← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060608.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060608.13 Rolnummer: 2006-0080 Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-10-24 Raadplegingen: 137 - laatst gezien 2026-07-01 04:30 Fiches 1 - 2 Artikel 6 van de Wet van 19 maart 1991 bepaalt dat de werkgever die na verloop van de onderhandelingsperiode bij zijn voornemen blijft om de (kandidaat)personeelsafgevaardigde te ontslaan, de zaak aanhangig moet maken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank 'volgens de vormen van het kort geding' en dat binnen de drie werkdagen na afloop van de onderhandelings- en verzoeningsprocedure zoals voorzien door artikel 5, § 3 van deze wet. Met de omschrijving in artikel 6 van de wet van 19 maart 1991 dat er moet gedagvaard worden voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank 'volgens de vormen van het kort geding' bedoelde de wetgever vooral dat het de verkorting van de dagvaardingstermijn is - die beantwoordt aan hetgeen in artikel 1035, 2° Ger. W. voor de inleiding en de behandeling van de vordering in kort geding wordt bepaald - die belangrijk werd geacht. De vermelding in de dagvaarding dat partijen worden opgeroepen om te verschijnen voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank 'zetelende in kort geding' tast de wettelijk voorgeschreven pleegvormen niet aan en brengt de toelaatbaarheid van de vordering niet in het gedrang. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Voorzitter rechtbank - Kort geding (bevoegdheid voorzitter) Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - arbeidsrecht - wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden - volgens de vormen van het kort geding - dagvaarding voor de voorzitter 'zetelend in kort geding' Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1035, 2° - 30 Link Justel databank 19671010-30 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: organisatie van het bedrijfsleven - ontslagregeling van de wet van 19 maart 1991 - ontslag om dringende reden - verplichting tot dagvaarding - arbeidsrecht - wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden - volgens de vormen van het kort geding - dagvaarding voor de voorzitter 'zetelend in kort geding' Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 6 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 1035, 2° en onder IV BIS C - artikel 6. I A - IV BIS C Annotaties Publicaties: Limburgs Rechtsleven 2007 - - blz. 133-144 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Tweede Kamer Tegensprekelijk Eindarrest Beschermde werknemer (arbeidsovereenkomst voor bedienden) Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2060080 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT JUNI TWEEDUIZEND EN ZES. In de zaak: X W, Wonende te , appellant, verschijnend bij mr. , advocaat te Bree en mr. , advocaat te Hasselt; tegen : VZW T, met zetel te, geïntimeerde, verschijnend bij mr V, advocaat te Gent; In aanwezigheid van: 1. HET A, met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat nr. 42, 2. B, met nationale zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat nr. 42, 3. B, met regionale zetel te 3500 Hasselt, Prins Bisschopssingel nr. 34/1, de aanwezige partijen, allen verschijnend bij mr. V loco mr. J. N, advocaat te Hasselt. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de buitengewone openbare terechtzitting van 2 juni 2006. Gelet op het proces-verbaal van de buitengewone openbare terechtzitting van 2 juni 2006. I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak op 5 april 2006 en waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 18 april 2006; - de beschikking d.d. 26 april 2006 overeenkomstig artikel 11 §2 van de wet van 19 maart 1991, houdende bijzondere ontslagregeling van de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden; - de conclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 5 mei 2006; - de conclusies van appellant neergelegd ter griffie op 16 mei 2006; - de syntheseconclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 26 mei 2006. II. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Met een verzoekschrift, op 18 april 2006 ontvangen ter griffie van dit hof, tekende appellant hoger beroep aan tegen een vonnis (A.R. 206/581) van 5 april 2006 van de arbeidsrechtbank te Hasselt. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. Het hoger beroep is ontvankelijk. III. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING 1. De heer X W, appellant, is sedert 16 december 1999 als bediende tewerkgesteld in de vestiging te Hasselt (de VZW F) van de VZW T, hierna verder vermeld als geïntimeerde. Initieel oefende appellant de functie van maatschappelijk assistent uit, maar na verloop van tijd bekleedde hij de functie van verantwoordelijke T-F Hasselt ("coördinator thuiszorg"). In april 2001 werd appellant aangeduid als vakbondsafgevaardigde voor het Algemeen Belgisch Vakverbond/A.B.V.V. Bij de sociale verkiezingen van mei 2004 werd appellant voor deze vakorganisatie verkozen als lid van de ondernemingsraad bij geïntimeerde. Naar aanleiding van een klacht werd de functie van appellant aangepast in de loop van 2004 (vanaf juli 2004?), volgens appellant onder druk of dwang van geïntimeerde. De functie van appellant werd gewijzigd in die van "indicatie-steller". Deze functie houdt onder meer in dat appellant indicatiestellingen uitvoert aan huis bij de zorgbehoevenden, die mogelijke rechthebbenden zijn van de Vlaamse zorgverzekering. Met een aangetekende brief van 25 november 2005 wees geïntimeerde appellant op een aantal tekortkomingen in de uitoefening van zijn arbeidstaken (niet presteren van de vereiste arbeidsuren, gemakzucht, gebrek aan motivatie en interesse), schrijven dat daarop door appellant gecontesteerd werd middels een aangetekende brief van 5 december 2005. 