id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 06 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060906.15 Rolnummer: 2003-0150 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2007-10-24 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-07-01 04:43 Fiches 1 - 2 Vermits de C.A.O. nr. 32bis uitvoering geeft aan de Europese Richtlijn 77/187 dient rekening gehouden te worden met het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht waardoor de volle werking van het gemeenschapsrecht dient gewaarborgd. De C.A.O. nr. 32bis dient derhalve getoetst aan de theorie van de richtlijnconforme interpretatie. Alhoewel de C.A.O. nr. 32bis uitdrukkelijk spreekt van een overgang van onderneming krachtens overeenkomst blijkt dat dit begrip overeenkomst ruim moet worden geïnterpreteerd. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie kan worden afgeleid dat om tot de toepasselijkheid van de Europese Richtlijn 77/187 te besluiten de overgang niet noodzakelijk het voorwerp moet uitmaken van een 'overeenkomst' maar er ook het onrechtstreeks gevolg van kan zijn. Indien een besluit aan de overgang ligt, is aan het vereiste van de overeenkomst voldaan, of dat besluit nu als een overeenkomst, een eenzijdige rechtshandeling, een rechterlijke uitspraak of als een wet te bestempelen is. Het Hof van Justitie duidt het begrip onderneming aan als een duurzaam georganiseerde activiteit, d.w.z. een georganiseerd geheel van personen en elementen waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kan worden uitgeoefend. Met betrekking tot de vraag of de overgang van onderneming zich ook opdringt aan de publieke sector heeft het Hof van Justitie gekozen voor een functionele benadering waarin niet de hoedanigheid van het openbaar lichaam bepalend is maar wel de aard van activiteit. Slechts wanneer de activiteit de uitoefening van het openbaar gezag betreft, ontbreekt de ondernemingsactiviteit. Het beheer van een recreatiecentrum en de materiële opvang van asielzoekers zijn taken die zowel door privé-personen als door overheidsorganen kunnen worden uitgeoefend en als zodanig als een economische activiteit kunnen worden aangemerkt. Aangezien de overnemer er zich toe geëngageerd had om de exploitatie van het centrum als going concern over te nemen, lijdt het geen twijfel dat de onderneming aldus haar identiteit heeft bewaard. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsraad - Nationale arbeidsraad - W. 29 mei 1952 - Algemeen Vrije woorden: collectieve arbeidsverhoudingen - nationale arbeidsraad - arbeidsrecht - arbeidsovereenkomst - C.A.O. nr. 32bis - begrip overeenkomst - begrip onderneming - publieke sector - beheer recreatiecentrum en materiële opvang asielzoekers Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 32bis - 07-06-1985 - 1, 1° en 2° - 31 Link Justel databank 19850607-31 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - RECHTSHANDELINGEN - Richtlijn Vrije woorden: internationale verdragen en verordeningen - europese economische gemeenschap - richtlijnen van de EEG - arbeidsrecht - arbeidsovereenkomst - C.A.O. nr. 32bis - begrip overeenkomst - begrip onderneming - publieke sector - beheer recreatiecentrum en materiele opvang asielzoekers Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 77/187 - 14-02-1977 - 1 en 2 Nota: Gerangschikt onder IV D - artikel 1, 1° en 2° en onder IX D 6 - artikel 1 en 2. IV D - IX D 6 Annotaties Publicaties: Limburgs Rechtsleven 2007 - - blz. 221-250 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Tweede Kamer Tegensprekelijk eindarrest Art. 578 arbeidsovereenkomst voor bedienden Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2030150 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: G VZW, met zetel gevestigd te , appellante, verschijnend bij mr. B. VANSCHOEBEKE, advocaat te Gent en mr. I. VERHELST, advocaat te Antwerpen, tegen : L F wonende te geïntimeerde, verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. F. REARD, advocaat te Tongeren en mr. M-J. DEUSS, advocaat te Bilzen, In aanwezigheid van: BS, vertegenwoordigd door (hierna afgekort "FOD") gevestigd te, gedaagde in tussenkomst en gemeenverklaring, verschijnend bij mr. A. LE MAREC loco mr. A. LINDEMANS, advocaat te Brussel. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest. Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden tussenvonnis op 17 maart 2003 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Hasselt gekend onder A.R. nr. 2020047 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 april 2003 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET PRINCIPAAL HOGER BEROEP EN VAN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP Appellante stelt principaal hoger beroep in. Geïntimeerde stelt incidenteel hoger beroep in met betrekking tot de respectievelijk gevorderde vergoedingen die niet integraal door de eerste rechter werden toegekend. Zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep werden naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en beide rechtsmiddelen dienen dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 15 maart 2006 van deze kamer. PROCESVERLOOP - PRECEDENTEN Met inleidende dagvaarding van 27 december 2001 vorderde geïntimeerde de VZW G te veroordelen tot betaling van: - een bedrag van 38.078,43 EUR uit hoofde van opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interesten; - een bedrag van 2.478,93 EUR als bijkomende mutatiepremie en een bedrag van 118,98 EUR als bijkomende sluitingspremie, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke interesten; - een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik ten bedrage van 12.394,68 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. Geïntimeerde vorderde tevens de VZW G te veroordelen tot alle kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding. Geïntimeerde vorderde tenslotte de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te bevelen niettegenstaande alle verhaalmiddelen, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht tot kantonnement. Bij tussenvonnis van 17 maart 2003 werd de vordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard, in die zin dat geoordeeld werd dat de bepalingen van de CAO nr. 32bis en/of de Richtlijn 77/187 niet van toepassing zijn op onderhavige casus, dat zij er contractueel niet op toepasselijk zijn gemaakt en dat ze er ook niet op van toepassing kunnen zijn, dat er geen sprake is van overdracht van onderneming als geviseerd door de bepalingen van de CAO nr. 32bis of van de EG-Richtlijn 77/187, dat geïntimeerde niet gerechtigd is op een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht en dat haar in die zin gestelde vordering als zijnde ongegrond wordt afgewezen, dat geïntimeerde niet gerechtigd is op een bijkomende mutatiepremie, evenmin als op een bijkomende conventionele sluitingspremie en dat haar in die zin gestelde vordering als zijnde ongegrond wordt afgewezen en dat geïntimeerde lastens appellante gerechtigd is op een opzeggingsvergoeding, doch alvorens verder recht te doen over het bedrag van de aan geïntimeerde toekomende opzeggingsvergoeding, een heropening der debatten werd bevolen. De VZW G heeft hoger beroep aangetekend op 11 april 2003. Bij dagvaarding van 5 januari 2004 heeft de VZW G de BS inzake geroepen om tussen te komen in de huidige procedure en haar het uit te spreken arrest gemeen te horen verklaren, met tevens de vraag aan het Arbeidshof om haar akte te verlenen van haar voorbehoud om de BS aansprakelijk te stellen wegens de gebrekkige implementatie van de Europese Richtlijn 2001/23/EG van 12 maart 2001. VOORWERP VAN HET GESCHIL De hoofdbetwisting in hoger beroep in rechte betreft het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 en/of het toepassingsgebied van de Europese Richtlijn 77/187 van de Raad van 14 februari 1977 zoals gewijzigd door de Europese Richtlijn 98/50 van de Raad van 29 juni 1998. POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellante postuleert in hoofdorde: Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen in al haar beschikkingen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren en haar ervan af te wijzen. De nieuwe vordering van geïntimeerde tot het bekomen van de terugbetaling van de kosten van bijstand ingesteld bij beroepsbesluiten, onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en geïntimeerde bijkomend van deze vordering af te wijzen. In ondergeschikte orde: Een prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie overeenkomstig artikel 234 van het EG-verdrag als volgt: "Kunnen de bepalingen van Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 door een vereniging zonder winstoogmerk die de exploitatie van een onthaalcentrum heeft overgedragen aan de BS, ingeroepen worden tegenover haar voormalige werknemer wiens arbeidsovereenkomst in het kader van die overgang van onderneming mede werd overgedragen aan de BS met behoud