id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060608.3 Rolnummer: 2003-0347 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-07-06 Raadplegingen: 237 - laatst gezien 2026-07-02 02:19 Fiches 1 - 2 Uit de stukken waarop het hof vermag acht te slaan blijkt niet dat geïntimeerde voor de eerste rechters de verjaring van de terugvordering heeft opgeworpen; zij heeft uitsluitend haar sociale en financiële toestand als middel om de terugvordering ongegrond te verklaren, laten gelden zodat dient besloten dat de eerste rechters het middel van de verjaring ambtshalve opwierpen in het bestreden vonnis. Het hof is van oordeel dat de eerste rechters dit in casu niet mochten. Immers conform artikel 2223 Burgerlijk Wetboek mag de rechter het middel van de verjaring niet ambtshalve toepassen tenzij in materies die de openbare orde raken. De regeling van de terugvordering van sociale uitkeringen is niet van openbare orde doch slechts van dwingend recht ten voordele van de sociaal verzekerde voor wie de verjaringsregeling in het leven werd geroepen. In casu is geïntimeerde in de procedure in hoger beroep niet verschenen en werden door haar ook geen beroepsbesluiten neergelegd waarin zij de verjaring voor het hof inroept. M.a.w. het feit dat de wetgeving inzake sociale zekerheid van openbare orde is, doet hieraan geen afbreuk; immers uit deze overweging kan niet afgeleid worden dat al deze wettelijke of reglementaire bepalingen een karakter van openbare orde bezitten; artikel 21 van de wet van 13 juni 1966 waarborgt m.n. enkel de bescherming van private belangen, van sommige categorieën van burgers in het kader van een sociaal stelsel dat het wil invoeren, en de openbare orde is bij toepassing ervan niet betrokken. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK Sociale zekerheid der werknemers - rust- en overlevingspensioen - terugvordering - verjaring - openbare orde - ambtshalve opgeworpen door eerste rechter - verstek in hoger beroep Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2223 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOEN Behoud van artikel 21 van de wet van 13 juni 1966 - verjaring van de terugvorderingstermijn van onverschuldigde betalingen - openbare orde - ambtshalve opgeworpen door eerste rechter - verstek in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 34 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Wet - 13-06-1966 - 21 - 03 ELI link Pub nr 1966061301 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 2223 en onder VII E - artikel 34 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2030341 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT JUNI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RVP, Met zetel te B. appellant, verschijnend bij mr. N. OZDEMIR loco mr. P. VANAGT, advocaat te 3600 Genk. tegen: M.P., wonende te H. geïntimeerde, niet verschijnend, noch iemand regelmatig voor haar. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 26 september 2003 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 2 oktober 2003 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 31 oktober 2003; - het tussenarrest d.d. 8 december 2005 inhoudende heropening der debatten en vaststelling van de zaak voor verdere behandeling op 27 april 2006; - de conclusies van appellant ontvangen ter griffie op 24 april 2006. Gehoord appellant in zijn middelen en voordracht zijner conclusies ter zitting van 27 april 2006. Geïntimeerde, alhoewel behoorlijk in kennis gesteld van datum van behandeling van de zaak, verschijnt niet noch iemand voor haar op de zitting van 27 april 2006; appellant vordert verstek, het hof verleent verstek. