing arbeidsgeschiktheid - voorbehoud omtrent arbeidsgeschiktheid. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 62,§2 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N - artikel 56 en onder artikel 62, ,§
- Tekst van de beslissing ARREST A.R. 970428 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: P. L., appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. B. T., advocaat te 2830 Willebroek, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. H. J., advocaat te 2500 Lier. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 4 juni 1997, 1 maart 2001, 6 september 2001, 1 maart 2005, 9 februari 2006, 23 februari 2006 en 27 april 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 10 april 1997 (A.R. 64.208); - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 14 mei 1997; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 18 juni 1997; - de conclusies voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 22 januari 2001; - de aanvullende conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 25 november 2005; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 23 februari 2006, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 23 februari 2006; - de repliek van appellant op het advies van het openbaar ministerie, ontvangen op de griffie van dit hof per fax op 6 maart 2006 en per gewone post op 7 maart
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van de raadsman van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bestaande uit 2 stukken en de bundel van de raadsman van P. L. bestaande uit 2 stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 9 februari
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn schriftelijk advies op de zitting van 23 februari 2006 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit hof op 14 mei 1997, tekende P. L. hoger beroep aan tegen een vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 10 april 1997 (A.R. 64.208). Overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 16 april
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen besliste op 14 juni 1996, - in toepassing van de artikelen 56, 62, 142, 144 en 169 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering -: - P. L. van het recht op uitkeringen uit te sluiten vanaf 7 maart 1994; - de eventueel ten onrechte genoten uitkeringen terug te vorderen. De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeids-voorziening te Mechelen nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 2 administratief dossier): "U genoot uitkeringen in het kader van de ziekte- en invaliditeits-verzekering van 6.10.1992 tot en met 6.03.
- Bij beslissing van de adviserend geneesheer van de mutualiteit dd. 25.02.1994 werd u in staat verklaard de arbeid te hervatten vanaf 7.03.
- U verklaarde op het formulier C6 dd. 7.03.1994 dat u niet akkoord ging met deze beslissing en dat u een rechtsvordering zou instellen bij de Arbeidsrechtbank te Mechelen. Uit een navraag bij de arbeidsrechtbank dd. 10.05.1996 blijkt dat u geen rechtsvordering hebt ingesteld tegen de beslissing tot geschiktheids-verklaring om het werk te hervatten. De wilsuiting om beroep aan te tekenen tegen de beslissing die een werkloze werknemer arbeidsgeschikt verklaart volstaat niet om te genieten van artikel 62 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Deze bepalingen zijn slechts toepasselijk wanneer de werkloze deze beslissing heeft aangevochten voor het bevoegde arbeidsgerecht (Cass., 16 mei 1988, T.S.R. 1988, 289, J.T.T. 1989, 53). Een werknemer die zich niet akkoord verklaart met de beslissing van de adviserend geneesheer waarbij hij arbeidsgeschikt wordt bevonden en tezelfdertijd verklaart tegen deze beslissing een rechtsvordering in te stellen, maakt hierdoor een voorbehoud omtrent zijn arbeidsgeschiktheid. Niettemin worden hem op basis van artikel 62 uitkeringen toegekend. Als echter achteraf blijkt dat betrokkene deze rechtsvordering niet ingesteld heeft, dan dient hij als onbeschikbaar beschouwd te worden tot op de dag dat hij zijn voorbehoud ingetrokken heeft (Arbh. Brussel, 11 december 1986, A.R. 18.535). Om uitkeringen te genieten moet de volledig werkloze beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt (artikel 56,§1, 1° lid van het koninklijk besluit van 25.11.1991 houdende de werkloosheidsreglementering). U voldoet niet aan bovenvermelde voorwaarde vanaf 7.03.
- Bijgevolg kan u vanaf vorenvermelde datum geen aanspraak maken op uitkeringen. Elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald (artikel 169, eerste lid van het bovenvermeld K.B.) Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 15 juli 1996, tekende P. L. beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing van 14 juni 1996 (ref. 71212/62,§2/1118/EV/RS). Bij vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 10 april 1997 werd: - de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de bestreden beslissing bevestigd; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van P. L. begroot op 3.690 frank (91,47euro) rechtsplegingsvergoeding. Met verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit hof op 14 mei 1997, tekende P. L. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen.
- Eisen in hoger beroep P. L. (appellant) vordert : - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis van 10 april 1997 van de arbeidsrechtbank te Mechelen te vernietigen, en opnieuw recht doende de beslissing van 14 juni 1996 van de gewestelijke werkloosheidsdirecteur te Mechelen te vernietigen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van P. L. begroot op 5.160 fr. (127,91 euro) rechtsplegingsvergoeding en op 2.150 fr. (53,30 euro) uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - het vonnis van de eerste rechter integraal te bevestigen; - ondergeschikt, wat de beslissing tot terugvordering van ten onrechte genoten uitkeringen betreft, zich in de plaats te stellen van de directeur en de terugvordering van deze ten onrechte genoten uitkeringen te bevelen.
