← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060518.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060518.4 Rolnummer: 2005-0542 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-07-03 16:17 Fiche Wanneer de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zich beroept op het tweede vermoeden van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet moet hij het bewijs leveren dat door de werkgever niet voldaan werd aan de in de programmawet van 22 december 1989 voorziene vereiste van openbaarmaking van de werkroosters gedurende de volledige periode waarvoor hij meent ambtshalve te kunnen regulariseren op basis van dit vermoeden. De verklaring welke door de betrokken zaakvoerder van de rechtspersoon/werkgever werd afgelegd naar aanleiding van het onderzoek kan niet de bewijswaarde van een bekentenis hebben omdat de R.S.Z.-wet van openbare orde is en een bekentenis niet kan slaan op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken of waarover geen dading mag worden aangegaan. Dergelijke verklaring is bijgevolg enkel te weerhouden als een gewoon bewijsmiddel waarvan de bewijskracht beoordeeld wordt door de feitenrechter. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Inning en invordering van de bijdragen - aangifte - deeltijdse arbeid - vermoeden voltijdse prestaties - bewijslast. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22ter - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2050542 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTTIEN MEI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. F. TIREZ loco mr. E. GREEVE, advocaat te 2600 ANTWERPEN, tegen : WF, wonende te verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. S. VANDERMEERSCH loco mr. H. BUYSSENS, advocaat te 2018 ANTWERPEN. Na beraadslaging over de zaak, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 7 september 2005, 16 maart 2006 en van 20 april

  1. Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 1 april 2003, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 juli 2005 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek op 19 juli 2005; x het verzoekschrift van eiser in hoger beroep in toepassing van artikel 747, ,§2 van het gerechtelijk wetboek, op 4 november 2005 ontvangen op de griffie van dit hof; x de beschikking hierop van raadsheer J. VERHAVERT van 23 november 2005; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het hof op 27 januari 2006; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, neergelegd op de openbare terechtzitting van 20 april
  2. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van eiser in hoger beroep. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 16 maart 2006 en van 20 april
  3. Gehoord het mondelinge advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 20 april
  4. De ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat WF baat een éénmanszaak uit in Mortsel. Op 11 oktober 1996 vindt er in zijn zaak een protocolcontrole plaats. Er werd een Pro Justitia opgesteld door de dienst Toezicht op de Sociale Wetten. WF, legde pas op 2 april 1997, aan de sociale inspectie ditmaal, de volgende verklaring af: "Bij een controle op 11 oktober 1996 werden VM, in dienst 4/10/95 en AS, in dienst 17/06/95 aan het werk aangetroffen. Beide verklaren deeltijds te werken. Op het ogenblik van de controle konden geen uurroosters of contracten voorgelegd worden. Ik weiger hen voltijds aan te geven aangezien ze hier deeltijds en niet voltijds werken." Op 25 november 1997 schrijft de R.S.Z. aan WF het volgende: "Op basis van het verslag van de Sociale Inspectie van Antwerpen werd op 27/08/97 vastgesteld dat hogervermelde werkneemsters werden tewerkgesteld zonder naleving van de wetgeving op de deeltijdse arbeid (ontbreken van een arbeidsreglement en het niet (tijdig) bekendmaken het variabel uurrooster). Wij zijn dan ook van oordeel dat door deze inbreuken op artikel 157-159 van de Programmawet van 22 december 1989 de deeltijdse werknemers, overeenkomstig artikel 22 ter van de wet van 27 /06/69, vermoed worden hun prestaties geleverd te hebben in het kader van een voltijdse arbeidsovereenkomst. De regularisaties over het tweede kwartaal 1995 tot en met het vierde kwartaal 1996 werden ambtshalve opgesteld ingevolge artikel 22 van de wet van 27/06/
