id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060428.2 Rolnummer: 2002-0620 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-01 04:24 Fiches 1 - 2 Het komt de rechter toe, mits eerbiediging van het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten en zonder het voorwerp van de vordering of de tot staving daarvan aangevoerde oorzaak te wijzigen, de rechtsregels te bepalen en toe te passen op grond waarvan hij over deze vordering uitspraak doet. Het voorwerp van de vordering is hetgeen gevraagd wordt, terwijl de oorzaak daarvan het geheel van de rechtsfeiten en rechtshandelingen is. Het feit dat de vordering gegrond wordt op artikel 11 bis W.A.O., hetzij artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet verandert de identiteit van deze vordering niet, zodat zij hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak behoudt. Wanneer de afwijkingen op het vast uurrooster niet worden geregistreerd door de werkgever, is het eerste (weerlegbaar) vermoeden van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet van toepassing. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Gerechtelijk privaatrecht - voorwerp en oorzaak van de vordering - nieuwe vordering - wetgeving van openbare orde - afstand van een rechtsgrond. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 807 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 807 en onder VII A - artikel 22ter. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Inning en invordering van de bijdragen - aangifte - weerlegbare vermoedens van artikel 22 ter RSZ-wet - vast werkrooster. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-06-1969 - 22ter - 04 Link Justel databank 19690620-04 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 807 en onder VII A - artikel 22 ter. Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2020620 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 76, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. H. DE KERPEL, advocaat te 2610 WILRIJK, tegen : MM, wonende verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. E. THIERS, advocaat te 2000 ANTWERPEN. Na beraadslaging over de zaak, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 11 februari 2005, van 27 mei 2005, van 20 oktober 2005, van 24 februari 2006 en van 10 maart 2006; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het tussenarrest van deze kamer van 11 februari 2005, waarbij de heropening der debatten werd bevolen; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 4 mei 2005; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 18 oktober 2005; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 8 februari 2006. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 24 februari 2006. Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 10 maart 2006. Wat voorafgaat Bij tussenarrest van deze kamer van 11 februari 2005 werd het hoger beroep reeds ontvankelijk verklaard en alvorens ten gronde te beslissen, werd de heropening der debatten bevolen. "In zijn schriftelijke advies van 24 december 2004 is het Openbaar Ministerie van oordeel dat de vordering, bij zoverre zij gesteund is op de toepassing van artikel 11 bis WAO, ongegrond is. Maar tegelijkertijd vraagt het Openbaar Ministerie zich af of de vordering toch niet gegrond zou kunnen zijn op de toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.- wet en de toepassing van artikel 171, ,§1 van de Programmawet van 22 december 1989, rechtsgrond waarop de R.S.Z. voordien de vordering had gesteund maar die hij annuleerde met zijn brief van 14 juni 2000." "Het Openbaar Ministerie suggereert de heropening van de debatten om partijen toe te laten over deze oude, doch in het kader van dit geschil nieuwe benaderingswijze debat te voeren." "Het is derhalve aangewezen dat de debatten wél worden heropend om op die wijze de rechten van de verdediging maximaal te respecteren en de partijen de kans te geven te argumenteren over de nieuwe stand van zaken. Daarbij mogen de partijen de volgende elementen niet uit het oog verliezen: - de toepassing van artikel 702 Ger. W. - de mogelijkheid voor het Openbaar Ministerie en voor het Hof om in de gegeven omstandigheden een rechtsgrond op te vissen die de R.S.Z. als eisende partij had geannuleerd - de argumentatie van het Openbaar Ministerie onder punt 4.3 van zijn schriftelijk advies van 24 december 2004." De R.S.Z. volhardt en vraagt verder de veroordeling van MM. Deze laatste vraagt het hof in hoofdorde om