id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060614.11 Rolnummer: 2001-0750 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2006-10-19 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-07-01 14:58 Fiches 1 - 2 Na de kennisgeving van het ontslag kunnen werkgever en werknemers rechtsgeldig een regeling treffen m.b.t. hun wederzijdse rechten en verplichtingen voortspruitend uit de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan. Uit de bewoordingen van de overeenkomst die partijen in casu na het ontslag hebben gesloten blijkt dat de werknemer rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht op betaling van de vergoeding voor de toepassing van een concurrentiebeding, zoals bedongen in de individuele arbeidsovereenkomst. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN einde van de overeenkomst - kwijting voor saldo van rekening - afstand van recht. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 42 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Concurrentiebeding Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . BEDIENDEN einde van de overeenkomst - concurrentiebeding - afstand van recht. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 42 en onder II CN - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 7, blz. 430-433 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2010750 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN ZES C. V., wonende te, appellant vertegenwoordigd door mr. I. THEUNIS loco mr. F. TILLEMAN, advocaat te 2000 Antwerpen, tegen : NV C-M, met maatschappelijke zetel gevestigd te geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. J. NIETVELT, advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 10 mei
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 januari 2002 en 10 mei
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 2 oktober 2001 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 5 december 2001; x de conclusie van de NV, hierna genoemd de NV, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 12 november 2002; x de beschikking d.d.15 december 2005 overeenkomstig artikel 747 ,§2 Ger.W.; x de conclusie van de heer C.V. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 31 januari
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 21 november 2000, vorderde de heer C.V. de veroordeling van de NV tot betaling van een bedrag van 3.293.217,75 BEF als vergoeding wegens toepassing van het niet-concurrentiebeding en te vermeerderen met de vergoedende en gerechtelijke intrest. Bij vonnis van 2 oktober 2001 werd de vordering van de heer C.V. ontvankelijk doch ongegrond verklaard. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de heer C.V. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen, vervolgens de oorspronkelijke vordering van de heer C.V. in betaling van een bedrag van 81.636,72 EUR als vergoeding wegens toepassing van het niet-concurrentiebeding gegrond te verklaren. Bij conclusie ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 12 november 2002 vorderde de NV het vonnis a quo te bevestigen. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten Op basis van de neergelegde stukken aanvaardt het arbeidshof de volgende feitelijke elementen als bewezen: Op 27 november 1998 sloten partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.(stuk 1 dossier NV) Deze overeenkomst bevat in artikel 10.
- een concurrentiebeding dat als volgt werd gelibelleerd: "De Heer C.V. gaat ermee akkoord dat gedurende de duur van deze overeenkomst en voor een periode van 12 (twaalf) maanden na beëindiging van zijn tewerkstelling bij C.-M. of enige andere Geäffilieerde Onderneming hij niet zal a. in de andere landen waar C.-M. zaken deed in de 12 (twaalf) maanden die aan de beëindiging van deze overeenkomst voorafgaan, de leiding geven over, uitbaten , tewerkgesteld worden door, deelnemen aan, advies geven aan, of de controle voeren over enige andere activiteit in concurrentie met de activiteiten uitgevoerd door C.-M. of in concurrentie met zo'n activiteiten zoals uitgevoerd door de belangenopvolger van één van hen (hierin bepaald als 'Activiteit van de werkgever'). b. enige activiteit direct of indirect onttrekken of een poging ondernemen om te onttrekken aan enige 'Activiteit van de werkgever' in dewelke deze zich actief zullen geëngageerd hebben gedurende de periode van deze overeenkomst, noch rechtstreeks of onrechtstreeks tussenkomen of pogingen ondernemen om tussen te komen in hun relaties met klanten of bevoorradingsbronnen. c. rechtstreeks of onrechtstreeks tussenkomen of pogingen ondernemen om tussen te komen in de verhoudingen werkgever-werknemer of principaal agent van enige persoon die in zo'n relatie staat met één van de Geäffilieerde Ondernemingen; noch enige poging ondernemen om zo'n persoon uit de tewerkstelling door of het representatieverband bij één van de Geäffilieerde Ondernemingen weg te lokken. Het is verstaan dat paragraaf 10.
