id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060601.12 Rolnummer: 2004-0145 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-01-30 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-01 04:29 Fiches 1 - 2 Artikel 20, 5°, van het Vakantiebesluit dd. 30 maart 1967, zoals gewijzigd bij K.B. van 22 juni 2004, bepaalt dat de vakantiefondsen op een zelfstandige manier verifiëren en beoordelen of werkonderbrekingen aangegeven als economische werkloosheid, in aanmerking kunnen komen voor gelijkstelling voor de berekening van het vakantiegeld. Deze wijziging is geen gewone interpretatie van de bestaande regeling, maar een wezenlijke wijziging van die regeling. Voor die wijziging gold dat, eens het gewestelijk bureau van de RVA de kwalificatie van economische werkloosheid had aanvaard, de Verlofkas deze kwalificatie diende aan te nemen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Schorsing (arbeidsovereenkoms) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Werklieden Vrije woorden: arbeidsovereenkomsten - werklieden - loonregeling bij schorsing van de uitvoering van de overeenkomst - gebrek aan werk wegens economische oorzaken - jaarlijkse vakantie - gelijkgestelde periode - economische werkloosheid - aanvaard door RVA - reglementering voor het K.B. van 22 juni
- Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 51 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Jaarlijkse vakantie - Vakantiegeld Vrije woorden: sociale zekerheid voor werknemers - jaarlijkse vakantie - vakantiegeld - berekening - gelijkgestelde periode - economische werkloosheid - aanvaard door RVA - reglementering voor het K.B. van 22 juni
- Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 9 - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 20, 5° - 01 ELI link Pub nr 1967033001 Nota: II BN - VII G Gerangschikt onder II BN - art. 51 en onder VII G - art.
- Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 7, blz. 425-428 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040145 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN JUNI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: vzw DE NATIONALE PATROONKAS VOOR BETAALD VERLOF IN DE BOUWBEDRIJVEN EN OPENBARE WERKEN, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1060 Brussel, Poincarélaan 78, appellante, verschijnend bij mr. A. H., loco mr. Ph. D., advocaat te 1050 Brussel, tegen: W. S., geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door de heer J. P., afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie, drager van een schriftelijke volmacht. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennisgenomen van volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 april 2004, 3 november 2005, 2 maart 2006 en 4 mei 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 16 januari 2004 (A.R.V. 25.723); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 23 februari 2004; - de "besluiten in hoger beroep" voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 11 februari 2005; - de beschikking van 14 april 2005 in toepassing van artikel 747, §2 Ger. W. van de voorzitter van de kamer; - de "conclusie in hoger beroep" voor appellante, ontvangen op de griffie van dit hof op 17 mei 2005; - de "aanvullende en synthesebesluiten in hoger beroep" voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 26 januari 2006; - de "aanvullende en synthesebesluiten in hoger beroep" voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 7 maart 2006; - de "aanvullende- en syntheseconclusie in hoger beroep" voor appellante, ontvangen op de griffie van dit hof op 10 april 2006; - de "vervangende en definitieve synthesebesluiten in hoger beroep" voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 13 april
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Nationale Patroonkas voor Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare Werken - hierna Nationale Patroonkas genoemd - (stuk 2, dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van de vertegenwoordiger van W. S. bestaande uit 10 genummerde stukken, en de twee bundels van de raadsman van de Nationale Patroonkas respectievelijk bestaande uit 2 en 16 genummerde stukken Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 4 mei
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 23 februari 2004, tekende de Nationale Patroonkas hoger beroep aan tegen een vonnis uitgesproken door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 23 januari 2004 [lees: 16 januari 2004] (A.R. 25.723). Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen met gerechtsbrief van 23 januari
