← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060906.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 06 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060906.15 Rolnummer: 2003-0150 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2007-10-24 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-07-01 04:43 Fiches 1 - 2 Vermits de C.A.O. nr. 32bis uitvoering geeft aan de Europese Richtlijn 77/187 dient rekening gehouden te worden met het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht waardoor de volle werking van het gemeenschapsrecht dient gewaarborgd. De C.A.O. nr. 32bis dient derhalve getoetst aan de theorie van de richtlijnconforme interpretatie. Alhoewel de C.A.O. nr. 32bis uitdrukkelijk spreekt van een overgang van onderneming krachtens overeenkomst blijkt dat dit begrip overeenkomst ruim moet worden geïnterpreteerd. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie kan worden afgeleid dat om tot de toepasselijkheid van de Europese Richtlijn 77/187 te besluiten de overgang niet noodzakelijk het voorwerp moet uitmaken van een 'overeenkomst' maar er ook het onrechtstreeks gevolg van kan zijn. Indien een besluit aan de overgang ligt, is aan het vereiste van de overeenkomst voldaan, of dat besluit nu als een overeenkomst, een eenzijdige rechtshandeling, een rechterlijke uitspraak of als een wet te bestempelen is. Het Hof van Justitie duidt het begrip onderneming aan als een duurzaam georganiseerde activiteit, d.w.z. een georganiseerd geheel van personen en elementen waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kan worden uitgeoefend. Met betrekking tot de vraag of de overgang van onderneming zich ook opdringt aan de publieke sector heeft het Hof van Justitie gekozen voor een functionele benadering waarin niet de hoedanigheid van het openbaar lichaam bepalend is maar wel de aard van activiteit. Slechts wanneer de activiteit de uitoefening van het openbaar gezag betreft, ontbreekt de ondernemingsactiviteit. Het beheer van een recreatiecentrum en de materiële opvang van asielzoekers zijn taken die zowel door privé-personen als door overheidsorganen kunnen worden uitgeoefend en als zodanig als een economische activiteit kunnen worden aangemerkt. Aangezien de overnemer er zich toe geëngageerd had om de exploitatie van het centrum als going concern over te nemen, lijdt het geen twijfel dat de onderneming aldus haar identiteit heeft bewaard. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsraad - Nationale arbeidsraad - W. 29 mei 1952 - Algemeen Vrije woorden: collectieve arbeidsverhoudingen - nationale arbeidsraad - arbeidsrecht - arbeidsovereenkomst - C.A.O. nr. 32bis - begrip overeenkomst - begrip onderneming - publieke sector - beheer recreatiecentrum en materiële opvang asielzoekers Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 32bis - 07-06-1985 - 1, 1° en 2° - 31 Link Justel databank 19850607-31 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - RECHTSHANDELINGEN - Richtlijn Vrije woorden: internationale verdragen en verordeningen - europese economische gemeenschap - richtlijnen van de EEG - arbeidsrecht - arbeidsovereenkomst - C.A.O. nr. 32bis - begrip overeenkomst - begrip onderneming - publieke sector - beheer recreatiecentrum en materiele opvang asielzoekers Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 77/187 - 14-02-1977 - 1 en 2 Nota: Gerangschikt onder IV D - artikel 1, 1° en 2° en onder IX D 6 - artikel 1 en 2. IV D - IX D 6 Annotaties Publicaties: Limburgs Rechtsleven 2007 - - blz. 221-250 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Tweede Kamer Tegensprekelijk eindarrest Art. 578 arbeidsovereenkomst voor bedienden Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2030150 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: G VZW, met zetel gevestigd te , appellante, verschijnend bij mr. B. VANSCHOEBEKE, advocaat te Gent en mr. I. VERHELST, advocaat te Antwerpen, tegen : L F wonende te geïntimeerde, verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. F. REARD, advocaat te Tongeren en mr. M-J. DEUSS, advocaat te Bilzen, In aanwezigheid van: BS, vertegenwoordigd door (hierna afgekort "FOD") gevestigd te, gedaagde in tussenkomst en gemeenverklaring, verschijnend bij mr. A. LE MAREC loco mr. A. LINDEMANS, advocaat te Brussel. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest. Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden tussenvonnis op 17 maart 2003 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Hasselt gekend onder A.R. nr. 2020047 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 april 2003 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET PRINCIPAAL HOGER BEROEP EN VAN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP Appellante stelt principaal hoger beroep in. Geïntimeerde stelt incidenteel hoger beroep in met betrekking tot de respectievelijk gevorderde vergoedingen die niet integraal door de eerste rechter werden toegekend. Zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep werden naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en beide rechtsmiddelen dienen dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 15 maart 2006 van deze kamer. PROCESVERLOOP - PRECEDENTEN Met inleidende dagvaarding van 27 december 2001 vorderde geïntimeerde de VZW G te veroordelen tot betaling van: - een bedrag van 38.078,43 EUR uit hoofde van opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interesten; - een bedrag van 2.478,93 EUR als bijkomende mutatiepremie en een bedrag van 118,98 EUR als bijkomende sluitingspremie, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke interesten; - een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik ten bedrage van 12.394,68 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. Geïntimeerde vorderde tevens de VZW G te veroordelen tot alle kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding. Geïntimeerde vorderde tenslotte de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te bevelen niettegenstaande alle verhaalmiddelen, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht tot kantonnement. Bij tussenvonnis van 17 maart 2003 werd de vordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard, in die zin dat geoordeeld werd dat de bepalingen van de CAO nr. 32bis en/of de Richtlijn 77/187 niet van toepassing zijn op onderhavige casus, dat zij er contractueel niet op toepasselijk zijn gemaakt en dat ze er ook niet op van toepassing kunnen zijn, dat er geen sprake is van overdracht van onderneming als geviseerd door de bepalingen van de CAO nr. 32bis of van de EG-Richtlijn 77/187, dat geïntimeerde niet gerechtigd is op een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht en dat haar in die zin gestelde vordering als zijnde ongegrond wordt afgewezen, dat geïntimeerde niet gerechtigd is op een bijkomende mutatiepremie, evenmin als op een bijkomende conventionele sluitingspremie en dat haar in die zin gestelde vordering als zijnde ongegrond wordt afgewezen en dat geïntimeerde lastens appellante gerechtigd is op een opzeggingsvergoeding, doch alvorens verder recht te doen over het bedrag van de aan geïntimeerde toekomende opzeggingsvergoeding, een heropening der debatten werd bevolen. De VZW G heeft hoger beroep aangetekend op 11 april 2003. Bij dagvaarding van 5 januari 2004 heeft de VZW G de BS inzake geroepen om tussen te komen in de huidige procedure en haar het uit te spreken arrest gemeen te horen verklaren, met tevens de vraag aan het Arbeidshof om haar akte te verlenen van haar voorbehoud om de BS aansprakelijk te stellen wegens de gebrekkige implementatie van de Europese Richtlijn 2001/23/EG van 12 maart 2001. VOORWERP VAN HET GESCHIL De hoofdbetwisting in hoger beroep in rechte betreft het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 en/of het toepassingsgebied van de Europese Richtlijn 77/187 van de Raad van 14 februari 1977 zoals gewijzigd door de Europese Richtlijn 98/50 van de Raad van 29 juni 1998. POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellante postuleert in hoofdorde: Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen in al haar beschikkingen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren en haar ervan af te wijzen. De nieuwe vordering van geïntimeerde tot het bekomen van de terugbetaling van de kosten van bijstand ingesteld bij beroepsbesluiten, onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en geïntimeerde bijkomend van deze vordering af te wijzen. In ondergeschikte orde: Een prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie overeenkomstig artikel 234 van het EG-verdrag als volgt: "Kunnen de bepalingen van Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 door een vereniging zonder winstoogmerk die de exploitatie van een onthaalcentrum heeft overgedragen aan de BS, ingeroepen worden tegenover haar voormalige werknemer wiens arbeidsovereenkomst in het kader van die overgang van