van de rechten en verplichtingen?" "Indien op de vorige vraag negatief wordt geantwoord, kan deze VZW die haar onderneming of minstens een gedeelte van die onderneming heeft overgedragen aan de BS, in de zin van de Richtlijn 77/187, doch op de bepalingen van die richtlijn geen beroep kan doen wegens de gebrekkige omzetting van de desbetreffende richtlijn in het Belgische recht waar immers de richtlijn is omgezet via een collectieve arbeidsovereenkomst die enkel uitwerking heeft in de private sector en niet verbindend is ten aanzien van de BS, zodat een overgang van onderneming van een particuliere organisatie naar de staat buiten het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst valt, de schade ingevolge deze gebrekkige omzetting verhalen op de BS? Bestaat deze schade uit de opzeggingsvergoedingen die de particuliere organisatie aan haar voormalige werknemers verschuldigd zou zijn doordat, bij gebreke aan een nationale omzettingsmaatregel voor de Richtlijn 77/187, de arbeidsovereenkomsten van de werknemers niet automatisch zijn overgegaan naar de BS?" In meer ondergeschikte orde: Akte te verlenen van de tegenvordering ingesteld bij de beroepsconclusie d.d. 26 mei 2004, en recht doende op deze tegenvordering, de tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan de VZW G van 19.165,57 + 1.338,03 EUR = 20.503,6 EUR EUR als vergoeding wegens verrijking zonder oorzaak, minstens als onverschuldigde betaling, en te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 26 mei 2004. In elk geval het arrest gemeen te verklaren aan de BS en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide instanties. Geïntimeerde postuleert: Akte te nemen van de materiële vergissing in het eerste vonnis m.b.t. de naam van geïntimeerde en te akteren dat deze L heet. Het principaal hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en appellante ervan af te wijzen. Het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en te oordelen dat de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en volledig gegrond is. Dienvolgens appellante te veroordelen tot betaling van een bedrag van: - 29.722,68 EUR uit hoofde van opzeggingsvergoeding, meer de wettelijke en de gerechtelijke interesten; - 12.394,68 EUR als schadevergoeding, meer de gerechtelijke interesten; - 2.478,93 EUR als bijkomende mutatiepremie en een bedrag van 118,98 EUR als bijkomende sluitingspremie, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke interesten. De wedereis ontvankelijk en gegrond te verklaren en appellante te veroordelen tot betaling van een provisioneel bedrag van 6.030 EUR uit hoofde van kosten van rechtsbijstand, meer de gerechtelijke interesten. Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. De tussenkomende partij (de BS) tenslotte postuleert het hoger beroep, voor zover dit betrekking heeft op de vordering die door appellante in graad van beroep tegen de BS wordt aangedragen, als volgt te beoordelen: - voor wat betreft de gemeenverklaring: te zeggen voor recht dat de BS zich naar de wijsheid van het Hof gedraagt; - voor wat betreft de vraag of het Hof akte zou verlenen van de intentie van de VZW G om een vordering ten gronde in aansprakelijkheid in te stellen tegen de BS: te zeggen voor recht dat de BS eveneens wenst dat het Hof akte verleent van het in besluiten aangehaalde verweer in dat verband (cf. besluiten p. 5 en 6). - Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in hoger beroep. MOTIVERING - BEOORDELING 1. De VZW G baatte sedert 1964 het vakantiecentrum "H" te uit. Het betrof een centrum voor sociaal toerisme. Einde jaren '90 was het vakantiecentrum financieel in problemen en dwongen zich maatregelen op (stuk 3 geïntimeerde, waarin wordt verwezen naar de slechte financiële toestand). 2.1. Na een aantal contacten met de overheid (kader van asielproblematiek) vond op 13 december 2000 een afspraak plaats waarbij de definitieve voorwaarden voor de verkoop werden vastgelegd. Eén van deze voorwaarden was dat het personeel mede werd overgenomen met behoud van rechten en verplichtingen. De overheid bevestigde deze voorwaarde schriftelijk als volgt: "Het ligt in onze bedoeling de opening van een onthaalcentrum voor asielzoekers in de infrastructuur van H morgen vrijdag 15 december 2000 op de Ministerraad te brengen voor goedkeuring. Aan de Ministerraad zal voorgesteld worden hiertoe het centrum aan te kopen voor de prijs van ... Bijkomend wordt volgend voorstel van beslissing voorgelegd: "Voor wat betreft de centra "H" en "Z en Z" zal ernaar gestreefd worden de exploitatie in "going concern" over te nemen. De huidige eigenaars zijn verantwoordelijk voor de herboekingen. De overheid zal zich voor wat betreft het sociaal passief spiegelen aan de regeling voor de privé-sector zoals bepaald in de CAO 32bis. In elk geval zal in voorkomend geval voor de personeelsleden die niet kunnen overgenomen worden voorzien worden in een outplacement begeleiding via de VDAB volgens de gangbare normen. Mag ik vragen per kerende uw akkoord te verlenen teneinde dit voorstel aan de Ministerraad voor te leggen" (stuk 3 appellante). 