  5. Wij maken alle voorbehoud wat betreft het eventueel aanrekenen van bijdrageopslagen en verwijlintresten overeenkomstig artikel 28 van de wet van 27/06/69." Er volgt geen vrijwillige regeling en de R.S.Z. ging op 17 maart 1998 over tot dagvaarding voor een bedrag van 337.455 ex BEF. Het bestreden vonnis De eerste rechters, in een vonnis van 1 april 2003, wezen de vordering van de R.S.Z. af omdat ze van oordeel zijn dat WF voldoende aantoont dat de beide werkneemsters slechts deeltijds werkten. De raadsman van de R.S.Z. bevestigt op de terechtzitting van 16 maart 2006 dat dit vonnis aan WF niet werd betekend. Eisen in hoger beroep De R.S.Z. tekende tegen dit vonnis a quo pas hoger beroep aan bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 juli
  6. De R.S.Z. is niet akkoord met de eerste rechters en is van oordeel dat WF niet op voldoende wijze het bewijs leverde dat de beide werkneemsters slechts deeltijds werkten. WF vraagt in hoofdorde om het hoger beroep als ongegrond af te wijzen. In ondergeschikte orde biedt hij aan om met getuigen te bewijzen dat de twee betrokken werknemers voor hem slechts deeltijds werkten. Volgens het recht Volgens het rekeninguittreksel, gehecht aan de dagvaarding van 17 maart 1998, vordert de R.S.Z. regularisatiebijdragen over het tweede, derde en vierde kwartaal van 1995 en over het eerste, het tweede, het derde en gedeeltelijk over het vierde kwartaal van
  7. De bedragen die ten titel van bijdragen worden gevorderd, stemmen overeen met de bedragen die als dusdanig zijn opgenomen in het bericht van wijziging der bijdragen, opgemaakt door de R.S.Z. op 19 november 1997 (zie administratief dossier). Op hun beurt kunnen de cijfers, die zijn vermeld in kolom 4 op dit bericht van wijziging van 19/11/1997 (berekeningsbasis), worden teruggevonden op het formulier F33 van 27 augustus 1997 (zie administratief dossier). Volgens de details in het onderzoeksverslag van dezelfde datum, werd dit formulier F33 opgemaakt op basis van de prestaties van enerzijds AS, in aanmerking genomen vanaf 17 juni 1995 tot 11 oktober 1996 en anderzijds op basis van de prestaties van VM, in aanmerking genomen vanaf 4 oktober 1995 tot 11 oktober
  8. In zijn beroepsconclusies van 27 januari 2006 geeft de R.S.Z. aan dat deze regularisatie gebeurde omdat AS en VM worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, terwijl voor hen slechts deeltijdse prestaties werden aangegeven in de betrokken periode. Hiermee paste de R.S.Z. artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet toe. Dit artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet (wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders), ingevoegd bij de wet van 22 december 1989, art. 181, 005 en in werking getreden op 9 januari1990, bepaalt: Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De R.S.Z. beroept zich op het tweede vermoeden van deze bepaling want hij houdt voor dat door de ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters in casu, de betrokken deeltijdse werknemers worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Het eerste wat moet bewezen zijn, is de 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters'. Welke openbaarmaking? Deze die werd bepaald in de artikelen 157 tot 159 van de programmawet van 22 december
  9. Dit bewijs moet door de R.S.Z., als eisende partij, worden aangebracht. Bedoeld artikel 157 bepaalt: Een afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer, schriftelijk vastgesteld overeenkomstig artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of een uittreksel van die arbeidsovereenkomst met de werkroosters en met de identiteit van de deeltijdse werknemer waarop deze van toepassing zijn, alsmede zijn handtekening en die van de werkgever, moet worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden met toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. Artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen laat er geen twijfel over bestaan dat 'de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden' de werkplaats is waar de werknemers zijn tewerkgesteld. In casu is dat de winkel in M De R.S.Z. moet dus bewijzen dat er geen afschrift van de deeltijdse arbeidsovereenkomsten, afgesloten respectievelijk met AS en VM, noch een uittreksel van deze arbeidsovereenkomsten met de nodige inhoud, werd bewaard in de winkel in M en dit over gans de periode waarvoor hij zijn vordering instelt. Als bewijs legt de R.S.Z. het onderzoeksverslag neer van de sociale inspectie van 27 augustus 1997 en een proces-verbaal van verhoor, afgenomen van WF van 2 april