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. I. Feiten en voorafgaande rechtspleging De feiten en voorafgaande procedure werden reeds voldoende omstandig uiteengezet in het tussenarrest d.d. 8 december 2005 en behoeven hier geen herhaling; het hof verwijst naar het tussenarrest. Met dit tussenarrest werd het hoger beroep ontvankelijk verklaard doch alvorens over de grond van de zaak uitspraak te doen werd de heropening der debatten bevolen en de kosten aangehouden. Het hof wenste dat appellant vooreerst zou antwoorden op de door het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies ontwikkelde stelling dat de verjaring door de eerste rechters niet ambtshalve werd opgeworpen; verder wenste het hof de uitspraak af te wachten van het Hof van Cassatie inzake R.V.P./Gerits waarin de R.V.P. de berekening van de verjaringstermijn in een gelijkaardige zaak als huidige had aangekaart bij dit hoogste rechtscollege. Betreffende zaak zou behandeld worden op de zitting van het Hof van Cassatie d.d. 21 november 2005. (cfr. brief Mter Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie d.d. 31 oktober 2005). II. Ten gronde 1. Appellant werpt op dat de eerste rechters ten onrechte de schuldbetekening van 19 maart 2003 ingevolge verjaring vernietigd hebben; de arbeidsrechtbank te Hasselt zou ter zake niet gevat geweest zijn om hierover uitspraak te doen nu de verjaring door geïntimeerde noch in het verzoekschrift noch in conclusies werd opgeworpen m.a.w. de eerste rechters hebben ambtshalve de verjaring ingeroepen wat zij niet konden en mochten doen. 2. Het hof stelt vast dat geïntimeerde verhaal nam tegen de terugvorderingsbeslissing van appellant van 19 maart 2003 met een verzoekschrift gedateerd 27 maart 2003 en aangetekend verstuurd naar de griffie van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 28 maart 2003. Dit verzoekschrift luidt als volgt: "Ik, ondergetekende P M J geboren te S op 31-05-1936 wonende te H. Heb de eer beroep in te stellen tegen de vordering tot terugbetaling van ten onrechte uitbetaalde bedragen, die ik op ...bij aangetekend schrijven ontving van de RVP. Dit beroepschrift steunt op volgende gronden: Ik kan mijn schuld van 1.399,55 EUR niet terugbetalen wegens dokterskosten en herstelling aan mijn huis." Bij dit verzoekschrift is tevens een brief gevoegd van geïntimeerde waarin zij het volgende stelt: "Ik kan mijn schuld van 1.399,15 EUR in geen geval betalen. Ik ben heel erg ervan overstuur dat jullie mij zoveel af houw(d)en. Ik kan van dat geld niet meer bestaan ik moet iedere(
- n)maand naar de(
- n)dokter en moet pillen innemen die kosten ook geld, ik heb herstelling aan mijn huis dat is al van 1946 dus daar zijn ook kosten aan. ik hoop maar dat jullie mijn pensioen wat ik voorheen kreeg dat jullie mij maar laten houden anders kom ik heel erg in de problemen en dat nog op mijn leeftijd." (cfr. stuk 1, rechtsplegingsdossier arbeidsrechtbank Hasselt). 3. Nadat geïntimeerde bij schrijven van 4 april 2003 van de griffie van de arbeidsrechtbank Hasselt verwittigd werd dat de zaak op de zitting van 23 mei 2003 zou behandeld worden (stuk 3, rechtsplegingsdossier arbeidsrechtbank Hasselt) schrijft geïntimeerde met brief binnengekomen op de griffie d.d. 6 mei 2003 (cfr. datumstempel) het volgende: "Mijnheer, ik hoop maar dat ze mijn pensioen van voorheen laten hou(w)den 671,62 EUR. Me maar 522,29 EUR meer ik heb kosten aan huis en ook dokterskosten." (stuk 4, rechtsplegingsdossier arbeidsrechtbank Hasselt). 4. Blijkens het zittingsblad is geïntimeerde in persoon op de pleitzitting d.d. 23 mei 2005 aanwezig waar zij verklaart "dat het beroep gericht is tegen zowel de herzieningsbeslissing van 5 december 2002 als de terugvorderingsbeslissing van 19 maart 2003". De zaak wordt op verzoek van partijen voor pleidooien verwezen naar de zitting van 27 juni 2003. (stuk 10, rechtsplegingsdossier arbeidsrechtbank Hasselt). Op de zitting van 27 juni 2003 verschijnt geïntimeerde opnieuw in persoon. De zaak wordt gepleit, de rechtbank sluit de debatten en hoort het openbaar ministerie in het mondeling advies. Geïntimeerde repliceert op het advies en de rechtbank stelt de zaak voor uitspraak op de zitting van 26 september 2003. (cfr. vermeldingen op het zittingsblad arbeidsrechtbank Hasselt - stuk 10, rechtsplegingsdossier arbeidsrechtbank Hasselt). 