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging W. S. was sedert 11 augustus 1987 als arbeider tewerkgesteld bij de nv Algemene Ondernemingen Aerts, met zetel gevestigd te 2500 Lier, Paaiestraat
- Tijdens het jaar 1999 werd W. S. door zijn werkgever een aantal dagen werkloos gesteld wegens economische redenen, meer bepaald (zie stuk 4 bundel geïntimeerde): - 48 dagen tijdens het eerste kwartaal 1999; - 46 dagen tijdens het tweede kwartaal 1999; - 44 dagen tijdens het derde kwartaal 1999; - 46 dagen tijdens het vierde kwartaal
- Met een schrijven van 20 juni 2000 (stuk 1 bundel geïntimeerde) maakte de Nationale Patroonkas aan W. S. een berekening over van het vakantiegeld voor het vakantiejaar 2000 (dienstjaar 1999); in deze berekening wordt vermeld dat rekening wordt gehouden met volgende dagen: - bezoldigde dagen 2000 (in 6-dagenweek): 44 - vakantiedagen 2000 (in 6-dagenweek): 22 - gelijkgestelde dagen 2000 (in 6-dagenweek): 0 Met verzoekschrift van 25 april 2002, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 30 april 2002, vorderde W. S. te zeggen voor recht dat hij lastens de Nationale Patroonkas nog recht heeft op 2.445,66 euro bijkomend vakantiegeld 2000, berekend op 184 dagen tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen in 1999, te verhogen met de intresten vanaf 1 januari
- Bij vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 16 januari 2004 werd: - de vordering van W. S. ontvankelijk en gegrond verklaard; - voor recht gezegd dat bij de berekening van het vakantiegeld 2000 rekening dient gehouden met de overeenkomstig artikel 51 van de Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 16, 16° van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 gelijkgestelde dagen (184 dagen) wegens tijdelijke werkloosheid omwille van economische oorzaken; - de Nationale Patroonkas veroordeeld tot betaling van het bruto vakan-tiegeld ten bedrage van 2448,16 euro, onder aftrok van de wettelijke inhoudingen en te vermeerderen met de intresten vanaf 1 januari 2001; - de Nationale Patroonkas veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van W. S. niet vereffend daar er geen kostenopgave werd ingediend, en aan de zijde van de Nationale Patroonkas vereffend op 102,63 euro rechtsplegingsvergoeding. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 23 februari 2004, tekende de Nationale Patroonkas hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis.
- Eisen in hoger beroep De Nationale Patroonkas (appellante) vordert in haar aanvullende en syntheseconclusies in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 10 april 2006: - in hoofdorde: - de rechtsgeldigheid van de tussen partijen tot stand gekomen dading te bevestigen; - dienvolgens de oorspronkelijke vordering zonder voorwerp te verklaren; - in ondergeschikte orde: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis teniet te doen in al zijn geledingen; - de oorspronkelijke eis ongegrond te verklaren. W. S. (geïntimeerde) vordert in zijn vervangende en definitieve synthesebesluiten in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 13 april 2006: - het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren; - het vonnis a quo te bevestigen in al zijn geledingen; - tegenpartij te veroordelen tot de kosten.
- In rechte 5.
- Afstand van rechtsvordering Appellante, verwijzend naar een door geïntimeerde ondertekende dading en een afstand van rechtsvordering (stukken 1 en 2 bundel appellante), vordert de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde tot uitbetaling van het verlofgeld van het vakantiejaar 2000 zonder voorwerp te verklaren. Overeenkomstig artikel 821 van het Gerechtelijk Wetboek ziet de hoofdeiser, de eiser tot vrijwaring of de wedereiser bij afstand van rechtsvordering af zowel van de rechtspleging als van het recht zelf; afstand van rechtsvordering doet het recht teniet om te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de rechter was gebracht. Overeenkomstig artikel 823 Ger.W. is de afstand van rechtsvordering slechts mogelijk met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken. Het recht op jaarlijkse vakantie van de werknemers uit de privé-sector, zowel arbeiders als bedienden, wordt enerzijds geregeld door de gecoördineerde wetten van 28 juni 1971 betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers en anderzijds door het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. Na aanvankelijk in het arbeidsrecht gerangschikt te zijn geweest (Wet van 8 juli 