← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060621.17

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 21 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060621.17 Rolnummer: 2005-0422 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-01 04:37 Fiche Een EU-onderdaan, zelfs indien hij ingeschreven is in het vreemdelingenregister, heeft recht op leefloon indien hij regelmatig op het grondgebied verblijft. Het Arbitragehof heeft artikel 3, 3° R.M.I.-wet immers maar vernietigd in zoverre het EU-onderdanen die geen werknemers zijn uitsluit van het recht op leefloon. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: sociale voorzorg - recht op maatschappelijke integratie - leefloon - toepassingsgebied - onderdaan van de Europese Unie Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 3, 3° - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Annotaties Publicaties: SRK, 2008, nr. 4, blz. 208-210 - - Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2050422 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EENENTWINTIG JUNI TWEE-DUIZEND EN ZES In de zaak van: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANTWERPEN, gevestigd te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 32, appellant, vertegenwoordigd door mevrouw A. B., consulent rechten, volmachtdraagster, tegen: mevrouw P. K., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. G. L., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 7 september 2005, 15 maart 2006, 19 april 2006 en 7 juni

  1. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: * het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 27 april 2005 uitge-sproken door de veertiende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan het O.C.M.W. van Ant-werpen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 29 april 2005; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 26 mei 2005 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 26 mei 2005; * de conclusies voor P. K., ontvangen ter griffie van dit hof op 21 september 2005; * de conclusies voor het O.C.M.W. van Antwerpen, ontvangen ter griffie van dit hof op 17 november 2005; * het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 19 april 2006, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, §3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 20 april
  2. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 15 maart
  3. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 26 mei 2005, te-kende het O.C.M.W. van Antwerpen hoger beroep aan tegen een vonnis van 27 april 2005 (A.R. 373.870) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. De machti-ging daartoe werd verleend door de raad voor maatschappelijk welzijn op 25 november
  4. Het vonnis werd aan het O.C.M.W. van Antwerpen ter kennis gebracht over-eenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 29 april
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk.
  6. Feiten en voorafgaande procedure P. K., geboren in Angola op 5 mei 1967, bezit de Nederlandse nationaliteit. Ten tijde van de aanvraag was ze alleenstaand met twee kinderen ten laste. Haar echtgenoot verbleef toen in een Franse gevangenis. Vóór haar komst naar België op 1 augustus 2004 verbleef P. K. gedurende tien jaar in Nederland, waar ze sociale uitkeringen genoot ten bedrage van 887,59 EUR per maand. Ze werd alhier op 3 september 2004 in het vreem-delingenregister ingeschreven. Ondanks haar langdurig verblijf in Nederland is ze de Nederlandse taal onmach-tig. Op 3 september 2004 begaf ze zich naar het O.C.M.W. van Antwerpen voor steun. Het bijzonder comité voor sociale bijstand besliste op 27 oktober 2004 het le-vensminimum te weigeren vanaf 3 september 2004, met de motivering: "De wet bepaalt dat u maar recht op OCMW hulpverlening hebt nadat u uw rechten hebt uitgeput: U hebt dit niet gedaan". Deze beslissing werd P. K. ter kennis gebracht bij aangetekende brief op 4 november
  7. P. K. tekende hiertegen verhaal aan bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie op 1 december
  8. In hun vonnis van 27 april 2005 verklaarden de eerste rechters de vordering ont-vankelijk en gegrond, vernietigden de beslissing van het bijzonder comité voor sociale bijstand van 27 oktober 2004 en zegden voor recht dat P. K. vanaf 3 september 2004 gerechtigd was op leefloon als éénoudergezin, onder aftrek van de ondertussen genoten inkomsten. Het O.C.M.W. van Antwerpen stelde tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 26 mei
  9. In de loop van de procedure voor de arbeidsrechtbank bleek dat P. K. sedert 27 augustus 2004 tewerkgesteld was als kamermeisje in een Antwerps hotel. Ze had hiervan geen kennis gegeven aan het O.C.M.W. Vanaf 27 augustus 2004 is zij regelmatig en deeltijds tewerkgesteld. Sedert 9 maart 2005 staat zij ingeschreven in het bevolkingsregister. Het bijzonder comité voor sociale bijstand besliste op 12 juli 2005 aan P. K. het leefloon voor een éénoudergezin toe te kennen met ingang van 1 mei 2005 als bijpassing bij het verdiende loon. De betwisting beperkt zich derhalve tot de periode van 3 september 2004 tot 1 mei
  10. Eisen in hoger beroep Het O.C.M.W. van Antwerpen vordert het hoger beroep ontvankelijk en ge-grond te verklaren. P. K. vraagt het vonnis a quo te bevestigen en te zeggen voor recht dat zij met ingang van 3 september 2004 aanspraak kan maken op leefloon als éénoudergezin, onder aftrek van de ondertussen genoten inkomsten.
