← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060607.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060607.6 Rolnummer: 2005-0539 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-19 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-01 04:30 Fiche Juridisch onderscheiden, maar met elkaar gelieerde vennootschappen kunnen samen eenzelfde sociaal-economische exploitatie-eenheid vormen, zodat de opeenvolgende tewerkstelling van de bediende door deze vennootschappen moet worden beschouwd als een ononderbroken tewerkstelling bij dezelfde werkgever in de zin van artikel 82 Arbeidsovereenkomstenwet. Vermits de leeftijd van de bediende een element is dat van aard is om zijn wedertewerkstellingskansen te beïnvloeden, moet de rechter hiermee rekening houden bij het bepalen van de duur van de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn overeenkomstig artikel 82, ,§ 3 Arbeidsovereenkomstenwet. Door aldus te handelen worden het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod niet geschonden. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . BEDIENDEN einde van de overeenkomst - opzeggingstermijn - criteria - anciënniteit - dezelfde werkgever - leeftijd. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2050539 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN JUNI TWEEDUIZEND EN ZES D. H., appellante, incidenteel geïntimeerde vertegenwoordigd door mevrouw N. WENS, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie, tegen : NV K.M.C., geïntimeerde, incidenteel appellante vertegenwoordigd door mr. S. BOUZOUMITA, loco mr. W. VAN ROEYEN, advocaat te Gent. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 3 mei

  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 september 2005 en 3 mei
  2. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 4 mei 2005 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 15 juli 2005; x het incidenteel beroep van geïntimeerde, ingesteld bij conclusie van 29 november 2005; x de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit hof op 29 november 2005 en 28 februari 2006 voor de NV K.M.C., hierna de NV genoemd, en op 13 januari 2006 en 24 maart 2006 voor mevrouw H.; x de beschikking d.d. 26 september 2005 overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 12 februari 2004, vorderde mevrouw H. de veroordeling van de NV tot betaling van 42.780,71 EUR opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. Tevens werd de afgifte gevorderd van een loonfiche, een individuele rekening, een fiscale steekkaart 281.10 en een verbeterd C4-formulier, onder verbeurte van een dwangsom van 25,00 EUR per dag vertraging per document. Bij vonnis van 4 mei 2005 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De NV werd veroordeeld tot betaling van 8.556,14 EUR bruto aanvullende opzeggingsvergoeding, te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen, voor zover verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest op het netto opeisbaar gedeelte. De NV werd eveneens veroordeeld tot afgifte van een loonfiche, een individuele rekening, vakantieattesten, een fiscale steekkaart 281.10 en een verbeterd C4-formulier. Ten slotte werd de NV verwezen in de gedingkosten. III. EISEN IN HOGER BEROEP Bij syntheseconclusie van 24 maart 2006 vordert mevrouw H. het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de NV te veroordelen tot betaling van 42.780,71 EUR opzeggingsvergoeding, ondergeschikt 8.556,16 EUR, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. Tevens wordt de afgifte gevorderd van een loonafrekening, een individuele rekening, een fiscale fiche 281.10 voor de gevorderde bedragen en een verbeterd C4-formulier. Bij syntheseconclusie van 28 februari 2006 vordert de NV het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens de oorspronkelijke vordering van mevrouw H. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
  3. De feiten Op basis van de neergelegde stukken en de niet tegengesproken feitelijke argumentatie ontwikkeld door partijen in conclusies aanvaardt het hof de volgende feiten als bewezen. Mevrouw H. trad op 23 juni 1986 in dienst van de NV A.C.H., met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, als secretaresse. Op 22 april 1999 sloot mevrouw H. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met de NV G.M.A., voor een tewerkstelling vanaf 1 mei 1999, in de functie van assistente boekhoudster. De NV G.M.A. houdt zich bezig met de verkoop van auto's van het merk O. Met een aangetekende brief van 26 juli 2000 betekende de NV G.M.A. een opzeggingstermijn aan mevrouw H. van 3 maanden, ingaand op 1 augustus
  4. Tijdens deze opzeggingstermijn, met name op 30 augustus 2000, sloot mevrouw H. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met de NV K.M.C., voor een tewerkstelling vanaf 18 september 2000, in de functie van secretaresse verkoop. De NV K.M.C. houdt zich bezig met de distributie van auto's van het merk H. Met een aangetekende brief van 21 februari 2003 beëindigde de NV K.M.C. de arbeidsovereenkomst met mevrouw H., met betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met een opzeggingstermijn van 3 maanden. De drie genoemde vennootschappen maken samen met een rist andere vennootschappen deel uit van de zogeheten A.-groep. Met een brief van 7 mei 2003 stelde de vakorganisatie van mevrouw H. de NV K.M.C. in gebreke, omdat slechts een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met een opzeggingstermijn van 3 maanden werd betaald. Zij vorderde, namens mevrouw H., betaling van een bijkomende opzeggingsvergoeding van 15 maanden. Daarbij werd voorgehouden dat de normaal door de NV K.M.C. in acht te nemen opzeggingstermijn en de overeenstemmende opzeggingsvergoeding moest worden bepaald rekening houdend met de ononderbroken dienstperiode van mevrouw H. binnen de A.-groep sedert
  5. Deze brief werd door de NV A.C.D. beantwoord met een brief van 19 mei 2003, waarin werd verwezen naar de opzegging betekend door de NV G.M.A. en de indiensttreding van mevrouw H. bij de NV K.M.C. zonder overname van anciënniteit en met een proefperiode.
