← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060608.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060608.11 Rolnummer: 2005-0522 Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-08-23 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-07-01 04:30 Fiches 1 - 2 De vreemdeling die ingevolge zijn huwelijk met een Belgische onderdaan legaal in België verblijft met een identiteitskaart voor vreemdelingen, voldoet niet aan de nationaliteitsvoorwaarden van artikel 4 van de wet van 27 februari

  1. Hij kan geen aanspraak maken op inkomensvervangende en integratietegemoetkoming. Artikel 4 van de Wet is niet strijdig met de Grondwet, noch met artikel 14 van het E.V.R.M. juncto artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart
  2. De duurzaamheid van het verblijfsstatuut, noch het feit dat de betrokkene bijgedragen heeft aan de financiering van de sociale zekerheid zijn relevante criteria bij de beoordeling van de grondwettelijkheid van artikel 4 van de Wet. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Discriminatieverbod - art. 14 Vrije woorden: Internationale verdragen en verordeningen - raad van europa - verdrag rechten van de mens - gehandicapten - nationaliteitsvoorwaarde - verblijfsstatuut - geen discriminatie Wettelijke bepalingen: Varia - 04-11-1950 - 14 - 38 Link Justel databank 19501104-38 Nota: IX C 3 - Gerangschikt onder IX C 3 - artikel 14 en onder X A N - artikel 4 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - GEHANDICAPTEN - Tegemoetkoming - Algemeen Vrije woorden: Sociale voorzorg - tegemoetkoming aan gehandicapten (wet 27 februari 1987) - algemene toekenningsvoorwaarden - nationaliteitsvoorwaarde - verblijfsstatuut - geen discriminatie Wettelijke bepalingen: Wet - 27-02-1987 - 4 - 31 ELI link Pub nr 1987022077 Nota: X A N - Gerangschikt onder IX C 3 - artikel 14 en onder X A N - artikel 4 Annotaties Publicaties: S.R.K. 2007 - - nr. 2 - blz. 104-107 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN afdeling Antwerpen ARREST A.R. nr. 2050522 en 2050536 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT JUNI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak met A.R. nummer 2050522: De Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, vertegenwoordigt door de federale minister van sociale zaken en pensioenen, bestuur van de maatschappelijke integratie, uitkeringen aan personen met een handicap, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, aan de Zwarte Lievevrouwstraat 3 C, appellante, verschijnend bij mr. G. Bervoets, advocaat te Mechelen, tegen: W.U.R., wonende te , geïntimeerde, verschijnend bij mr. M. Cools, advocaat te Lier en in de zaak met A.R. nummer 2050536: met dezelfde partijen in dezelfde hoedanigheid. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 8 september 2005 en 9 maart
  3. Gelet op de stukken der rechtspleging, onder meer: - het inleidend verzoekschrift uitgaande van W.U.R., neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 3 mei 2002; - het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 10 oktober 2003, waarbij de vordering ontvankelijk werd verklaard en alvorens recht te doen ten gronde een prejudiciële vraag werd gesteld aan het Arbitragehof; - de kennisgeving van het arrest nr. 177/2003 d.d. 17 december 2003, aangetekend ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 19 december 2003; - het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 10 juni 2005, betekend aan partijen overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 15 juni 2005 en ter hand gesteld aan de F.O.D. Sociale Zekerheid op 17 juni 2005; - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van de F.O.D. sociale Zekerheid, aangetekend ontvangen ter griffie van dit hof op 13 juli 2005 en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek (A.R. 2050522); - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van de F.O.D. sociale Zekerheid, neergelegd ter griffie van dit hof op 14 juli 2005 en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek (A.R. 2050536); - de conclusie voor W.U.R., ontvangen ter griffie van dit hof op 25 juli 2005 (A.R. 2050522) en op 2 september 2005

(2050536); - de beschikking in toepassing van artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 7 november
  1. Gelet op de regelmatige oproeping van partijen met toepassing van artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting van 9 maart
  2. De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 9 maart 2006, waarna de debatten werden gesloten. Mevrouw R. Van Strydonck, eerste advocaat-generaal, legde haar schriftelijk advies neer ter griffie van dit hof op 6 april 2006, waarna partijen niet repliceerden, en het hof de zaak in beraad nam.