2. Met een aangetekende brief van 2 februari 2006 bracht geïntimeerde zowel appellant als het Algemeen Belgisch Vakverbond/A.B.V.V. en de Bond der Bedienden, Technici en Kaders van België/ B.B.T.K. (nationaal en regionaal) op de hoogte van het feit dat zij, met toepassing van artikel 4, § 1 van de Wet van 19 maart 1991 houdende de bijzondere ontslagregeling voor personeelsafgevaardigden, het voornemen had om appellant om dringende reden te ontslaan, nadat de vermelde feiten "door de arbeidsrechtbank als dringend zijn aangenomen". In de brief werd het navolgende vermeld: "-/- De feiten zijn de volgende: U bent bij de vzw T tewerkgesteld als bediende, krachtens een overeenkomst voor bedienden van 16 december 1999. U werd aanvankelijk aangeworven als coördinator thuiszorg. Naar aanleiding van een klacht over seksuele intimidatie werd uw functie in 2004 in onderling akkoord gewijzigd naar deze van indicatiesteller zorgverzekering in opdracht van de vzw T. Deze functie houdt in dat u indicatiestellingen uitvoert bij zorgbehoevenden thuis, die mogelijke rechthebbenden zijn van de Vlaamse zorgverzekering. U moet daarbij toelichting geven over de zorgverzekering, een dossier opmaken, onder meer over de graad van zorgbehoevendheid, de zorgbehoevenden informatie geven en op vragen antwoorden. Gemiddeld moeten acht bezoeken per dag worden afgelegd. Met een aangetekende brief van 25 november 2005 zag de vzw T zich reeds genoodzaakt u te wijzen op een gemakzuchtige en onvoldoende uitvoering van zijn taken, waarbij andere maatregelen werden aangekondigd bij het niet naleven van de opmerkingen. Op 30 januari 2006 werd het diensthoofd thuishulp, K E, telefonisch gecontacteerd door K B, coördinator van de zorgkas De Voorzorg, met de mededeling dat u bij een huisbezoek op 26 januari 2006 bij het echtpaar J G-M G in uw functie als indicatiesteller zorgverzekering, de taken m.b.t. de zorgverzekering onzorgvuldig en snel had afgehandeld en gedurende hetzelfde bezoek meer tijd had besteed aan het afsluiten van een telefoonabonnement bij Euphony-Mobistar. Mevrouw G dacht in eerste instantie dat het om een voordeel vanuit de organisatie ging (vermindering telefoonkosten WIGW). Vervolgens kreeg zij argwaan toen zij Euphony vermeld zag staan op de contracten, aangezien zij haar bestaande abonnement bij Belgacom niet wenst te verbreken. U heeft dan voorgesteld het contract te verscheuren. Mevrouw G heeft de documenten evenwel bewaard en één en ander aangekaart bij de thuisverpleging, die haar aanraadden contact op te nemen. Naar aanleiding van deze telefonische melding op 30 januari 2006 is de vzw Thuishulp een onderzoek begonnen, waaruit is gebleken dat: - u bij uw bezoek aan het echtpaar G-G op 26 januari 2006 inderdaad een telefoonabonnement bij Euphony- Mobistar afsloot; - u blijkbaar als bijberoep sinds een aantal jaar voor Euphony werkt; - u ook de heer K M ter gelegenheid van een bezoek in zijn functie van indicatiesteller zorgverzekering en dus tijdens de uitvoering van uw arbeidsovereenkomst voor de vzw Thuishulp, een naamkaartje afgaf met de melding Euphony-Mobistar en goedkope telefoontarieven middels een contract daarmee aankaartte; - u op 27 januari 2006 ook het echtpaar V M-S te Lanaken een naamkaartje Euphony-Mobistar overhandigde tijdens een bezoek aan hen als indicatiesteller. Op 31 januari 2006 werd een huisbezoek gebracht aan het echtpaar G-G, waarbij deze het contract van Euphony, aangeboden door u tijdens uw bezoek in het kader van de zorgverzekering, overhandigden, alsook een handgeschreven verklaring m.b.t. het aanbieden van het abonnement. Tijdens het gesprek met het echtpaar G-G blijkt dat mevrouw G zich door het tezelfdertijd onderzoeken van een situatie m.b.t. de zorgverzekering en het aanbieden van een telefoonabonnement, geïntimideerd voelde. Zij kreeg argwaan doordat zeer weinig tijd aan de afhandeling van het dossier zorgverzekering werd besteed, en dubbel zoveel tijd aan het aanbieden van een telefoonabonnement. Het aanbieden van commerciële abonnementen tijdens een onderzoek in uitvoering van de functie als indicatiesteller zorgverzekeraar in het kader van de arbeidsovereenkomst met de VZW T, is misbruik van deze functie. Dat geldt des te meer aangezien het gaat om een thuisbezoek bij zorgbehoevenden, vaak oude of palliatief zieke mensen, waarvan de weerbaarheid verminderd is. Daarnaast gebruikt u aldus uw arbeidstijd, bezoldigd door de VZW T, voor de uitoefening van uw bijberoep. Deze feiten maken de verdere samenwerking tussen de partijen onmogelijk en ontnemen elk vertrouwen van de VZW T in u. Daarbij komt voor zoveel als nodig de verzwarende omstandigheid dat één en ander volgt op een uitdrukkelijke aanmaning van 25 november 2005 om de functie correcter uit te voeren en de arbeidstijd na te leven. U kreeg bovendien eerder een andere functie toegekend, in onderling overleg, nadat in uw vorige functie als zorgcoördinator herhaaldelijke negatieve opmerkingen werden gemaakt door de cliënten en ondergeschikten en collega's. De directe aanleiding tot het opnemen van een andere functie was een (straf)klacht in het kader van de regelgeving rond geweld, pesterijen en ongewenst sexueel gedrag op het werk. Met deze brief vatten wij dan ook de in art. 4 e.v. van de Wet van 19 maart 1991 vastgestelde procedure aan. Van zodra de procedure ons dat toelaat, zullen wij aan de arbeidsrechtbank tevens de toestemming vragen om de arbeidsovereenkomst met X W te schorsen. Met beleefde groet, (handtekening) vr de VZW T, de heer L C, voorzitter en mevrouw S W, nationaal verantwoordelijke". 