- hierboven ook toepasselijk zal zijn indien deze overeenkomst beëindigd wordt door C.-M. zonder ernstig foutief gedrag van de kant van de Heer C.V.. Na beëindiging van deze overeenkomst, zal C.-M. als tegenprestatie voor het naleven van clausule a. van paragraaf 10.
- hierboven een vergoeding betalen gelijk aan 6 (zes) keer de bruto vergoeding die C.-M. aan de Heer C.V. zal betalen gedurende de maand welke de dag van de beëindiging van deze overeenkomst voorafgaat. Indien C.-M. van de toepassing van clausule a. van paragraaf 10.2 hierboven afstand zou doen binnen een periode van 15 (vijftien) dagen na de beëindiging van deze overeenkomst, dan zal deze vergoeding niet verschuldigd zijn. Indien de Heer C.V. het huidige niet-concurrentiebeding zou schenden, dan zal hij de vergoeding moeten terugbetalen die hem was betaald door C.-M. en daarenboven zal hij een bijkomend bedrag moeten betalen aan C.-M. gelijk aan de hierboven bepaalde vergoeding. Niettegenstaande het voorgaande, zal C.-M. gerechtigd zijn om bijkomende schadevergoeding te eisen in geval zulke schade kan bewezen worden door C.-M.. (stuk 1 dossier van de NV) De heer C.V. vatte zijn arbeidsprestaties aan op 15 januari 1999.(stuk 3 dossier de heer C.V.) Op 1 maart 2000 deelde de NV aan de heer C.V. mondeling haar beslissing mee om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst. (zie aanhef dadingovereenkomst, stuk 2 dossier NV) Het staat niet ter discussie dat de heer C.V. sedertdien geen arbeidsprestaties meer heeft geleverd. Op 9 maart 2000 verzond de heer C.V. een e-mail aan de NV met als onderwerp "einde contract", waarvan de inhoud luidt als volgt: Zoals ik daarstraks met jou heb besproken had ik morgen graag vanwege C.-M. een document gekregen (fax) waarin wordt vermeld dat vanaf 1/3/2000 een feitelijk einde werd gesteld aan de arbeidsovereenkomst en dat ik bijgevolg vanaf deze datum vrijgesteld ben om nog prestaties te leveren in dienst van C.-M.. De modaliteiten van deze beëindiging zullen op een later moment worden vastgelegd. Met vriendelijke groeten Carl C.V." (stuk 3 a dossier van de NV) Deze e-mail werd door de NV op 10 maart 2000 als volgt beantwoord: Hallo C., Met deze bevestig ik dat u vanaf 01.03.2000 vrijgesteld bent van dienst en dat er een feitelijk einde is gesteld aan de arbeidsovereenkomst op 01.03.
- Zoals afgesproken bespreken wij op 13.03.2000 in mijn kantoor vanaf 09.00 uur de modaliteiten. Ik denk niet dat, gezien wij elkaar maandag zien, er ondertussen een ander dokument moet worden opgesteld of opgestuurd. Best Regards, J. B...." (stuk 3 b dossier van de NV) Op 20 maart 2000 sloten partijen een overeenkomst die zij kwalificeerden als "dadingsovereenkomst" en waarvan de inhoud luidt als volgt: DADINDSOVEREENKOMST TUSSEN
- C.-M. NV, Vertegensoordigd door de heer J. B. (hierna genoemd 'de Vennootschap') en
- De heer C.V. wonende te, (hierna genoemd 'de Bediende') Wordt uiteengezet: Overwegende dat de Vennootschap op 1 maart 2000 Bediende mondeling in kennis heeft gesteld van de beslissing om een einde te stellen aan de met de Bediende bestaande arbeidsovereenkomst d.d. 27 november 1998; Overwegende dat tussen partijen een akkoord is tot stand gekomen betreffende de beëindigingsmodaliteiten; Wordt het volgende overeengekomen : Artikel 1 1.