5. Uit de stukken waarop het hof vermag acht te slaan blijkt niet dat geïntimeerde voor de eerste rechters de verjaring van de terugvordering heeft opgeworpen; zij heeft uitsluitend haar sociale en financiële toestand als middel om de terugvordering ongegrond te verklaren, laten gelden zodat dient besloten dat de eerste rechters het middel van de verjaring ambtshalve opwierpen in het bestreden vonnis. 6. Het hof is van oordeel dat de eerste rechters dit in casu niet mochten. Immers conform art. 2223 B.W. mag de rechter het middel van de verjaring niet ambtshalve toepassen tenzij in materies die de openbare orde raken. (Cass., 25 september 1970, R.W. 1970-71, 845 en Cass., 21 januari 1993, Arr. Cass. 1993, 88). De regeling van de verjaring van de terugvordering van sociale uitkeringen is niet van openbare orde doch slechts van dwingend recht ten voordele van de sociaal verzekerde voor wie de verjaringsregeling in het leven werd geroepen. (A. Lindemans, Verjaring in het socialezekerheidsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1994, 33). Voormelde auteur zegt hierover verder nog het volgende: "Het wordt niet betwist dat de sociale zekerheid en de verschillende sociale-zekerheids-reglementeringen in hun totaliteit van openbare orde zijn. Deze wetgeving en stelsels raken ongetwijfeld de essentiële collectieve belangen en regelen voor hun deel de fundamentele juridische grondslagen waarop de economische, morele en sociale orde van de samenleving rust. (...) Doch uit het openbare-orde-karakter van de sociale-zekerheidswetgeving en sommige van haar bepalingen, vloeit niet noodzakelijk voort dat alle bepalingen, onder meer deze over de verjaring van de vorderingen in verband met de bijdragen en sociale-zekerheidsprestaties, van openbare orde zouden zijn. Evenmin kan uit de vaak in de sociale zekerheid specifiek ingevoerde korte verjaringstermijnen automatisch worden afgeleid dat de wetgever in die regeling de belangen en de bescherming van de collectiviteit voor ogen heeft gehouden. De vraag naar het openbare-orde-karakter van de verjaring in de sociale zekerheid, is dan ook een onderzoek naar het concept en de bedoeling van de wetgever bij het instellen van het bijzonder verjaringsregime. Naar aanleiding van een analyse van de aard van de verjaring van de terugvordering van onverschuldigd betaalde pensioenprestaties in het kader van artikel 21 van de Wet van 13 juni 1966, heeft men op fundamentele wijze gepoogd te achterhalen of de verjaringsregeling van de terugvordering van onverschuldigde sociale-zekerheidsprestaties in het algemeen en, in het bijzonder, voor de onverschuldigde prestaties in de pensioensector, al dan niet de openbare orde raakt. Men kwam tot de bevinding dat de verjaring van de terugvordering van sociale-zekerheidsprestaties niet de bescherming van collectieve belangen, maar van welbepaalde privé-belangen nastreeft, met name deze van de sociaal verzekerde." (A. Lindemans o.c. p. 32 en 33). En verder op pagina 408 meer specifiek i.v.m. de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde pensioenen stelt deze auteur ook nog het volgende: "Sommige auteurs hebben op een grondige wijze gepoogd de aard van deze verjaringsregeling te achterhalen. Zij onderzochten of de verjaringsregeling van de terugvordering van onverschuldigde sociale prestaties, in het algemeen en het verjaringsregime van de terugvordering van onverschuldigde pensioenprestaties, bedoeld in artikel 21 van de Wet van 13 juni 1966, in het bijzonder, al dan niet tot de openbare orde behoort. Hun onderzoek leidde tot het besluit dat de regeling van de verjaring van de terugvordering van sociale prestaties en dus ook de verjaringsregeling van de