  3. Samenvoeging en ontvankelijkheid van de hogere beroepen. Aangezien de zaken met A.R. nummers 2050522 en 2050536 onderling zo nauw verbonden zijn, is het wenselijk ze samen te behandelen in toepassing van artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek. Het hoger beroep in de zaak met A.R. nummer 2050522 d.d. 13 juli 2005, gericht tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 10 juni 2005, gekend onder A.R. nummer 80.146, werd regelmatig ingesteld naar vorm en termijn, en dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Het hoger beroep in de zaak met A.R. nummer 2050536 d.d. 14 juli 2005 gericht tegen hetzelfde vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 10 juni 2005 (A.R. nummer 80.146) maakt dubbel gebruik uit met het eerste verzoekschrift tot hoger beroep d.d. 13 juli 2005 (A.R. 2050522). Aangezien slechts één keer in dezelfde hoedanigheid hoger beroep kan aangetekend worden tegen een tussengekomen vonnis, is het tweede verzoekschrift tot hoger beroep d.d. 14 juli 2005 (A.R. 2050536) ontoelaatbaar bij gebrek aan belang.
  4. Feiten en voorgaanden. W.U.R., geboren op 9 april 1968, is van Pakistaanse nationaliteit. Hij verblijft sinds 1993 legaal in België, aanvankelijk als kandidaat-vluchteling en sedert 19 maart 1996 op basis van een identiteitskaart voor vreemdelingen, ingevolge zijn huwelijk met een Belgische onderdaan. Op 4 oktober 2001 werd hij getroffen door een ernstig herseninfarct. W.U.R. diende op 8 november 2001 een aanvraag in tot het bekomen van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming bij de diensten van huidig appellante. Bij administratieve beslissing d.d. 7 februari 2002 wees de F.O.D. Sociale Zekerheid voormelde aanvraag van W.U.R. af omdat hij niet voldeed aan de nationaliteitsvoorwaarden zoals voorzien in artikel 4 van de wet van 27 februari
  5. De beslissing luidde als volgt: "De tegemoetkomingen worden met ingang van 1 december 2001 geweigerd of afgeschaft omdat U niet voldoet aan de nationaliteitsvoorwaarden voorzien in de wetgeving. Het artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 stelt inderdaad dat om recht te kunnen hebben op een tegemoetkoming, de aanvrager aan één van de volgende voorwaarden moet voldoen: - van Belgische nationaliteit zijn; - vallen onder de toepassing van de Europese Verordering 1408/71; - het statuut van staatloze of vluchteling bezitten; - van onbepaalde nationaliteit zijn; - tot 21 jaar genoten hebben van de verhoogde kinderbijslag als gevolg van een handicap." W.U.R. kon zich niet akkoord verklaren met hoger vermelde administratieve beslissing d.d. 7 februari 2002 en leidde een verzoekschrift in bij de arbeidsrechtbank te Mechelen op 3 mei 2002 omdat hij van mening is dat voormeld artikel 4 van de wet van 27 februari 2002 ongrondwettelijk, minstens in strijd is met het E.V.R.M. (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). De arbeidsrechtbank te Mechelen verklaarde bij tussenvonnis van 10 oktober 2003 de vordering ontvankelijk en stelde, vooraleer recht te doen ten gronde, volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof: "Schendt artikel 4 van de wet van 27.2.1987 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?" Met arrest van 17 december 2003 (nr. 2803) verklaarde het Arbitragehof de voormelde prejudiciële vraag niet ontvankelijk omwille van het feit dat deze niet de noodzakelijke elementen bevat op grond waarvan het Arbitragehof uitspraak moet kunnen doen. Meer bepaald overwoog het Arbitragehof: "B.
  6. (...)Te dezen laat de prejudiciële vraag na te vermelden tot welke categorie van vreemdelingen die in de voormelde beslissing van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid worden aangehaald, de eisende partij voor de verwijzende rechter behoort, met welke andere categorie van personen die partij dient te worden vergeleken, en waarin de discriminatie zou zijn gelegen. B.
  7. Het toelaten van zulk een prejudiciële vraag zou ertoe leiden dat het tegensprekelijk karakter van de rechtspleging voor het Hof in het gedrang wordt gebracht, nu de partijen die in voorkomend geval in de zaak voor het Hof wensen tussen te komen niet in de gelegenheid worden gesteld zulks op een doeltreffende wijze te doen. Dat geldt inzonderheid voor de partij die zou opkomen voor de verdediging van de in het geding zijnde bepaling en alsdan geen dienstig verweer zou kunnen voeren. B.