onderneming mede werd overgedragen aan de BS met behoud van de rechten en verplichtingen?" "Indien op de vorige vraag negatief wordt geantwoord, kan deze VZW die haar onderneming of minstens een gedeelte van die onderneming heeft overgedragen aan de BS, in de zin van de Richtlijn 77/187, doch op de bepalingen van die richtlijn geen beroep kan doen wegens de gebrekkige omzetting van de desbetreffende richtlijn in het Belgische recht waar immers de richtlijn is omgezet via een collectieve arbeidsovereenkomst die enkel uitwerking heeft in de private sector en niet verbindend is ten aanzien van de BS, zodat een overgang van onderneming van een particuliere organisatie naar de staat buiten het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst valt, de schade ingevolge deze gebrekkige omzetting verhalen op de BS? Bestaat deze schade uit de opzeggingsvergoedingen die de particuliere organisatie aan haar voormalige werknemers verschuldigd zou zijn doordat, bij gebreke aan een nationale omzettingsmaatregel voor de Richtlijn 77/187, de arbeidsovereenkomsten van de werknemers niet automatisch zijn overgegaan naar de BS?" In meer ondergeschikte orde: Akte te verlenen van de tegenvordering ingesteld bij de beroepsconclusie d.d. 26 mei 2004, en recht doende op deze tegenvordering, de tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan de VZW G van 19.165,57 + 1.338,03 EUR = 20.503,6 EUR EUR als vergoeding wegens verrijking zonder oorzaak, minstens als onverschuldigde betaling, en te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 26 mei 2004. In elk geval het arrest gemeen te verklaren aan de BS en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide instanties. Geïntimeerde postuleert: Akte te nemen van de materiële vergissing in het eerste vonnis m.b.t. de naam van geïntimeerde en te akteren dat deze L heet. Het principaal hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en appellante ervan af te wijzen. Het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en te oordelen dat de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en volledig gegrond is. Dienvolgens appellante te veroordelen tot betaling van een bedrag van: - 29.722,68 EUR uit hoofde van opzeggingsvergoeding, meer de wettelijke en de gerechtelijke interesten; - 12.394,68 EUR als schadevergoeding, meer de gerechtelijke interesten; - 2.478,93 EUR als bijkomende mutatiepremie en een bedrag van 118,98 EUR als bijkomende sluitingspremie, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke interesten. De wedereis ontvankelijk en gegrond te verklaren en appellante te veroordelen tot betaling van een provisioneel bedrag van 6.030 EUR uit hoofde van kosten van rechtsbijstand, meer de gerechtelijke interesten. Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. De tussenkomende partij (de BS) tenslotte postuleert het hoger beroep, voor zover dit betrekking heeft op de vordering die door appellante in graad van beroep tegen de BS wordt aangedragen, als volgt te beoordelen: - voor wat betreft de gemeenverklaring: te zeggen voor recht dat de BS zich naar de wijsheid van het Hof gedraagt; - voor wat betreft de vraag of het Hof akte zou verlenen van de intentie van de VZW G om een vordering ten gronde in aansprakelijkheid in te stellen tegen de BS: te zeggen voor recht dat de BS eveneens wenst dat het Hof akte verleent van het in besluiten aangehaalde verweer in dat verband (cf. besluiten p. 5 en 6). - Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in hoger beroep. MOTIVERING - BEOORDELING 1. De VZW G baatte sedert 1964 het vakantiecentrum "H" te uit. Het betrof een centrum voor sociaal toerisme. Einde jaren '90 was het vakantiecentrum financieel in problemen en dwongen zich maatregelen op (stuk 3 geïntimeerde, waarin wordt verwezen naar de slechte financiële toestand). 2.1. Na een aantal contacten met de overheid (kader van asielproblematiek) vond op 13 december 2000 een afspraak plaats waarbij de definitieve voorwaarden voor de verkoop werden vastgelegd. Eén van deze voorwaarden was dat het personeel mede werd overgenomen met behoud van rechten en verplichtingen. De overheid bevestigde deze voorwaarde schriftelijk als volgt: "Het ligt in onze bedoeling de opening van een onthaalcentrum voor asielzoekers in de infrastructuur van H morgen vrijdag 15 december 2000 op de Ministerraad te brengen voor goedkeuring. Aan de Ministerraad zal voorgesteld worden hiertoe het centrum aan te kopen voor de prijs van ... Bijkomend wordt volgend voorstel van beslissing voorgelegd: "Voor wat betreft de centra "H" en "Z en Z" zal ernaar gestreefd worden de exploitatie in "going concern" over te nemen. De huidige eigenaars zijn verantwoordelijk voor de herboekingen. De overheid zal zich voor wat betreft het sociaal passief spiegelen aan de regeling voor de privé-sector zoals bepaald in de CAO 32bis. In elk geval zal in voorkomend geval voor de personeelsleden die niet kunnen overgenomen worden voorzien worden in een outplacement begeleiding via de VDAB volgens de gangbare normen. Mag ik vragen per kerende uw akkoord te verlenen teneinde dit voorstel aan de Ministerraad voor te leggen" (stuk 3 appellante). 2.2. Op die basis kon de VZW G akkoord gaan met de overeenkomst, die diende voorgelegd te worden aan de Raad van Beheer en de Algemene Vergadering van de VZW G. Er werd een vergadering van beide organen belegd op 14 december 2000. Van overheidszijde moest de overeenkomst bevestigd worden door de ministerraad die plaats zou vinden op 15 december 2000. Aan de Minister werd bevestigd: "De leden van de Raad van Bestuur en van de Algemene Vergadering van Hengelhoef hebben in hun vergadering van 14 december 2000 unaniem beslist om akkoord te gaan met uw voorstel van 14.12.2000 betreffende de opening van een onthaalcentrum voor vluchtelingen. Ons akkoord geldt uiteraard enkel indien aan beide voorwaarden, zoals vermeld in uw brief van 14.12.2000, is voldaan" (stuk 4 appellante). 2.3. De ministerraad keurde de verkoop op voorstel van de Vice-Eerste Minister en de Minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie goed op 15 december 2000. In het persbericht van de Minister van Maatschappelijke Integratie werd vermeld dat het centrum "H" werd overgenomen in "going concern" en met toepassing van de CAO 32bis, zodat "de huidige tewerkstelling van 120 werknemers in belangrijke mate wordt gegarandeerd" (stuk 1 geïntimeerde). In de beslissing van de ministerraad van 15 december 2000 lezen we het dat "met betrekking tot de uitbreiding van de materiële opvang van kandidaat vluchtelingen zoals eerder beslist werd op 25 oktober 2000, tot op vandaag 7450 plaatsen werden goedgekeurd. Voor wat betreft de centra "H "(eigendom CM) en "Z en Z" (eigendom ACW) wordt de exploitatie in "going concern" overgenomen. Dit is een overnamewijze dat vaak van toepassing is in de privé-sector. Hierbij wordt dan CAO-32bis toegepast voor de overname van het sociaal passief. Alhoewel CAO-32bis juridisch niet van toepassing is op de federale overheid, zal toch een gelijkaardige regeling worden uitgewerkt.(...)" De verkoop van de onroerende goederen door appellante aan de BS gebeurde pas op 28 november 2001, met de ingebruikname vanaf 8 januari 2001. In de verkoopakte wordt duidelijk gestipuleerd dat de aankoop geschiedde om reden van openbaar nut, en meer in het bijzonder voor de huisvesting van asielzoekers. De verkoper is wel degelijk appellante, de VZW G, en niet de LCM zoals vermeld in de beslissing van de ministerraad van 15 december 2001. De bedoeling van de VZW G om de ondernemingsraad in te lichten, onmiddellijk na de goedkeuring van de overeenkomst door beide partijen op 15 december 2000, werd doorkruist door een antwoord op een parlementaire vraag. In het Parlement werd de bevoegde Minister op 14 december 2000 ondervraagd over de zaak en deze vraag haalde de pers, met sociale onrust als gevolg. 