3. Een eerste verschijning bij de voorzitter(-ster) van de arbeidsrechtbank te Hasselt had plaats op 7 februari 2006. Naar aanleiding van de tweede verschijning op 15 februari 2006 werd geakteerd dat geen verzoening mogelijk was. Eveneens werd de arbeidsovereenkomst geschorst. 4. Via deurwaardersexploot van 17 februari 2006 dagvaardde geïntimeerde appellant en de vakorganisaties A.B.V.V. en B.B.T.K. (nationaal en regionaal) om op 22 februari 2006 te verschijnen voor "-/- DE VOORZITTER VAN DE ARBEIDSRECHTBANK te HASSELT, zetelende in KORT GEDING, -/-", teneinde "er de zaak in behandeling te zien genomen worden teneinde partijen te verzoenen en, indien partijen niet kunnen verzoend worden, de zaak te verwijzen naar een kamer van de Arbeidsrechtbank; Vervolgens deze voor recht te horen zeggen dat de hierboven beschreven feiten erkend worden als een dringende reden die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt vanaf dat ogenblik ;- /-". Bij beschikking van 22 februari 2006 nam de voorzitter van de arbeidsrechtbank akte van het feit dat een verzoening onmogelijk was, en de zaak werd in voortzetting gesteld op 1 maart 2006. Bij beschikking van 2 maart 2006 nam de voorzitter van de arbeidsrechtbank nogmaals akte van het feit dat een verzoening onmogelijk was, werden de termijnen voor het neerleggen van stukken en conclusies bepaald, en werd de zaak naar de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Hasselt verwezen. 5. Bij vonnis van 5 april 2006 verklaarde de arbeidsrechtbank te Hasselt de vordering van geïntimeerde toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond. De arbeidsrechtbank verklaarde het weerhouden feit voldoende zwaarwichtig; geïntimeerde werd gemachtigd om over te gaan tot het ontslag om dringende reden(

  1. en)van appellant. 6. Met een verzoekschrift van 18 april 2006 heeft appellant bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis d.d. 5 april 2006 van de arbeidsrechtbank van Hasselt. 7. Bij beschikking van 26 april 2006 werden door de eerste voorzitter (-ster) van het arbeidshof conclusietermijnen en een rechtsdag bepaald. IV. EISEN IN HOGER BEROEP. 1. Appellant vordert om: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vorderingen van geïntimeerde niet toelaatbaar, onontvankelijk en ongegrond te verklaren; - geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. 2. Geïntimeerde vraagt om: - het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te bevestigen; - derhalve de door geïntimeerde ingeroepen feiten als juist en voldoende zwaarwichtig te erkennen; - derhalve geïntimeerde te machtigen om over te gaan tot het ontslag wegens dringende reden van appellant; - minstens alvorens recht te doen en voor zover dat nodig wordt geacht de volgende getuigen op te roepen: * mevr. K E, bediende-diensthoofd T, teneinde haar in aansluiting op haar neergelegde schriftelijke te laten getuigen over: - de werkwijze bij een indicatiestelling, - de feiten van het aanbieden van telefoonabonnementen bij cliënten door dhr W waarvan zij kennis nam, - en het onderzoek dat zij daarnaar voerde; * dhr F D W, gepensioneerde vakbondssecretaris, teneinde hem te ondervragen over de vakbondswerking bij geïntimeerde en de houding van geïntimeerde tegenover de vakbondsafgevaardigden; - de kosten van het geding ten laste van appellant te leggen; - voor zoveel als nodig en mogelijk, het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. V. BEOORDELING V.a. Nopens de eventuele (on)toelaatbaarheid van de vordering van geïntimeerde 1. Appellant voert aan dat de werkgever bij het uitbrengen van de inleidende dagvaarding van 17 februari 2006 de wettelijk voorgeschreven pleegvormen niet heeft nageleefd, doordat zij de zaak aanhangig heeft gemaakt bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank "zetelend in kortgeding", en niet "volgens de vormen van het kort geding". Dit is volgens appellant in strijd met de bepalingen van artikel 6 van de Wet van 19 maart 1991 houdende de bijzondere ontslagregeling voor personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden (B.S. 29 maart 1991) - hierna verder aangeduid als de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden - en deze niet-naleving dient in de visie van appellant gesanctioneerd te worden met de niet-toelaatbaarheid van de vordering. Geïntimeerde van haar kant stelt dat de door appellant aangevoerde grief niet kan worden aanvaard, en dat de enkele vermelding in de dagvaarding "zetelend in kort geding" in de gegeven omstandigheden er niet toe leidt dat daadwerkelijk een kort geding-procedure plaatsvond. Geïntimeerde stelt dat er geen sprake kan zijn van de ontoelaatbaarheid van haar vordering. 