het hoger beroep van de R.S.Z. af te wijzen als ongegrond. In ondergeschikte orde vraagt hij om de vordering van de R.S.Z. , bij zoverre hij deze nu zou steunen op de toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet, af te wijzen als onontvankelijk omdat het een nieuwe vordering in graad van beroep zou uitmaken. Minstens moet deze nieuwe vordering als zijnde verjaard worden afgewezen. Nog meer ondergeschikt houdt MM voor dat het vermoeden van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet is weerlegd door de gegevens in het dossier. Mocht het hof daarmee geen genoegen nemen dan biedt hij het getuigenverhoor aan. Uiterst ondergeschikt vraagt MM om zijn schuld aan de R.S.Z. te mogen afkorten met maandelijkse afbetalingen. Volgens het recht De vordering De rechter moet uitspraak doen over de vordering. Dit kan worden afgeleid o.a. uit artikel 29 en artikel 30 van het gerechtelijk wetboek. Een vordering verkrijgt een identiteit door haar onderwerp en oorzaak. Het onderwerp van de vordering is hetgeen gevraagd wordt (cfr. conclusie W. Ganshof van der Meersch bij Cass., 4 mei 1972, Pas. 1972, I, 815, noten 2,3,4 en 5). In deze zaak vorderde de R.S.Z. de betaling van geregulariseerde bijdragen met aankleven over de drie eerste kwartalen van 1995 en over de jaren 1996, 1997 en 1998, tezamen met de vakantiebijdragen. De oorzaak van de vordering is het geheel van de rechtsfeiten en rechtshandelingen, die verklaren waarom iemand een rechtsvordering instelt (cfr. J. PETIT, Sociaal Procesrecht, Die Keure 2000, nr. 123, blz. 169). In deze zaak is de oorzaak van de vordering: het feit dat JVH blijkbaar niet effectief het aantal uren had gewerkt die in zijn arbeidsovereenkomst(
- en)waren opgenomen. De vordering van de R.S.Z. kan in deze zaak dus omschreven worden als de vraag om MM, als werkgever van JVH, te veroordelen tot het betalen van de R.S.Z.-bijdragen op het verschil tussen de contractueel afgesproken prestaties van JVH en zijn werkelijk geleverde prestaties, die in volume kleiner waren. Het feit dat deze vordering in rechte wordt gegrond hetzij op artikel 11 bis WAO, hetzij op artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet, verandert de "identiteit" van de vordering niet. Zij behoudt hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak. De argumentatie van MM, die voorhoudt dat de R.S.Z. een nieuwe vordering instelt wanneer hij, in de loop van de procedure, dezelfde vraag stoelt op een andere rechtsgrond, is onjuist. Het gaat over één en dezelfde vordering. Er is dan ook geen aanleiding om de vordering van de R.S.Z., bij zoverre hij deze thans zou gronden op de toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet, als onontvankelijk af te wijzen omdat het een nieuwe vordering zou betreffen, die in hoger beroep niet voor het eerst kan worden ingesteld. Dergelijke vordering is evenmin verjaard. Ze blijft ingesteld door de dagvaarding van 25 september 2000. De rechtsgrond De vordering in deze zaak wordt benaderd vanuit twee verschillende rechtsgronden: enerzijds vanuit artikel 11 bis WAO door de R.S.Z. en anderzijds vanuit artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet door het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie geeft in punt 2.1 van zijn schriftelijke advies van 10 maart 2006 terecht aan dat het aan de rechter toekomt, onder eerbiediging van het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten en zonder het voorwerp van de vordering of de tot staving daarvan aangevoerde oorzaak te wijzigen, de rechtsregel(
- s)te bepalen en toe te passen op grond waarvan hij over deze vordering uitspraak doet. Het hof is van oordeel dat op de feiten die in deze zaak aan zijn beoordeling worden voorgelegd, artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet moet worden toegepast. Artikel 11 bis WAO is ter zake niet van toepassing. De eerste rechters hebben dat op goede gronden zo beslist. Het hof meent het recht van verdediging te hebben geëerbiedigd door in het tussenarrest van 11 februari 2005 de partijen te hebben uitgenodigd standpunt in te nemen over de toepassing van deze nieuwe rechtsgrond. Het hof meent dat, door voornoemd artikel 22 ter toe te passen op de feiten, hij noch het onderwerp noch de oorzaak van de vordering van de R.S.Z. heeft gewijzigd. Het hof verduidelijkte hogerop in dit arrest wat het onderwerp en wat de oorzaak is van de vordering van de R.S.Z. MM merkt in zijn conclusies op dat het hof door dit te doen