1936 betreffende de jaarlijkse betaalde verlofdagen), werd de wetgeving op de jaarlijkse vakantie in 1945 in de sociale zekerheid opgenomen en onderging zij geleidelijk zulke mutaties dat zij thans een wetgeving vormt die alle kenmerken van een sociale-zekerheidswetgeving vertoont (M. Delhuvenne, "De jaarlijkse vakantie en de sociale zekerheid", B.T.S.Z. 1976, II, 701 e.v.). Het recht op jaarlijkse vakantie is een nieuwe vorm van sociale zekerheid die ontstaan is uit de ontwikkeling van de sociale concepten en uit de drang naar nieuwe behoeften. In deze visie is het recht op rust een ethisch recht en het recht op jaarlijkse vakantie een moderne, wettelijke concretisering van het juridisch afdwingbaar recht op rust en vrije tijd (N. Gybels, Jaarlijkse vakantie en sociale zekerheid, in Actuele problemen van het sociale zekerheidsrecht, ed. J. Van Steenberghe en A. Van Regenmortel, die Keure, 1995, pag. 293 e.v.). Artikel 2 van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers introduceert het principe van het recht op vakantie in verhouding tot de arbeidsprestaties. Het recht op vakantie is aan de werknemers verworven niettegenstaande elke strijdige overeenkomst en het is de werknemers dan ook verboden afstand te doen van hun vakantie. Het 'recht op jaarlijkse vakantie' omvat zowel het recht om gedurende een bepaalde periode niet aanwezig te zijn op het werk als het recht op vakantiegeld, zijnde een vergoeding voor de periode van schorsing van de arbeidsovereenkomst. Dit recht, ingesteld in het 'algemeen belang' van de volksgezondheid, raakt de essentiële belangen van de gemeenschap en behoort tot de 'openbare orde'; de aanwezigheid van strafsancties is een belangrijke indicatie dat deze wetgeving niet alleen private belangen maar ook het algemeen maatschappelijk belang in bescherming heeft willen nemen. De afstand van een subjectief recht dat de openbare orde raakt is niet geoorloofd, niet alleen wanneer de afstand gebeurt vooraleer het recht is ontstaan maar ook nadat het recht is verworven; de sanctie is de absolute nietigheid (A. Van Oevelen, "Afstand van recht en rechtsverwerking in het individuele arbeidsovereenkomstenrecht", in Actuele problemen van het arbeidsrecht
(4), ed. M. Rigaux, pag. 50) Het middel van afstand van rechtsvordering, gesteund op een nietige dading inzake gelijkstelling wegens economische werkloosheid, is ongegrond. Appellante verwijst in ondergeschikte orde tevergeefs naar de rechtsfiguur van afstand van geding door geïntimeerde in graad van hoger beroep aangezien dit in huidig geschil enkel tot gevolg zou hebben dat het bestreden vonnis, waarbij de vordering tot uitbetaling van het verlofgeld van het vakantiejaar 2000 gegrond werd verklaard, zijn volle uitwerking behoudt. 5.
- Ontvankelijkheid oorspronkelijke vordering Appellante houdt voor dat de eerste rechter ten onrechte de initiële vordering van geïntimeerde ontvankelijk heeft verklaard daar waar het beroep tegen de administratieve beslissing van 16 oktober 2000 slechts ingediend werd op 30 april 2002, zijnde buiten de beroepstermijn van drie maanden zoals voorgeschreven door artikel 23 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde. Overeenkomstig artikel 23 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde (hierna handvest van de sociaal verzekerde) moet tegen de beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid die bevoegd zijn voor de toekenning, betaling of de terugvordering van prestaties, op straffe van verval, beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van die beslissingen of na de kennisneming van de beslissing door de sociaal verzekerde indien geen kennisgeving plaatshad. Het hof stelt vast dat de door appellante voorgebrachte beslissing van 16 oktober 2000 (stuk 1 bundel appellante) niet beantwoordt aan de bepalingen van artikel 7 en 14 handvest van de sociaal verzekerde: - artikel 7 bepaalt dat de kennisgeving de bestaande mogelijkheden tot beroep moet vermelden, alsmede de vormen en termijnen die ter zake moeten worden nageleefd; - artikel 14 bepaalt dat de beslissing tot toekenning of weigering van de prestaties de volgende vermeldingen bevatten: 1° de mogelijkheid om voor de bevoegde rechtbank een voorziening in te stellen; 2° het adres van de bevoegde rechtscolleges; 3° de termijn om een voorziening in te stellen en de wijze waarop dit moet gebeuren; 4° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek; 5° de refertes van het dossier en van de dienst die het beheert; 6° de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de