id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060612.5 Rolnummer: 2004-0659 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-10-19 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-01 04:35 Fiche De vrachtwagenchauffeur die vergoeding vraagt voor de beroepsziekte, gekend onder code 1.605.012 (lijstensysteem), met name been- en gewrichtsziekten veroorzaakt door mechanische trillingen of vibrerende instrumenten, moet naast de ziekte, de blootstelling aan het beroepsrisico bewijzen. Dit vergt het bewijs van een meer dan gewone blootstelling, die volgens algemeen aanvaarde medische inzichten van aard was om de ziekte te veroorzaken. Hierbij kunnen de door de Technische Raad opgestelde blootstellingscriteria door de rechter in aanmerking worden genomen, wanneer er geen aanleiding is tot bijsturing omwille van de concrete omstandigheden waarin de persoon zich bevond. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Beroepsziekte - Fonds voor beroepsziekten Vrije woorden: beroepsrisico's - beroepsziekten in de privé sector - schade en schadeloosstelling - blootstelling aan beroepsrisico en vermoeden - lijst erkende beroepsziekten - vrachtwagenchauffeur - blootstelling vaan het beroepsrisico van mechanische trillingen - bewijs - blootstellingscriteria technische raad FBZ Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 03-06-1970 - 32 - 02 ELI link Pub nr 1970060309 Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 4, blz. 209-211 Tekst van de beslissing Zevende kamer Eindarrest op tegenspraak Beroepsziekten ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2040659 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWAALF JUNI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: CH, wonende te , appellant, verschijnend bij mr. D. De Bock, advocaat te Antwerpen, tegen: FBZ, met zetel te , geïntimeerde, verschijnend bij mr. L. Versluys, advocaat te Leuven. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de processen-verbaal d.d. 2 november 2004, 28 november 2005 en 8 mei
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - de dagvaarding uitgaande van CH, betekend door S. Massa, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van R. De Valck, gerechtsdeurwaarder te Elsene, op 13 maart 2003 aan het FBZ, geïntimeerde; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 23 december 2003 van de arbeidsrechtbank te Turnhout, waarbij de vordering ontvankelijk werd verklaard, doch vooraleer recht te doen ten gronde Dr. M. Lissens werd aangesteld als geneesheer-deskundige; - het definitief deskundig verslag van Dr. M. Lissens, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout d.d. 15 april 2004; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 14 september 2004 van de arbeidsrechtbank te Turnhout (A.R. 75.692), waarvan geen bewijs van betekening werd bijgebracht; - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van appellant, CH, neergelegd ter griffie van dit hof op 14 oktober 2004 en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; - de conclusie voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit hof op 20 januari 2005; - de conclusie voor appellant, ontvangen ter griffie van dit hof op 15 februari 2005; - de tweede conclusie voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit hof op 30 mei
- Gelet op de regelmatige oproeping van partijen overeenkomstig artikel 750, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting van 28 november 2005, waarop de zaak werd uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 8 mei
- De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 8 mei 2006, waarna de debatten werden gesloten en het hof de zaak in beraad nam.
- Ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.
- Feiten en voorgaanden. CH, geboren op 4 februari 1956, heeft eerst als arbeider gedurende 3 jaar gewerkt in een schoenfabriek in Nederland; vanaf ( 1978 was hij werkzaam als vrachtwagenchauffeur bij de firma VG te Ravels, nadien bij de firma C te Wijnegem waarbij gedurende 1,5 jaar transport werd gedaan in de wegenbouwsector en nadien met de bulkwagen in de Benelux tot
- Vanaf 15 oktober 1990 tot 2001 was hij werkzaam bij carrosserie VD te Merksplas als arbeider - monteur, alle werk, inclusief vrachtwagentransport. Vanaf 2001 is hij op de mutualiteit ingevolge een rugoperatie d.d. 11 januari 2001, en staat nog steeds op invaliditeit (cfr. deskundig verslag Dr. M. Lissens, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 15 april 2004, p. 1). Op 23 november 2001 deed CH een aanvraag bij het FBZ om schadeloosstelling voor een ziekte die voorkomt op de Belgische lijst der erkende beroepsziekten, gekend onder code 1.605.012 (been- en gewrichtsziekten ten gevolge van mechanische trillingen of vibrerende instrumenten). Zijn aanvraag werd bij beslissing van het FBZ d.d. 28 augustus 2002 verworpen en niet gegrond verklaard om volgende redenen: "U werd niet blootgesteld aan het risico van een beroepsziekte gedurende de gehele periode of een gedeelte van de periode dat u behoorde tot één van de categorieën van personen bedoeld in artikel 2 van de gecoördineerde wetten. (Artikel 32 van de gecoördineerde wetten)." De blootstelling aan het risico beantwoordde volgens het FBZ niet aan de criteria vastgesteld door de