- Partijen bevestigen dat de tussen hen bestaande arbeidsrelatie definitief een einde heeft genomen. 1.
- De Vennootschap verbindt er zich toe en maakt zich sterk voor C.-M. F. SA, C.-M.D. GmbH en C.-M. UK om in het kader van de tussengekomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan tot uitbetaling van volgende bedragen:
(1)het loon voor de ganse maand maart;
(2)een vervangende opzeggingsvergoeding gelijk aan een brutobedrag groot BEF 5,955,9465(bedrag doorstreept en met de hand bijgeschreven en geparafeerd) 6.037.566,-
(3)het vertrekvakantiegeld;
(4)de pro rata eindejaarspremie voor het jaar
- 2.
- De aan de Bediende toekomende vergoedingen zullen worden uitbetaald onder aftrek van de wettelijk opgelegde inhoudingen. 2.
- De Bediende mag tot het einde van de maand augustus (doorstreept en met de hand bijgeschreven en geparafeerd) september, 2000 de hem ter beschikking gestelde bedrijfswagen verder gratis gebruiken exclusief het brandstof gebruik en eventuele boetes. Uiterlijk op 1 september (doorstreept en met de hand bijgeschreven en geparafeerd) 2 oktober, 2000 dient de Bediende de sleutels van de bedrijfswagen af te geven aan de personeelsdienst van de Vennootschap. De Bediende kan echter geen gebruik meer maken van de parkeermogelkjkheden binnen de Precam building. 2.
- De Bediende kan, op kosten van de Vennootschap, gebruik maken van de diensten van P.C. m.b.t. de fiscale dossiers in verband met zijn eigen personenbelasting tot en met het aanslagjaar
- Artikel 2 De Bediende gaat de verbintenis aan om alle gegevens betreffende de Vennootschap en haar activiteiten waarvan hij in de loop van zijn tewerkstelling kennis heeft gekregen in striktste geheimhouding te bewaren en aan geen enkele derde mede te delen of voor een derde aan te wenden. Artikel 3 De Bediende aanvaardt de hem op grond van deze overeenkomst toekomende bedragen tot slot van alle rekeningen en verklaart uitdrukkelijk dat de Vennootschap, evenals alle met de Vennootschap verbonden vennootschappen mits uitvoering van deze overeenkomst, bevrijd zijn van al hun verplichtingen tegenover hem en dat hij geen verdere rechten en vorderingen meer kan laten gelden tegen de Vennootschap noch tegen enige andere met de Vennootschap verbonden vennootschap op grond van de arbeidsrelatie en/of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De Bediende verklaart hierbij ook specifiek dat C.-M. F. S.A. alle verplichtingen i.v.m. het bestaande arbeidscontract tussen Bediende en C.-M. F. S.A., en het beëindigen ervan, heeft voldaan. Bediende verklaart uitdrukkelijk om af te zien van alle verdere juridische en/of andere acties betreffende deze arbeidsovereenkomsten en het beëindigen ervan ten opzichte van de Vennootschap, C.-M. F. S.A. en alle vennootschappen binnen de C.-M. groep. Deze overeenkomst houdt bovendien een verzaking in van de Bediende om elke dwaling omtrent de feiten of het recht en om elk verzuim betreffende het bestaan en de omvang van zijn rechten in te roepen. Opgemaakt te Antwerpen in twee exemplaren op 20 maart,
- Elk van beide partijen erkent een origineel ondertekend exemplaar te hebben ontvangen. (getekend) (getekend) De Bediende De Vennootschap J. B. Afgevaardigd-Bestuurder (stuk 2 dossier van de NV) Op een werkloosheidsattest C4 dd. 20 april 2000 vermeldde de NV dat de heer C.V. voor haar rekening heeft gewerkt van 15 januari 1999 tot 31 maart 2000 en dat hem een verbrekingsvergoeding werd betaald die de periode dekt van 1 april 2000 tot 28 februari