2. Artikel 6 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bepaalt dat de werkgever die na verloop van de onderhandelingsperiode bij zijn voornemen blijft om te ontslaan, de zaak bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank aanhanging moet maken "volgens de vormen van het kort geding" binnen de drie werkdagen na afloop van de voorgaande onderhandelings- en verzoeningsprocedure (te rekenen vanaf de door de rechtbankvoorzitter getroffen beslissing bedoeld bij artikel 5 § 3 wanneer het, zoals in casu, om een personeelsafgevaardigde gaat). Uit de parlementaire voorbereiding van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden blijkt dat artikel 6 vooral bedoeld is om de formele wijze te regelen waarop het verzoek tot voorafgaandelijke erkenning van de dringende reden voor het arbeidsgerecht moet worden ingediend ("-/- hoe het verzoekschrift -/- moet worden ingediend") (Hand. Senaat 1990-91, 1105-1, 111 - cf. stuk III/1 geïntimeerde). Er wordt in de voorbereidende parlementaire werken expliciet gewezen op de aanhangigmaking van de zaak: - bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank; - via dagvaarding; - binnen drie werkdagen na de beslissing over het statuut van de personeelsafgevaardigde tijdens de gerechtelijke procedure of binnen drie werkdagen na het verstrijken van de onderhandelingsperiode, indien het een kandidaat-personeelsafgevaardigde betreft. Hetgeen door de wetgever beoogd werd/wordt met de omschrijving "volgens de vormen van het kort geding", wordt in de parlementaire voorbereiding toegelicht als volgt: "Teneinde de procedure te bespoedigen, zal de dagvaarding onderworpen worden aan de regels vastgesteld in artikel 1035 van het Gerechtelijk Wetboek voor de indiening van een vordering in kortgeding. De termijn van een vordering wordt dus herleid tot twee dagen" (Hand. Senaat 1990-91, 1105-1, 112). Deze laatste toevoeging maakt duidelijk dat het vooral de verkorting van de dagvaardingstermijn is - die beantwoordt aan hetgeen in artikel 1035, lid 2 Ger.W. voor de inleiding en behandeling van de vordering in kort geding wordt bepaald - die belangrijk werd geacht. 3. Het hof stelt te dezen vast dat de door/namens geïntimeerde op 17 februari 2006 uitgebrachte dagvaarding (houdende het verzoek om de beschreven feiten door de arbeidsrechtbank als een dringende reden voor ontslag te zien erkennen) blijkt te beantwoorden aan de formele voorwaarden van artikel 6 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden: - de zaak werd aanhangig gemaakt bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank; - via een dagvaarding; - binnen drie werkdagen na de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank d.d. 15 februari 2006 waarbij geakteerd werd dat geen verzoening mogelijk is, en waarbij de arbeidsovereenkomst werd geschorst (afloop van de onderhandelingsperiode); - er werd gedagvaard om te verschijnen op woensdag 22 februari 2006, hetgeen beantwoordt aan de verkorte dagvaardingstermijn van (ten minste) 2 dagen, zoals van toepassing bij een kortgeding-procedure. 4. In de dagvaarding van 17 februari 2006, houdende de vordering van geïntimeerde, werd het specifieke verzoek om bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank te verschijnen in fine van het exploot geformuleerd als volgt: "-/- Om te verschijnen op WOENSDAG TWEEENTWINTIG FEBRUARI 2006 om TIEN UUR in de voormiddag voor MEVROUW DE VOORZITTER VAN DE ARBEIDSRECHTBANK te HASSELT, zetelende in KORT GEDING, zitting houdend in het gewoon lokaal, in haar kabinet, -/- (adresvermelding)". Appellant meent uit de in de dagvaarding aangebrachte vermelding "zetelende in KORT GEDING" een reden tot ontoelaatbaarheid van de vordering van geïntimeerde te kunnen ontwaren, maar wordt in dit standpunt niet gevolgd door het hof. Nu de door de wet gestelde pleegvormen werden nageleefd (zie hiervoren, V.a.3.), tast dergelijke in de dagvaarding vermelde terminologie op geen enkele wijze de geldigheid van bedoelde dagvaarding aan, en heeft dergelijke terminologische vermelding in genendele de niet-toelaatbaarheid van de vordering van de werkgever tot gevolg. De verwijzing van appellant naar een arrest van het Hof van Cassatie van 23 april 2001 (www.cass.be, S.00.0176.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010423.4) kan het hof niet tot een andere beoordeling aanzetten. Aan genoemd cassatie-arrest lagen duidelijk andere feiten dan die van onderhavige zaak ten grondslag (in de zaak waarover het Hof van Cassatie zich uitsprak, had de werkgever na de onderhandelingsfase enkel de werknemer gedagvaard, doch niet de vakbond die de kandidatuur van de werknemer had voorgedragen), en een analoge toepassing moet hier, waar het duidelijk een andere toepassing en discussie betreft, volgens het hof niet worden overwogen. Nergens in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden wordt bepaald dat de in artikel 6 van de Wet voorgeschreven dagvaarding de bepaling moet bevatten dat er gedagvaard wordt "volgens de vormen van het kort geding". Omgekeerd wordt in deze wet evenmin bepaald dat de vermelding dat er gedagvaard wordt bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank "zetelend in kortgeding" tot de ontoelaatbaarheid van de vordering aanleiding zou geven. Eerder dan een onderzoek uit te voeren naar de in de dagvaarding gebezigde terminologie, moet in het licht van artikel 6 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden worden onderzocht of de erdoor voorgeschreven vormen en voorschriften inderdaad werden nageleefd. Dit is hier wel degelijk het geval. De vermelding in de dagvaarding dat er gedagvaard wordt om te verschijnen bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank "zetelend in kort geding", is terzake weliswaar als een terminologisch incorrecte aanduiding te beschouwen, maar het is een vermelding die vanuit juridisch oogpunt beschouwd de correcte naleving van de gestelde pleegvormen niet aantast (zie hoger, V.a.2. en V.a.3.) en die de toelaatbaarheid van de vordering niet in het gedrang brengt. 