  10. Het onderzoeksverslag van 27 augustus 1997 vermeldt dat AS en VM verklaarden deeltijds te werken met variabele uren. Er konden geen uurroosters worden voorgelegd. Door de inspectie sociale wetten (thans de dienst Toezicht op de Sociale Wetten) zou een pro justitia zijn opgesteld. Het hof stelt vast dat de R.S.Z. deze pro justitia van de dienst Toezicht op de Sociale Wetten niet neerlegt in zijn dossier, evenmin als de verklaringen van AS en VM. De loutere vermelding van deze feiten in het onderzoeksverslag is als bewijs onvoldoende om met zekerheid tot de conclusie te komen: enerzijds dat de betrokken werknemers werkten met variabele uren en anderzijds dat hun werkroosters niet openbaar werden gemaakt. Het onderzoeksverslag rept met geen woord over het bestaan van arbeidsovereenkomsten of uittreksels ervan en van de plaats waar ze werden bewaard. Anderzijds verklaarde WF op 2 april 1997 aan de inspectie: "... Beiden (AS en VM) verklaren deeltijds te werken. Op het ogenblik van de controle konden geen uurroosters of contracten voorgelegd worden. ..." Deze verklaring laat niet toe hieruit met zekerheid af te leiden of de tewerkstelling van AS en VM nu variabel was of niet. Verder geeft WF enkel toe dat er op dag van de controle, zijnde 11 oktober 1996, geen werkroosters of contracten konden worden voorgelegd. WF baat(te) in eigen naam zijn handelszaak uit. Zijn verklaring raakt rechtstreeks zijn persoonlijke situatie en daarom heeft ze de waarde van een bekentenis. Maar een bekentenis kan niet slaan op zaken waarover de wet niet toelaat te beschikken of waarover geen dading mag worden aangegaan. De bekentenis van een feit dat een beslissend gegeven uitmaakt voor de al dan niet toepasselijkheid van een wet van openbare orde, mag dienvolgens door de rechter niet worden aangenomen. Hieruit volgt dat geen bekentenis mogelijk is met betrekking tot feitelijke elementen waarop de toepassing van de vermoedens neergelegd in artikel 22 ter gegrond is. (Cass., 24 april 2006, A.R. nr. S.04.0121.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060424.5 - onuitgegeven). Het staat buiten discussie dat de R.S.Z.- wet van openbare orde is. In het kader van de bewijsvoering blijft er ter beoordeling over: de verklaring van WF, niet als een bekentenis, maar als een gewoon middel van bewijs, waarvan de bewijskracht wordt beoordeeld door de feitenrechter. WF geeft toe dat er "op het ogenblik van de controle" geen uurroosters of contracten konden worden voorgelegd. Deze toegeving bewijst voldoende dat er inderdaad "op het ogenblik van de controle" sprake is van een ontstentenis van openbaarmaking in de zin van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet. Uit dezelfde verklaring van WF volgt dat met het ogenblik van de controle 11 oktober 1996 wordt bedoeld. Enkel voor deze dag bewijst de R.S.Z. naar recht dat er niet is voldaan aan het vereiste van openbaarmaking van de werkroosters, zoals voorgeschreven door artikel 157 van de programmawet van 22 december
  11. Er is niet afdoende bewezen dat AS en VM werkten met variabele uren. Dit is nodig om te beoordelen of er een inbreuk werd gepleegd op artikel 159 van de programmawet van 22 december
  12. Dergelijke inbreuk is met het bewijsmateriaal, dat aan het hof wordt voorgelegd, niet aangetoond. De sanctie die artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet voorziet voor het niet openbaar maken van de werkroosters, bestaat erin dat er wordt vermoed dat deze deeltijdse werknemers prestaties hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De R.S.Z. betwist niet dat dit vermoeden weerlegbaar is. Het komt aan de werkgever toe te bewijzen dat er niet voltijds maar slechts deeltijds werd gewerkt. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de eerste rechters dat er in casu voldoende bewijs is aangebracht door WF dat de prestaties die AS en VM leverden op 11 oktober 1996 kaderden in een deeltijdse tewerkstelling. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in zijn gedeeltelijk gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 20 april 2006, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 1 april
  13. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van WF op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de R.S..Z. op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van achttien mei tweeduizend en zes PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060518.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060424.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.