2.2. Op die basis kon de VZW G akkoord gaan met de overeenkomst, die diende voorgelegd te worden aan de Raad van Beheer en de Algemene Vergadering van de VZW G. Er werd een vergadering van beide organen belegd op 14 december 2000. Van overheidszijde moest de overeenkomst bevestigd worden door de ministerraad die plaats zou vinden op 15 december 2000. Aan de Minister werd bevestigd: "De leden van de Raad van Bestuur en van de Algemene Vergadering van Hengelhoef hebben in hun vergadering van 14 december 2000 unaniem beslist om akkoord te gaan met uw voorstel van 14.12.2000 betreffende de opening van een onthaalcentrum voor vluchtelingen. Ons akkoord geldt uiteraard enkel indien aan beide voorwaarden, zoals vermeld in uw brief van 14.12.2000, is voldaan" (stuk 4 appellante). 2.3. De ministerraad keurde de verkoop op voorstel van de Vice-Eerste Minister en de Minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie goed op 15 december 2000. In het persbericht van de Minister van Maatschappelijke Integratie werd vermeld dat het centrum "H" werd overgenomen in "going concern" en met toepassing van de CAO 32bis, zodat "de huidige tewerkstelling van 120 werknemers in belangrijke mate wordt gegarandeerd" (stuk 1 geïntimeerde). In de beslissing van de ministerraad van 15 december 2000 lezen we het dat "met betrekking tot de uitbreiding van de materiële opvang van kandidaat vluchtelingen zoals eerder beslist werd op 25 oktober 2000, tot op vandaag 7450 plaatsen werden goedgekeurd. Voor wat betreft de centra "H "(eigendom CM) en "Z en Z" (eigendom ACW) wordt de exploitatie in "going concern" overgenomen. Dit is een overnamewijze dat vaak van toepassing is in de privé-sector. Hierbij wordt dan CAO-32bis toegepast voor de overname van het sociaal passief. Alhoewel CAO-32bis juridisch niet van toepassing is op de federale overheid, zal toch een gelijkaardige regeling worden uitgewerkt.(...)" De verkoop van de onroerende goederen door appellante aan de BS gebeurde pas op 28 november 2001, met de ingebruikname vanaf 8 januari 2001. In de verkoopakte wordt duidelijk gestipuleerd dat de aankoop geschiedde om reden van openbaar nut, en meer in het bijzonder voor de huisvesting van asielzoekers. De verkoper is wel degelijk appellante, de VZW G, en niet de LCM zoals vermeld in de beslissing van de ministerraad van 15 december 2001. De bedoeling van de VZW G om de ondernemingsraad in te lichten, onmiddellijk na de goedkeuring van de overeenkomst door beide partijen op 15 december 2000, werd doorkruist door een antwoord op een parlementaire vraag. In het Parlement werd de bevoegde Minister op 14 december 2000 ondervraagd over de zaak en deze vraag haalde de pers, met sociale onrust als gevolg. 2.4. Op 28 december 2000 werd het dienaangaande bereikte akkoord van 20 december in een collectieve arbeidsovereenkomst gegoten en ondertekend tussen de VZW G en de secretarissen van de LBC-NVK en de CCVD naar aanleiding van de overname van het vakantiecentrum door de Federale Overheid (stuk 5 appellante). Het sociaal akkoord was onderverdeeld in twee grote luiken: - Eerste luik: nastreven van het maximale behoud van de huidige tewerkstelling. De werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers kwamen uitdrukkelijk overeen te streven naar een maximaal behoud van de tewerkstelling voor alle werknemers (schadebeperking) en te "onderhandelen met de Federale Overheid met als doel dat de Federale Overheid op 8 januari 2001 de rechten en plichten van alle medewerkers zal overnemen zoals bepaald in de CAO 32bis en alsof deze van toepassing zou zijn. Dit betekent dat voor alle medewerkers, die na een sollicitatieproef weerhouden worden voor een functie in het opvangcentrum de tewerkstellings- en loonvoorwaarden worden gegarandeerd. Onder loonvoorwaarden wordt verstaan