5. Appellant streeft ernaar om de zogenaamde onregelmatigheid met de sanctie van "niet-toelaatbaarheid" van de vordering van geïntimeerde beteugeld te zien. Dergelijke aanduiding van de gewenste sanctie is echter een door appellant vooropgestelde kwalificatie, die op zich uiteraard nog niet determinerend is voor de werkelijke aard van de zogenaamde onregelmatigheid en van de eraan vastklevende juridische consequenties. Het schijnt het hof toe dat appellant, met het door hem ingeroepen middel, waarmee hij eigenlijk stelt dat geïntimeerde "zich niet op de juiste manier tot de rechter heeft gewend", eerder dan een middel van niet-toelaatbaarheid of niet-ontvankelijkheid, een procedurele exceptie sensu stricto opwerpt, (vgl. VAN ORSHOVEN, P., "Niet-ontvankelijkheid, nietigheid, verval en andere wolfijzers en schietgeweren van het burgerlijk procesrecht", P.& B./R.D.J.P. 2001, p.3-26). Bij dergelijke exceptie zijn volgens het hof de regels inzake de excepties van nietigheid, vastgelegd in de artikelen 860-867 van het Gerechtelijk Wetboek, van toepassing. Het openbare orde-karakter van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden staat daaraan niet in de weg. Krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn namelijk de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek. Naar het oordeel van het hof is geen enkele bepaling van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden en geen enkel algemeen rechtsbeginsel onverenigbaar met de toepassing van de in het Gerechtelijk Wetboek vervatte regeling betreffende de excepties van nietigheid op de eventuele onregelmatigheid die hier zou zijn begaan (onregelmatigheid die erin zou bestaan dat in de dagvaarding van 17 februari 2006 vermeld werd dat de partijen werden opgeroepen om te verschijnen voor "de voorzitter van de arbeidsrechtbank zetelend in kort geding") (vgl. Cass. 24 maart 2003, www.juridat.be, RC03301-2). Ongeacht de door appellant vooropgestelde kwalificatie van de door hem beoogde sanctie ("ontoelaatbaarheid"), zijn in onderhavige casus de bepalingen van artikelen 860-867 Ger.W. van toepassing op de vermelde 'onregelmatigheid' die vervat ligt in de dagvaarding van 17 februari 2006. 6. Artikel 860, al. 1 Ger.W. luidt als volgt: "Wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard, indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen". Er is geen wettelijke bepaling voorhanden die de nietigheid van de dagvaarding, als bedoeld in artikel 6 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, beveelt indien deze dagvaarding de vermelding zou bevatten dat de partijen worden opgeroepen om te verschijnen voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank zetelend in kort geding. De onregelmatigheid waarvan sprake kan bijgevolg niet leiden tot de nietigheid van bedoelde dagvaarding. 7. Bovendien bepaalt artikel 861 Ger.W. dat de rechter een proceshandeling alleen dan nietig kan verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Dergelijke mogelijke belangenschade is er, met de gewraakte passage ("om te verschijnen voor mevrouw de voorzitter van de arbeidsrechtbank, zetelende in kort geding -/-") in de bedoelde dagvaarding van 17 februari 2006, in hoofde van appellant niet te onderkennen. Niet enkel werd appellant voorafgaandelijk door geïntimeerde verwittigd van het feit dat de ontslagprocedure, met toepassing van artikel 4, § 1 van de Wet van 19 maart 1991 houdende de bijzondere ontslagregeling voor personeelsafgevaardigden, zou worden opgestart. Ook via de aan de dagvaarding voorafgaande oproepingen en verschijningen bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank (inlichtings- en verzoeningsprocedure) was appellant duidelijk op de hoogte van de toepasselijke procedure. De dagvaarding van 17 februari 2006 bevatte de in artikel 7 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden voorgeschreven vermelding inzake de dringende reden, en verwees naar de in het kader daarvan plaatsgevonden verschijningen bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Hasselt op 7 en 15 februari 2006. Daaraan werd in de dagvaarding dan expliciet het navolgende toegevoegd: "-/- Mijn verzoekster (huidig geïntimeerde) handhaaft haar voornemen om de eerste gedaagde (huidige appellant) omwille van de hierboven beschreven feiten te ontslaan om dringende reden. Aangezien de verzoening niet mogelijk is, stelt mijn verzoekster overeenkomstig art. 6 en 7 van de Wet van 19 maart 1991 houdende de bijzondere ontslagregeling -/- een vordering in strekkende tot de erkenning van de hierboven beschreven feiten". En in het 'dispositief' van de dagvaarding werd, na de oproeping om te verschijnen voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank, op duidelijke wijze het doel ervan toegelicht als volgt: "-/- TENEINDE: Er de zaak in behandeling te zien genomen worden teneinde partijen te verzoenen en, indien partijen niet kunnen verzoend worden, de zaak te verwijzen naar een kamer van de arbeidsrechtbank; Vervolgens deze laatste voor recht te horen zeggen dat de hierboven beschreven feiten erkend worden als een dringende reden die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt vanaf dat ogenblik; -/-" Zodoende was appellant zonder enige mogelijke twijfel op de hoogte van hetgeen door geïntimeerde beoogd en bedoeld werd met de dagvaarding van 17 februari 2006, en kan er daarover bij hem redelijkerwijze geen verwarring hebben bestaan. Appellant heeft er eveneens zijn verdediging over kunnen voeren. Er is volgens het hof bij appellant geen belangenschade waarneembaar. De nietigheidssanctie, al dan niet terminologisch gekwalificeerd als een sanctie van ontoelaatbaarheid van de vordering, is derhalve niet van toepassing op de dagvaarding van geïntimeerde d.d. 17 februari 2006. 