2.4. Op 28 december 2000 werd het dienaangaande bereikte akkoord van 20 december in een collectieve arbeidsovereenkomst gegoten en ondertekend tussen de VZW G en de secretarissen van de LBC-NVK en de CCVD naar aanleiding van de overname van het vakantiecentrum door de Federale Overheid (stuk 5 appellante). Het sociaal akkoord was onderverdeeld in twee grote luiken: - Eerste luik: nastreven van het maximale behoud van de huidige tewerkstelling. De werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers kwamen uitdrukkelijk overeen te streven naar een maximaal behoud van de tewerkstelling voor alle werknemers (schadebeperking) en te "onderhandelen met de Federale Overheid met als doel dat de Federale Overheid op 8 januari 2001 de rechten en plichten van alle medewerkers zal overnemen zoals bepaald in de CAO 32bis en alsof deze van toepassing zou zijn. Dit betekent dat voor alle medewerkers, die na een sollicitatieproef weerhouden worden voor een functie in het opvangcentrum de tewerkstellings- en loonvoorwaarden worden gegarandeerd. Onder loonvoorwaarden wordt verstaan de huidige bruto jaarwedde en verworven anciënniteit in H zoals geattesteerd door het sociaal secretariaat S". Het Hof merkt op dat een aantal werknemers, die nadien een vordering instelden, bij dit akkoord betrokken waren. Er werd een eenmalige mutatiepremie toegekend van 100.000 BEF per volledig jaar anciënniteit in de onderneming, verminderd met het bedrag van de conventionele sluitingspremie aan de werknemers die in dienst traden van de Federale Overheid "omwille van de snelle en onverwachte mutatie van het personeel naar nieuwe werkgevers". - Tweede luik: ontslag van werknemers die (ondanks het eerste luik) niet zouden kunnen ingeschakeld worden in de nieuwe organisatie. Voor deze werknemers werd voorzien in een outplacementbegeleiding in overleg met en betaald door de Federale Overheid. Aan de bedienden werd een opzeggingsvergoeding toegekend overeenstemmend met een opzeggingstermijn berekend volgens de formule Claeys. Aan de arbeiders werd een bestaanszekerheidvergoeding uitgekeerd bepaald op het verschil tussen het netto referteloon en de werkloosheidsuitkering. De duurtijd van de bestaanszekerheidvergoeding werd bepaald volgens de formule Claeys, verminderd met de wettelijke opzeggingstermijn van toepassing voor arbeiders in de horecasector. Alhoewel geen wettelijke sluitingsvergoeding verschuldigd was, werd een conventionele sluitingspremie toegekend aan alle werknemers die onder het toepassingsgebied van de CAO vielen. 2.5. De CAO onderscheidt de werknemers aan wier arbeidsovereenkomst een einde wordt gesteld van de werknemers van wie de arbeidsovereenkomst behouden blijft en wordt overgedragen aan de Federale Overheid. Alle werknemers zijn in dienst gebleven en uitbetaald tot en met 7 januari 2001. Vanaf 8 januari 2001 zijn 81 van de 120 werknemers overgegaan naar de Federale Overheid met behoud van de contractuele rechten en verplichtingen. De Federale Overheid heeft daartoe een koninklijk besluit uitgevaardigd opdat de werknemers hun anciënniteit en loon konden behouden. De VZW G betaalde een mutatiepremie en een sluitingsvergoeding. Het Solidariteitsfonds is blijkbaar een andere entiteit dan de VZW G. Het betreft een soort verzekering tussen de personeelsleden van een aantal christelijke organisaties, waaronder ook de VZW G, tegen het verlies van loon in geval van arbeidsongeschiktheid. 3. Op 19 november 2001 heeft geïntimeerde appellante gedagvaard om te horen zeggen voor recht dat zij sedert 1 juli 2000 werd tewerkgesteld volgens een voltijdse arbeidsovereenkomst en bijgevolg recht had op gewaarborgd loon aan 100% gedurende bepaalde periodes tijdens haar tewerkstelling. Haar vordering werd afgewezen door de Arbeidsrechtbank te Hasselt bij vonnis van 18 november 2002. Het vonnis werd bevestigd door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt met het arrest van 23 januari 2004. In dit arrest stelt het Arbeidshof vast: "Het gewaarborgd loon werd haar vanaf 11 december 2000 uitbetaald aan 80% volgens het normale arbeidsregime voor 1 juli 2000 en zulks tot en met 7 januari 2001, ogenblik waarop beroepene werd overgenomen door de Federale Overheid" (stuk 11 geïntimeerde). Noch voor de Arbeidsrechtbank noch voor het Arbeidshof vorderde geïntimeerde een opzeggingsvergoeding of een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht en stelde zij zelf te zijn overgenomen door de BS. 4.1. In beroepsbesluiten merkt geïntimeerde op dat de BS zich na de overdracht, niet zou gehouden hebben aan haar verbintenis om de onderneming over te nemen als een "going concern" en de bepalingen van de CAO nr. 32bis te respecteren (cf. infra). 4.2. Met dagvaarding van 5 januari 2004 vordert de VZW G de BS om tussen te komen in de huidige procedure. De VZW G vordert het Arbeidshof het door haar uit te spreken arrest gemeen te verklaren aan de BS. De VZW G vordert tevens dat het Arbeidshof akte verleent aan haar voorbehoud om de BS aansprakelijk te stellen wegens de gebrekkige implementatie van de Europese Richtlijn 2001/23/EG van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen en de Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen. De BS gedraagt zich terzake naar de wijsheid van het Arbeidshof. Wel merkt zij op dat zij geen fout heeft begaan door de niet-omzetting van de Richtlijn. Zij stelt dat er technische bezwaren zijn omdat een collectieve arbeidsovereenkomst niet kan gelden voor de overheid. Er zijn uiteraard andere instrumenten ter beschikking voor de omzetting van een Richtlijn zoals een wet en een koninklijk besluit. Verder stelt de staat dat de VZW G zich niet zou kunnen beroepen op de CAO nr. 32bis. Nochtans is een collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing op werknemers en werkgevers. Waarom zouden werkgevers enkel gehouden zijn door de verplichtingen en geen rechten kunnen doen gelden uit een CAO? Deze redenering van de BS is ongegrond. Tenslotte wordt gesteld dat de VZW G een fout heeft begaan door ervan uit te gaan dat de CAO nr. 32bis van toepassing is of minstens door ervan uit te gaan dat deze CAO van toepassing was. De BS heeft zich volgens geïntimeerde net als appellante ertoe verbonden zich te gedragen naar de bepalingen van de CAO nr. 32bis. 4.3. Met beroepsconclusie van 26 mei 2004 stelde appellante een tegenvordering in tot terugbetaling van de uitbetaalde mutatiepremie, vermeerderd met het netto vakantiegeld op deze premie. Bovendien vordert appellante deze bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. Tenslotte verzoekt appellante het Arbeidshof om de compensatie toe te staan van de door de VZW G verschuldigde bedragen met de haar door geïntimeerde toekomende bedragen. 4.4. Geïntimeerde vordert een opzeggingsvergoeding op basis van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Dit artikel veronderstelt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd zonder dringende reden of zonder inachtneming van een opzeggingstermijn. Het Hof van Cassatie heeft al meermaals bevestigd dat de partij die een opzeggingsvergoeding eist, het bewijs dient te leveren van het recht op die opzeggingsvergoeding, en dus van de ontslaghandeling door de werkgever. In casu argumenteert de VZW G geen ontslaghandeling gesteld te hebben. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is volgens appellante overeenkomstig de CAO nr. 32bis van 7 juni 1985, minstens in toepassing van de Europese Richtlijn 77/187/EEG van 14 februari 1977, zoals gewijzigd door de Richtlijn 98/50/EG van 29 juni 1998, hierna genoemd Richtlijn 77/187, overgegaan naar de BS. Deze arbeidsovereenkomst bleef verder bestaan en is niet beëindigd. In de ondernemings-CAO van 28 december 2000, gesloten tussen de VZW G en de vakbondssecretarissen, en verbindend ten aanzien van de werknemers, werd uitdrukkelijk voorzien in de mutatie van de werknemers van de VZW G naar de Federale Overheid voor de verdere uitbating van het centrum H. In een verdere fase in haar argumentatie meent appellante dat dit Hof alleszins de verplichting heeft de bestaande burgerrechtelijke bepalingen in verband met de overdracht van schuldvordering en schuld, meer bepaald de artikelen 1690 B.W. en 1275 B.W., richtlijnconform te interpreteren zodanig dat door toepassing van voormelde bepalingen hetzelfde effect gesorteerd wordt als door de rechtstreekse toepassing van de bepalingen van de Europese Richtlijn 77/187. Zelfs indien het Arbeidshof zou oordelen dat in casu geen sprake is van een overgang van onderneming in de zin van de CAO nr. 32bis en de Europese Richtlijn 77/187, dan nog kan volgens appellante geïntimeerde geen recht doen gelden op een opzeggingsvergoeding. Indien immers de overgang van het merendeel van het personeel naar de BS met behoud van de rechten en verplichtingen niet kaderde in de overgang van een onderneming, dan staat vast dat geïntimeerde geen recht heeft op een opzeggingsvergoeding bij gebrek aan een ontslaghandeling in hoofde van de VZW G. Op geen enkele wijze heeft de VZW G ten aanzien van geïntimeerde de wil uitgedrukt een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst. Integendeel, zowel in de ondernemings-CAO van 28 december 2000 als in het C4 formulier dat aan geïntimeerde overhandigd werd, werd het behoud van de arbeidsovereenkomst en de overgang ervan naar de BS benadrukt. 