  8. Bovendien verwijst de eisende partij voor de verwijzende rechter in haar memorie met verantwoording naar de artikel 23 en 191 van de Grondwet, waardoor de inhoud van de prejudiciële vraag wordt gewijzigd, hetgeen niet toelaatbaar is." Met eindvonnis van 10 juni 2005 oordeelden de eerste rechters om artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 in zijn toepassing in onderhavig geschil strijdig te bevinden met artikel 14 van het E.V.R.M., in samenhang met artikel 1 van het Eerste Toegepaste Protocol (E.T.P.) bij het E.V.R.M., gelet op de directe werking van deze normen. Zij voerden verder aan dat het opvallend is dat W.U.R., zelfs vóór zijn handicap, verschillende jaren legaal in België werkzaam was en zo bijdroeg tot de financiering van het "bijstandstelsel", zodat geen zwaarwichtige redenen voorhanden zijn om aan W.U.R. de toepassing van artikel 4 (lees: 14) van het E.V.R.M. (gelijkheids- en niet discriminatiebeginsel) te ontzeggen. Derhalve waren ze van oordeel dat W.U.R. de bescherming van artikel 1 van het E.T.P. bij het E.V.R.M. niet kan worden ontzegd en is de toepassing van artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 onverenigbaar met artikel 14 van het E.V.R.M. (gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel) in samenhang met artikel 1 van het E.T.P. (bescherming van het eigendomsrecht). De bestreden beslissing van de F.O.D. Sociale Zekerheid van 7 februari 2002 werd vernietigd en er werd gezegd voor recht dat W.U.R. met ingang van 1 december 2001 gerechtigd is op de door hem gevraagde inkomensvervangende tegemoetkoming en integratietegemoetkoming; de kosten werden, overeenkomstig artikel 1017, 2° lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van de F.O.D. Sociale Zekerheid. Bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 juli 2005, tekende de F.O.D. Sociale Zekerheid hoger beroep aan tegen voornoemd eindvonnis (A.R. 2050522). Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 14 juli 2005, tekende de F.O.D. Sociale Zekerheid nogmaals hoger beroep aan tegen voornoemd eindvonnis (A.R. 2050536).
  9. Eisen in hoger beroep. - De F.O.D. Sociale Zekerheid, appellante, vordert de hogere beroepen ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw rechtsprekend, W.U.R. af te wijzen van zijn oorspronkelijke vordering. "Kosten als naar recht." - W.U.R., geïntimeerde, vordert het hoger beroep gekend onder A.R. nummer 2050522 toelaatbaar maar ongegrond te verklaren en het hoger beroep gekend onder A.R. nummer 2050536 ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren; dienvolgens appellante te veroordelen tot de kosten van het geding.
  10. Beoordeling door het hof. - In voorliggend geval dient het hof te oordelen of artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden administratieve beslissing van de F.O.D. Sociale Zekerheid d.d. 7 februari 2002, ongrondwettelijk is of in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (E.V.R.M.). - Artikel 4 van de wet van 27 februari 1987, luidde vóór de wijziging ervan bij programmawet van 24 december 2002 als volgt: "§
  11. Hij die op een tegemoetkoming aanspraak maakt moet zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben en tot één van de volgende categorieën van personen behoren: 1° de personen die Belg zijn; 2° de personen die vallen onder de toepassing van de Verordening (E.E.G.) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 van de Raad van Europese Gemeenschappen betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen alsmede op gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen; 3° de staatlozen die onder de toepassing vallen van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New-York op 28 september 1954 en goedgekeurd door de wet van 12 mei 1960; 4° de vluchtelingen bedoeld in artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; 5° de personen die niet tot één van de in 1° tot 4° bepaalde categorieën behoren, op voorwaarde dat zij tot 21 jaar genoten hebben van de verhoging van de kinderbijslag voorzien in artikel 47, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen. Voor de toepassing van deze wet wordt de persoon met onbepaalde nationaliteit gelijkgesteld met de staatloze. §
  12. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de toepassing van deze wet, onder de door Hem gestelde voorwaarden, uitbreiden tot andere categorieën van personen dan deze beoogd in de eerste paragraaf, die hun werkelijke verblijfplaats in België hebben. §
  13. De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, wat voor de toepassing van deze wet onder werkelijke verblijfplaats moet worden verstaan." 4.