8. Appellant roept bijkomend nog in dat de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank d.d. 2 maart 2006 door een tegenstrijdigheid is aangetast, doordat de voorzitter enerzijds de discussie of het nu ging over een kortgedingprocedure, dan wel om een procedure volgens de vormen van het kort geding, ten gronde onbeantwoord liet en naar de bodemrechter verwees, maar anderzijds toch gehandeld heeft als een voorzitter gevat volgens de vormen van het kort geding, waardoor zij erkend heeft wel correct te zijn gevat. Volgens appellant zou ook dit de ontoelaatbaarheid van de vordering van geïntimeerde tot gevolg hebben. Dit standpunt van appellant wordt niet bijgetreden door het hof. De voorzitter van de arbeidsrechtbank heeft de dagvaarding van geïntimeerde d.d. 17 februari 2006 op correcte wijze geïmplementeerd in het kader van de bij haar conform de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden voordien reeds opgestarte procedure, en heeft er het correcte gevolg aan verleend. De voorzitter(-ster) van de arbeidsrechtbank te Hasselt heeft terecht gedaan hetgeen in het kader van de aanhangige procedure van haar verwacht mocht worden toen zij in haar beschikking van 2 maart 2006 de niet-verzoening van de partijen liet akteren en daarop de zaak verwees naar de bevoegde kamer van de arbeidsrechtbank te Hasselt, en de daarbij in acht te nemen conclusietermijnen bepaalde. Van enige onregelmatigheid van de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank d.d. 2 maart 2006 kan er te dezen geen sprake zijn, ongeacht of de rechtbankvoorzitter ten gronde al dan niet is ingegaan op de door appellant opgeworpen grieven en de beoordeling daarvan heeft overgelaten aan de bodemrechter (de bevoegde kamer van de arbeidsrechtbank waarnaar de zaak verwezen werd). Het hof onderkent niet op welke wettelijke of juridische grondslag appellant zich hier wenst te steunen en op basis waarvan hij tot de conclusie komt dat zulks - de vermeende onderlinge tegenstrijdigheid die de beschikking van 2 maart 2006 volgens appellant zou bevatten, doch die het hof hier niet ontwaart - de beschikking "onregelmatig" zou maken, met "de ontoelaatbaarheid van de vordering tot gevolg". Dergelijke stellingname is niet gesteund op een wettelijke grondslag, althans werd daarvan het bestaan niet aangetoond door appellant. Het standpunt van appellant wordt door het hof verworpen. 9. Recapitulatief en verwijzend naar de vorige overwegingen komt het hof tot de bevinding: - dat de dagvaarding van geïntimeerde d.d. 17 februari 2006 volledig kadert in een correcte toepassing van de bepalingen van artikel 6 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden; - dat de in deze dagvaarding vervat liggende vermelding "om te verschijnen voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank zetelend in kort geding" niet tot de nietigheid van deze proceshandeling leidt; - dat deze vermeldingen in de dagvaarding van 17 februari 2006 niet leiden tot een ontoelaatbaarheid van de vordering van geïntimeerde; - dat de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank van 2 maart 2006 niet onregelmatig is, en dat er desbetreffend geen valabele redenen bestaan op grond waarvan tot een ontoelaatbaarheid van de vordering van geïntimeerde zou kunnen worden besloten; - dat de door geïntimeerde bij het arbeidsgerecht ingeleide procedure, gericht om in toepassing van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden de dringende reden voor ontslag lastens appellant te zien erkennen, toelaatbaar en ontvankelijk is. V.b. Nopens de grond van de zaak 1. De concrete tekortkoming waarvan de werkgever het arbeidsgerecht verzoekt om ze als juist en afdoende zwaarwichtig te erkennen, en op grond waarvan hij de machtiging voor een ontslag om dringende reden nastreeft, behelst - samengevat - het gegeven dat appellant bij de uitvoering van zijn functie/arbeidstaak als indicatiesteller-zorgverzekeraar, commerciële telefoonabonnementen aanbood aan de door hem beroepshalve bezochte zorgbehoevenden, vaak oude of palliatief zieke mensen met een verminderde weerbaarheid, hetgeen misbruik van functie en arbeidstijd zou uitmaken. Als verzwarende omstandigheid werd daarbij door de werkgever vermeld, het feit dat appellant op 25 november 2005 al werd aangemaand om zijn functie correcter uit te voeren en de arbeidstijd na te leven, en het feit dat aan appellant eerder reeds een andere functie werd toegekend na negatieve opmerkingen van cliënten en ondergeschikten en na een (straf)klacht in het kader van de regelgeving rond geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. 2. De naleving van de termijn en de nauwkeurigheid van de aan appellant verweten tekortkoming staat niet ter discussie. 