4.5. Indien men ervan uitgaat dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd, is dit volgens appellante gebeurd in onderling akkoord met het oog op de mutatie naar de BS. Dit blijkt uit de ondernemings-CAO van 28 december 2000, die bindend is ten aanzien van beide partijen, de C4 waarop duidelijk vermeld werd dat het personeel overging naar de overheid en de uitbetaling en aanvaarding door geïntimeerde van de betaalde mutatiepremie en het uitblijven van enig protest noch enige vraag om na 7 januari 2001 verder tewerkgesteld te blijven in de VZW G. In uiterst ondergeschikte orde argumenteert appellante dat in de mate dat het Hof van oordeel zou zijn dat de VZW G op éénzijdige wijze een einde heeft gesteld aan de arbeidsovereenkomst met geïntimeerde, vaststaat dat geïntimeerde zich heeft verrijkt zonder oorzaak door een mutatiepremie in ontvangst te nemen omwille van de snelle en onverwachte mutatie van het personeel naar een nieuwe werkgever. Indien immers geïntimeerde van oordeel is dat de VZW G de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd en geïntimeerde op eigen initiatief een nieuwe arbeidsovereenkomst heeft ondertekend bij de BS, dan strookt zulks niet met het begrip van mutatie, en met het behoud van de arbeidsovereenkomst. De VZW G stelt tenslotte dienaangaande een tegenvordering in tot terugbetaling van de conventionele mutatiepremie. 5.1. Voor de eerste rechter was reeds de vraag gerezen of de overname van de exploitatie van de onderneming van appellante "going concern" door de BS wel kon plaatsvinden in de zin van de CAO nr. 32bis zoals door de BS voorgehouden. Dezelfde vraag komt aan bod in graad van hoger beroep, namelijk of er in onderhavig geval al dan niet "een overgang van onderneming krachtens overeenkomst" tussen appellante en de BS heeft plaatsgevonden in de zin van de CAO nr. 32bis van 7 juni 1985, en bij uitbreiding in de zin van de Europese richtlijn nr. 77/187 van 14 februari 1977 zoals gewijzigd door de Europese richtlijn nr. 98/50 van 29 juni 1998 (de Richtlijn 98/50/EG van de Raad van 29 juni 1998 wijzigde de Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van vestigingen en trad in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, zijnde 17 juli 1998 (Publicatieblad Nr. L 201 van 17 juli 1998, blz. 0088-0092). De nieuwe Europese Richtlijn nr. 2001/23 van 12 maart 2001 inzake de aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, heeft de Richtlijnen nr. 77/187 en 98/50 gecodificeerd, doch was nog niet in werking op het ogenblik van de feiten). De eerste rechter heeft in het vonnis a quo van 17 maart 2003 voor recht gezegd dat de bepalingen van de CAO nr. 32bis en/of van de Richtlijn 77/187 niet van toepassing zijn op onderhavige casus, dat zij er contractueel niet op toepasselijk zijn gemaakt, en dat ze er ook niet op van toepassing kunnen zijn en dat er geen sprake is van een overdracht van onderneming zoals geviseerd door de bepalingen van de CAO nr. 32bis of van de EG-Richtlijn 77/187. 5.2. Geïntimeerde sluit zich volledig aan bij voormelde uitspraak voor wat betreft de niet-toepasselijkheid van zowel de CAO nr. 32bis als de Europese Richtlijn 77/187. Ook de BS, gedaagde in tussenkomst en gemeenverklaring in graad van hoger beroep, is van mening dat er geen sprake kan zijn van een werkelijke overname van activa en dat de CAO nr. 32bis geen toepassing vindt omdat zij enkel maar van toepassing is op de privé-sector en dus niet op de publieke sector. De Europese Richtlijn heeft een directe werking, maar kan in casu geen toepassing vinden. 5.3. Appellante argumenteert uitvoerig dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen overeenkomstig de CAO nr. 32 bis van 7 juni 1985, minstens in toepassing van de Europese Richtlijn 77/187/EEG van 14 februari 1977, zoals gewijzigd door de Richtlijn 98/50/EG van 29 juni 1998, overgegaan is naar de BS, zodat de arbeidsovereenkomst verder bleef bestaan en niet beëindigd werd. 6.1. De rechtsgrond van de vordering van geïntimeerde is in essentie gesteund op de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, misbruik van recht of fout bij ontslag gesteund op de artikelen 1134, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; alsmede de Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. 6.2. Appellante verwijst naar de bepalingen van de CAO nr. 32bis en/of de bepalingen van de Europese Richtlijnen 77/187 en 98/50. 6.3. Het Hof stelt alleszins in het kluwen der verschillende rechtsvorderingen vast dat noch door appellante noch door geïntimeerde iets gevorderd wordt van de BS. Overeenkomstig artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek heeft appellante de BS in tussenkomst en gemeenverklaring geroepen. De vordering tot verbindendverklaring van een gerechtelijke beslissing is van conservatieve aard, kan tegengeworpen worden aan de partij die tot tussenkomst is gedwongen d.w.z. dat deze beslissing gezag van gewijsde zal hebben ten aanzien van die partij (Cass. 20 oktober 1988, Arr. Cass. 1988/1989, 212). 7.1. De kernvraag in rechte is derhalve naar het oordeel van het Hof te weten of er al dan niet "een overgang van onderneming krachtens een overeenkomst" heeft plaatsgevonden tussen de BS (gedaagde in tussenkomst en gemeenverklaring) en de VZW G (appellante), in de zin van de bepalingen van de CAO nr. 32bis van 7 juni 1985 en/of de bepalingen van de Europese Richtlijn 77/187 van 14 februari 1977 zoals gewijzigd door de Richtlijn nr. 98/50 van 29 juni 1998. 7.2. In uitvoering van de Europese Richtlijn 77/187 van 14 februari 1977 (P.B. Nr. L 061 van 5 maart 1977, blz. 0026-0028) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan werd op 28 februari 1978 in de Nationale Arbeidsraad de CAO nr. 32 gesloten. Deze werd vervangen door de CAO nr. 32bis van 7 juni 1985 tot behoud van de rechten van werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die worden overgenomen bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand (de CAO nr. 32bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, algemeen verbindend verklaard bij KB van 25 juli 1985 (B.S. 9 augustus 1985)). De CAO nr. 32bis werd op haar beurt driemaal gewijzigd en aangevuld: door de CAO nr. 32ter (in 1986) (algemeen verbindend verklaard bij KB van 19 januari 1987 (B.S. 28 januari 1987)),door de CAO nr. 32quater (in 1989) (algemeen verbindend verklaard bij KB van 6 maart 1990 (B.S. 21 maart 1990)) en uiteindelijk door de CAO nr. 32quinquies van 13 maart 2002 (algemeen verbindend verklaard bij KB van 14 maart 2002 (B.S. 29 maart 2002)). Artikel 1,1° van de CAO nr. 32bis, in de versie zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bepaalde: "Onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst strekt ertoe te waarborgen: 1°. Eensdeels het behoud van de rechten der werknemers in alle gevallen van wijziging van werkgever ingevolge de overgang van een onderneming of van een gedeelte van de onderneming krachtens overeenkomst; 2°.(...)" Artikel 2 van de CAO bepaalde verder: "Voor de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst moet worden verstaan onder: 1°. werknemers: de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst arbeid verrichten; 2°. werkgevers: de natuurlijke of rechtspersonen, die onder 1° genoemde werknemers tewerkstellen; 3°. de vervreemder: de natuurlijke of rechtspersoon die ingevolge een overgang in de zin van artikel 1, de hoedanigheid van werkgever verliest ten aanzien van de werknemers van de onderneming, die overgaat of het gedeelte van de onderneming dat overgaat; (...) 4°. verkrijger: de natuurlijke of rechtspersoon die ingevolge een overgang in de zin van artikel 1, de hoedanigheid van werkgever verkrijgt ten aanzien van de werknemers van de onderneming, die overgaat of het gedeelte van de onderneming dat overgaat; (...)" Artikel 6, §1 van hoofdstuk II van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis van 7 juni 1985 in de versie zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bepaalde: "Onderhavig hoofdstuk is van toepassing bij iedere wijziging van werkgever die het gevolg is van om het even welke overgang van een onderneming of een gedeelte van een onderneming krachtens overeenkomst, met uitsluiting van de gevallen bedoeld bij hoofdstuk III van deze collectieve arbeidsovereenkomst." (art. 6 werd gewijzigd bij art. 4 van de CAO nr. 32 quinquies van 13 maart 2002, algemeen verbindend verklaard bij art. 1 van het KB van 14 maart 2002 (B.S. 29 maart 2002, tweede uitgave)). 7.3. De Richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 voerde het arbeidsrechtelijke kader in van de overgang van een onderneming of een vestiging of van een gedeelte daarvan (de uiterste datum voor omzetting in de lidstaten was 16 februari 1979). Artikel 1, lid 1, bepaalde zeer algemeen de werkingssfeer van de Richtlijn: "1. Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van ondernemingen,vestigingen of onderdelen daarvan op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst, of een fusie.(...)" Artikel 2 bepaalde verder: " In deze richtlijn wordt verstaan onder: vervreemder, iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of het onderdeel daarvan verliest; verkrijger, iedere natuurlijke of rechtspersoon die door een overgang in de zin van artikel 1, lid 1, de hoedanigheid van ondernemer ten aanzien van de onderneming, de vestiging of een onderdeel daarvan verkrijgt; (...)" De tekst zelf van deze Richtlijn maakt voor haar toepassing geen onderscheid tussen openbare en private ondernemingen (H. Van Hoogenbembt, "Het lot van de arbeidsovereenkomst bij overgang van de onderneming", in Actuele problemen van het arbeidsrecht, nr. 2, M. Rigaux (

