id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060508.2 Rolnummer: 2005-0397 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-23 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-01 04:25 Fiche Uit de tekst van artikel 2, ,§ 3, van de Wet van 19 maart 1991 houdende de bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden kan niet worden afgeleid dat de verkorte beschermingsperiode van twee jaar enkel van toepassing is op kandidaten die twee opeenvolgende succesloze kandidaturen hadden. Vanaf de tweede vruchtloze kandidatuur kan men slechts genieten van de korte beschermingsperiode van twee jaar. Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN . ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19/03/1991 inleidende bepalingen - duur van de bescherming van kandidaat personeelsafgevaardigden - beschermingsperiode - meerdere succesloze maar niet opeenvolgende kandidaturen. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 2§3 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2006(00951,P.277-278) Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN, AFDELING ANTWERPEN ARREST A.R. 2050397 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT MEI TWEEDUIZEND EN ZES NV A. B., appellante vertegenwoordigd door mr. I. VERHELST, advocaat te Antwerpen, in eigen naam en loco mr. Th. CLAEYS, advocaat te Brussel, tegen : J. R., geïntimeerde vertegenwoordigd door de heer D. VERGOUWEN, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 27 februari
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 6 juni 2005, 27 februari 2006 en 27 maart
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 22 maart 2005 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit hof op 19 mei 2005; x de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit hof op 1 juli 2005 en 23 november 2005 voor de heer R. en op 3 november 2005 en 23 januari 2006 voor de NV A. B., hierna de NV genoemd; x de beschikking d.d. 30 september 2005 overeenkomstig artikel 747 ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek; x het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd op de openbare terechtzitting van 27 maart 2006; x de schriftelijke repliek van de heer R. op het advies van het openbaar ministerie, ter griffie van dit hof neergelegd op 7 april
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 19 februari 2003, vorderde de heer R. de veroordeling van de NV tot betaling van: - 118.616,57 EUR saldo beschermingsvergoeding ex artikel 16 en 17 wet 19 maart 1991 - 105,35 EUR feestdagloon 21 juli 2002 - 16,16 EUR vakantiegeld einde dienst op feestdagloon te vermeerderen met de wettelijke, de verwijl- minstens de vergoedende intrest sedert 4 juli 2002, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. Bij bestreden vonnis van 22 maart 2005 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De NV werd veroordeeld tot betaling van 115.282,60 EUR ten titel van beschermingsvergoeding, te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen in zoverre verschuldigd en te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 4 juli 2002 en de gerechtelijke intrest vanaf 19 februari 2003 op het netto opeisbare gedeelte. Het meergevorderde werd als ongegrond afgewezen en de NV werd verwezen in de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met syntheseconclusie van 23 januari 2006 vordert de NV het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vordering van de heer R. ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de kosten van het geding. In ondergeschikte orde vordert de NV, alvorens verder recht te spreken, de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof: "Schendt artikel 2 ,§ 3 lid 2 van de wet van 19 maart 1991 houdende de bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor preventie en bescherming op het werk alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, in de interpretatie dat de beperking van de beschermingsperiode tot twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen alleen van toepassing is op de kandidaten die reeds kandidaat waren en niet verkozen werden bij onmiddellijk voorafgaande verkiezingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat kandidaten die bij onmiddellijk opeenvolgende verkiezingen niet verkozen werden gedurende twee jaren beschermd zijn terwijl kandidaten die eveneens bij twee sociale verkiezingen niet verkozen zijn, maar dan twee niet-opeenvolgende verkiezingen, gedurende vier jaar beschermd zijn tegen ontslag ?" Met syntheseconclusie van 23 november 2005 vordert de heer R. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het vonnis a quo te bevestigen en de NV te veroordelen tot de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten De heer R. is in dienst getreden van de NV op 9 februari
- Bij de sociale verkiezingen van 1979 stelde hij zich kandidaat als personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraden en het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen. Hij werd niet verkozen. Bij de sociale verkiezingen van 2000 stelt de heer R. zich opnieuw kandidaat als personeelsafgevaardigde voor het comité preventie en bescherming op het werk. Andermaal werd hij niet verkozen. Op 3 juli 2002 stelde de NV de heer R. in kennis van haar beslissing om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Bij aangetekende brief van 10 juli 2002 formuleerde de heer R. bij monde van zijn vakorganisatie een verzoek tot reïntegratie. Dit verzoek werd door de NV geweigerd bij aangetekende brief van 17 juli
- Hierop verzocht de heer R. bij monde van zijn vakorganisatie om over te gaan tot uitbetaling van het brutoloon tot juni 2004, een beschermingsvergoeding gelijk aan vier jaar loon en de uitbetaling van de feestdag van 21 juli
- Partijen kwamen niet tot een vergelijk en op 19 februari 2003 dagvaardde de heer R. de NV voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen in betaling van de hiervoor sub II vermelde vergoedingen. Met vonnis van 22 maart 2005 werd de vordering van de heer R. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Met verzoekschrift van 19 mei 2005 stelde de NV beperkt hoger beroep in tegen dit vonnis.