Technische Raad, zodat betrokkene niet is aangetast door een beroepsziekte; volgens het FBZ werd CH niet blootgesteld aan het beroepsrisico van mechanische trillingen ter hoogte van de rug (S.1.605.012). CH kon met voormelde beslissing van het FBZ niet akkoord gaan en werd daarin gesteund door zijn behandelend arts (Dr. J. Michielsen); hij dagvaardde het FBZ op 13 maart 2003 voor de arbeidsrechtbank te Turnhout. Bij tussenvonnis van 23 december 2003 van de arbeidsrechtbank te Turnhout werd de vordering ontvankelijk verklaard, doch alvorens verder recht te doen ten gronde werd Dr. M. Lissens aangesteld als geneesheer - deskundige met de volgende opdracht: "Mits naleving van de artikels 962 tot 991 van het Ger.W.; - kennis te nemen van alle geneeskundige getuigschriften en andere nuttige stukken; - partijen en hun raadslieden bij aangetekende brief op te roepen, alsook hun eventuele medische en technische raadgevers, het slachtoffer te onderzoeken, zijn toestand te omschrijven, en zijn advies te geven over de vraag of de aandoening waaraan eiser lijdt het gevolg kan zijn van zijn blootstelling aan mechanische trillingen of vibrerende instrumenten, in voorkomend geval de criteria te bepalen om van een beroepsrisico te kunnen spreken; - zich hiervoor desnoods vooraf advies te laten geven door een technisch adviseur, om te onderzoeken of de blootstelling van eiser aan deze criteria voldoet; - zijn advies te geven over de arbeidsongeschiktheid die eventueel door de vergoedbare beroepsziekte werd veroorzaakt, met aanduiding, binnen de termijn van artikel 35 van de wet, van haar begindatum en duur, graad, tijdelijk en/of blijvend karakter; - te antwoorden op alle nuttige vragen door partijen te stellen; - zijn verslag in voorlezing aan partijen en raadslieden toe te sturen; - hun gebeurlijke aanmerkingen te beantwoorden in een aanvullend verslag." Dr. M. Lissens kwam in zijn definitief deskundig verslag, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout, d.d. 15 april 2004, tot de volgende bespreking en besluit: "De heer CH werd tijdens zijn beroepsloopbaan blootgesteld aan mechanische trillingen vanaf ( 1978 tot (
- Wat betreft de criteria om van beroepsrisico te kunnen spreken, dienen deze trillingen zich te situeren in het frequentiegebied gelegen tussen 1 en 20 Hz en overgedragen te worden langs het zitvlak in zittende houding. De versnellingen van de trillingen moeten binnen het frequentiegebied tussen 4 en 8 Hz (schadelijke zone) tenminste 1 m/sec² bereiken gedurende een gemiddelde van 4 uren per dag met een blootstellingsduur van minstens 5 jaar of 1.000 uur per jaar. Uit metingen met vrachtwagens van bouwjaar 1952 tot 1954 blijkt dat vooral de ondergrond waarop deze vrachtwagens rijden trillingsintensiteiten van meer dan 1 m/sec² veroorzaken doch zelfs bij het rijden met zeer slecht uitgeruste vrachtwagens met slechte vering op een geasfalteerde of gebetonneerde ondergrond ligt de trillingsintensiteit beneden de 1 m/sec². Het zijn dus vooral bestuurders van graafwerktuigen, grondbewerkingsmachines en dergelijke meer die blootgesteld worden aan trillingsintensiteiten die groter zijn dan de minimale trillingsintensiteiten in de voornoemde criteria vooropgesteld om van een beroepsrisico te kunnen spreken. De heer CH reed gedurende 1,5 jaar voltijds in de wegenbouwsector met een vrachtwagen. Doch bij het transport met bulkwagen van ( 1980 tot ( 1989 werd vooral transport verricht met bulkwagen op de openbare wegen in de Benelux - landen. Wel werd er toen gelost en geladen en korte afstanden gereden op bouwterrein maar in elk geval gedurende minder dan 4 uur per dag, zodat er onvoldoende blootstelling was aan trillingsintensiteiten om van een beroepsrisico te kunnen spreken. De aandoeningen waaraan de heer CH lijdt, met name discuslijden van de lumbale wervelkolom, alsook reumatisch systeemlijden, zijn dus geen gevolg van blootstelling aan mechanische trillingen of vibrerende instrumenten in staat om lumbale trillingsartrose te kunnen veroorzaken." De eerste rechters bevestigden het deskundig verslag van Dr. M. Lissens, verklaarden bij eindvonnis van 14 september 2004 de vordering van CH ongegrond en verwezen het FBZ in de kosten van het geding. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof d.d. 14 oktober 2004 tekende CH hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van 14 september
- Eisen in hoger beroep: - CH, appellant, vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en in hoofdorde, vooraleer verder ten gronde te beslissen, een arbeidsgeneesheer aan te stellen met de opdracht de begindatum van de beroepsziekte en de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid te bepalen. In ondergeschikte orde vordert hij de aanstelling van een college van deskundigen, bestaande uit een industrieel ingenieur teneinde de blootstelling te onderzoeken en een arbeidsgeneesheer teneinde zijn advies te geven over de fysieke gevolgen van deze blootstelling. Tenslotte vordert hij het FBZ te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep. - Het FBZ, geïntimeerde, vordert bij besluiten, ontvangen ter griffie van dit hof op 20 januari 2005 en 30 mei 2005, de vordering van appellant af te wijzen als ongegrond en over de kosten uitspraak te doen als naar recht.