  1. ed)Kluwer rechtswetenschappen, 1987, blz. 39, nr. 60). Inzake het materiële toepassingsgebied wordt slechts één uitdrukkelijke uitzondering gemaakt, namelijk zeeschepen (artikel 1, lid 3). In de Richtlijn wordt evenmin een onderscheid gemaakt betreffende het toepassingsgebied op particuliere of openbare ondernemingen die een economische activiteit uitoefenen al dan niet met winstoogmerk. In het licht van de gevolgen van de interne markt, de ontwikkeling van de wetgeving der lidstaten inzake de redding van ondernemingen in economische moeilijkheden, de jurisprudentie van het Hof van Justitie, de Richtlijn 75/129/EEG van de Raad van 17 februari 1975 betreffende de aanpassingen van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag en de in de meeste lidstaten reeds geldende wetsbepalingen, werd de Richtlijn 77/187 herzien en werden een aantal begrippen verduidelijkt en aangevuld, omwille van de rechtszekerheid en de juridische transparantie (zie de consideransen bij de Richtlijn 98/50, EG van de Raad van 29 juni 1998, P.B. Nr. L. 201 van 17 juli 1998, blz. 0088-0092). De werkingssfeer betreffende de ondernemingsovergang werd verruimd in artikel 1.1. van de Richtlijn 98/50/EG van de Raad van 29 juni 1998 tot wijziging van Richtlijn 77/187/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van vestigingen, gepubliceerd op 17 juli 1998, en luidt als volgt: a)"Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of fusie."
  2. b)(...)
  3. c)"Deze richtlijn is van toepassing op openbare en particuliere ondernemingen die een economische activiteit uitoefenen, al dan niet met winstoogmerk.(...)" De werkingssfeer werd aldus uitgebreid en bepaalt thans uitdrukkelijk dat de richtlijn van toepassing is op openbare en particuliere ondernemingen, die al dan niet een economische activiteit uitoefenen. 7.4.1. De bepalingen van de Richtlijn 98/50/EG van de Raad van 29 juni 1998 zijn van toepassing op onderhavige betwisting, mits de bemerking dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen moeten nemen om vóór 17 juli 2001 de Richtlijn in hun interne recht in te voeren. 7.4.2. Dit betekent dat de Richtlijn 98/50, op het ogenblik van de contractuele besprekingen tussen appellante en de BS betreffende de overgang van het recreatiedomein Hengelhoef, nog niet was omgezet in Belgisch intern recht. 7.5. Ter rationalisering van de teksten heeft de Raad op 12 maart 2001 de Richtlijn 77/187, zoals gewijzigd door de Richtlijn 98/50 ingetrokken en vervangen door de Richtlijn 2001/23/EG die in werking trad vanaf 11 april 2001 (P.B. Nr. L. 82 van 22 maart 2001). Deze laatste gecoördineerde Richtlijn 2001/23 van 12 maart 2001 is in casu niet van toepassing. 8.1. De CAO nr. 32bis werd derhalve op 28 februari 1978 in de Nationale Arbeidsraad gesloten in uitvoering van de Richtlijn 77/187/EEG van 14 februari 1977, zodat dan ook de begrippen die de CAO nr. 32 bis hanteert, alsmede haar toepassingsgebied, zelfstandige Belgische normen zijn, maar in overeenstemming met (conform) de Europese richtlijn (of richtlijnconform) moeten worden uitgelegd (M. De Vos "Overgang van ondernemingen: Wat leert ons het Hof van Justitie?", A.V.I. Nr. 152, 1, blz. 4). De CAO nr. 32bis werd gesloten in de Nationale Arbeidsraad en heeft een absoluut toepassingsgebied waarin alle werkgevers en werknemers van het land begrepen zijn (art. 7 CAO-Wet van 5 december 1968). De CAO nr. 32bis is qua genus een collectieve arbeidsovereenkomst, van wie de rechtstoestand geregeld wordt door de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, hetgeen impliceert dat krachtens artikel 2, §3, 1° van voormelde wet diegenen die in dienst zijn van de staat, de provincies, de gemeenten, de daaronder ressorterende instellingen en de instellingen van openbaar nut, met uitzondering van..., niet vallen onder de toepassing van de CAO nr. 32 bis (ook de NAR in zijn advies nr. 1.392 van 13 maart 2002 wees op de uitsluiting van het toepassingsgebied wat de openbare ondernemingen betreft, die wel onder de werkingssfeer van de Richtlijn 98/50/EG vallen (blz. 7 en 8)). De reden van de basisuitsluiting uit het toepassingsgebied van de CAO-Wet is dat die personen onderworpen zijn aan statutaire en reglementaire bepalingen die slecht passen in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomst (H. Dewael, "De collectieve arbeidsovereenkomst" in Arbeidsrecht, C.A.D., III-13-9, nr. 10). 8.2. Appellante, de VZW G, was vóór de ondernemingsoverdracht werkgever - en geen overheidsinstelling - zodat zij naar het oordeel van het Hof dan ook evident wettelijk onderworpen was aan de bepalingen van de CAO-Wet van 5 december 1968 (C. Wantiez, "Transferts conventionnels d'entreprise et droit du travail", E.D.S. 49-50). Ook geïntimeerde, als persoon die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichtte, was onderworpen aan de CAO-Wet van 5 december 1968 (cf. artikel 2). Aldus zijn zowel appellante als geïntimeerde eveneens onderworpen aan de CAO nr. 32bis, die m.a.w. slechts uitwerking heeft op werknemers uit de privé-sector. 8.3.1. De BS - als verkrijger - was zich op het ogenblik van de onderhandelingen met betrekking tot de overname van de exploitatie van Hengelhoef bewust van het feit dat de CAO nr. 32bis op de overheid geen toepassing kon vinden. 8.3.2. Ten overvloede merkt het Hof in dit verband op dat de ministerraad in de beslissing van 15 december 2000 benadrukte dat de CAO nr. 32bis juridisch niet van toepassing is op de federale overheid, maar dat toch een gelijkaardige regeling wordt uitgewerkt, en in het sociaal akkoord van 28 december 2000 wordt gestipuleerd dat de federale overheid op 8 januari 2001 de rechten en plichten van alle medewerkers zal overnemen zoals bepaald in de CAO nr. 32bis en alsof deze van toepassing zou zijn. 8.4. Het Hof treedt de argumentatie, zoals ontwikkeld door appellante, volledig bij dat het niet is omdat beide partijen op dat ogenblik meenden dat de CAO nr. 32bis niet van toepassing was, dat dit ook in werkelijkheid en naar recht zo is. Wat wel duidelijk is, is dat beide partijen van oordeel waren dat het om een overdracht van onderneming ging en dat zij derhalve de regels van de CAO nr. 32bis dienden te respecteren, ongeacht of deze nu al dan niet van toepassing was. 9.1. Verder wijst appellante op de gebrekkige implementatie van de Richtlijnen 77/187 en 98/50 in het Belgisch recht, zodat een overgang van onderneming van een particuliere organisatie naar de Staat buiten het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst valt, en zij aldus de schade kan verhalen op de BS. 9.2. In ondergeschikte orde verzoekt appellante dienaangaande om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie overeenkomstig artikel 234 van het EG-Verdrag. 9.3. De BS ontkent deze gebrekkige implementatie van de Richtlijn niet doch verweert zich door te stellen dat België niet beschikt over een aangepast instrument en dat er een aantal technische bezwaren zijn die nog moeten worden uitgeklaard. 9.4.1. Het Hof van Justitie heeft dienaangaande duidelijk gesteld dat een lidstaat het niet-eerbiedigen van verplichtingen en termijnen die in een richtlijn besloten liggen niet kan rechtvaardigen door een beroep op moeilijkheden van interne aard, dan wel op constitutionele bepalingen van zijn interne rechtsorde (H.v.J. 11 april 1978, Commissie t/ Italië, zaak 100/77, Jur. 1978, 879; H.v.J. 26 februari 1976, Commissie t/ Italië, zaak 52/75, Jur. 1976, 277; H.v.J. 6 mei 1980, Commissie t/ België, zaak 120/79, Jur. 1980, 1473). Het is juist dat België kan gesanctioneerd worden krachtens artikel 249, derde lid, van het EG-Verdrag omdat de CAO nr. 32bis uitsluitend de privé-sector viseert, en daardoor zijn omzettingsverplichting van de Richtlijn 77/187 overgang ondernemingen voor de publieke sector minstens gedeeltelijk niet heeft nageleefd (M. De Vos, "Overgang van ondernemingen en de CAO nr. 32bis. Recente ontwikkelingen en nieuwe knelpunten", in M. De Vos (ed.), Vijftig jaar Nationale Arbeidsraad, die Keure 2003, blz. 223 en 224, nr. 16). Krachtens artikel 249, derde lid, van het gecoördineerd EG-Verdrag is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. De materiële inhoud van de nationale uitvoeringsmaatregel moet overeenstemmen met de draagwijdte van de richtlijn (D. Van Heuven, "Omtrent richtlijnen", R.W. 1989/1990, 1212; R. Devloo, "Richtlijnconforme interpretatie: bron van recht? R.W. 1993/1994, 377-382; H. Coremans en M. Van Damme, "Beginselen van wetgevingstechniek en behoorlijke regelgeving", Administratieve rechtsbibliotheek, algemene reeks nr. 11, die Keure 1994, blz. 100-105, nrs. 183-193). Richtlijnen maken immers, ongeacht of zij al dan niet directe werking hebben, deel uit van het interne recht van de lidstaten, zodat zij de nationale rechter dienstig kunnen zijn bij de uitlegging en de toepassing overeenkomstig het gemeenschapsrecht van de nationale uitvoeringsmaatregelen. Bij twijfel omtrent de correcte interpretatie van de richtlijn kan de nationale rechter een prejudiciële vraag stellen aan het Hof van Justitie (H. Van Hoogenbemt, "Overdracht van onderneming" in Aanwerven, Tewerkstellen, Ontslaan (A.T.O.), Diegem, Ced Samsom, T. 4. 3810, voetnoot 2). Een richtlijn kan geen rechtstreekse werking teweegbrengen zolang de in de richtlijn gestelde termijn waarbinnen haar bepalingen in de nationale rechtsorde moeten worden ingevoerd nog niet is verstreken. 9.4.2. Op het ogenblik van de contractuele onderhandelingen tussen appellante en de BS in verband met de overname van het recreatiecentrum "Hengelhoef" op het einde van 2000 moest de Richtlijn 77/187 van 14 februari 1977 reeds vanaf 16 februari 1979 volledig geïmplementeerd zijn in het Belgische interne recht. Betreffende de werkingssfeer van de Richtlijn 77/187 werd nochtans geen onderscheid gemaakt tussen particuliere en openbare ondernemingen. 9.4.3. In het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie werd in artikel 1,1°,