  11. Ten gronde 4.
  12. Zoals hierboven verklaard beperkt de betwisting zich tot de periode van 3 september 2004 tot 1 mei
  13. 4.
  14. Eerst en vooral dient te worden onderzocht of de aanspraken op steun door P. K. beschouwd worden als leefloon bij toepassing van de wet van 26 mei 2002, betreffende het recht op maatschappelijke integratie, dan wel als maatschappelijke dienstverlening bij toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976, betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. P. K. vordert leefloon in de betwiste periode. Volgens het O.C.M.W. van Antwerpen kan ze slechts beroep doen op maatschappelijke dienstverlening, om reden dat ze ingeschreven is in het vreemdelingenregister. 4.
  15. Door haar Nederlandse nationaliteit is P. K. een EG-burger. Ze verbleef en verblijft op wettige basis in het Rijk sedert 3 september
  16. Artikel 3 van de wet van 26 mei 2002, betreffende het recht op maatschappelij-ke integratie, bepaalt: "Om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, moet de per-soon tegelijkertijd en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij deze wet worden gesteld:
  17. zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben in de door de Koning te bepalen zin;
  18. meerderjarig zijn of hiermee gelijkgesteld zijn overeenkomstig de bepa-lingen van deze wet;
  19. behoren tot één van de volgende categorieën van personen: - hetzij de Belgische nationaliteit bezitten; - hetzij het voordeel genieten van de toepassing van de verorde-ning (E.E.G.) nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap; - hetzij als vreemdeling ingeschreven zijn in het bevolkingsregis-ter; - hetzij staatloos zijn en onder de toepassing vallen van het Ver-drag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New-York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960; - hetzij vluchteling zijn in de zin van artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. (...)." Het O.C.M.W. van Antwerpen houdt voor dat het arrest van het Arbitragehof van 14 januari 2004 artikel 3, 3°, tweede streepje, van de wet van 26 mei 2002 vernietigde, zodat P. K. aan de daaropvolgende voorwaarde, met name ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, diende te voldoen. Vermits P. K. ingeschreven was in het vreemdelingenregister viel zij, volgens het O.C.M.W., buiten het toepassingsgebied van de wet van 26 mei 2002 omdat de betrokken bepaling ingevolge het arrest gewoonweg uit de Belgische rechtsorde was verdwenen; er zouden voor de niet-Belgen slechts drie mogelijkheden voorhanden zijn om aanspraak te kunnen maken op maatschappelijke in-tegratie: ingeschreven zijn in het bevolkingsregister (derde streepje), het statuut bezitten van erkende staatloze (vierde streepje) en het statuut hebben van er-kend vluchteling (vijfde streepje). Het hof volgt deze stelling niet. Bij arrest nr. 5/2004 van 14 januari 2004 (B.S. 27 februari 2004) heeft het Ar-bitragehof artikel 3, 3°, tweede streepje, weliswaar vernietigd, doch in zoverre het de vreemdelingen, die onderdaan zijn van een Lid-Staat van de Europese Unie en effectief en op regelmatige wijze op het grondgebied verblijven, maar die de toepassing van de verordening (E.E.G.) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeen-schap niet genieten, van het toepassingsgebied van de wet uitsluit. Het Arbitragehof oordeelt ter zake dat een bepaling, die het recht op maatschap-pelijke integratie voor vreemdelingen, die onderdaan zijn van een Lid-Staat van de Unie, onderwerpt aan de voorwaarde dat zij de toepassing van de voormelde verordening 1612/68 genieten, in strijd is met de artikelen 12 en 17 van het Ver-drag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Hieruit vloeit voort dat de Europese onderdanen van die categorie op verschillende wijze behandeld wor-den en dat de artikelen 12 en 17 van het Verdrag uitsluiten dat dit verschil kan worden verantwoord (B.5.3.). Er wordt in het arrest als volgt gesteund op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen: "B.5.
  20. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft, met betrekking tot een bepaling die identiek is aan de in het geding zijnde be-paling, evenwel in verband met het bestaansminimum, geoordeeld: "De artikelen 6 en 8 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 12 EG en 17 EG) staan eraan in de weg dat het recht op een sociale uitkering in het kader van een niet op premiebetaling berustend stelsel, zoals het bij artikel 1 van de Belgische wet van 7 augustus 1974 ingevoerde bestaans-minimum, voor onderdanen van andere lidstaten dan de ontvangende lid-staat op het grondgebied waarvan deze onderdanen legaal verblijven, af-hankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat zij binnen de werkings-sfeer vallen van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 okto-ber 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Ge-meenschap, wanneer een dergelijke voorwaarde niet geldt voor onderda-nen van de ontvangende lidstaat." (H.v.J., 20 september 2001, Grzelczyk tegen O.C.M.W. van Ottignies-Louvain-la-Neuve; C-184/99)." E.U.-onderdanen die geldig in het Rijk verblijven, zoals in casu P. K., zijn dan ook in principe gerechtigd beroep te doen op de wet van 26 mei 2002, betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Aangezien artikel 3, 3°, van deze wet voorschrijft dat slechts aan één van de ge-stelde voorwaarden moet voldaan worden, is in casu de inschrijving van P. K. in het vreemdelingenregister ontdaan van elke relevantie. 4.