dienst die het dossier beheert of bij een aangewezen voorlichtings-dienst In de door appellante voorgebrachte beslissing van 16 oktober 2000 ontbreken volgende vermeldingen: 1° vermelding van de bestaande beroepsmogelijkheden; 2° het adres van de bevoegde rechtscolleges; 3° de termijn om een voorziening in te stellen en de wijze waarop dit moet gebeuren; 4° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek; 5° de refertes van het dossier en van de dienst die het beheert; 6° de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de dienst die het dossier beheert of bij een aangewezen voorlichtings-dienst Aangezien de beslissing van 16 oktober 2000 tot weigering van prestaties niet de vermeldingen bevat zoals opgesomd in artikel 7 en 14 eerste lid van het handvest van de sociaal verzekerde gaat de termijn om een voorziening in te stellen niet in (artikel 14 handvest sociaal verzekerde, tweede lid); er kan dienvolgens geen schending van artikel 23 van het handvest van de sociaal verzekerde weerhouden worden. Evenmin is de door geïntimeerde ingestelde initiële vordering tot uitbetaling van het verlofgeld van het vakantiejaar 2000, vakantiedienstjaar 1999 verjaard. De vordering met het oog op de uitbetaling van het vakantiegeld van een arbeider of een leerling-arbeider verjaart na vijf jaar, vanaf het einde van het vakantiedienstjaar waarop het vakantiegeld betrekking heeft (artikel 46bis van het koninklijk besluit houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers). In huidig geschil trad er bijgevolg pas verjaring in na 31 december 2004 zodat de initiële vordering van geïntimeerde tot uitbetaling van het vakantiegeld van het vakantiejaar 2000, ingeleid met verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 30 april 2002 van geïntimeerde, tijdig werd ingesteld. Het bestreden vonnis waarbij de vordering van geïntimeerde ontvankelijk werd verklaard dient te worden bevestigd. 5.
- Gelijkstelling dagen van arbeidsonderbreking met effectief gewerkte dagen 5.3.
- Situering van het geschil Artikel 12 van de Gecoördineerde Wet van 28 juni 1971 betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (hierna Jaarlijkse Vakantiewet) bepaalt dat het vakantiegeld van de handarbeiders uitgekeerd wordt door de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie of door de bijzondere vakantiefondsen. De duur van de jaarlijkse vakantie wordt vastgesteld naar rata van het aantal effectief gewerkte dagen vervat in het vakantiedienstjaar en de in dit vakantiedienstjaar met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking (artikel 3 Jaarlijkse Vakantiewet zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001 en artikel 3 Jaarlijks Vakantiebesluit, zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001). Onder vakantiedienstjaar wordt verstaan dat kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin de vakantie dient te worden toegekend (art. 3, tweede lid in fine Jaarlijkse Vakantiewet en art. 3, tweede lid Jaarlijks Vakantiebesluit). Het bedrag van het vakantiegeld van de arbeider wordt door de Koning vastgelegd, na advies van de Nationale Arbeidsraad en van het bevoegde Beheerscomité, onder de vorm van een percentage van de bezoldigingen van het vakantiedienstjaar, eventueel vermeerderd door een fictieve bezoldiging voor de inactiviteitsdagen die met werkelijke arbeidsdagen gelijkgesteld zijn (art. 9, eerste lid Jaarlijkse Vakantiewet). Artikel 16 van het Jaarlijks Vakantiebesluit geeft een opsomming van de dagen van arbeidsonderbreking die met effectief gewerkte dagen worden gelijkgesteld. Artikel 16, 16° van het Jaarlijkse Vakantiebesluit, zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, bepaalt dat voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld, met effectief gewerkte dagen worden gelijkgesteld, de dagen van arbeidsonderbreking ingevolge een schorsing van de arbeidsovereenkomst of het leercontract voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst krachtens artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Overeenkomstig artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hierna afgekort A.O.W.) kan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk worden geschorst "bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken". Artikel 51 A.O.W. geeft zelf geen omschrijving van het begrip 'gebrek aan werk wegens economische oorzaken' maar in de parlementaire voorbereiding wordt volgende verduidelijking verstrekt (Parl. St. Kamer 1961-62, nr. 369/1, 5): "Het begrip 'economische oorzaken' is