  4. c)van de Richtlijn 98/50 van 29 juni 1998 uitdrukkelijk bepaald dat de Richtlijn 77/187 van toepassing werd op particuliere en openbare ondernemingen, die al dan niet met winstoogmerk economische activiteiten uitoefenen. De Richtlijn 98/50 trad in werking op de dag van haar bekendmaking, namelijk op 17 juli 1998 en de lidstaten moeten de nodige omzetting doen vóór 17 juli 2001. Dit is in onderhavig geval nà de datum waarop de overgang van onderneming tussen appellante en de BS reeds was gerealiseerd, namelijk 7 januari 2001. 9.5. Nu het hoofdgeding betrekking heeft op de rechtsgevolgen van de overgang van de onderneming, waarvan de datum werd bepaald op 7 januari 2001, dat wil zeggen op een datum waarop de termijn voor omzetting van de Richtlijn 98/50 nog niet was verstreken en de Belgische wetgever binnen de hem toegestane tijdslimiet bleef, kan men die verplichting ook niet activeren ten aanzien van de rechter (arrest Delahaye, H.v.J. 11 november 2004, zaak C-425/02, Jur. 2004, blz. I-10823, punt 28); arrest Werhof t/ Freeway Traffic Systems GmbH, H.v.J. 9 maart 2006, zaak C-499/04, punt 15 en 16, http://curia.eu.int.jurisp). 9.6. Vermits de bepalingen van de CAO nr. 32bis "ratione personae" toepasselijk zijn in onderhavig geding is een prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie niet meer relevant. De discussie of de Richtlijnen 77/187 en 98/50 al dan niet verticale of horizontale werking hebben is evenmin van belang (ondanks de tegenstrijdige conclusies van de advocaten-generaal volhardt het Hof van Justitie dat de horizontale directe werking van de richtlijnen tussen particulieren onderling uitgesloten blijven. H.v.J. 2 augustus 1993, Marshal II, zaak C-271/91, Jur. 1993, I-4367, conclusie W. Van Gerven; T.R.V. 1991, 36, met noot F. & J. Bouckaert, 34; H.v.J. 3 maart 1994, Vaneetveld, zaak C-316/93, Jur. 1994, I-763, conclusie F.G. Jacobs; H.v.J. 14 juli 1994, Faccini Dori, zaak C-91/92, Jur. 1994, I-3325, conclusie C.O. Lenz; R.W. 1994/1995, 683. Zie "Het beleid van de advocaat-generaal", Tijdschrift Jura Falconis, http://www.law.kuleuven.be/jura). 9.7. Wel van determinerend belang is de vraag of aan de voorwaarden is voldaan opdat de CAO nr. 32bis toepasselijk zou zijn. Vermits de CAO nr. 32bis uitvoering geeft aan de Europese Richtlijn 77/187 dient rekening gehouden met het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht waardoor de volle werking van het gemeenschapsrecht dient gewaarborgd. De CAO nr. 32bis dient derhalve getoetst aan de theorie van de richtlijnconforme interpretatie. 10.1. Volgens de theorie van de richtlijnconforme interpretatie moet de nationale rechter bij de toepassing van het interne recht dit "zoveel mogelijk" uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn teneinde het beoogde resultaat te bereiken, en dit "ongeacht of het daarbij gaat om bepalingen die dateren van eerdere of latere datum dan de richtlijn". (H.v.J. 13 november 1990, Marleasing, zaak C-106/98, Jur. 1990, I-4135, I-4159, r.o. 8, met conclusie van advocaat-generaal Van Gerven, nrs. 7 tot en met 10; L. Van Den Hende, "Overzicht van rechtspraak. Europees Gemeenschapsrecht. Rechtsbescherming 1979-1994, T.P.R. 1-95, nr. 15, blz. 161, nrs. 38 tot 53, blz. 176 tot 189; Cass. 2 december 1996, Arr. Cass. 1996/7, nr. 470, met gedeeltelijke andersluidende conclusie van advocaat-generaal Leclercq (noot); R.C.J.B. 1998 met noot van J. Verhoeven; R. De Vloo, R.W. 1993/1994, 377-382). De interpretatie van de CAO nr. 32bis wordt gestuurd door de uniforme interpretatie van de basisrichtlijnen door het Hof van Justitie (M. De Vos, A.V.I. nr. 152, blz. 4). Vermits interpretatie mogelijk is en de CAO nr. 32bis uitvoering geeft aan een Europese Richtlijn, moet de Europese lezing worden gevolgd (M. De Vos, blz. 235, nr. 30). De verplichting van de nationale rechter tot richtlijnconforme interpretatie geldt ongeacht de rechtstreekse werking van de bepalingen van de richtlijn. Via deze uitlegging van het nationaal recht kunnen de in de richtlijn vervatte verplichtingen ook gelding krijgen ten aanzien van particulieren (K. Lenaerts en P. Van Nuffel, "Europees Recht in hoofdlijnen", Maklu Uitgevers, 1995, nr. 689, blz. 565, met aangehaalde rechtspraak en rechtsleer). De richtlijnconforme interpretatie heeft strikt genomen niets te maken met horizontale werking: het is de nationale norm die uitwerking krijgt, weliswaar geïnterpreteerd aan de hand van de richtlijn (conclusie advocaat-generaal Van Gerven bij arrest Marleasing, nr. 7). Zoals bekend heeft de gemeenschapswetgever in de Richtlijnen 77/187 en 98/50 geen definitie gegeven van de begrippen "overgang", "onderneming", "overdracht", "overeenkomst" of "fusie". Om die reden is het de taak van het Hof van Justitie deze communautaire begrippen af te bakenen. In een uitvoerige rechtspraak en in het licht van de sociale doelstelling van de Richtlijn zijn de basisbegrippen door het Hof van Justitie flexibel uitgelegd. Het Hof heeft ervoor gekozen om in de plaats van strakke, vastomlijnde definities, te werken met criteria die door de nationale rechter worden toegepast rekening houdende met alle feitelijke omstandigheden. 10.2. De begrippen die van belang zijn in casu zijn: allereerst moet de overgang betrekking hebben op een onderneming die is omschreven als een duurzaam georganiseerde economische entiteit. De onderneming dient krachtens overeenkomst over te gaan en vervolgens is de vraag of het beslissend criterium of de identiteit van het bedrijf bewaard blijft, wat met name moet blijken doordat de exploitatie ervan in feite wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsactiviteiten (conclusie van advocaat-generaal L.A. Geelhoed van 27 september 2001 (r.o. 41 tot 44) bij het arrest Temco Services Industries t/ Samir Cons., H.v.J. 24 januari 2002, zaak C-51/00, J.T.T. 2002, 185; conclusie advocaat-generaal L.A. Geelhoed van 19 juni 2003 (r.o. 46) bij het arrest Carlito Abler e.a. t/ Sodexho, H.v.J. 20 november 2003, zaak C-340/01, R.W. 2004/2005, 824, noot J. Peeters; S.E.W. 2004, 479, noot R. Duk; J.T.T. 2004, 120.I. Van Tilborgh, "Het Sodexho arrest: een verregaande interpretatie van het Europees Hof betreffende overdracht van onderneming", A.V.I. nr. 178.3, blz. 15). 10.3. De Europese Richtlijnen spreken van "wijziging van ondernemer" (art. 1.1 en 2.
  5. a)Richtlijn 77/187 en art. 1.1 en 2.1 Richtlijn 98/50) terwijl de artikelen 1.1 en 6, §1 van de CAO nr. 32bis verwijzen naar "wijziging van werkgever". Een wijziging van onderneming (aldus een vaste rechtspraak van het Hof van Justitie) is een wijziging van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de exploitatie van de onderneming en als werkgever verplichtingen aangaat ten opzichte van de werknemers van de onderneming (H.v.J. 18 maart 1986, Spijkers, C-24/85, Jur. 1986, 1119 en nadien bevestigd in H.v.J. 19 mei 1992, Dr. Sophie Redmond Stichting; H.v.J. 15 juni 1988, Bork nr. 101/87, Jur. H.v.J. 1988, 3057, r.o. 13; H.v.J. 14 april 1994, Schmidt, nr. C-392/92, Jur. 1994, I-1311, r.o. 12; H.v.J. 7 maart 1996, Merckx en Neuhuys; H.v.J. 11 maart 1997, Süzen, nr. C-13/95, Jur. 1997, I-1259, r.o. 12; H.v.J. 10 december 1998, Sanchez Hidalgo, nrs. C-173/96 en C-247/96, Jur. 1998, I-8237, r.o. 23; H.v.J. 23 januari 2001, Oy Lükenne, nr. C-172/99, Jur. 2001, I-745, r.o. 29; H.v.J. 20 november 2003, Abler, C-340/01, J.T.T. 2004, 120). Uit vaststaande rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het vooral van belang is of er een wijziging optreedt in de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming exploiteert en die uit dien hoofde werkgeversverplichtingen ten aanzien van de werknemers heeft (H.v.J. 17 december 1987, zaak 287/86 (Ny Molle Kro), Jur. H.v.J. 1987, 5465; H.v.J. 12 november 1992, zaak C-209/91 (Watson Rask en Christensen), Jur. H.v.J. 1992, I-5755). 