  6. De beoordeling Opzeggingsvergoeding Het staat kennelijk niet ter discussie dat mevrouw H. op het ogenblik van haar ontslag een jaarloon verdiende van 34.224,57 EUR, wat meer is dan de in artikel 82,,§2 Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde jaarloongrens. Gelet op het ontbreken van een akkoord desbetreffend tussen partijen is het, overeenkomstig het bepaalde in ,§3 van diezelfde bepaling, de rechter die de normaal door de NV in acht te nemen opzeggingstermijn moet vaststellen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de voor mevrouw H. op het ogenblik van haar ontslag bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden, gelet op haar anciënniteit, haar leeftijd (47 jaar 6 maanden), haar functie en haar jaarsalaris, volgens de gegevens eigen aan de zaak. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 82 Arbeidsovereenkomstenwet, moet voor de vaststelling van de in acht te nemen opzeggingstermijn rekening worden gehouden met de ononderbroken dienstperiode bij "dezelfde werkgever". Met "dezelfde werkgever" wordt niet alleen "dezelfde fysieke of rechtspersoon" bedoeld, maar tevens "dezelfde economische exploitatie-eenheid die de onderneming uitmaakt, ongeacht de wijzigingen van de persoon van de werkgever". Juridisch onderscheiden, maar met elkaar gelieerde vennootschappen kunnen samen eenzelfde economische exploitatie-eenheid vormen, zodat de opeenvolgende tewerkstelling van de werknemer door deze, met elkaar gelieerde vennootschappen, moet worden beschouwd als één ononderbroken dienstperiode bij dezelfde werkgever in de zin van artikel 82 Arbeidsovereenkomstenwet. (vgl. Votquenne, D., "Arbeidsrechtelijke beëindigingswijzen", in "A.T.O.", Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen O 102-535 en de aldaar geciteerde rechtspraak) Anders dan de eerste rechters is het hof van oordeel dat de vennootschappen NV A.C.H., NV G.M.A. en NV K.M.C. wel degelijk moeten beschouwd worden als "dezelfde werkgever" in de zin van artikel 82 Arbeidsovereenkomstenwet. Het hof steunt deze besluitvorming op de hierna uiteengezette overwegingen: De drie betrokken vennootschappen zijn met elkaar gelieerd en maken deel uit van de zogeheten A.-groep. Uit de door mevrouw H. als stuk 16 neergelegde brochure "annual report 2001", die uitgaat van de A.-groep, blijkt dat deze groep historisch is gegroeid uit een bedrijf dat in 1937 werd opgericht door de broers A. en G. M. en initieel enkel motorfietsen invoerde en verkocht. In de jaren '60 ging de groep vennootschappen rond de familie M. zich ook toeleggen op invoer, montage en verkoop van auto's van verschillende merken. Deze bedrijfsactiviteiten werden later nog uitgebreid met een aantal aanverwante activiteiten en met de verkoop van kantoormeubelen. Nog steeds volgens genoemde brochure werden de verschillende vennootschappen van de groep op 28 juli 1981 ondergebracht in een holding, de A.-holding en volgde er sedertdien een opsplitsing in zogeheten "lines of business" (bedrijfstakken/afdelingen), met name 2-wheels (gemotoriseerde tweewielers), 4-wheels (auto's) en office furniture (kantoormeubelen). Belangrijk is dat uit deze brochure blijkt dat de A.-groep zich nog steeds profileert als één familiebedrijf, dat geleid wordt door de 10 bestuurders (van wie 6 bestuurders behoren tot de familie M.) die deel uitmaken van de Raad van Bestuur van de NV A. en dat elke "line of business" een eigen manager en managementteam heeft. In de schematische voorstelling van de groep vindt men opnieuw de verdeling terug in de drie eerder vermelde "lines of business": 4-wheels, 2-wheels en office furniture en treft men de vennootschappen K.M.C., G.M.A. en A.C.H. aan bij de vennootschappen die deel uitmaken van de "line of business 4-wheels". Belangwekkend is tevens dat ook het personeelsbeleid (zie brochure hoofdstuk human ressources) voor de ganse groep centraal is gestructureerd, steunt op dezelfde basisprincipes en dat een personeelsbeheersysteem werd uitgewerkt voor de ganse groep. Dat de A.