de huidige bruto jaarwedde en verworven anciënniteit in H zoals geattesteerd door het sociaal secretariaat S". Het Hof merkt op dat een aantal werknemers, die nadien een vordering instelden, bij dit akkoord betrokken waren. Er werd een eenmalige mutatiepremie toegekend van 100.000 BEF per volledig jaar anciënniteit in de onderneming, verminderd met het bedrag van de conventionele sluitingspremie aan de werknemers die in dienst traden van de Federale Overheid "omwille van de snelle en onverwachte mutatie van het personeel naar nieuwe werkgevers". - Tweede luik: ontslag van werknemers die (ondanks het eerste luik) niet zouden kunnen ingeschakeld worden in de nieuwe organisatie. Voor deze werknemers werd voorzien in een outplacementbegeleiding in overleg met en betaald door de Federale Overheid. Aan de bedienden werd een opzeggingsvergoeding toegekend overeenstemmend met een opzeggingstermijn berekend volgens de formule Claeys. Aan de arbeiders werd een bestaanszekerheidvergoeding uitgekeerd bepaald op het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering. De duurtijd van de bestaanszekerheidvergoeding werd bepaald volgens de formule Claeys, verminderd met de wettelijke opzeggingstermijn van toepassing voor arbeiders in de horecasector. Alhoewel geen wettelijke sluitingsvergoeding verschuldigd was, werd een conventionele sluitingspremie toegekend aan alle werknemers die onder het toepassingsgebied van de CAO vielen. 2.5. De CAO onderscheidt de werknemers aan wier arbeidsovereenkomst een einde wordt gesteld van de werknemers van wie de arbeidsovereenkomst behouden blijft en wordt overgedragen aan de Federale Overheid. Alle werknemers zijn in dienst gebleven en uitbetaald tot en met 7 januari 2001. Vanaf 8 januari 2001 zijn 81 van de 120 werknemers overgegaan naar de Federale Overheid met behoud van de contractuele rechten en verplichtingen. De Federale Overheid heeft daartoe een koninklijk besluit uitgevaardigd opdat de werknemers hun anciënniteit en loon konden behouden. De VZW G betaalde een mutatiepremie en een sluitingsvergoeding. Het Solidariteitsfonds is blijkbaar een andere entiteit dan de VZW G. Het betreft een soort verzekering tussen de personeelsleden van een aantal christelijke organisaties, waaronder ook de VZW G, tegen het verlies van loon in geval van arbeidsongeschiktheid. 3. Op 19 november 2001 heeft geïntimeerde appellante gedagvaard om te horen zeggen voor recht dat zij sedert 1 juli 2000 werd tewerkgesteld volgens een voltijdse arbeidsovereenkomst en bijgevolg recht had op gewaarborgd loon aan 100% gedurende bepaalde periodes tijdens haar tewerkstelling. Haar vordering werd afgewezen door de Arbeidsrechtbank te Hasselt bij vonnis van 18 november 2002. Het vonnis werd bevestigd door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt met het arrest van 23 januari 2004. In dit arrest stelt het Arbeidshof vast: "Het gewaarborgd loon werd haar vanaf 11 december 2000 uitbetaald aan 80% volgens het normale arbeidsregime voor 1 juli 2000 en zulks tot en met 7 januari 2001, ogenblik waarop beroepene werd overgenomen door de Federale Overheid" (stuk 11 geïntimeerde). Noch voor de Arbeidsrechtbank noch voor het Arbeidshof vorderde geïntimeerde een opzeggingsvergoeding of een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht en stelde zij zelf te zijn overgenomen door de BS. 4.1. In beroepsbesluiten merkt geïntimeerde op dat de BS zich na de overdracht, niet zou gehouden hebben aan haar verbintenis om de onderneming over te nemen als een "going concern" en de bepalingen van de CAO nr. 32bis te respecteren (cf. infra). 4.2. Met dagvaarding van 5 januari 2004 vordert de VZW G de BS om tussen te komen in de huidige procedure. De VZW G vordert het Arbeidshof het door haar uit te spreken arrest gemeen te verklaren aan de BS. De VZW G vordert tevens dat het Arbeidshof akte verleent aan haar voorbehoud om de BS aansprakelijk te stellen wegens de gebrekkige implementatie van de Europese Richtlijn 2001/23/EG van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen en de Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen. De BS gedraagt zich terzake naar de wijsheid van het Arbeidshof. Wel merkt zij op dat zij geen fout heeft begaan door de niet-omzetting van de Richtlijn. Zij stelt dat er technische bezwaren zijn omdat een collectieve arbeidsovereenkomst niet kan gelden voor de overheid. Er zijn uiteraard andere instrumenten ter beschikking voor de