  14. Met betrekking tot de grondwettelijkheid. - Het Arbitragehof heeft zich in twee arresten (nr. 138/2003 van 22 oktober 2003 en nr. 92/2004 van 19 mei 2004) uitgesproken over de grondwettelijkheid van artikel 4 van de wet van 27 februari 1987:
  15. In het arrest nr. 138/2003 van 22 oktober 2003 heeft het Arbitragehof zich uitgesproken over de grondwettelijkheid van artikel 4 van de wet van 27 februari 1987, in de toepassing ervan op de vreemdeling wiens verblijf geregulariseerd werd op basis van de wet van 22 december
  16. Het verschil in behandeling tussen enerzijds erkende vluchtelingen en staatlozen die wel gerechtigd zijn op tegemoetkomingen en anderzijds geregulariseerde vreemdelingen, berust volgens het Arbitragehof niet zozeer op het verblijfstatuut van de betrokkene, maar op basis van het al dan niet bestaan van internationale verdragsrechtelijke verplichtingen van België. Het Arbitragehof overwoog hierbij het volgende: "B.8.
  17. Het voordeel van de bepalingen van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten wordt alleen toegekend aan de Belgen en aan de vreemdelingen ten aanzien van wie België zich heeft verbonden op grond van een in die aangelegenheid van toepassing zijnde internationaal verdrag. De omvang van de toegekende voordelen die niet op bijdragen berusten, kan overigens verschillen naar gelang van de verdragen die België op basis van wederkerigheid heeft gesloten met de verdragsluitende Staten waarvan de betrokken vreemdeling onderdaan is. De vreemdelingen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een gunstige ministeriële beslissing op grond van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk worden niet verschillend behandeld van de andere vreemdelingen die evenzeer wettig in België verblijven, voor zover zij niet behoren tot een van de categorieën van vreemdelingen ten aanzien van wie België dienaangaande bijzondere internationale verbintenissen heeft aangegaan." Bovendien berust het verschil volgens het Arbitragehof op een objectief en relevant criterium. Voor de geregulariseerde vreemdelingen vereist geen internationale bepaling dat zij inzake sociale zekerheid op gelijke wijze als de Belgische onderdanen worden behandeld, wat wel voorzien is voor de op Belgisch grondgebied verblijvende vluchtelingen. Het Arbitragehof overwoog hierbij het volgende: "B.8.
  18. Bovendien, wat het in de prejudiciële vraag vermelde verschil tussen de vluchtelingen en de vreemdelingen die het voordeel van de wet van 22 december 1999 hebben genoten betreft, berust het op een objectief en relevant criterium. De eerstgenoemden hebben de erkenning van hun hoedanigheid van vluchteling verkregen na te hebben aangetoond dat zij een gegronde vrees koesterden in hun land te worden vervolgd wegens hun ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of hun politieke overtuiging, zodat België ertoe verplicht is hen inzake sociale zekerheid te behandelen zoals de Belgische onderdanen. De laatstgenoemden hebben de regularisatie van hun verblijf verkregen zonder aan dergelijke verplichtingen te hebben moeten voldoen en zonder dat een internationaal-rechtelijke bepaling vereist dat zij inzake sociale zekerheid op gelijke wijze als de Belgische onderdanen worden behandeld." Tot slot achtte het Arbitragehof het verschil in behandeling niet onevenredig omdat de geregulariseerde vreemdelingen recht hebben op maatschappelijke dienstverlening waarbij de bijzondere behoeften die een handicap meebrengt een element vormen dat in aanmerking moet worden genomen. Het Arbitragehof overwoog hierbij het volgende: "B.8.
  19. Het verschil in behandeling is niet onevenredig, want de geregulariseerde vreemdelingen hebben recht op maatschappelijke dienstverlening en de bijzondere behoeften die een handicap meebrengt vormen een element dat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in voorkomend geval in aanmerking moeten nemen wanneer om hun tegemoetkoming wordt verzocht." Het Arbitragehof besloot in het arrest nr. 138/2003 van 22 oktober 2003 dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 derhalve geen discriminatie inhield.