- Ten gronde 5.
- Geldigheid van de administratieve beslissing In beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie van dit hof op 22 januari 2001, betwist appellant de geldigheid van de bestreden administratieve beslissing aangezien: - enerzijds de beslissing werd genomen 'bij delegatie' door de heer E. Verpoten, adjunct-adviseur, terwijl geen akte van delegatie wordt voorgebracht; - anderzijds een beslissing tot terugvordering van ten onrechte genoten uitkeringen niet kan worden gedelegeerd door de directeur. Overeenkomstig artikel 142 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit) neemt de directeur in wiens ambtsgebied de werknemer zijn gewone verblijfplaats heeft, alle beslissingen over het recht op uitkeringen. Artikel 142 van het Werkloosheidsbesluit is een algemene bepaling die de directeur van het werkloosheidbureau aanduidt als de bevoegde instantie om alle beslissingen, zonder enige uitzondering, over het recht op uitkeringen te nemen. Dit omvat bijgevolg zowel de beslissingen inzake de toekenning of verwerping van dit recht, als deze inzake de ontzegging, uitsluiting of schorsing. De directeur kan evenwel, in toepassing van artikel 142 laatste lid van het Werkloosheidsbesluit, een deel van de hem verleende bevoegdheden overdragen aan personeelsleden van het werkloosheidsbureau. De mogelijkheid tot delegatie bestaat voor al de handelingen die met de uitoefening van de bevoegdheden inzake het nemen van beslissingen over het recht op uitkeringen te maken hebben met inbegrip van de terugvordering, hetwelk logischerwijze voortvloeit uit een beslissing tot uitsluiting, schorsing of ontzegging van rechten. Op 1 juni 1996 heeft de directeur van het werkloosheidsbureau van Mechelen zijn bevoegdheden - met inbegrip van zijn bevoegdheid tot terugvordering - gedelegeerd aan (onder meer) Eddy Verpoten (adjunct-adviseur) (zie stuk 1 bundel geïntimeerde: akte van delegatie van bevoegdheden van de directeur aan personeelsleden van het werkloosheidsbureau) Gelet op het bestaan van een geldige voorafgaandelijke delegatie van bevoegdheden heeft appellant op de zitting van 9 februari 2006 afstand gedaan van het door hem ingeroepen middel van nietigheid van de administratieve beslissing. De bestreden administratieve beslissing genomen 'bij delegatie' door de heer E. Verpoten, adjunct-adviseur, is geldig. 5.
- Uitsluiting van het recht op uitkeringen Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt: - dat appellant, werkzaam als bouwvakarbeider bij de N.V. I.B.O. sedert 21 april 1987, in het kader van de verplichte ziekteverzekering uitkeringen genoot van 6 oktober 1992 tot en met 6 maart 1994; - dat bij beslissing van de adviserend geneesheer van de mutualiteit van 25 februari 1994 appellant opnieuw arbeidsgeschikt werd verklaard vanaf 7 maart 1994; - dat appellant op 7 maart 1994 met het formulier C6 (stuk 6 administratief dossier) werkloosheidsuitkeringen aanvroeg en uitdrukkelijk vermeldde dat hij niet akkoord ging met de beslissing van de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling en dienvolgens een rechtsvordering had ingesteld bij de arbeidsrechtbank te Mechelen; - dat de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te Mechelen met brieven van 29 februari 1996 en 10 april 1996 (stukken 12 en 13 van het administratief dossier) appellant uitnodigde informatie te verstrekken over het ingestelde beroep tegen de beslissing tot arbeidsgeschiktheid in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering; daar appellant hierop niet antwoordde werd navraag gedaan met brief van 10 mei 1996 bij de arbeidsrechtbank te Mechelen en bij de mutualiteit; - dat op 13 mei 1996 de hoofdgriffier van de arbeidsrechtbank te Mechelen meedeelde dat appellant geen rechtsvordering heeft ingesteld tegen de beslissing tot geschiktheidverklaring om het werk te hervatten (stuk 9 administratief dossier); dit werd tevens bevestigd door de secretaris-generaal van de socialistische mutualiteit met schrijven van 6 juni 1996 (stuk 11 administratief dossier); - dat bij het verhoor op 5 juni 1996 de raadsman van appellant volgende verklaring aflegde (stuk 4 administratief dossier): "Ik heb op 15 maart 1994 opdracht gekregen van het ABVV om een rechtsvordering aan te tekenen tegen de afwijzing door het RIZIV vanaf 7/3/
- Ik stel vast dat er op de griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen geen spoor is terug te vinden van het verzoekschrift. Nochtans blijkt uit mijn dossier dat al het nodige is gedaan. Op 17 maart 1994 werd het verzoekschrift opgesteld. Op 1.6.1994 vroeg ik een bijkomend doktersattest aan. Dit bijkomend attest d.d. 16.6.1994 werd mij overgemaakt op 4.7.