uitermate moeilijk te bepalen, zo talrijk en verscheiden zijn deze oorzaken in de praktijk. Men mag evenwel zeggen dat de economische oorzaken, waarop de werkgever zich kan beroepen, diegene zijn waardoor het in de onderneming bestaande arbeidsritme onmogelijk kan gehandhaafd worden. Men mag er zich niet op beroepen wanneer het gebrek aan werk uit een gebrekkige organisatie van de onderneming of uit het wanbeheer van de werkgever voortvloeit. De economische oorzaken kunnen bestaan in een periode van economische hoogconjunctuur of laagconjunctuur." Hieruit kan afgeleid worden dat artikel 51 A.O.W. slaat op de gevallen waarin het de werkgever onmogelijk is om de werkman de overeengekomen arbeid te laten verrichten omwille van economische redenen die een tekort aan werk met zich meebrengen. De directe oorzaak van het gebrek aan werk dat het arbeidsritme in de onderneming verstoort, moet dus van economische aard zijn (Jan Herman, Schorsing van de individuele arbeidsovereenkomst, I.C.A.-reeks, die Keure, 2000, nr. 127). De Nationale Patroonkas - zich steunend op een eigen appreciatiebevoegdheid inzake de realiteit van de aangevoerde economische werkloosheid en verwijzend naar de wanverhouding tussen het aantal bezoldigde dagen en het aantal economische werkloosheidsdagen in de periode eerste kwartaal 1999 tot vierde kwartaal 1999 - houdt voor dat de werkloosheid van W. S. in 1999 niet van economische maar wel van structurele aard was zodat, voor de berekening van het aan W. S. verschuldigde vakantiegeld voor het vakantiejaar 2000, de aangegeven economische werkloosheidsdagen niet kunnen gelijkgesteld worden met effectief gewerkte dagen. W. S., hierin gevolgd door de eerste rechter, laat gelden dat de Nationale Patroonkas geen eigen appreciatiebevoegdheid heeft; eens het bevoegd gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de kwalificatie van economische werkloosheid heeft aanvaard moet de Nationale Patroonkas de gelijkstelling van de dagen economische werkloosheid met effectieve werkdagen aannemen voor de berekening van het vakantiegeld. 5.3.
- Beoordeling Krachtens artikel 51 A.O.W. kan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk worden geschorst bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken. Het invoeren van dit stelsel is zeker niet vreemd geweest aan de wil van de wetgever om een zekere vastheid van betrekking aan de arbeiders te waarborgen; deze regeling wou immers vermijden dat arbeiders systematisch zouden ontslagen worden telkens de onderneming haar activiteit zag verminderen (M. De Gols, "Schorsingen van de arbeidsovereenkomst die leiden tot gedeeltelijke werkloosheid", Oriëntatie, februari 1987, pag. 29) Gebrek aan werk wegens economische oorzaken leidt niet van rechtswege tot de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst; het is de werkgever die besluit al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 51 A.O.W. hem biedt (art. 51, §2, eerste lid hanteert de term "kan" en in het tweede lid van die bepaling wordt uitdrukkelijk gesteld van een "mogelijkheid" waarvan "gebruik [mag] worden gemaakt"). Van deze mogelijkheid kan de werkgever gebruik maken mits ten minste zeven dagen vooraf kennisgeving wordt gedaan door aanplakking op een goed zichtbare plaats in de lokalen van de onderneming, van (o.m.) de naam van de werkloos gestelde werklieden, het aantal werkloosheidsdagen en de data waarop de volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de regeling van gedeeltelijke arbeid zal ingaan en zal eindigen. De aanplakking kan vervangen worden door een geschreven kennisgeving aan iedere werkloos gestelde werknemer. Mededeling van de aanplakking of van de individuele kennisgeving moet door de werkgever, onder een bij ter post aangetekende omslag, de dag zelf van de aanplakking of van de individuele kennisgeving worden gezonden aan het gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van de plaats waar de onderneming gevestigd is. De werkgever deelt daarenboven aan dit gewestelijk bureau de economische redenen mede die de volledige schorsing van de utvoering van de overeenkomst of het instellen van een regeling van gedeeltelijke arbeid rechtvaardigen. Uit de bepalingen van artikel 51 A.O.W. volgt dat de wetgever de beoordeling van de werkelijkheid van de economische oorzaken van de werkloosheid aan het werkloosheidsbureau en dus aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening heeft overgelaten. Er bestaat tussen partijen geen betwisting over het feit dat in onderhavig geschil de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de economische redenen voor de schorsing van de arbeidsovereenkomst heeft aanvaard waardoor geïntimeerde aanspraak kon maken op werkloosheidsvergoedingen voor de dagen economische werkloosheid in
