id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060622.4 Rolnummer: 2004-0657 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-01 04:37 Fiche De kennisgeving per gerechtsbrief van het vonnis gebeurt geldig door de verzending van deze gerechtsbrief aan het laatste adres van een partij zoals dit blijkt uit het dossier van de rechtspleging. Wanneer een partij in de loop van de rechtspleging van woonplaats is veranderd is het ook diens taak om de griffie te verwittigen van deze adreswijziging. De termijn om hoger beroep in te stellen neemt een aanvang op het ogenblik van de kennisgeving van het vonnis per gerechtsbrief, of met andere woorden op de dag waarop deze gerechtsbrief ter hand wordt gesteld aan de geadresseerde in persoon of aan diens woonplaats. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Gerechtelijk privaatrecht - hoger beroep - termijn - aanvang. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1051 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Tekst van de beslissing A.R. 2040657 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: P. V. D., appellant, op de zitting persoonlijk aanwezig, tegen:
- RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, eerste geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen,
- HULPKAS VOOR WERKLOOSHEIDSUITKE-RINGEN, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1210 Brussel, Brabantstraat 62, tweede geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. D. H., loco mr. M. M., advocaat te 1040 Brussel. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 3 november 2004, 27 april 2006 en 11 mei 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het bij verstek t.o.v. appellant en eerste geïntimeerde, en op tegenspraak t.o.v. tweede geïntimeerde gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 oktober 2003 (A.R. 355.912); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 14 oktober 2004; - de conclusies voor tweede geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 1 december 2004; - de conclusies voor eerste geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 8 december 2004; - de conclusies voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 30 december 2004; - de aanvullende en samenvattende conclusie voor tweede geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 3 maart 2005; - het schrijven van appellant met in bijlage een schrijven gericht aan de raadsman van tweede geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 10 maart 2005; - de gerechtsbrief in toepassing van artikel 751 Ger. W., aan appellant en tweede geïntimeerde verzonden op 23 januari 2006 met kennisgeving van rechtsdag op 27 april 2006; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 11 mei 2006, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 12 mei
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), het administratief dossier van de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen (stuk 6 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen) en de bundel van P. V. D. bestaande uit 3 genummerde stukken, neergelegd op de griffie van dit hof op 30 december
- Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 27 april
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 11 mei 2006 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
- Schriftelijke repliek van appellant op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie Op de zitting van 27 april 2006 werd de zaak gepleit, de debatten gesloten, de zaak medegedeeld aan het openbaar ministerie dat schriftelijk advies ging uitbrengen op de zitting van 11 mei 2006, en werd door het hof aan partijen toestemming verleend om een schriftelijke conclusie over het advies van het openbaar ministerie ter griffie neer te leggen binnen een termijn van 10 dagen. Op de zitting van 11 mei 2006 werd er lezing gegeven van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, dat bij het dossier van de rechtspleging werd gevoegd. Een afschrift van dit schriftelijk advies werd in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek aan partijen verzonden op 12 mei
- De schriftelijke repliek van P. V. D., neergelegd op de griffie van dit hof op 21 juni 2006, werd derhalve laattijdig neergelegd en wordt in toepassing van artikel 767 van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve geweerd uit het beraad.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen (hierna HVW) betaalde per vergissing aan P. V. D. een bedrag van 1.424 euro voor 1 dag werkloosheid daar waar hij slechts recht had op 35,30 euro. Met schrijven van 17 maart 2003 verzocht de HVW aan P. V. D. de terugbetaling van ten onrechte uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen ten bedrage van 1.388,70 euro. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 26 maart 2003, tekende P. V. D. beroep aan tegen de terugvorderingbeslissing van de HVW van 17 maart
- Met besluiten, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank Antwerpen op 2 juli 2003, vorderde de HVW bij tegeneis P. V. D. te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen ten bedrage van 1.388,70 euro. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 oktober 2003 werd de hoofdvordering van P. V. D. ontvankelijk maar ongegrond verklaard terwijl de tegenvordering van de HVW ontvankelijk en gegrond werd verklaard; P. V. D. werd veroordeeld tot terugbetaling aan de HVW van de niet-verschuldigde som van 1.388,70 euro. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 14 oktober 2004, tekende P. V. D. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.