  20. In het arrest van 19 mei 2004 (92/2004) diende het Arbitragehof zich opnieuw uit te spreken over de vraag of het verschil in behandeling tussen twee groepen van personen met een handicap die wettig in België verblijven waarbij de ene groep wel en de andere groep geen aanspraak kunnen maken op tegemoetkomingen voor gehandicapten, de toets met het gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel doorstaat. (cfr. overweging B.3: "enerzijds, de vreemdelingen die niet behoren tot een van de categorieën die in de in het geding zijnde bepaling zijn opgesomd en die zich bovendien niet kunnen beroepen op een internationale overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap of België en de Staat waarvan zij onderdaan zijn, teneinde de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 te verkrijgen; anderzijds, de personen die behoren tot een van de vijf categorieën die in de in het geding zijnde bepaling worden beoogd.") De prejudiciële vraag gesteld door de arbeidsrechtbank te Brussel verwees niet enkel naar de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, maar eveneens naar de samenhang met artikel 191 van de Grondwet, artikel 14 van het E.V.R.M. en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart
  21. Het Arbitragehof aanvaardde alleszins de relevantie van de bepalingen van artikel 14 E.V.R.M., juncto artikel 1 van het Aanvullend Protocol en verwees uitdrukkelijk naar het arrest Poirrez van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, mits aanduiding van het belangrijk verschil in deze zaak. Daarbij kwam het Arbitragehof opnieuw tot het besluit dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, al dan niet in samenlezing met artikel 191 ervan en met artikel 14 van het E.V.R.M. en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat verdrag. Het Arbitragehof overwoog hierbij het volgende: "B.
  22. Tot de rechten en vrijheden die door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden gewaarborgd, behoren de rechten en vrijheden die voortvloeien uit internationale verdragsbepalingen die België binden. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt: ' Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren.' (...) B.11.
  23. De thans voorliggende zaak vertoont uit dat oogpunt een belangrijk verschil met de zaak Koua Poirrez t/ Frankrijk waarover het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij arrest van 30 september 2003 heeft geoordeeld. Die zaak had eveneens betrekking op een wettig in het land verblijvende vreemdeling aan wie een tegemoetkoming voor hulp aan personen met een handicap werd geweigerd wegens zijn nationaliteit. In tegenstelling tot de verzoeker in die zaak, kan de in B.3 bedoelde vreemdeling die geen tegemoetkomingen aan personen met een handicap kan genieten, in voorkomend geval aanspraak maken op maatschappelijke dienstverlening waarbij rekening wordt gehouden met zijn handicap." Dit hof sluit zich aan bij hoger vermelde overwegingen B.
  24. en B.11.
  25. van het Arbitragehof zoals vermeld in het arrest van 19 mei
  26. - De eerste rechters waren van oordeel dat in het geval van de heer W.U.R. een belangrijk verschilpunt te onderkennen was, namelijk: het duurzaam verblijfsstatuut. Zij verwezen in dit verband naar het feit dat W.U.R. heeft bijgedragen in de financiering van het bijstandsstelsel voordat hij getroffen werd door een handicap, zodat a fortiori geldt dat zijn recht op een tegemoetkoming aan personen met een handicap onder de bescherming valt van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het E.V.R.M. Samen met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat het door de eerste rechters gehanteerde criterium van de duurzaamheid van het verblijfsstatuut geen rechtsgrond uitmaakt. Zeer terecht schrijft mevrouw de eerste advocaat-generaal in haar schriftelijk advies op pagina 6: "Bij de toetsing van artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 aan de grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie heeft het Arbitragehof nergens gealludeerd op de invloed van de duur en/of duurzaamheid van het legaal verblijf van de vreemdeling, maar enkel naar zijn verblijfsituatie, wat objectief traceerbaar is." Het feit dat de heer W.U.R. zou bijgedragen hebben aan de financiering van het sociale zekerheidsstelsel vóór zijn handicap maakt daarenboven geen relevant argument uit, vermits het principe wordt aanvaard dat het recht op bescherming van eigendom ook de stelsels van sociale bijstand omvat, ook indien de rechtszoekende niet persoonlijk heeft bijgedragen. Bovendien mag, zoals het Arbitragehof in haar arrest nr. 92/2004 van 19 mei 2004 in overweging B.11.
  27. vermeldde, niet uit het oog worden verloren dat er ook voor de heer W.U.R. in België een mogelijk recht is op maatschappelijke dienstverlening, rekening houdend met zijn handicap, wat een belangrijk bijkomend element uitmaakt. Rekening houdend met wat voorafgaat en met de concrete situatie van de heer W.U.R., besluit het hof dat er geen redenen voorhanden zijn om te stellen dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 ongrondwettelijk zou zijn. Het standpunt van geïntimeerde kan op dit punt dan ook niet gevolgd worden. 4.