terugvordering in de pensioensector, in principe, behoudens een afwijkende wil van de wetgever, niet van openbare orde is, maar slechts van dwingend recht ten voordele van diegenen voor wie de betrokken verjaringsregeling in het leven werd geroepen, in casu de pensioengerechtigde, schuldenaar van het onverschuldigd uitbetaalde pensioen." (A. Lindemans o.c., p. 408). En tot slot zegt de auteur op pag. 415 het volgende: "De verjaring van de terugvordering raakt de openbare orde niet maar is wel dwingend ten voordele van de schuldenaar van het onverschuldigde. De verjaring kan derhalve niet ambtshalve door de rechter worden opgeworpen, doch zij mag wel, overeenkomstig artikel 2224 van het Burgerlijk Wetboek, door de betrokken partij voor het eerst in hoger beroep worden voorgedragen." (A. Lindemans o.c., p. 415). In casu is geïntimeerde in de procedure in hoger beroep niet verschenen en werden door haar ook geen beroepsbesluiten neergelegd waarin zij de verjaring voor het hof inroept. M.a.w. het feit dat de wetgeving inzake sociale zekerheid van openbare orde is, doet hieraan geen afbreuk; immers uit deze overweging kan niet afgeleid worden dat al deze wettelijke of reglementaire bepalingen een karakter van openbare orde bezitten; artikel 21 van de wet van 13 juni 1966 waarborgt m.n. enkel de bescherming van private belangen van sommige categorieën van burgers in het kader van een sociaal stelsel dat het wil invoeren, en de openbare orde is bij de toepassing ervan niet betrokken. (Arbeidshof Bergen, 12 juli 1976, in TRINE, REYNDERS, Sociale Rechtspraak, II Sociaal zekerheidsrecht en aanverwante rechtstakken, p. 863; J. LECLERCQ, De terugvordering van de onverschuldigde betaling in het sociale-zekerheidsrecht, BTSZ, 1976, p. 46, noot 138). Het hof verwijst verder naar het Lexicon Sociaal Procesrecht, vademecum soc. rechters, uitgegeven door Prof. Dr. W. Van Eeckhoutte welke op pagina 12 onder nr. 14, 2e alinea het volgende stelt: "Volgens rechtspraak en doctrine moet immers de verjaring van de terugvordering niet ambtshalve worden opgeworpen omdat zij slechts het belang van de sociaal verzekerde beschermt." Tenslotte verwijst het hof naar een arrest van het arbeidshof Brussel d.d. 8 april 1993 inzake R.V.P./B., AR. 26775 (niet gepubliceerd) waarin het hof stelt dat art. 2223 van het B.W. uitdrukkelijk bepaalt dat de rechter het middel van verjaring niet ambtshalve mag toepassen en naar een arrest van het arbeidshof Gent d.d. 14 december 1994 (J.T.T., 1995, 347) waarin dit hof m.b.t. de verjaringstermijn voorzien in art. 174, ,§ 1, 5° Z.I.V. - Wet aangeeft dat deze niet van openbare orde is en dat de rechter die niettemin die verjaringstermijn ambtshalve opwerpt en op grond daarvan de door het ziekenfonds ingestelde vordering tot terugbetaling van ten onrechte uitgekeerde prestaties afwijst, de vermelde wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen geschonden heeft, welke laatste uitspraak mutatis mutandis ook kan gelden voor terugvordering van pensioen, zoals in casu. 7. Enkel volledigheidshalve merkt het hof op dat zelfs indien geïntimeerde de verjaring van de terugvordering had opgeworpen voor de eerste rechters dan nog deze niet hadden kunnen beslissen dat deze terugvordering verjaard is. Artikel 21, ,§ 3, 1ste lid van de wet van 13 juni 1966, bepaalt dat de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde prestaties verjaart door verloop van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd. Artikel 21, ,§ 3, 2e lid voorziet dat, wanneer de onverschuldigde uitbetaling haar oorsprong vindt in de toekenning of de verhoging van een buitenlands voordeel of van een voordeel in een andere regeling dan deze bedoeld in ,§ 1, de terugvordering verjaart door verloop van zes maanden te rekenen vanaf de datum van de beslissing die de voornoemde voordelen toekent of verhoogt. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest d.d. 21 november 2005 inzake R.V.P./Gerits Leo, A.R. S.05.0076.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051121.16/1 geoordeeld dat de wetgever de bijzondere aanvangsdatum van de verjaringstermijn voorzien in artikel 21, ,§ 3, 2de lid uitsluitend bepaald heeft ten aanzien van onverschuldigde betalingen daterend van vóór de kennisgeving van de buitenlandse beslissing aan het betalend organisme, en dat voor latere onverschuldigde betalingen de algemene regel van het eerste lid van artikel 21, ,§ 3 van toepassing blijft. In casu maakte de Sociale Verzekeringsbank te Utrecht op 4 mei 2001 de buitenlandse beslissing aan de R.V.P. en aan geïntimeerde over. (zie antwoord Sociale Verzekeringsbank d.d. 4 juli 2005 op schriftelijke vraag van het O.M. d.d. 29 april 2005 - stuk 3, dossier neergelegd door auditoraat-generaal ter griffie van het hof d.d. 25 augustus 2005). Appellant heeft op 5 december 2002 de verbeterde beslissing betekend waarbij het voorheen toegekende bedrag van het rustpensioen werd verminderd en heeft aldus de verjaring gestuit (toepassing van artikel 21, ,§ 4 van de wet van 13 juni 1966); vervolgens werd de schuld aan geïntimeerde betekend bij administratieve beslissing van 19 maart 2003; bijgevolg kunnen krachtens artikel 21, ,§ 2, 1ste lid, alle bedragen die ten onrechte waren uitbetaald na 5 juni 2002 worden teruggevorderd, hetzij concreet de pensioenbetalingen met betrekking tot de maanden juni 2002 tot en met februari 2003. Appellant heeft in de bestreden beslissing van 19 maart 2003 de terugvordering inderdaad beperkt tot de periode van juni 2002 tot februari 2003, zodat deze beslissing correct is. 8. Door geïntimeerde, die in de beroepsprocedure verstek laat gaan, wordt het oorspronkelijk verweer m.n. de argumentatie dat zij het bedrag van 1.399,15 EUR niet kan betalen en het verzoek om het pensioen dat zij kreeg te mogen behouden, niet herhaald. Dit verweer is overigens ook niet van aard om de terugvordering van appellant als ongegrond af te wijzen. De arbeidsgerechten zijn niet bevoegd om kwijtschelding van schuld te verlenen. Alleen de Raad voor uitbetaling van de voordelen van appellant is bevoegd zich uit te spreken over de kwijtschelding van schuld (art. 60 bis, ,§ 2, lid 4, cfr. K.B. 50). Door geïntimeerde werd op 27 maart 2003 een verzoek om kwijtschelding van de terugvordering ingediend bij de bevoegde instantie, doch dit werd door deze verworpen bij beslissing d.d. 17 juni 2003. Tegen zulke beslissing bestaat geen verhaal bij de arbeidsrechtbank die enkel kennis neemt van de betwisting der rechten. (Cass., 22 maart 1999, J.T.T., 1999, 317). Het hoger beroep is gegrond. O M D E Z E R E D E N E N: Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, vierde kamer, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. NELISSEN, Advocaat-generaal, in zijn mondeling advies op de openbare terechtzitting van 27 april 2006, waarop appellant niet wenste te repliceren. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak opzichtens appellant en bij verstek opzichtens geïntimeerde. Het tussenarrest d.d. 8 december 2005 verder uitwerkend. Verklaart het hoger beroep gegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 26 september 2003. En opnieuw rechtdoende. Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt de administratieve beslissing van appellant d.d. 19 maart 2003. Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van de schuld aan appellant ten bedrage van 1.399,15 EUR. Verwijst appellant in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Laat deze kosten onvereffend in hoofde van beide partijen bij gebrek aan afgifte van kostenstaten. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend en zes PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060608.3 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051121.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div