3. Over de realiteit van het feit dat appellant inderdaad tijdens de uitvoering van zijn arbeidstaak telefoonabonnementen van de firma Euphony-Mobistar trachtte te verkopen aan door hem bezochte zorgbehoevenden, kan er - niettegenstaande appellant dienaangaande schijnt aan te voeren dat dit feit niet afdoende zou zijn aangetoond en dat er slechts sprake is van een indirect bewijs - volgens het hof weinig twijfel bestaan. Concreet zijn er de gegevens die door geïntimeerde bij het echtpaar G-G werden bekomen en waaruit volgens het hof afdoende en op directe wijze de handelwijze van appellant blijkt. Appellant heeft, toen hij zich op 26 januari 2006 in zijn hoedanigheid van indicatiesteller bij dit echtpaar aanbood, teneinde de aanvraag van de heer G (een palliatieve patiënt) op een tegemoetkoming in het kader van de Vlaamse zorgverzekering te onderzoeken, van de gelegenheid gebruik gemaakt om een abonnement van de firma Euphony/Mobistar te slijten aan de heer G. Dit blijkt ontegensprekelijk uit het standaardcontract dat in die zin door appellant, in zijn hoedanigheid van 'consultant' voor de firma Euphony/Mobistar, werd ingevuld, betreffende een "aanvraag tot aansluiting" bij de telefoonserver Euphony (stukken 11/2 geïntimeerde). In beroepsbesluiten erkent appellant trouwens dat hij inderdaad tijdens dit huisbezoek de verkoop van een Euphony-telefoonabonnement heeft aangeboden en dat de daartoe benodigde documenten werden ingevuld, maar hij roept ter verzachting van zijn handelwijze wel in dat dit aanbod dan geformuleerd werd bij "een tas koffie", nadat de indicatiestelling volledig achter de rug was (beroepsbesluiten van appellant, blz. 18). Het staat bijgevolg onomstotelijk vast dat appellant, tijdens zijn als indicatiesteller bij het echtpaar G-G op 26 januari 2006 uitgevoerd bezoek, eveneens een Euphony-telefoonabonnement heeft aangeboden en daartoe ook daadwerkelijk de documenten (het contract) heeft opgesteld/ingevuld. 4. Dat het hier niet ging om een alleenstaand geval maar wel om een systeem van appellant - gericht op het stelselmatig te koop aanbieden van commerciële telefoonabonnementen van Euphony naar aanleiding van de bezoeken die hij als indicatiesteller beroepshalve bij de zorgbehoevenden aan huis aflegde - blijkt volgens het hof duidelijk uit het gegeven dat appellant er de gewoonte van maakte om bij de door hem bezochte zorgbehoevenden een naamkaartje achter te laten met de duidelijke vermeldingen van de firma Euphony-Mobistar. Bedoeld naamkaartje vermeldt de naam, het adres, het telefoonnummer en e-mailadres van appellant, maar dan wel weergegeven onder de majeure (kleuren)opdruk EUPHONY/MOBISTAR, met toevoeging van de begeleidende logo's (afbeeldingen van PC, telefoon en GSM), en met op de weerzijde van het kaartje een niet mis te verstane reclame- en verkoopsboodschap ("Bespaar gemiddeld 33 % op uw vast toestel / Gratis belminuten / Geen wijziging telefoonnummer / Bespaar gemiddeld 1 maand energieverbruik / Particulier & Commercieel / Gezien het voortdurend succes van Euphony zoeken we mensen die van thuis een extra inkomen wensen op te bouwen / Dienstverlening - zelfstandig werken / VASTE LIJN - EUPHONY / GSM - MOBISTAR / ADSL"). Appellant erkent voorts in beroepsbesluiten: - dat hij deze kaartjes eigenhandig liet ontwerpen en deze bij de door hem bezochte personen achterliet: "-/- Aangezien er door de organisatie zelf géén naamkaartjes werden ter beschikking gesteld aan de medewerkers - feiten die door T in haar besluiten ook niet worden ontkend -, heeft de heer W eigenhandig naamkaartjes laten ontwerpen waarop dit gsm-nummer vermeld wordt. Op de meeste naamkaartjes die hij alzo bij de aanvragers achterliet, schreef hij ten behoeve van de aanvrager dan ook nog eens duidelijk M op dit kaartje -/-" (blz. 16 van de beroepsbesluiten van appellant); - dat hij dit kaartje ook achterliet tijdens zijn op 26 januari 2006 bij de familie G-G, de heer K M en de familie V M, afgelegde bezoeken (cf. de beroepsbesluiten van appellant, blz. 18, 21 en 22). Ongeacht het feit of appellant op deze naamkaartjes (al dan niet) de bijkomende vermelding "M" toevoegde (zijnde een verwijzing naar een mogelijk navolgend onderzoek van een M-controleur in het kader van de zorgverzekering), staat het voor het hof buiten discussie dat appellant, met de systematische overhandiging van dergelijk kaartje aan de door hem bezochte zorgbehoevenden, en nog afgezien van eventuele toelichting die door hemzelf daarbij (al dan niet ongevraagd) kan zijn verstrekt, alleszins een duidelijke hint heeft gegeven aan degene aan wie het kaartje werd overhandigd, en dat hij op die wijze de gesprekken bewust in die zin gestuurd en gedirigeerd heeft, met het oog op het verkopen van commerciële telefoonabonnementen. 5. Als indicatiesteller bevindt/bevond appellant zich in een bijzondere vertrouwenspositie ten overstaan van de zorgbehoevenden die hij op die wijze benaderde. In zijn hoedanigheid van indicatiesteller bezoekt appellant zorgbehoevenden, dikwijls zeer ernstig zieke en zelfs palliatieve patiënten, thuis en hij verstrekt toelichting over de Vlaamse zorgverzekering, mantelzorg, thuisverpleging, enz., en hij stelt daarvoor het dossier op. De opstelling van het dossier/zorgverzekering behelst onder meer het invullen door de indicatiesteller van de zogenaamde BEL-profielschaal ter bepaling (rubriek per rubriek) van de graad van zorgbehoevendheid; de aldus toegekende graad is bepalend voor het bekomen door de betrokken zorgbehoevende van (financiële) steun in het kader van de Vlaamse zorgverzekering. Aangezien de zorgbehoevenden op die wijze ook onrechtstreeks afhankelijk zijn van de indicatiesteller voor het eventueel bekomen van financiële steun in het kader van de Vlaamse zorgverzekering, bevindt appellant zich uit hoofde van zijn werk en functie niet enkel in een bijzondere vertrouwenspositie, maar eveneens in een zekere machtspositie ten overstaan van de door hem bezochte zorgbehoevende personen waarvan de weerbaarheid, gelet op hun ernstige gezondheidstoestand, op zich al verminderd is. Door in dergelijke omstandigheden uit louter winstbejag en met mercantiele bijbedoelingen de door hem bezochte zorgbehoevenden pogen aan te zetten tot het aankopen van commerciële telefoonabonnementen, heeft appellant wel degelijk misbruik gemaakt van zijn functie en, eveneens, van zijn arbeidstijd. 