de krijtlijnen van het geschil overschrijdt, die door de partijen waren uitgetekend. Meer bepaald hadden de partijen hun geschil gesitueerd binnen de krijtlijnen van de toepassing van artikel 11 bis WAO. Het merkwaardige hierbij is dat de R.S.Z. in zijn aangetekende brief van 14 juni 2000 (stuk 8 in het dossier van MM) zijn regularisatie op basis van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet annuleerde ten voordele van de toepassing van artikel 11 bis WAO. Door thans, op suggestie van het openbaar ministerie, en ondanks de annulatie de vordering opnieuw te beoordelen onder de toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet, zou het hof een uitspraak 'ultra petita' doen. De R.S.Z.-wetgeving is een materie die van openbare orde is. De annulatie in de brief van de R.S.Z. van 14 juni 2000 moet juridisch worden begrepen als een afstand van een bepaalde rechtsgrond (artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet). In materies van openbare orde is dergelijke afstand ongeoorloofd. Hij is niet van tel. In materies van openbare orde heeft de rechter het hele arsenaal van wettelijke bepalingen en reglementeringen ter beschikking om toe te passen op de vorderingen die hem worden voorgelegd. Partijen kunnen dit arsenaal niet inkrimpen door van bepaalde regels afstand te doen. Ook al deed de R.S.Z. in casu afstand van de toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet, dit belet het hof niet om deze regel opnieuw op te vissen en toe te passen. De grond van de zaak Het hof verwijst naar punt 2.3 in het schriftelijke advies van het openbaar ministerie dat een correcte inschatting maakt van hoe in deze zaak artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet op de concrete feiten moet worden toegepast. Het komt hierop neer: uit de afgelegde verklaringen van JVH en van MM aan de inspectie komt voldoende zeker vast te staan dat JVH gedurende zijn tewerkstelling niet het aantal uren werkte dat in zijn arbeidsovereenkomst was overeengekomen (13,5 uren /week). Het betrof deeltijdse arbeid op basis van een vast uurrooster. Dit blijkt bijkomend uit stuk nr. 9 in het dossier van MM en uit de documenten van de R.S.Z. Omdat de afwijkingen van het vast uurrooster moeten worden geregistreerd en deze registratie blijkbaar niet was gebeurd, is het eerste vermoeden uit artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet van toepassing. Volgens dit vermoeden moet de werknemer, van wie de afwijking van zijn werkrooster niet is geregistreerd, vermoed worden te hebben gewerkt volgens dit vast werkrooster. Partijen zijn het er blijkbaar over eens dat de afwijkingen van zijn werkrooster door JVH niet werden geregistreerd zoals de wet het voorschreef, zodat dit vermoeden op hem van toepassing is. Niemand betwist verder dat het hier gaat over een weerlegbaar vermoeden. Het hof is het eens met het openbaar ministerie dat de stukken die MM thans aan het hof voorlegt niet met zekerheid het bewijs opleveren dat JVH effectief minder uren presteerde dan 13,5 uren /week. Met andere woorden het staat niet voldoende vast dat JVH enkel de uren presteerde die door MM bij de administratie van de R.S.Z. werden aangegeven. MM biedt in ondergeschikte orde het getuigenverhoor aan. Het hof volgt het advies van het openbaar ministerie om dit getuigenverhoor toe te staan. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 10 maart 2006, waarover partijen geen opmerkingen hebben geformuleerd. Recht doende op tegenspraak en het tussenarrest van 11 februari 2005 verder uitwerkende: Alvorens verder recht te doen ten gronde; Laat MM toe om met getuigen te bewijzen: dat JVH in de periode waarvoor de R.S.Z. een vordering instelt, minder uren presteerde dan het aantal uren dat was opgenomen in het vast werkrooster in zijn arbeidsovereenkomst die gold in deze periode. Machtigt de R.S.Z. het tegenbewijs van deze feiten te leveren met dezelfde rechtsmiddelen. Beschikt dat het getuigenverhoor zal gehouden worden door de heer J. Verhavert, Raadsheer, op dinsdag 20 juni 2006, om 14 uur, in de raadkamer van zaal H van het arbeidshof alhier. Beschikt dat het tegenverhoor zal gehouden worden, na eventueel verzoek hiertoe, op later aan te duiden plaats dag en uur. Houdt de uitspraak nopens de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van achtentwintig april tweeduizend en zes PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060428.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div