- Eisen in hoger beroep P. V. D. (appellant) vordert : - het vonnis van de arbeidsrechtbank nietig te verklaren; - de tegenvordering van de HVW ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - de HVW te veroordelen tot het terugbetalen van de onrechtmatig teruggevorderde som van 150,55 euro. Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (eerste geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep onontvankelijk te verklaren - ondergeschikt, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening buiten zake te stellen; - uiterst ondergeschikt, de kosten van beide aanleggen ten laste van de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen te leggen, aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening begroot op 139,83 euro rechtsple-gingsvergoeding hoger beroep. Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen (tweede geïntimeerde) vordert: - het vonnis van de arbeidsrechtbank te bevestigen; - de vordering lastens de HVW ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - de tegenvordering van de HVW ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens de terugvordering van de HVW te bevestigen en de heer V. D. te veroordelen tot de terugbetaling van het resterende bedrag (1.082,09 euro) aan de HVW.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Overeenkomstig artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bedraagt de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 860, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek is de beroepstermijn voorgeschreven op straffe van verval. Wanneer de kennisgeving van het vonnis gebeurt bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 792, tweede lid Ger. W. gaat de beroepstermijn in op de dag waarop de gerechtsbrief door de postdienst ter hand wordt gesteld aan de geadresseerde in persoon of aan diens woonplaats. In huidig geschil werd het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 oktober 2003 aan partijen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 22 oktober 2003 en aangeboden aan de woonplaats van P. V. D. op 23 oktober 2003; de vaststelling dat de gerechtsbrief niet aan P. V. D. kon afgegeven worden omdat hij niet meer woonachtig was op het adres te 2060 Antwerpen, St. Lazarusstraat 13, is irrelevant. De kennisgeving gebeurt immers geldig door de verzending van de gerechtsbrief naar het laatste adres van een partij zoals blijkt uit het dossier van de rechtspleging (Cass., 1 februari 1982, Arr. Cass., 1981-1982, p. 712; Cass., 23 oktober 1992, Arr. Cass. 1991-1992, p. 1238; Cass., 9 juni 2000, Arr. Cass. 2000, 355); wanneer één der partijen in de loop van de rechtspleging van woonplaats is veranderd is het de taak van deze partij om de griffier te verwittigen van de adreswijziging. In het inleidend verzoekschrift voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen gaf P. V. D. als woonplaats op: St. Lazarusstraat 13 te 2060 Antwerpen. Blijkbaar heeft P. V. D. nagelaten, hij levert alleszins niet het bewijs van het tegendeel, zijn adreswijziging in de loop van de procedure te melden aan de griffie. De kennisgeving van het bestreden vonnis welke door de griffie per gerechtsbrief is verzonden aan de woonplaats van P. V. D. zoals deze in de processtukken was opgegeven is bijgevolg regelmatig. Aangezien het bestreden vonnis op een geldige wijze aan P. V. D. ter kennis gebracht werd gebracht op 23 oktober 2003 neemt de beroepstermijn een aanvang op 24 oktober 2003 om te eindigen op 23 november 2003 (artikel 52 en 53 Ger. W.); aangezien de laatste nuttige dag, zijnde 23 november 2003 een zondag was wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag, zijnde 24 november 2003 (artikel 53 Ger. W.). Het verzoekschrift tot hoger beroep werd evenwel ter griffie van dit hof neergelegd op 14 oktober 2004 zijnde buiten de beroepstermijn van één maand zoals voorzien in artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, zodat het hoger beroep laattijdig werd ingediend. Het hoger beroep is bijgevolg onontvankelijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 11 mei
- De schriftelijke repliek van appellant op het advies, neergelegd op de griffie van dit hof op 21 juni 2006, wordt wegens laattijdigheid buiten het beraad gehouden. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep onontvankelijk. Verwijst de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding. Aan de zijde van de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen en P. V. D. worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op tweeëntwintig juni tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060622.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div