6. Met dergelijke afdoende bewezen geachte handelwijze bezondigt appellant zich: - aan misbruik van zijn functie; - met de verzwarende omstandigheid dat het gaat om zwaar zieke/bejaarde zorgbehoevende personen met een verminderde weerstand en in een afhankelijke positie; - aan misbruik van zijn arbeidstijd door de uitoefening van een commerciële nevenactiviteit tijdens deze arbeidstijd; - aan het potentieel discrediteren van het imago van zijn werkgever. Er is wel degelijk sprake van een professionele tekortkoming. Dergelijke tekortkoming is volgens het hof ernstig en zwaarwichtig genoeg en is van aard om de vertrouwensrelatie met de werkgever definitief aan het wankelen te brengen, en om een verderzetting van de professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk te maken. De ten laste van appellant vastgestelde tekortkoming is wel degelijk van aard om het door geïntimeerde gevraagde ontslag om dringende reden te rechtvaardigen, zoals door de eerste rechters terecht werd gesteld. 7. De andersluidende door appellant aangevoerde argumenten zijn niet van aard om afbreuk te doen aan deze beoordeling van het hof: - er is geen bewijs voorhanden dat de door geïntimeerde gevraagde machtiging voor ontslag om dringende reden in enig causaal verband zou staan met de door appellant ontwikkelde activiteiten als vakbondsafgevaardigde; - het voorafgaandelijk horen van de werknemer, vooraleer door de werkgever besloten wordt om de ontslagprocedure op te starten, is geen wettelijke verplichting; het niet horen van appellant, voorafgaand aan de door geïntimeerde opgestarte procedure, is geen element dat afbreuk doet aan de ten laste van appellant vastgestelde tekortkoming; - het feit dat appellant mogelijk slechts sinds korte tijd het bijberoep uitoefende is niet relevant bij de beoordeling van de feiten en het zwaarwichtige karakter van de tekortkoming; - de eventuele veelheid van aan de man/vrouw gebrachte telefoonabonnementen is dit evenmin; - de verwijzingen van appellant naar door enkele andere personeelsleden van geïntimeerde mogelijk begane andere feiten (geen gelijkaardige feiten) ontsnappen aan de beoordeling van het rechtscollege, en zijn te dezen evenmin dienend; het is uiteraard niet het gedrag van andere personen dat hier moet worden onderzocht, maar wel de ten laste van appellant vastgestelde handelwijze; - het bewijs is afdoende geleverd dat appellant er op systematische wijze naar streefde om telefoonabonnementen te slijten terwijl hij in dienst van geïntimeerde zorgbehoevenden bezocht en dat hij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan (zie hoger, V.b.3. en V.b.4); een ruimer bewijs (of bewijsaanbod) van de zijde van geïntimeerde is vanuit deze optiek niet vereist; - de door appellant bijgebrachte verklaringen van een aantal door hem bezochte zorgbehoevenden zijn de facto als complaisance- of als sympathieverklaringen te beschouwen, en ze doen als zodanig geen enkele afbreuk aan de ten laste van appellant vastgestelde tekortkoming; - de kwalificatie die appellant aan zijn handelwijze toebedeelt, zijnde die van een "inschattingsfout", doet geen afbreuk aan de door het hof daaromtrent toegepaste beoordeling; - de twee andere elementen waarnaar geïntimeerde verwees als verzwarende omstandigheid, moeten niet verder worden besproken of becommentarieerd aangezien de vastgestelde feitelijkheid (inzake het misbruik van functie) op zich volstaat ter verantwoording van een ontslag om dringende reden. 8. Het vonnis a quo, waarbij de lastens appellant vastgestelde tekortkoming inzake de verkoop van commerciële telefoonabonnementen tijdens de arbeidstijd voldoende zwaarwichtig werd verklaard en waarbij geïntimeerde gemachtigd werd om over te gaan tot het ontslag om dringende reden van appellant, wordt door het hof bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond. -oOo- O P D I E G R O N D E N, Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, tweede kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van 5 april 2006 van de arbeidsrechtbank te Hasselt. Verwijst appellant overeenkomstig de bepalingen van artikel 1017, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek in de kosten van huidige beroepsprocedure. Vereffent deze aan de zijde van appellant op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerde op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Laat deze onvereffend aan de zijde van de overige aanwezige partijen bij gebrek aan een neergelegde kostenopgave. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in de buitengewone openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: de heer P. C, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer H. M, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer L. U, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, mevrouw S. W, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060608.13 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010423.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.