omzetting van een Richtlijn zoals een wet en een koninklijk besluit. Verder stelt de staat dat de VZW G zich niet zou kunnen beroepen op de CAO nr. 32bis. Nochtans is een collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing op werknemers en werkgevers. Waarom zouden werkgevers enkel gehouden zijn door de verplichtingen en geen rechten kunnen doen gelden uit een CAO? Deze redenering van de BS is ongegrond. Tenslotte wordt gesteld dat de VZW G een fout heeft begaan door ervan uit te gaan dat de CAO nr. 32bis van toepassing is of minstens door ervan uit te gaan dat deze CAO van toepassing was. De BS heeft zich volgens geïntimeerde net als appellante ertoe verbonden zich te gedragen naar de bepalingen van de CAO nr. 32bis. 4.3. Met beroepsconclusie van 26 mei 2004 stelde appellante een tegenvordering in tot terugbetaling van de uitbetaalde mutatiepremie, vermeerderd met het netto vakantiegeld op deze premie. Bovendien vordert appellante deze bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. Tenslotte verzoekt appellante het Arbeidshof om de compensatie toe te staan van de door de VZW G verschuldigde bedragen met de haar door geïntimeerde toekomende bedragen. 4.4. Geïntimeerde vordert een opzeggingsvergoeding op basis van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Dit artikel veronderstelt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd zonder dringende reden of zonder inachtneming van een opzeggingstermijn. Het Hof van Cassatie heeft al meermaals bevestigd dat de partij die een opzeggingsvergoeding eist, het bewijs dient te leveren van het recht op die opzeggingsvergoeding, en dus van de ontslaghandeling door de werkgever. In casu argumenteert de VZW G geen ontslaghandeling gesteld te hebben. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is volgens appellante overeenkomstig de CAO nr. 32bis van 7 juni 1985, minstens in toepassing van de Europese Richtlijn 77/187/EEG van 14 februari 1977, zoals gewijzigd door de Richtlijn 98/50/EG van 29 juni 1998, hierna genoemd Richtlijn 77/187, overgegaan naar de BS. Deze arbeidsovereenkomst bleef verder bestaan en is niet beëindigd. In de ondernemings-CAO van 28 december 2000, gesloten tussen de VZW G en de vakbondssecretarissen, en verbindend ten aanzien van de werknemers, werd uitdrukkelijk voorzien in de mutatie van de werknemers van de VZW G naar de Federale Overheid voor de verdere uitbating van het centrum H. In een verdere fase in haar argumentatie meent appellante dat dit Hof alleszins de verplichting heeft de bestaande burgerrechtelijke bepalingen in verband met de overdracht van schuldvordering en schuld, meer bepaald de artikelen 1690 B.W. en 1275 B.W., richtlijnconform te interpreteren zodanig dat door toepassing van voormelde bepalingen hetzelfde effect gesorteerd wordt als door de rechtstreekse toepassing van de bepalingen van de Europese Richtlijn 77/187. Zelfs indien het Arbeidshof zou oordelen dat in casu geen sprake is van een overgang van onderneming in de zin van de CAO nr. 32bis en de Europese Richtlijn 77/187, dan nog kan volgens appellante geïntimeerde geen recht doen gelden op een opzeggingsvergoeding. Indien immers de overgang van het merendeel van het personeel naar de BS met behoud van de rechten en verplichtingen niet kaderde in de overgang van een onderneming, dan staat vast dat geïntimeerde geen recht heeft op een opzeggingsvergoeding bij gebrek aan een ontslaghandeling in hoofde van de VZW G. Op geen enkele wijze heeft de VZW G ten aanzien van geïntimeerde de wil uitgedrukt een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst. Integendeel, zowel in de ondernemings-CAO van 28 december 2000 als in het C4 formulier dat aan geïntimeerde overhandigd werd, werd het behoud van de arbeidsovereenkomst en de overgang ervan naar de BS benadrukt. 