- Ik kan niet verklaren waar het is fout gelopen. Meestal bezorg ik mijn post aan de arbeidsrechtbank via het bakje-systeem in de advocatenkamer." - dat de gewestelijke werkloosheidsdirecteur te Mechelen op 14 juni 1996 besliste appellante uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 7 maart 1994 en de eventueel ten onrechte genoten uitkeringen terug te vorderen (stuk 2 administratief dossier). Overeenkomstig artikel 62, ,§2 van het Werkloosheidsbesluit kan de werknemer die bij toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeits-verzekering als geschikt wordt beschouwd en die deze beslissing voor de bevoegde rechtsmacht betwist, voorlopig uitkeringen genieten. Deze werknemer blijft als geschikt beschouwd zolang de bevoegde rechtsmacht er niet anders over beslist. Hij blijft onderworpen aan de bepalingen van dit besluit, zonder nochtans uitgesloten te kunnen worden uit hoofde van dezelfde ongeschiktheid. Om in toepassing van deze wetsbepaling recht te hebben op voorlopige uitkeringen moet de betrokken werknemer de beslissing waarbij hij arbeidsgeschikt werd verklaard aanvechten bij de bevoegde rechtsmacht. Het staat buiten kijf dat in casu deze voorwaarde niet vervuld is. Om welke reden dan ook werd door appellant geen rechtsvordering ingesteld ten einde alsnog zijn arbeidsongeschiktheid te laten erkennen en te doen vaststellen dat hij gerechtigd was op prestaties van de uitkeringsverzekering. Appellant kan ook niet voorhouden dat het niet instellen van deze vordering te wijten is aan overmacht. Overmacht kan enkel voortvloeien uit een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die de mens niet heeft kunnen voorzien of voorkomen en die een volstrekte onmogelijkheid om zijn verplichtingen na te komen tot gevolg heeft. De werkloze kan zich niet beroepen op overmacht wanneer vastgesteld wordt dat het naleven van een op hem rustende verplichting niet volstrekt onmogelijk is (in dezelfde zin: Cass. 16 maart 1998, Arr. Cass. 1998, nr. 149, p. 320 t/m 323; Cass. 29 november 1999, Arr. Cass. 1999, nr. 636, p. 1517 t/m 1520en R.W. 2000-01, 1067; Cass. 22 november 2004, R.W. 2005-06, 743 en www.juridat.be) De omstandigheid dat de raadsman van appellant om een of andere reden in gebreke zou gebleven zijn om verhaal in te stellen voor de bevoegde rechtsmacht tegen de beslissing van arbeidsgeschiktheid, kan bijgevolg door appellant niet aangevoerd worden als een situatie van overmacht. Nu appellant geen aanspraak heeft op het genot van de uitkeringen op grond van artikel 62, ,§2 van het Werkloosheidsbesluit kan hij enkel gerechtigd zijn op werkloosheidsuitkeringen mits hij voldoet aan de toekenningsvoorwaarden zoals opgesomd in Titel I - Hoofdstuk III van het Werkloosheidsbesluit. De werknemer die zich niet akkoord verklaart met de beslissing van de adviserend geneesheer van zijn verzekeringsinstelling waarbij hij arbeidsge-schikt bevonden wordt en tezelfdertijd verklaart tegen deze beslissing een rechtsvordering in te stellen, maakt voorbehoud omtrent zijn arbeidsge-schiktheid. Aangezien appellant voorbehoud heeft gemaakt omtrent zijn arbeidsgeschiktheid heeft hij zich tegelijkertijd onbeschikbaar gesteld voor de algemene arbeids-markt zodat hij niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van het Werkloosheidsbesluit, meer bepaald artikel 56 (beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt). Appellant heeft derhalve geen recht op werkloosheidsuitkeringen en dit zolang hij niet te kennen heeft gegeven volledig arbeidsgeschikt te zijn. Gelet op hetgeen voorafgaat en bij uitblijven van een gewijzigde verklaring heeft de gewestelijke werkloosheidsdirecteur terecht beslist appellant van het recht op uitkeringen uit te sluiten vanaf 7 maart 1994 en de eventueel ten onrechte genoten uitkeringen terug te vorderen. Het bestreden vonnis heeft dienvolgens terecht de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen van 14 juni 1996 bevestigd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn gedeeltelijk andersluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 23 februari
- Appellant heeft op 6 en 7 maart 2006 schriftelijk gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis uitgesproken op 10 april 1997 in de openbare zitting van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen (A.R. 64.208). Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van P. L. op 52,06 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op zevenentwintig april tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060427.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div