- De beoordeling De afstand van recht is de eenzijdige en vrijwillige rechtshandeling, waarbij de houder van een subjectief recht afstand doet van dit recht, zonder dit recht aan een ander over te dragen. (VAN OEVELEN, A., "Afstand van recht en rechtsverwerking", in RIGAUX, M. "Actuele problemen van het arbeidsrecht 4", Antwerpen, MAKLU Uitgevers,1993, 33 en de aldaar geciteerde rechtsleer) Een dergelijke afstand van recht is niet onderworpen aan bepaalde vormvereisten, zij het dat de vereiste wilsuiting slechts mag worden afgeleid uit feiten en gedragingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. (VAN OEVELEN, A. o.c., 38, en de aldaar geciteerde rechtspraak) In beginsel kunnen alle subjectieve rechten het voorwerp uitmaken van een afstand van recht, ook de eventuele en de toekomstige rechten, althans in zoverre de rechtsregelen van openbare orde en van dwingend recht in acht worden genomen. (VAN OEVELEN, A., o.c. 39 en de aldaar geciteerde rechtsleer) Na de kennisgeving van het ontslag kan de werknemer in beginsel alle overeenkomsten sluiten omtrent de modaliteiten van dit ontslag en kan hij met name geheel of gedeeltelijk afstand doen van rechten die hem door dwingende bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet werden toegekend. (zie Cass. 22 mei 1978, R.W., 1978-79, 1435, Cass. 11 februari 1980, R.W., 1979-80 met conclusie adv.-gen. Lenaerts; Cass. 10 januari 1983, T.S.R., 1983, 198; Cass., 13 oktober 1997, Arr.Cass.1997, 969; Cass., 12 oktober 1998,) Het ontslag dient daarbij begrepen te worden als de handeling waarbij de ene partij aan de andere partij ter kennis brengt dat zij besloten heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen. (zie Cass., 23 maart 1981, R.W., 1981-82, 2481; Cass., 11 mei 1981, R.W., 1981-82, 2837; Cass., 12 september 1988, J.T.T., 1988, 477; Cass., 18 december 1989, T.S.R., 1990, 22; Cass., 6 januari 1997, J.T.T., 1997, 119) Anders dan de heer C.V. voorhoudt blijkt uit de neergelegde stukken, inzonderheid de e-mails van 9 en 10 maart 2000 en de uiteenzetting in de aanhef van de overeenkomst dd. 20 maart 2000, overduidelijk dat de NV reeds op 1 maart 2000 eenzijdig en onmiddellijk een einde heeft gesteld aan de arbeidsovereenkomst. De heer C.V. betwist overigens niet (en kan gelet op de inhoud van de overeenkomst van 20 maart 2000 ook moeilijk betwisten) dat de NV hem op 1 maart 2000 mondeling in kennis heeft gesteld van haar beslissing om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De NV heeft bijgevolg op 1 maart een handeling gesteld die moet worden gekwalificeerd als een ontslag. Vermits dit ontslag kennelijk niet werd vergezeld van een opzegging, was de arbeidsovereenkomst ingevolge dit ontslag onmiddellijk beëindigd. Het blijkt verder niet dat partijen dit ontslag sedertdien hebben herroepen en al evenmin dat zij afstand zouden hebben gedaan van het recht de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst in te roepen. De kennelijk foutieve vermeldingen op het later afgeleverde werkloosheidsattest C4 dd. 20 april 2000 doen daaraan geen afbreuk. De NV heeft allicht ietwat onhandig en alleszins juridisch niet correct willen aangeven dat voor maart, zoals overeengekomen op 20 maart 2000, een volledig maandloon werd betaald en daar bovenop een opzeggingsvergoeding die de periode dekt van 1 april 2000 tot 28 februari
- Men kan en mag uit die vermeldingen echter niet afleiden dat de arbeidsovereenkomst slechts een einde heeft genomen op 31 maart 2000, wat flagrant in strijd is met de werkelijkheid zoals deze blijkt uit de e-mails en de overeenkomst van 20 maart