- De beoordeling 2.
- De beschermingsvergoeding De rechtsvraag die aan de orde is betreft de vraag of de niet verkozen kandidaat personeelsafgevaardigde bij de sociale verkiezingen in 1979, die in de twee daaropvolgende verkiezingen geen kandidaat is geweest maar bij de derde daaropvolgende verkiezing opnieuw kandidaat was maar niet verkozen werd, geniet van een bescherming van twee dan wel vier jaar. Luidens artikel 2 ,§ 1 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden (verder "Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden") kunnen de personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegde paritaire orgaan werden erkend. Ingevolge artikel 2 ,§ 2 lid 1 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden genieten de personeelsafgevaardigden het voordeel van de bepalingen van ,§ 1 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld. Artikel 2 ,§ 3 van dezelfde wet bepaalt dat: "De kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en de comités worden voorgedragen en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten het voordeel van de bepalingen van de ,§,§ 1 en 2 zo het hun eerste kandidatuur betreft. De kandidaat-personeelsafgevaardigden als bedoeld in het eerste lid genieten het voordeel van de bepalingen van de ,§,§ 1 en 2 durende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de datum van de verkiezingen vastlegt, en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen. (...)" De Franse tekst luidt: "(...) lorsqu'ils ont déjà été candidats et qu'ils n'ont pas été élus à l'occasion des élections précédentes." Het geschil betreft derhalve een probleem van wetsinterpretatie inzake de ontslagbescherming. De regels inzake de ontslagbeperking ingesteld door de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden raken het algemeen belang en zijn van openbare orde. (Cass. 4 september 1995, J.T.T. 1995, 493, noot C. Wantiez, Soc. Kron. 1995, 474, noot H. Funck) Er bestaat geen reden om te aanvaarden dat wetsbepalingen van openbare orde restrictief of strikt moeten worden geïnterpreteerd of op enige andere wijze dan wetsbepalingen die de openbare orde niet raken. (VAN REGENMORTEL, A., Sociale verkiezingen en ontslagbescherming. Aard van de bepalingen: openbare orde of dwingend recht?, "Het statuut van de beschermde werknemer. Een stand van zaken in het nieuwe millennium", Intersentia, Rechtswetenschappen, 2001, nr. 33) Er bestaat evenwel slechts aanleiding om een wettekst te interpreteren wanneer die onduidelijk is. Wanneer de tekst duidelijk is behoeft hij geen interpretatie. In casu zijn er slechts twee situaties duidelijk door de wet geregeld: - de kandidaat personeelsafgevaardigde die voor de eerste maal kandidaat is voor de raad en/of comité geniet een bescherming gedurende een periode van vier jaar; - de kandidaat personeelsafgevaardigde die bij twee opeenvolgende verkiezingen kandidaat was en die de beide malen niet verkozen werd geniet van een bescherming gedurende een termijn van twee jaar. De feitelijke situatie in huidige zaak wordt door de wet niet duidelijk geregeld, zodat een verdere interpretatie zich opdringt. Verwijzend naar de betreffende passages in de voorbereidende werken stelt het openbaar ministerie in zijn advies terecht voorop dat ze geen uitsluitsel geven en dat ze derhalve niet kunnen gehanteerd worden voor de oplossing van de in het geding zijnde problematiek vermits ze niet ondubbelzinnig zijn. (Parl. St., Senaat, Memorie van Toelichting, zittijd 1990-1991, doc. 1105-1, p. 7.; Parl. St., Senaat, Verslag, zittijd 1990-1991, doc. 1105-2, p. 10.; Parl. St., Senaat, Verslag, o.c., p. 36.) In het beste geval ondersteunen ze de door partijen niet betwiste stelling dat een kandidaat die bij twee opeenvolgende verkiezingen niet verkozen wordt slechts geniet van een bescherming van twee jaar. Daar de voorbereidende werken geen uitsluitsel geven dient men terug te grijpen naar de wettekst zelf. Het openbaar ministerie stelt in zijn advies desbetreffend het volgende: "De ontslagbescherming is geen nieuw gegeven. Zij bestond ook al in de vroegere wetgeving. De tekst was toen echter opgenomen onder twee diverse wetten. Men had enerzijds artikel 1bis, ,§4 van de Veiligheidswet en anderzijds artikel 21, ,§4 van de Bedrijfsorganisatiewet. Ook onder de gelding van de oude wetsbepalingen werd de vraag gesteld wat diende begrepen te worden onder "eerste kandidatuur". De problematiek werd uitgeklaard door een arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 24 januari