10.4. Volgens de bewoordingen van de beslissing van de ministerraad van 15 december 2000 was de voornaamste doelstelling en motivering van de BS in eerste instantie een deel van de eigendom van het recreatiedomein "H" aan te kopen om vervolgens de exploitatie en het sociaal passief in toepassing van de CAO nr. 32bis over te nemen om asielzoekers materieel op te vangen. Dit werd geconcretiseerd in de aankoop door de BS op 28 november 2001, met ingebruikname op 8 januari 2001, zodat niet alleen de eigendom van Hengelhoef in handen kwam van de BS, maar ook de continuïteit van de arbeidsverhoudingen met het personeel vanaf 8 januari 2001 gewaarborgd werd. Bovendien vermeldde de beslissing van de ministerraad van 15 december 2000 dat de exploitatie in "going concern" wordt overgenomen, hetgeen impliceert dat de exploitatie van de onderneming "in feite" of "daadwerkelijk" door de BS wordt voortgezet of hervat (M. De Vos, o.c. blz. 229, nr. 22). Het Hof van Justitie heeft herhaaldelijk gesteld dat de basisrichtlijn overgang ondernemingen ook bij verandering van eigenaar de continuïteit van de arbeidsverhoudingen wil waarborgen (M. De Vos, o.c. blz. 217, nr. 8). In zijn conclusie bij het arrest Dr. Sophie Redmond Stichting onderstreepte advocaat-generaal Van Gerven: "Ik wil u er evenwel op wijzen dat het voor de toepassing van de richtlijn geenszins vereist is dat de ondernemingsactiviteit vóór en na de overdracht identiek zou zijn. Een dergelijke eis zou immers indruisen tegen het brede toepassingsgebied van de richtlijn en tegen de bewoordingen ervan waarbij, het weze herhaald, ook de overgang van vestigingen van een onderneming of onderdelen daarvan beoogd wordt. Welnu, het komt mij voor dat wat er, afgezien van de niet meer aangeboden ontmoetings- en recreatieve diensten, nog aan ondernemingsactiviteit overblijft, ongetwijfeld als een 'identiteitsbehoudend' onderdeel van Sophie Redmond's activiteit kan worden aangemerkt." De rechtsopvolging en de juridische wijziging van de persoon van de ondernemer/werkgever was aldus "in rechte" vervuld op het ogenblik van 8 januari 2001. Het (maatschappelijk) debat aangaande wat er nadien is gebeurd met de bestemming van het centrum en of het centrum al dan niet verder werd uitgebaat bij gebreke aan de nodige vergunningen, staat naar het oordeel van het Hof buiten het voorwerp van huidig geschil. Het kan derhalve niet betwist worden dat de BS een gewijzigde werkgever is t.o.v. appellante. 11.1. Met betrekking tot het element "overdracht krachtens overeenkomst" treedt het Hof de opmerking bij van de heer advocaat-generaal dat door partijen geen schriftelijke overeenkomst betreffende de overgang tussen appellante (vervreemder) en de BS (verkrijger) wordt bijgebracht zoals in artikel 6 van de CAO nr. 32bis wordt bepaald: "overgang van onderneming krachtens overeenkomst". De BS heeft in casu bij éénzijdige beslissing van de ministerraad van 15 december 2000 (cf. supra) het kader gecreëerd om de werknemers van appellante de mogelijkheid te bieden om in toepassing van de regeling zoals uitgewerkt in de CAO nr. 32bis, hun rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun arbeidsovereenkomsten te waarborgen op het tijdstip van de overname door de BS. Het Hof stelt vast dat deze beslissing van de ministerraad enkel in de vorm van een persmededeling, afgedrukt van de website van het Ministerie van Begroting, wordt bijgebracht. 11.2. Alhoewel de CAO nr. 32bis uitdrukkelijk spreekt van een overgang van onderneming krachtens overeenkomst, blijkt evenwel dat dit begrip "overeenkomst" ruim moet geïnterpreteerd worden. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het voor de toepassing van de Richtlijn geenszins vereist is dat er rechtstreekse contractuele betrekkingen bestaan tussen de vervreemder en de verkrijger. Het volstaat dat de ondernemingsovergang plaatsvindt "in het kader van contractuele betrekkingen" (cf. infra). Alhoewel volgens een letterlijke lezing van de Nederlandse tekst een overeenkomst nodig is opdat de bepalingen van de CAO nr. 32bis en de richtlijn 77/187 van toepassing zouden zijn, blijkt daarenboven dat anderstalige versies een ruimere strekking hebben. Het Hof van Justitie besloot ook tot een ruime interpretatie en stelde in de zaak Abels : "Gezien deze verschillen, kan de strekking van de onderhavige bepaling niet uitsluitend op basis van een letterlijke uitlegging worden beoordeeld. Bij het zoeken naar de betekenis ervan moet ook acht worden geslagen op de opzet en het doel van de richtlijn." (H.v.J. 7 februari 1985, zaak 135/83, Abels, Jur. 1985, 469, r.o. 13). Volgens het Hof wordt de Richtlijn toegepast "zodra er in het raam van de contractuele betrekkingen een wijziging optreedt in de natuurlijke of rechtspersoon die de exploitatie exploiteert"(H.v.J. 17 december 1987, zaak 287/86, Ny Molle Kro, Jur. 1985, 5465, r.o. 12). Daarmee geeft het Hof aan dat de overgang niet noodzakelijk het voorwerp moet uitmaken van een overeenkomst, maar er ook het onrechtstreeks gevolg kan van zijn (M. Simon, "Nieuwe onzekerheden over het toepassingsgebied van de Richtlijn", Or. januari 2005, blz. 15; M. Simon, "Overdracht van onderneming - Nieuwe onzekerheden over het toepassingsgebied van de Richtlijn", Or. 2005, blz. 19). Op grond van de geciteerde arresten van het Hof van Justitie kan geconcludeerd worden dat het niet noodzakelijk is dat er rechtstreekse contractuele betrekkingen tussen vervreemder en de verkrijger bestaan. Indien een besluit aan de overgang ligt, is aan het vereiste voldaan, of dat besluit nu als een overeenkomst, een éénzijdige rechtshandeling, een rechterlijke uitspraak of een wet te bestempelen is (Conclusie Advocaat-generaal Geelhoed, overwegingen 57 tot en met 60, bij het arrest Carlito Abler e.a. t/ Sodexho, zaak C-340/01 van 20 november 2003; R.W. 2004/2005, 824, met noot van J. Peeters; J.T.T. 2004, 120; S.E.W. 2004, 479, met noot R. Duk. - in onderling overleg: arrest Redmond Stichting, zaak C-29/91 van 19 mei 1992 - een regeling in onderling verband: arrest Merckx en Neuhuys, zaak C-171/94 en C-172/74 van 7 maart 1996; J.T.T. 1996, 165. - overgang gebaseerd op een wet: zaak Collino en Chiappero, zaak C-343/98 van 14 september 2000). 12.1. Zowel geïntimeerde als de BS argumenteren dat het uitbaten van een asielcentrum niet kan worden gekwalificeerd als economische activiteit. Geïntimeerde stelt dat de opvang van asielzoekers geen economische activiteit betreft en op het vlak van de openbare dienstverlening gebeurt. Er was alleen een overdracht van een onroerend goed en niet van een onderneming. Het standpunt van de BS sluit aan bij dit van geïntimeerde, maar is minder begrijpelijk omdat de ministerraad in de beslissing van 15 december 2000 uitdrukkelijk bepaalt dat "de exploitatie in going concern wordt overgenomen" (over de overdracht als een going concern, zie C. Engels, "Outsourcing, de individuele en collectieve rechten van de werknemers bij overgang van onderneming", J.T.T. 1999, blz. 133, nr. 2.1.3.2); het Europese Hof van Justitie heeft in haar rechtspraak bij herhaling gesteld dat de Richtlijn 77/187 betrekking heeft op overdrachten waarbij de vervreemde economische entiteit haar identiteit behoudt en/of het bedrijf wordt overgedragen als een "going concern" wat met name kan blijken uit het feit dat de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsactiviteiten. Met het arrest Süzen duidt het Hof van Justitie de onderneming aan als "duurzaam georganiseerde entiteit" d.w.z. een georganiseerd geheel van personen en elementen, waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kan worden uitgeoefend (H.v.J. 11 maart 1997, A. Süzen en Zehnacker, zaak C-13/95, Jur. 1997, 1259; J.T.T. 1997, 272). Met betrekking tot de gestelde vraag of de overgang van onderneming zich ook opdringt aan de publieke sector heeft het Hof van Justitie geopteerd voor een functionele benadering waarin niet de hoedanigheid van openbaar lichaam bepalend is, maar wel de aard van de activiteit. Slechts wanneer de activiteit de uitoefening van het openbaar gezag betreft, ontbreekt de ondernemingsactiviteit waarvan de toepassing van de Richtlijn afhangt (H.v.J. 11 november 2004, Delahaye, zaak C-425/02). Alle andere elementen zijn irrelevant: de rechtsvorm of de financiering van de entiteit die de activiteit uitoefent, evenals de uitoefening van de activiteit zonder winstoogmerk of in het openbaar belang (M. De Vos, o.c. blz. 222, nr. 15; zie ook C. Bayart, "Outsourcing en overdracht van onderneming - Rechtspraak Hof van Justitie", Or. 2002, 10). Het Hof van Justitie beoordeelde reeds een activiteit op het vlak van hulpverlening aan verslaafden, uitgeoefend door een stichting, een privaatrechtelijke persoon zonder winstoogmerk, en de overgang van een activiteit op het gebied van thuishulp aan hulpbehoevenden, die door een publiekrechtelijke instelling aan een privaatrechtelijke rechtspersoon werd gegund (H.v.J. 19 mei 1992, Dr. Sophie Redmond Stichting, zaak C-29/91, Jur. 1992, I-3189; H.v.J. 10 december 1998, Hidalgo e.a., zaak C-173/96 en C-247/96, Jur. 1998, I-8237; H.v.J. 26 september 2000, Mayeur, zaak C-175/99, r.o. 40, Jur. 2000, I-7755, conclusie advocaat-generaal Leger van 13 juni 2000, r.o. 58, http.