  21. Recht op leefloon ? Artikel 3 van de wet van 26 mei 2002, betreffende het recht op maatschappe-lijke integratie, bepaalt dat de persoon die aanspraak maakt op het voordeel van die wet, niet over toereikende bestaansmiddelen mag beschikken, noch er aan-spraak op kunnen maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspannin-gen, hetzij op een andere manier te verwerven. Hetzelfde artikel schrijft verder voor dat de aanvrager werkbereid moet zijn, tenzij dit om gezondheids- of bil-lijkheidsredenen niet mogelijk is. Artikel 19, §1, van de Wet van 26 mei 2002, betreffende het recht op maat-schappelijke integratie, bepaalt dat, met het oog op de toekenning van maat-schappelijke integratie in de vorm van een leefloon, of een tewerkstelling, met het oog op de herziening of de intrekking van een beslissing dienaangaande of met het oog op een beslissing tot schorsing van de uitbetaling van het leefloon, het centrum een sociaal onderzoek verricht. Voor het sociaal onderzoek moet het centrum een beroep doen op maatschappelijk werkers, volgens de kwalifica-tievoorwaarden bepaald door de Koning. In zijn paragraaf 2 bepaalt dit artikel dat de aanvrager ertoe gehouden is elke voor het onderzoek van zijn aanvraag nuttige inlichting en machtiging te geven. Zo'n sociaal onderzoek heeft tot doel na te gaan of de aanvrager van een leef-loon voldoet aan de wettelijke voorwaarden om er aanspraak op te maken. Te dien einde moet een duidelijk inzicht in de bestaansmiddelen, waarover de aan-vrager beschikt, worden verkregen. Degene die aanspraak maakt op een bestaansminimum heeft de plicht om hier-aan voluit mee te werken en volledige en juiste informatie te verschaffen, die vervolgens ook controleerbaar moet kunnen zijn door het O.C.M.W. Wanneer een aanvrager nalaat duidelijke, nauwkeurige en volledige antwoorden te geven op relevante vragen van het O.C.M.W., dan kan de vraag om leefloon worden afgewezen. In casu vroeg P. K. steun aan op 3 september
  22. Zij verklaarde op eer zonder inkomsten te zijn. Pas in de loop van de procedure voor de ar-beidsrechtbank, met name bij de neerlegging van het bundel van P. K. ter zitting van 16 maart 2005, en dus juist vóór de sluiting der debatten, is gebleken dat zij op het ogenblik van haar aanvraag reeds tewerkgesteld was sedert 27 augustus 2004 en hieruit een inkomen genereerde. Zij heeft dit cruciaal gegeven nagelaten te vermelden bij haar aanvraag. Niet geweten is wanneer het O.C.M.W. van Antwerpen kennis kreeg van deze stukken. Uit de sociale ver-slagen kan niet afgeleid worden dat het O.C.M.W. van het inkomen op de hoog-te was vóór de zitting van 16 maart
  23. Er mag bijgevolg aanvaard worden dat er pas leefloon kan toegekend worden vanaf het ogenblik dat P. K. het O.C.M.W. van Antwerpen de noodzakelijke informatie ter beschikking stelde. Vóór de datum van 16 maart 2005 voldeed zij niet aan haar plicht voluit en oprecht mee te werken aan het sociaal onderzoek. P. K. voldoet vanaf 16 maart 2005 aan de voorwaarden van artikel 3 van de wet van 26 mei
  24. Vanaf deze datum kan leefloon voor een éénoudergezin worden toegekend, onder aftrek van de genoten inkomsten. Het hoger beroep is gedeeltelijk gegrond. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het in hoofdzaak eensluidend schriftelijk advies, uit-gebracht door de heer J. DEKEERSMAEKER, substituut-generaal, op de open-bare terechtzitting van 19 april
  25. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Hervormt het vonnis van 27 april 2005 (A.R. 373.870) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Zegt voor recht dat de ingangsdatum van het leefloon als éénoudergezin dient te worden bepaald op 16 maart 2005, onder aftrek van de genoten inkomsten. Wijst het meergevorderde af. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het O.C.M.W. van Antwerpen, door P. K. begroot op 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding en door het hof vereffend op hetzelfde bedrag; de kosten van het O.C.M.W. van Antwerpen worden door het hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op eenentwintig juni tweeduizend en zes. Het hof bestond uit: mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, de heer C. AMSSOMS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, mevrouw G. SCHAMPAERT, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060621.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.