  28. Met betrekking tot het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (E.V.R.M.) - Ook het standpunt van geïntimeerde, dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 in strijd is met het E.V.R.M., kan niet gevolgd worden. Geïntimeerde verwijst in dit kader naar de uitspraak van het E.V.R.M. van 30 september 2003 inzake Koua Poirrez tegen Frankrijk. Aan de heer Poirrez werd de tegemoetkoming van een volwassen persoon met een handicap geweigerd omdat hij niet in het bezit was van de Franse nationaliteit, en evenmin een onderdaan was van een land waarmee de lidstaat een bilateraal verdrag ondertekend heeft. Het Europees Hof onderzocht of de Franse regeling een inbreuk vormde op artikel 14 van het E.V.R.M., namelijk het non-discriminatiebeginsel, in samenhang gelezen met de bescherming van het recht op eigendom, zoals voorzien in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het E.V.R.M. Het recht op bescherming van eigendom omvat volgens het Europees Hof, naast de rechten op de stelsels die behoren tot de klassieke sociale zekerheid, tevens de stelsels van sociale bijstand, ook indien de rechthebbenden niet persoonlijk hebben bijgedragen tot de financiering ervan. Het motief van de Franse overheid dat het onderscheid gerechtvaardigd is op grond van het noodzakelijk evenwicht tussen inkomsten en uitgaven en niet disproportioneel is omdat de betrokkene gerechtigd is op de Franse variant van het leefloon, werd door het Europees Hof niet beschouwd als een voldoende zwaarwichtige reden tot motivering van het onderscheid en de Franse overheid werd veroordeeld. (cfr. overwegingen 43 - 46 - 49 van het arrest) Het Arbitragehof heeft in zijn arrest nr. 92/2004 van 19 mei 2004 uitdrukkelijk verwezen naar het arrest van het E.V.R.M. in de zaak Koua Poirrez tegen Frankrijk, doch wees op het belangrijk verschil in deze zaak, zoals verwoord in overweging B.11.
  29. (supra). Het hof onderschrijft het standpunt van het openbaar ministerie waar in het schriftelijk advies wordt vermeld: "De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan niet zonder meer worden getransponeerd, omdat er duidelijke verschilpunten zijn, vooreerst wat de verantwoording van de verschillende behandeling door de wetgever betreft, en de omstandigheid dat er in België een mogelijk recht is op maatschappelijke dienstverlening rekening houdend met de handicap, wat een belangrijk bijkomend element uitmaakt." Het hof besluit dan ook dat artikel 4 van de wet van 27 februari 1987 noch ongrondwettelijk, noch in strijd is met het E.V.R.M. Aangezien de heer W.U.R. niet voldoet aan de erin opgelegde voorwaarden, heeft hij geen recht op de door hem gevraagde inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoet- koming. Gelet op wat voorafgaat, komt het hoger beroep van appellante (A.R. 2050522) gegrond voor, zodat de bestreden administratieve beslissing d.d. 7 februari 2002 wordt bevestigd. De heer W.U.R. wordt bijgevolg afgewezen van zijn oorspronkelijke vordering. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gelezen het eensluidend schriftelijke advies van mevrouw R. VAN STRYDONCK, eerste advocaat-generaal, neergelegd ter griffie van dit hof op 6 april 2006, waarna partijen niet repliceerden. Recht doende op tegenspraak. Voegt de zaken gekend onder A.R nummers 2050522 en 2050536 samen onder nummer
  30. Verklaart het hoger beroep gekend onder nummer 2050522 ontvankelijk en gegrond. Verklaart het hoger beroep gekend onder nummer A.R. 2050536 ontoelaatbaar. Hervormt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 10 juni 2005 (A.R. 80.146), behalve wat de kosten betreft. Opnieuw rechtsprekend: Bevestigt de administratieve beslissing van appellante d.d. 7 februari
  31. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van appellante. Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerde op 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding. Laat de kosten aan de zijde van appellante onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegroting. Aldus gewezen en uitgesproken door de zesde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: mevrouw M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer J. DE BOECK, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, de heer R. DE SCHUTTER, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer P. DEVOCHT, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060608.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.