- De door de heer C.V. in dit kader ontwikkelde argumentatie vertoont bovendien een gebrek aan logica, waar hij zelf - niettegenstaande de vermeldingen op het werkloosheidsattest C4 - de beëindiging van de arbeidsovereenkomst situeert op 20 maart
- Vanaf het gegeven ontslag konden partijen rechtsgeldig een regeling treffen m.b.t. hun wederzijdse rechten en verplichtingen, voortspruitend uit de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan, wat zij ook hebben gedaan op 20 maart
- Volgens de bewoordingen van de overeenkomst van 20 maart 2000 heeft de heer C.V. afstand gedaan van àlle mogelijke rechten en vorderingen tegen zijn vroegere werkgever die verband houden met de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan, met uitzondering van degene die expliciet werden vermeld in artikel 1 van de overeenkomst. Dat partijen de rechten en vorderingen waarvan aldus afstand werd gedaan niet expliciet hebben opgesomd in hun overeenkomst doet daaraan geen afbreuk. Bedoelde afstand omvat de thans gestelde vordering in betaling van de in artikel 10.2 van de arbeidsovereenkomst bedoelde vergoeding voor de toepassing van het concurrentiebeding. Het arbeidshof kan de heer C.V. verder geenszins bijtreden waar hij voorhoudt dat de wettelijke bepalingen die aan de werknemer het recht verlenen op een vergoeding voor de toepassing van een in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding de openbare orde raken. Deze bepalingen zijn, zoals de meeste bepalingen in de Arbeidsovereenkomstenwet, regels van dwingend recht in het voordeel van de werknemer. (vgl. Cass. 30 juni 2003, S.02.0098.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030630.12, http://www.cass.be op datum) Tevergeefs doet de heer C.V. ten slotte nog gelden dat hij op 20 maart 2000 niet rechtsgeldig afstand kon doen aan zijn recht op betaling van de in artikel 10.
- van de arbeidsovereenkomst bedoelde vergoeding, omdat het recht op die vergoeding op dat ogenblik nog niet was ontstaan. Meer concreet doet de heer C.V. in dit verband gelden dat het recht op betaling van een niet-concurrentievergoeding slechts ontstaat na het verstrijken van de termijn waarover de werkgever beschikt om af te zien van de toepassing van het concurrentiebeding en dat hij (de heer C.V.) bijgevolg ook slechts na het verstrijken van die termijn rechtsgeldig afstand kon doen van dit recht. Nog afgezien van de vraag of dit standpunt juridisch wel correct is (vgl andersluidend standpunt Herman, J., "Het concurrentiebeding: tien jaar rechtspraak", Or., 2001, 235 en het aldaar besproken arrest van het arbeidshof te Gent van 8 mei 2000), moet worden vastgesteld dat de afstand door de heer C.V. van het recht op bedoelde vergoeding, meer dan 15 dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst plaatsvond, zodat de door de heer C.V. ontwikkelde argumentatie volkomen faalt. Gelet op het voorgaande hebben de eerste rechters de vordering van de heer C.V. terecht ongegrond verklaard. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging recht sprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 2 oktober
- Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de heer C.V.. Vereffent deze aan de zijde van de heer C.V. op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Vereffent deze aan de zijde van de NV C.-M. op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 14 juni 2006, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw L. PELEMANS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060614.11 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030630.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div