4.5. Indien men ervan uitgaat dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd, is dit volgens appellante gebeurd in onderling akkoord met het oog op de mutatie naar de BS. Dit blijkt uit de ondernemings-CAO van 28 december 2000, die bindend is ten aanzien van beide partijen, de C4 waarop duidelijk vermeld werd dat het personeel overging naar de overheid en de uitbetaling en aanvaarding door geïntimeerde van de betaalde mutatiepremie en het uitblijven van enig protest noch enige vraag om na 7 januari 2001 verder tewerkgesteld te blijven in de VZW G. In uiterst ondergeschikte orde argumenteert appellante dat in de mate dat het Hof van oordeel zou zijn dat de VZW G op éénzijdige wijze een einde heeft gesteld aan de arbeidsovereenkomst met geïntimeerde, vaststaat dat geïntimeerde zich heeft verrijkt zonder oorzaak door een mutatiepremie in ontvangst te nemen omwille van de snelle en onverwachte mutatie van het personeel naar een nieuwe werkgever. Indien immers geïntimeerde van oordeel is dat de VZW G de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd en geïntimeerde op eigen initiatief een nieuwe arbeidsovereenkomst heeft ondertekend bij de BS, dan strookt zulks niet met het begrip van mutatie, en met het behoud van de arbeidsovereenkomst. De VZW G stelt tenslotte dienaangaande een tegenvordering in tot terugbetaling van de conventionele mutatiepremie. 5.1. Voor de eerste rechter was reeds de vraag gerezen of de overname van de exploitatie van de onderneming van appellante "going concern" door de BS wel kon plaatsvinden in de zin van de CAO nr. 32bis zoals door de BS voorgehouden. Dezelfde vraag komt aan bod in graad van hoger beroep, namelijk of er in onderhavig geval al dan niet "een overgang van onderneming krachtens overeenkomst" tussen appellante en de BS heeft plaatsgevonden in de zin van de CAO nr. 32bis van 7 juni 1985, en bij uitbreiding in de zin van de Europese richtlijn nr. 77/187 van 14 februari 1977 zoals gewijzigd door de Europese richtlijn nr. 98/50 van 29 juni 1998 (de Richtlijn 98/50/EG van de Raad van 29 juni 1998 wijzigde de Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van vestigingen en trad in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, zijnde 17 juli 1998 (Publicatieblad Nr. L 201 van 17 juli 1998, blz. 0088-0092). De nieuwe Europese Richtlijn nr. 2001/23 van 12 maart 2001 inzake de aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, heeft de Richtlijnen nr. 77/187 en 98/50 gecodificeerd, doch was nog niet in werking op het ogenblik van de feiten). De eerste rechter heeft in het vonnis a quo van 17 maart 2003 voor recht gezegd dat de bepalingen van de CAO nr. 32bis en/of van de Richtlijn 77/187 niet van toepassing zijn op onderhavige casus, dat zij er contractueel niet op toepasselijk zijn gemaakt, en dat ze er ook niet op van toepassing kunnen zijn en dat er geen sprake is van een overdracht van onderneming zoals geviseerd door de bepalingen van de CAO nr. 32bis of van de EG-Richtlijn 77/187. 5.2. Geïntimeerde sluit zich volledig aan bij voormelde uitspraak voor wat betreft de niet-toepasselijkheid van zowel de CAO nr. 32bis als de Europese Richtlijn 77/187. Ook de BS, gedaagde in tussenkomst en gemeenverklaring in graad van hoger beroep, is van mening dat er geen sprake kan zijn van een werkelijke overname van activa en dat de CAO nr. 32bis geen toepassing vindt omdat zij enkel maar van toepassing is op de privé-sector en dus niet op de publieke sector. De Europese Richtlijn heeft een directe werking, maar kan in casu geen toepassing vinden. 5.3. Appellante argumenteert uitvoerig dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen overeenkomstig de CAO nr. 32 bis van 7 juni 1985, minstens in toepassing van de Europese Richtlijn 77/187/EEG van 14 februari 1977, zoals gewijzigd door de Richtlijn 98/50/EG van 29 juni 1998, overgegaan is naar de BS, zodat de arbeidsovereenkomst verder bleef bestaan en niet beëindigd werd. 6.1. De rechtsgrond van de vordering van geïntimeerde is in essentie gesteund op de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, misbruik van recht of fout bij ontslag gesteund op de artikelen 1134, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; alsmede de Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. 6.2. Appellante verwijst naar de bepalingen van de CAO nr. 32bis en/of de bepalingen van de Europese Richtlijnen 77/187 en 98/50. 6.3. Het Hof stelt alleszins in het kluwen der verschillende rechtsvorderingen vast dat noch door appellante noch door geïntimeerde iets gevorderd wordt van de BS. Overeenkomstig artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek heeft appellante de BS in tussenkomst en gemeenverklaring geroepen. De vordering tot verbindendverklaring van een gerechtelijke beslissing is van conservatieve aard, kan tegengeworpen worden aan de partij die tot tussenkomst is gedwongen d.w.z. dat deze beslissing gezag van gewijsde zal hebben ten aanzien van die partij (Cass. 20 oktober 1988, Arr. Cass. 1988/1989, 212). 