- Beoordeling door het hof: In voorliggend geval dient het hof te oordelen of CH voldoet aan de voorwaarden tot het bekomen van de vergoedingen van de beroepsziekte gekend onder code 1.605.012 (lijstensysteem), met name been- en gewrichtsziekten veroorzaakt door mechanische trillingen of vibrerende instrumenten. Tot 16 november 2002 werden de beroepsziekten veroorzaakt door mechanische trillingen in het lijstensysteem opgenomen onder de ziektecode 1.605.01 en 1.605.02, met name: * 1.605.01: been- en gewrichtsziekten; * 1.605.02: agioneurotische ziekten; veroorzaakt door vibrerende instrumenten. Door het K.B. van 2 augustus 2002 werd de beroepsziekte met code 1.605.01, been- en gewrichtsziekten, veroorzaakt door vibrerende instrumenten, opgesplitst in twee verschillende omschrijvingen: * 1.605.11: been- en gewrichtsaandoeningen van de bovenste ledematen veroorzaakt door mechanische trillingen; * 1.605.12: aandoeningen van de lendenwervelzuil met voortijdig optredende degeneratieve afwijkingen veroorzaakt door mechanische trillingen die via het zitvlak op het lichaam worden overgedragen. De code 1.605.02 werd omschreven als agioneurotische aandoeningen van de bovenste ledematen veroorzaakt door mechanische trillingen. Dit K.B. werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 november 2002 en kreeg aldus uitwerking op 17 november
- Ingevolge het K.B. van 27 december 2004, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 februari 2005, met uitwerking op 19 februari 2005, werden volgende wijzigingen aangebracht: * het codenummer 1.605.11 werd vervangen door codenummer 1.605.01: been- en gewrichtsaandoeningen van de bovenste ledematen veroorzaakt door mechanische trillingen; * het codenummer 1.605.12 werd geschrapt; * het codenummer 1.605.03 werd toegevoegd, met name: geobjectiveerd mono- of polyradiculair syndroom in de vorm van ischias, cauda-equina-syndroom of lumbaal spinale stenosesyndroom: o ten gevolge van degeneratieve discushernia veroorzaakt door het tillen van zware lasten of door mechanische trillingen die via het zitvlak op het lichaam worden overgedragen op voorwaarde dat het radiculair syndroom zich voordoet tijdens de blootstelling aan het beroepsrisico of uiterlijk één jaar na het beëindigen ervan, of o ten gevolge van voortijdige degeneratieve spondylose - spondylarthrose op het niveau van L4-L5 of L5-S1, veroorzaakt door het tillen van zware lasten of door mechanische trillingen die via het zitvlak op het lichaam worden overgedragen. Volledigheidshalve weze opgemerkt dat de code 1.605.02 werd behouden. In casu werd een vergoeding gevraagd voor CH voor de beroepsziekte gekend onder code 1.605.012 (discartrose) (cfr. medisch getuigschrift te voegen bij de aanvraag om schadeloosstelling voor een beroepsziekte - administratief dossier F.B.Z. - blauwe kaft, ingevuld door Dr. J. Michielsen). Het FBZ besliste op 28 augustus 2002 dat CH niet werd blootgesteld aan het risico van de beroepsziekte. CH daarentegen meent dat hij wel werd blootgesteld aan het beroepsrisico (mechanische trillingen ter hoogte van de rug) en argumenteert dat de blootstellingscriteria zoals vooropgesteld door de Technische Raad van het FBZ niet bindend zijn, gezien zij geen enkele wettelijke basis hebben. Overeenkomstig artikel 32, eerste lid van de Beroepsziektenwet (K.B. van 3 juni 1970 houdende coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de beroepsziekten) is het bewijs van een beroepsziekte geleverd indien een persoon bewijst te zijn getroffen door een ziekte uit de beroepsziektenlijst en daarenboven aantoont beroepshalve blootgesteld te zijn geweest aan het beroepsrisico van die ziekte. Het oorzakelijk verband tussen de ziekte en de risicoblootstelling wordt dan onweerlegbaar vermoed, wat betekent dat de getroffene niet moet bewijzen dat in zijn geval de concrete blootstelling de werkelijke en exclusieve oorzaak is van de ziekte. Toch moet de betrokkene nog wel aantonen dat hij getroffen werd door een ziekte voorkomend op de lijst en dat hij blootgesteld is geworden aan een beroepsrisico dat van die aard is de beroepsziekte te kunnen veroorzaken. Sinds de Programmawet van 21 december 1994 geldt een wettelijke omschrijving van de blootstelling aan een beroepsrisico. Overeenkomstig