//curia.eu.int.; zie M. Simon, o.c. blz. 18 en 19). Het Hof van Justitie bevestigde dat het feit dat de ontmoetings- en recreatieve activiteiten niet werden overgenomen, niet in de weg stond aan de toepassing van de richtlijn. Deze heeft immers niet alleen betrekking op de overgang van ondernemingen, maar ook op de overgang van vestigingen of onderdelen daarvan, waarmee activiteiten van bijzondere aard kunnen worden gelijkgesteld. Het Hof bevestigde ook reeds in haar rechtspraak dat de over te dragen activiteiten niet noodzakelijk de hoofdactiviteit of zogenaamde "core business" van de betrokken onderneming dient te zijn (H.v.J. 12 november 1992, Rask en Christensen, Soc. Kron. 1993, 102). 12.2. Het beheer van het centrum "H" en de materiële opvang van asielzoekers zijn naar het oordeel van het Hof taken die zowel door privé-personen als door overheidsorganen kunnen worden uitgeoefend en zodanig als een economische activiteit kunnen worden aangemerkt (M. De Vos, o.c. nr. 15, blz. 223, noten 39 tot en met 43). Vermits de BS zich engageerde de exploitatie van H in "going concern" over te nemen, lijdt het geen twijfel dat de onderneming haar identiteit heeft bewaard. In de Spijkers-zaak zei het Hof van Justitie dat de vervreemding van een onderneming "going concern" met name kan blijken uit het feit dat de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsactiviteiten (H.v.J. 18 maart 1986, Spijkers t/ Benedik, zaak C-24/85, Jur. 1986, 1119, r.o. 12). De ondernemingsovergang van recreatiecentrum naar opvang van asielzoekers moet in onderhavig geval worden getoetst aan de operatie die partijen in wilsvrijheid hebben uitgewerkt. De bedoeling van beide partijen was duidelijk: de transfer van de activa en het behoud van het personeel. 12.3. Geïntimeerde maakt een tekstueel correct onderscheid tussen "asiel" en "toerist" en zegt dat deze begrippen zelfs tegenstrijdig zijn, maar vergeet de activiteit te bekijken vanuit de invalshoek van de uitbating van het centrum. De verwijzing naar het doel van de aankoop om reden van openbaar nut is niet relevant, vermits er wordt aan toegevoegd dat de aankoop meer in het bijzonder voor de huisvesting van asielzoekers is geschied. De eerste rechter oordeelde dat de identiteit van de onderneming niet behouden werd omdat geen gelijkaardige of analoge activiteit werd uitgeoefend door de BS. De eerste rechter stelde dat een asielcentrum voor vluchtelingen geen toeristisch vakantiepark is. Deze vaststellingen van de eerste rechter moeten worden tegengesproken. Betreffende de commerciële uitbating en gezien vanuit het standpunt van de uitbater maakt het naar het oordeel van het Hof geen verschil uit of er toeristen dan wel asielzoekers verblijven. De voortzetting (of hervatting) van de uitbating van het centrum "Hengelhoef" gebeurde met soortgelijke bedrijfsactiviteiten. 13. Het Hof is derhalve van oordeel dat de arbeidsovereenkomst van geïntimeerde automatisch is overgegaan naar de BS in toepassing van de CAO nr. 32bis en dat derhalve de voorwaarden om de bepalingen van de CAO nr. 32bis richtlijnconform toe te passen vervuld zijn. 14. Het Hof treedt derhalve in grote lijnen de argumentatie van appellante bij en is van oordeel dat het ingestelde principaal hoger beroep gegrond dient verklaard te worden op grond van de hierboven aangehaalde overwegingen. 15.1. Tenslotte dient nog gestatueerd te worden betreffende de terugbetaling van het ereloon van de advocaat, aangezien geïntimeerde in beroepsconclusie de terugbetaling van de kosten van bijstand door een advocaat, die begroot worden op 10 % van het bedrag van de initiële vordering, vordert. De vordering is volgens geïntimeerde gebaseerd op het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004 (Cass. 2 september 2004, J.T. 2004, 684, met noot B. De Coninck, "Répétibilité et responsabilité civile: un arrêt de principe"; N.j.W. 2004, 953; J.L.M.B. 2004, 1320 met noot M. Gouden en D. Philippe, "Les honoraires d'avocat et les frais d'expert constituent un élément du dommage; R.W. 2004-2005, 546 met conclusie van advocaat-generaal A. Henkes en noot B. Wilms en K. Christiaens, "Erelonen en kosten van advocaten kunnen op een schadeverwekkende partij worden verhaald als onderdeel van door een slachtoffer geleden schade"; Rev. Not. 2004, 471, met noot D. Sterckx, "Des frais et honoraires d'avocats et de conseil technique comme élément du dommage"; T.B.B.R. 2004, 461; R.G.A.R. 2005, nr. 13.946, met conclusie van advocaat-generaal A. Henkes en noot N. Clijmans "De verhaalbaarheid van het honorarium en de kosten van de advocaat", B. De Temmerman, "Verhaalbaarheid van kosten van juridische bijstand op het knooppunt van aansprakelijkheidsrecht en procesrecht", R.W. 2004-2005, 1401; S. Tack, "Verhaalbaarheid verdedigingskosten" in N.j.W., nr. 131, 7 december 2005, blz. 1298; Gent 13 mei 2005, N.j.W. 2005, 1313; B. Lietaert, Advocatenkosten voor de arbeidsrechter, 243 in F. Evers en P. Lefranc (eds.), "De verhaalbaarheid van de kosten van verdediging: en wat met de toegang tot de rechten?", Cahier 25 en 25bis, die Keure; arrest Arbitragehof nr. 57/2006 van 19 april 2006, R.W. 2005-2006, 1614-1617; N.j.W. 2006, 406-409; arrest Arbitragehof nr. 95/2006 van 14 juni 2006, onuitg.). Voormelde vordering werd voor het eerst in hoger beroep gesteld en niet voor de arbeidsrechtbank. Na bestudering van de inleidende dagvaarding van 27 december 2001 en de daarin aangehaalde vorderingsonderdelen stelt het Hof immers vast dat geïntimeerde slechts in graad van hoger beroep terugbetaling van de advocatenkosten vordert. 15.2. Betreffende de tussenvorderingen bepaalt artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek het volgende: " Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is." De nieuwe vordering in hoger beroep die niet gegrond is op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, is ontoelaatbaar (Cass. 24 november 1972, Arr. Cass. 1973, 298; Cass. 3 november 1972, Arr. Cass. 1973, 219; Cass. 19 april 2002, R.W. 2003/2004, 419; J. Petit, "Sociaal Procesrecht, Die Keure, 2000, nr. 127, blz. 176, aangehaalde rechtspraak in voetnoot 267). 15.3. De kosten van de erelonen van advocaat zijn naar het oordeel van het Hof geen kosten in de zin van de artikelen 1017 tot en met 1022 Gerechtelijk Wetboek. De vordering van geïntimeerde betreffende de terugbetaling van het ereloon van advocaat is naar het oordeel van het Hof niet toelaatbaar. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het openbaar ministerie vertegenwoordigd door de heer RN, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 17 mei 2006. Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Trekt de zaak tot zich overeenkomstig artikel 1068 Ger. W. Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de gestelde mate; verklaart evenwel de ingestelde tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond. Hervormt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 17 maart 2003 gewezen onder A.R. nr. 2020047. Opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke eis volledig ongegrond. Zegt dienvolgens voor recht dat de bepalingen van de CAO nr. 32bis en/of van de Richtlijn 77/187 (in de gestelde mate) van toepassing zijn. Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de vordering van geïntimeerde betreffende de terugbetaling van de kosten van bijstand door een advocaat niet toelaatbaar. Verklaart het arrest gemeen aan de BS. Verleent tenslotte akte aan geïntimeerde dat haar voornaam "L..." is en niet "L...", zoals bij vergissing is vermeld in het vonnis a quo. Verwijst geïntimeerde tot de kosten van het geding in beide aanleggen; aan de zijde van appellante vereffend op 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 55,77 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep, 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en 127,09 EUR kosten dagvaarding BS; aan de zijde van geïntimeerde vereffend op 116,09 EUR dagvaardingskosten, 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; aan de zijde van de BS vereffend op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de buitengewone openbare terechtzitting van zes september tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: de heer J M, kamervoorzitter, de heer J T, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer JC VR, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, mevrouw L K, e.a. adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060906.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.