- Samen met de eerste rechter is dit arbeidshof van oordeel dat, eens het gewestelijk bureau van de R.V.A. de kwalificatie van economische werkloosheid heeft aanvaard, appellante deze kwalificatie dient aan te nemen voor de gelijkstelling van de dagen economische werkloosheid met effectieve werkdagen ter berekening van het vakantiegeld (in dezelfde zin: Arbh. Antwerpen, vierde kamer, 13 november 2003, A.R. 2010366 inzake D. D.J. t/ Nationale Patroonkas voor het Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare Werken vzw; Arbh. Antwerpen, vierde kamer, 13 november 2003, A.R. 2010032 inzake G. B t/ Nationale Patroonkas voor het Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare Werken vzw; Arbh. Antwerpen, vierde kamer, 13 november 2003, A.R. 2010030 inzake R. V.H. t/ Nationale Patroonkas voor het Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare Werken vzw; Arbh. Antwerpen, vierde kamer, 13 november 2003, A.R. 2010031 inzake H. D.V. t/ Nationale Patroonkas voor het Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare Werken vzw; Arbh. Antwerpen, vierde kamer, 13 november 2003, A.R. 2000163 inzake Nationale Patroonkas voor het Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare Werken vzw t/ L. V.D.B.; Cass., 7 februari 2005, nr. S.04.0152.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.4., Rijksverlofkas voor de Diamantnijverheid vzw tegen V.M.). Ter ondersteuning van deze stelling kan verwezen worden naar de tekst van artikel 16, 16° van het Jaarlijks Vakantiebesluit zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, hetwelk bepaalt: "Voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld worden met effectief gewerkte dagen gelijkgesteld, de dagen van arbeidsonder-breking ingevolge een schorsing van de arbeidsovereenkomst of het leercontract voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst krachtens artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten" Om gelijkstelling te bekomen moet de arbeider, overeenkomstig artikel 19 van het Vakantiebesluit, verbonden zijn door een arbeids- of leerovereenkomst op de werkdag die de eerste dag der gelijkstelbare periode voorafgaat en ten minste één dag effectief werkzaam zijn geweest in de loop der achtentwintig dagen die de eerste dag der gelijkstelbare periode voorafgaan. Overeenkomstig artikel 20 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 3 april 2003) en artikel 21, §3 (zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijke besluiten van 10 juni 2001 en 12 maart 2003) van het Jaarlijks Vakantiebesluit, wordt de juistheid van het aantal dezer dagen arbeidsonderbreking bevestigd door de kwartaalstaat waarop de werkgever het cijfer van de gelijkgestelde dagen en de reden van de afwezigheid op het werk vermeldt. Uit al deze bepalingen, bijzonder uit de verwijzing naar de economische werkloosheid als bedoeld in artikel 51 A.O.W., volgt dat de vakantiewet-geving met gelijkgestelde dagen van economische werkloosheid die dagen bedoelt waarvan de beoordeling uitsluitend aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is opgedragen (Cass., 20 september 2004, nr. S.04.0016.N., Nationale Patroonkas voor het Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare Werken vzw tegen D. D.J.; Cass., 22 november 2004, nr. S.04.0015.N inzake Nationale Patroonkas voor het Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare Werken vzw tegen G. B; Cass., 20 september 2004, nr. S.04.0013.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040920.4., Nationale Patroonkas voor het Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare Werken vzw tegen R. V.H.; Cass., 20 september 2004, nr. S.04.0014.N., Nationale Patroonkas voor het Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare Werken vzw tegen H. D.V.; Cass., 20 september 2004, nr. S.04.0017.N., Nationale Patroonkas voor het Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare Werken vzw tegen L. V.D.B.; Cass., 7 februari 2005, nr. S.04.0152.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.4., Rijksverlofkas voor de Diamantnijverheid vzw tegen V.M.). Appellante, ter ondersteuning van haar stelling dat de bijzondere vakantiefondsen een eigen appreciatiebevoegdheid hebben, verwijst tevergeefs naar artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2004 hetwelk artikel 20, 5° van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 juni 2004, als volgt vervangt: "5° door de werkgever, voor de in artikel 16, 12° en 14° bedoelde arbeidsonderbrekingen. De bevestiging wat artikel 16, 14° betreft, bedoeld in het eerste lid, geschiedt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 21, §