- In het betreffende arrest werd gesteld dat er slechts één "eerste kandidatuur" is, iedere volgende kan niet meer onder dit begrip vallen. (J.T.T., 1981, p.109) De eerste rechters hebben echter gemeend te moeten stellen dat de leer die uit het desbetreffende arrest kan worden getrokken niet meer van toepassing is onder de gelding van de nieuwe wetgeving. Enerzijds gebeurde dit op grond van een tekstueel verschil dat zou bestaan tussen de oude en de nieuwe tekst. Anderzijds, dat in tegenstelling tot de oude wet, de wetgever bij de wet van 1991 de intentie had om een verscherping van de beschermingsmaatregelen door te voeren. Vooreerst moet er worden vastgesteld dat, in tegenstelling tot wat de eerste rechters poneerden, de voorbereidende werken niet toestaan te concluderen dat de wetgever als oogmerk had het beschermingsmechanisme van niet verkozen kandidaten te verstevigen. In de passage van de voorbereidende werken waarnaar het bestreden vonnis verwijst, stelde de Minister net dat het ontwerp "niet voorziet in een verlening van de bescherming van de niet verkozen kandidaten". Verder, wat betreft de wetteksten. In de wet van 20 september 1948 betreffende de organisatie van het bedrijfsleven werd dit aspect geregeld in artikel 21, ,§
- De tekst luidde: "De kandidaten die bij de bij artikelen 20 en 21 bedoelde verkiezingen worden voorgedragen en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten het voordeel van de bepalingen van ,§ 3 zo het hun eerste kandidatuur betreft. De voornoemde kandidaten genieten het voordeel van de bepalingen van ,§ 2 gedurende een periode die loopt van de dertigste dag af voorafgaande aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, en eindigt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo het een volgende kandidatuur betreft". De wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid der werknemers voorzag in een soortgelijke tekst in artikel 1bis, ,§
- De tekst hiervan was: "De kandidaten die voorgedragen worden bij de verkiezingen bedoeld onder artikel 1, ,§ 4, b, (4, vijfde) lid, en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten het voordeel van de bepalingen van ,§ 3 zo het hun eerste kandidatuur betreft. Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt eveneens toegekend aan de kandidaten voorgedragen bij verkiezingen die nietig werden verklaard. De voornoemde kandidaten genieten het voordeel van de bepalingen van ,§ 2 gedurende een periode die loopt van de (dertigste) dag af voorafgaande aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, en eindigt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo het een volgende kandidatuur betreft." De inhoud van de eerste passage in beide teksten komt overeen met wat vermeld staat in het eerste lid van artikel 2, ,§3 van de wet van 19 maart
- De gewijzigde situatie is aan te treffen in het tweede gedeelte van de tekst van de wet van
- In de oude bepalingen stond te lezen " ... en eindigt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo het een volgende kandidatuur betreft.". De nieuwe tekst luidt: "...en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen". Het nieuwe aspect is de passage "... en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen." Op basis van de teksten dient er derhalve te worden vastgesteld dat er een duidelijke verschuiving is wat betreft het punt dat aan de basis ligt voor de bepaling van de termijn van bescherming. Onder de oude regelgeving waren het de kandidaturen, en hun volgorde, die de beschermingstermijn bepaalden. Een eerste kandidatuur genoot een bescherming van vier jaar, de volgende kandidaturen genoten een bescherming van twee jaar. In de nieuwe tekst kan men de accentverschuiving, ingevolge de nieuwe passage, duidelijk ontwaren. De beslissende factor is niet meer de kandidatuur op zich maar wel het feit dat men niet verkozen werd. (B. NYSSEN, La durée de la protection des candidats non élus aux élections sociales", J.T.T., 1991, p. 425; Het was net deze toevoeging die tot gevolg had dat de, hoger vermelde, lacune kon ontstaan. Het feit is dat deze rechterlijke aanvulling van de wet tot gevolg heeft dat er een verschil is met de toestand die gold onder de oude wet. Immers onder de oude wet was er