-groep zich ook op sociaal gebied manifesteert als een eenheid wordt verder nog bevestigd door : - de zogeheten "mission statement" onder rubriek 16 human ressources van de brochure, waarin onder meer het volgende staat geschreven: "...Onze medewerkers worden beschouwd als partners waarmee we de projecten van onze groep uitbouwen en ondersteunen. In ruil voor hun inzet en loyaliteit kunnen zij rekenen op een correcte remuneratie, klare afspraken over hun rol en functioneren binnen de organisatie, tal van ontwikkelingsmogelijkheden, onder meer via de doorgroei binnen de eigen en bij andere lines of business (eigen onderlijning), en een open communicatie" - het bestaan van een tweemaandelijks personeelsmagazine voor de ganse groep - het bestaan van een centrale rekruteringssite voor de ganse groep - het feit dat de ingebrekestelling gericht aan de NV K.M.C. werd beantwoord door de NV A.C.D., een andere vennootschap die deel uitmaakt van de "line of business 4-wheels" en waarvan de NV K.M.C. erkent dat deze optreedt als het boekhoudkundig en logistiek centrum van de groep. Belangwekkend is tevens het in de brochure op pagina 23 beschreven toekomstperspectief voor de "line of business 4 -wheels", waaruit blijkt dat gemeenschappelijke economische doelstellingen worden nagestreefd voor de groep van vennootschappen die deel uitmaken van deze bedrijfstak. Deze bevindingen worden bevestigd en versterkt bij raadpleging van de website van de A.-Groep (http://www.alcopa.be), waarvan mevrouw H. een aantal outprints neerlegt als stukken
  7. Ook hier profileert de A.-groep zich duidelijk als een economische entiteit met 3 "lines of business" waaronder de zogeheten car distribution (vroeger 4 -wheels genoemd) inzonderheid de activiteiten rond autodistributie en -verkoop, aangevuld met aanverwante diensten. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vennootschappen K.M.C., G.M.A. en A.C.H., die alle actief zijn binnen de "line of business car-distribution" (vroeger 4 -wheels) van de A.-groep, te beschouwen zijn als één sociaal-economische exploitatie-eenheid en derhalve als dezelfde werkgever in de zin van artikel 82 Arbeidsovereenkomstenwet. Dat de activiteiten van deze vennootschappen niet identiek zijn doet geen afbreuk aan het voorgaande net zomin als het feit dat bij de vorige sociale verkiezingen, kennelijk zonder protest vanwege de vakorganisaties, werd beslist dat de NV K.M.C. een technische bedrijfseenheid vormde met de NV A.C.D. en de NV S.B. Het loutere feit dat na het vertrek van mevrouw H. sociale verkiezingen werden gehouden waarbij genoemde drie vennootschappen werden beschouwd als één technische bedrijfseenheid in de zin van de Welzijnswet impliceert nog niet dat de in dit kader genomen beslissing ook correct was, noch dat mevrouw H. hierdoor gebonden is. De NV verduidelijkt ten andere niet waarom precies die drie vennootschappen uit de A.-groep, met uitsluiting van alle andere die deel uitmaken van dezelfde "line of business", als een technische bedrijfseenheid zouden moeten worden beschouwd. Uit de neergelegde stukken blijkt verder dat de tewerkstelling van mevrouw H. bij deze zelfde werkgever ononderbroken was. Dat de tewerkstelling van mevrouw H. gebeurde in uitvoering van drie verschillende arbeidsovereenkomsten doet daaraan geen afbreuk, net zo min als de opzegging gegeven door de NV G.M.A. (vgl. Cass. 9 maart 1992, Arr. Cass. 1991-92, 647) Evenmin kan enig argument worden geput uit het feit dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst nergens bepaalt dat mevrouw H. de anciënniteit die zij had verworven bij de NV A.C.H. en de NV G.M.A. kon behouden en dat de NV K.M.C., voorafgaand aan de aanwerving van mevrouw H., zelfs uitdrukkelijk te kennen had gegeven dat zij geen overname van anciënniteit wenste. De vaststelling van de voor het bepalen van de opzeggingstermijn in aanmerking te