- De Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie evenals de Bijzondere vakantie-fondsen verifiëren en beoordelen op een zelfstandige manier de overeenstemming van de aangifte van deze dagen arbeidsonderbreking met de uit onderhavig besluit voortvloeiende regels;" Immers, het koninklijk besluit van 10 november 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, ter verduidelijking van de dagen arbeidsonderbreking inge-volge economische werkloosheid in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de arbeiders en leerling-arbeiders, interpreteert niet doch wijzigt de vroegere vakantiereglementering. Dit blijkt uit: - het advies van 13 juli 2004 van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het ontwerp van koninklijk besluit "ter verduidelijking van de dagen arbeidsonderbreking ingevolge economische werkloosheid, in het stelsel der jaarlijkse vakantie van de arbeiders en leerling-arbeiders"; in verband met de 'strekking van het ontwerp' wordt in het advies het volgende vermeld: "Het om advies voorgelegde ontwerp beoogt het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers te wijzigen. Alhoewel het ontwerp formeel geheel de artikelen 16 en 20 van dat besluit vervangt, zijn de wijzigingen, afgezet tegen de geldende tekst van die artikelen, minder verstrekkend dan op het eerste gezicht zou worden gedacht (...)"; na onderzoek van de tekst van het opschrift van het ontwerp adviseert de Raad van State als volgt: "Het ontwerp bestaat enkel uit wijzigende bepalingen, terwijl in het opschrift de indruk wordt gewekt dat het om een autonome regeling gaat. Om aan te geven dat het om een wijzigend besluit gaat en toch de omschrijving van de strekking ervan te behouden, kan beter worden geschreven: "Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, ter verduidelijking van de dagen arbeidsonderbreking ingevolge economische werkloosheid in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de arbeiders en leerling-arbeiders"; - de inhoud van artikel 1 en 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2004 (B.S. 23.11.2004) dewelke de artikelen 16, 14° en 20, 5° van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 vervangt en dus geenszins verduidelijkt omwille van het bestaan van een onduidelijkheid over de juiste draagwijdte van de voormelde bepalingen; - de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 7 februari 2005, nr. S.04.0152.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.4., Rijksverlofkas voor de Diamantnijverheid vzw tegen V.M.). Het koninklijk besluit van 10 november 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 vindt dienvolgens in huidig geschil, dat betrekking heeft op de berekening van het bedrag van het vakantiegeld voor het vakantiejaar 2000, geen toepassing. Aangezien in huidig geschil de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische oorzaken heeft aanvaard voor 184 dagen in het jaar 1999 dienen - in toepassing van artikel 16, 16° van het Jaarlijkse Vakantiebesluit - deze economische werkloosheidsdagen te worden gelijkgesteld met effectief gewerkte dagen voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld voor het vakantiejaar
- Het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 16 januari 2004 dient derhalve te worden bevestigd zodat het hoger beroep van appellante ongegrond voorkomt. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 4 mei
- Partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de tweede kamer op 16 januari 2004 (A.R.V. 25.723). Verwijst de vzw Nationale Patroonkas voor Betaald Verlof in de Bouwbedrijven en Openbare werken overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. De kosten van hoger beroep worden door geen der partijen begroot en derhalve door het hof niet vereffend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op een juni tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld als volgt: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, L. DERIJCKE, raadsheer in sociale zaken als werkgever, I. VERREYT, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060601.12 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040920.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div