artikel 32, tweede lid van de Beroepsziektenwet is er sprake van een beroepsrisico: "indien de blootstelling aan de schadelijke invloed inherent is aan de beroepsuitoefening en beduidend groter is dan de blootstelling van de bevolking in het algemeen, en indien deze blootstelling wegens algemeen aanvaarde medische inzichten, van aard is om de ziekte te veroorzaken." De blootstelling aan mechanische trillingen moet gedurende de ganse periode of een deel van de periode van de beroepsloopbaan worden aangetoond, conform artikel 32 van de Beroepsziektenwet. Een eenvoudige blootstelling is dus niet genoeg: de getroffene moet bewijzen dat hij door zijn beroepsactiviteit (vrachtwagenchauffeur van ( 1978 tot
(1990)meer dan gewoon, dit is beduidend meer dan de bevolking in het algemeen, aan de schadelijke invloed blootgesteld werd, en dat deze blootstelling (mechanische trillingen) volgens algemeen aanvaarde medische inzichten van aard was om de ziekte te veroorzaken. De blootstellingscriteria opgesteld door de Technische Raad van het FBZ hebben geen wettelijke bindende waarde, doch zij kunnen niet zomaar opzij geschoven worden en vormen een advies naar de rechter toe, gezien zij door verscheidene wetenschappelijke deskundigen werden uitgewerkt en aldus algemeen aanvaarde medische inzichten verwoorden. Artikel 32, tweede lid van de Beroepsziektenwet schrijft overigens voor dat de blootstelling van die aard moet zijn dat zij volgens "algemeen aanvaarde medische inzichten" de beroepsziekte kan veroorzaken. Als "algemeen aanvaarde medische inzichten" kunnen de door de Technische Raad opgestelde blootstellingscriteria dan ook door de rechter in aanmerking worden genomen wanneer zij in het concrete geval waarover de rechter uitspraak moet doen, kunnen toegepast worden. Het hof stelt vast dat zulks in casu het geval is wat betreft de blootstellingscriteria (mechanische trillingen), zonder dat er aanleiding toe bestaat deze criteria bij te sturen wegens de concrete omstandigheden waarin appellant zich bevond en zoals deze tot uiting komen in het deskundig verslag van Dr. M. Lissens. De gerechtsdeskundige is op grond van de door de Technische Raad vooropgestelde blootstellingscriteria tot zijn onder punt 2 aangehaalde besluit gekomen. Het hof is van oordeel dat de gerechtsdeskundige de blootstellingscriteria van de Technische Raad aldus correct heeft getoetst. Het hof sluit zich aan bij de bevindingen van Dr. M. Lissens. Er bestaat dan ook geen aanleiding toe gevolg te geven aan het verzoek van appellant om een college van deskundigen aan te stellen, samengesteld uit een industrieel ingenieur en een arbeidsgeneesheer. Aan de hand van het voorliggend deskundig verslag van Dr. M. Lissens kan worden besloten dat CH niet werd blootgesteld aan het beroepsrisico (mechanische trillingen), zodat hij faalt in zijn bewijslast hieromtrent. Zodoende voldoet hij niet aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op de vergoedingen van de beroepsziekte in het lijstensysteem waarvoor hij zijn aanvraag indiende bij het FBZ. Het hoger beroep komt ongegrond voor. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout d.d. 14 september 2004 (A.R. 75.692). Verwijst geïntimeerde in de kosten van het hoger beroep overeenkomstig artikel 53, lid 2 van de Beroepsziektenwet (K.B. van 3 juni 1970 houdende coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de beroepsziekten). Vereffent deze kosten aan de zijde van appellant op 59,49 EUR uitgavenvergoeding en 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding. Laat de kosten aan de zijde van geïntimeerde onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegroting. Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van twaalf juni tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, R. VAN TRIEST, raadsheer in sociale zaken als werkgever, aangewezen bij beschikking d.d. 12 juni 2006 door mevrouw M. Zegers, raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer M. VAN GORP, raadsheer in sociale zaken als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (artikel 779 Ger.W.), P. HEYKANTS, raadsheer in sociale zaken als werknemer, P. DEVOCHT, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060612.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div