nemen anciënniteit zoals bepaald in artikel 82 Arbeidsovereenkomstenwet is immers dwingend in het voordeel van mevrouw H., zodat zij voorafgaand aan haar ontslag niet geldig kon instemmen met het verlies van een gedeelte van de anciënniteit die ingevolge artikel 82 Arbeidsovereenkomstenwet in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de door haar werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn. Dat tussen partijen een proefbeding werd overeengekomen vertoont evenmin enige relevantie bij de beoordeling van de duur van de in aanmerking te nemen anciënniteit. Rekening houdend met de ononderbroken anciënniteit sedert 23 juni 1986 en de overige, hiervoor reeds aangehaalde elementen, is het hof van oordeel dat de NV een opzeggingstermijn van 18 maanden in acht had moeten nemen, zodat mevrouw H. terecht aanspraak maakt op betaling van de gevorderde aanvullende opzeggingsvergoeding. De door de NV ontwikkelde argumentatie waar deze stelt dat geen of slechts in beperkte mate rekening mag worden gehouden met de leeftijd van mevrouw H. gelet op haar geringe anciënniteit kan uiteraard niet worden bijgetreden. Vooreerst is de anciënniteit van mevrouw H. helemaal niet gering te noemen. Bovendien is de leeftijd van de bediende hoe dan ook een element dat van aard is om zijn wedertewerkstellingskansen te beïnvloeden, zodat deze factor wel degelijk in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de normaal door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn. Tevergeefs doet de NV K.M.C. in dit verband gelden dat het in aanmerking nemen van de factor leeftijd bij het bepalen van de normaal door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn strijdig is met " het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod op basis van leeftijd ". Door rekening te houden met de weerslag van de leeftijd van de bediende op zijn tewerkstellingskansen, komt de rechter immers precies tegemoet aan de verplichting tot gelijke behandeling en verbod van discriminatie, inzonderheid door aan elke bediende precies die termijn/vergoeding toe te kennen, die hem in staat moet stellen om een nieuwe, aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden. De situatie van de arbeidsmarkt, inzonderheid het aanbod van aangepaste en evenwaardige betrekkingen op het tijdstip van de kennisgeving van het ontslag, is uiteraard wél een factor die relevant is bij het bepalen van de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn. De door de NV K.M.C. neergelegde lijsten met knelpuntberoepen laten echter geenszins toe te besluiten dat er op het ogenblik van het ontslag van mevrouw H. tal van openstaande vacatures waren voor evenwaardige betrekkingen, waarvoor zij in aanmerking kwam. Het hoger beroep is bijgevolg gegrond, het incidenteel beroep ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 4 mei 2005 en hervormend, Veroordeelt de NV tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van 42.780,71 EUR (tweeënveertigduizend zevenhonderd tachtig euro eenenzeventig cent), te verminderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, het overeenstemmende netto gedeelte te vermeerderen met de wettelijke intrest en de gerechtelijke intrest. Veroordeelt de NV tot afgifte van een loonafrekening, een individuele rekening en een fiscale fiche 281.10 en een verbeterd werkloosheidsattest C4 in overeenstemming met de toegekende aanvullende opzeggingsvergoeding. Legt de kosten van beide instanties ten laste van de NV. Vereffent deze aan de zijde van mevrouw H. op 129,60 EUR (dagvaarding). Vereffent deze aan de zijde van de NV op 209,71 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 285,57 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van zeven juni tweeduizend en zes, waar aanwezig waren : mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer H. LUYCKX, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060607.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.