7.1. De kernvraag in rechte is derhalve naar het oordeel van het Hof te weten of er al dan niet "een overgang van onderneming krachtens een overeenkomst" heeft plaatsgevonden tussen de BS (gedaagde in tussenkomst en gemeenverklaring) en de VZW G (appellante), in de zin van de bepalingen van de CAO nr. 32bis van 7 juni 1985 en/of de bepalingen van de Europese Richtlijn 77/187 van 14 februari 1977 zoals gewijzigd door de Richtlijn nr. 98/50 van 29 juni 1998. 7.2. In uitvoering van de Europese Richtlijn 77/187 van 14 februari 1977 (P.B. Nr. L 061 van 5 maart 1977, blz. 0026-0028) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan werd op 28 februari 1978 in de Nationale Arbeidsraad de CAO nr. 32 gesloten. Deze werd vervangen door de CAO nr. 32bis van 7 juni 1985 tot behoud van de rechten van werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die worden overgenomen bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand (de CAO nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, algemeen verbindend verklaard bij KB van 25 juli 1985 (B.S. 9 augustus 1985)). De CAO nr. 32bis werd op haar beurt driemaal gewijzigd en aangevuld: door de CAO nr. 32ter (in 1986) (algemeen verbindend verklaard bij KB van 19 januari 1987 (B.S. 28 januari 1987)),door de CAO nr. 32quater (in 1989) (algemeen verbindend verklaard bij KB van 6 maart 1990 (B.S. 21 maart 1990)) en uiteindelijk door de CAO nr. 32quinquies van 13 maart 2002 (algemeen verbindend verklaard bij KB van 14 maart 2002 (B.S. 29 maart 2002)). Artikel 1,1° van de CAO nr. 32bis, in de versie zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bepaalde: "Onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst strekt ertoe te waarborgen: 1°. Eensdeels het behoud van de rechten der werknemers in alle gevallen van wijziging van werkgever ingevolge de overgang van een onderneming of van een gedeelte van de onderneming krachtens overeenkomst; 2°.(...)" Artikel 2 van de CAO bepaalde verder: "Voor de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst moet worden verstaan onder: 1°. werknemers: de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst arbeid verrichten; 2°. werkgevers: de natuurlijke of rechtspersonen, die onder 1° genoemde werknemers tewerkstellen; 3°. de vervreemder: de natuurlijke of rechtspersoon die ingevolge een overgang in de zin van artikel 1, de hoedanigheid van werkgever verliest ten aanzien van de werknemers van de onderneming, die overgaat of het gedeelte van de onderneming dat overgaat; (...) 4°. verkrijger: de natuurlijke of rechtspersoon die ingevolge een overgang in de zin van artikel 1, de hoedanigheid van werkgever verkrijgt ten aanzien van de werknemers van de onderneming, die overgaat of het gedeelte van de onderneming dat overgaat; (...)" Artikel 6, §1 van hoofdstuk II van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 in de versie zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bepaalde: "Onderhavig hoofdstuk is van toepassing bij iedere wijziging van werkgever die het gevolg is van om het even welke overgang van een onderneming of een gedeelte van een onderneming krachtens overeenkomst, met uitsluiting van de gevallen bedoeld bij hoofdstuk III van deze collectieve arbeidsovereenkomst." (art. 6 werd gewijzigd bij art. 4 van de CAO nr. 32 quinquies van 13 maart 2002, algemeen verbindend verklaard bij art. 1 van het KB van 14 maart 2002 (B.S. 29 maart 2002, tweede uitgave)). 7.3. De Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 voerde het arbeidsrechtelijke kader in van de overgang van een onderneming of een vestiging of van een gedeelte daarvan (de uiterste datum voor omzetting in de lidstaten was 16 februari 1979). Artikel 1, lid 1, bepaalde zeer algemeen de werkingssfeer van de Richtlijn: "1. Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van ondernemingen,vestigingen of onderdelen daarvan op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst, of een fusie.(...)" Artikel 2 bepaalde verder: " In deze richtlijn wordt verstaan onder: vervreemder, iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel daarvan verliest; verkrijger, iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of een onderdeel daarvan verkrijgt; (...)" De tekst zelf van deze Richtlijn maakt voor haar toepassing geen onderscheid tussen openbare en private ondernemingen (H. Van Hoogenbembt, "Het lot van de arbeidsovereenkomst bij overgang van de onderneming", in Actuele problemen van het arbeidsrecht, nr. 2, M. Rigaux (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.