een bescherming van vier jaar voor de eerste kandidatuur, alle volgende genoten slechts een termijn van twee jaar. In concreto betekende dit zo een werknemer, na een succesvolle kandidatuur, opnieuw kandidaat was bij de volgende verkiezingen doch niet verkozen werd slechts kon genieten van een beschermingsperiode van twee jaar. Het was immers een volgende kandidatuur. Door de aanvulling die het arbeidshof van Luik diende te doen aan de wet geniet de werknemer in dezelfde situatie bij zijn vruchteloze kandidatuur een bescherming van vier jaar. De vraag is derhalve wat de invloed is van deze accentverschuiving. Samen met de eerste rechters dient te worden vastgesteld dat de semantische argumenten waarop partijen zich baseren ter zake geen duidelijkheid verschaffen. Het gebruik van de meervoudsvorm "verkiezingen" of het gebruik van het lidwoord "de" bij de woorden "sociale verkiezingen" staat niet toe de bepaling in de één of andere zin te interpreteren. De enige wijze waarop de passage zinvol kan geïnterpreteerd worden is zo men het artikel in zijn geheel leest waarbij rekening wordt gehouden met de diverse leden van artikel 2, ,§3 van de wet van 19 maart
- Er dient derhalve rekening gehouden te worden met de bewoordingen van het eerste lid van het desbetreffend artikel. De bepalingen zijn immers in cascade opgebouwd waarbij het tweede lid verder gaat op wat in het eerste lid wordt gestipuleerd. Vanuit deze premisse moet worden vastgesteld dat het eerste lid spreekt over "eerste kandidatuur", bepaling die door de rechtspraak werd aangevuld met "die niet tot verkiezing heeft geleid". Net zoals het arbeidshof te Antwerpen in 1980 vaststelde dient ook hier te worden gesteld dat men maar éénmaal "een eerste kandidatuur die niet tot verkiezing heeft geleid" kan hebben. In alle verdere verkiezingen dient te worden vastgesteld dat de betrokken werknemers "reeds kandidaat waren". De toevoeging, in de wettekst, "en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen" kan aan dit punt geen afbreuk doen. De enige precisering die het aan de tekst toebrengt is dat het onsuccesvolle kandidaturen waren. Dit is de accentverschuiving in vergelijking met de vorige wetgeving. Niet de kandidatuur is beslissend voor het in werking treden van het beschermingsmechanisme maar wel de niet-verkiezing, het vruchteloos zijn van de kandidatuur. Vanaf de tweede vruchteloze kandidatuur kan men slechts genieten van de korte beschermingstermijn. Bij de samenlezing van het eerste en tweede lid van het desbetreffend artikel kan het tweede lid niet ingevuld worden in de zin dat het twee onmiddellijk opeenvolgende verkiezingen moet betreffen. In tegenstelling tot wat geïntimeerde voorhoudt kan hieruit derhalve niet worden afgeleid dat de bescherming van twee jaar enkel van toepassing is op kandidaten die twee opeenvolgende succesloze kandidaturen hadden. Geïntimeerde genoot dienvolgens op het ogenblik van het ontslag niet meer van een ontslagbescherming, gezien hij in toepassing van artikel 2, ,§3, tweede lid van de wet van 19 maart 1991 slechts kon genieten van een beschermingsperiode van twee jaar." Het arbeidshof onderschrijft volledig dit standpunt en maakt het tot het zijne. Daaruit volgt dat de heer R. op het ogenblik van het ontslag niet langer genoot van de bescherming zoals bedoeld in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Het hoger beroep is bijgevolg gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord de heer H. VANDERLINDEN, substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 27 maart 2006; Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond, Vernietigt het vonnis van 22 maart 2005 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. En opnieuw recht sprekend, Verklaart de eis van de heer R. ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst de heer R. in de kosten van beide aanleggen. Vereffent deze aan de zijde van de NV op 209,71 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg), 59,49 EUR (uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep) en 285,57 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Vereffent deze aan de zijde van de heer R. op 127,45 EUR (dagvaarding). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van acht mei tweeduizend en zes PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060508.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div