id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060912.1 Rolnummer: 2004-0759 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-19 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-01 04:45 Fiche Nu uit het deskundig verslag blijkt dat gastric banding geen uitzonderlijke geneeskundige verstrekking is, komt deze verstrekking, op grond van artikel 25, ,§ 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, niet in aanmerking voor vergoeding in het kader van het Bijzonder Solidariteitsfonds. Een verder onderzoek of de verstrekking bovendien betrekking heeft op een zeldzame aandoening die de vitale functies aantast en beantwoordt aan een indicatie die voor de rechthebbende op medisch sociaal vlak absoluut is, is dienvolgens overbodig. Zie ook: Cass., 6 september 2004, R.W., 2004-2005,
- Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING tussenkomst gastric banding - bijzonder solidariteitsfonds - geen uitzonderlijke verstrekking. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 25§2 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040759 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWAALF SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. A. A., loco mr. R. L., advocaat te 2018 Antwerpen, tegen:
- F. B., eerste geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. S. B., loco mr. R. V., advocaat te 2018 Antwerpen,
- LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, postbus 40, tweede geïntimeerde, op de zitting niet verschenen noch vertegenwoordigd. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft na beraadslaging het volgend arrest uitgesproken.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 12 januari 2005, 25 oktober 2005, 23 mei 2006 en 13 juni 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak t.o.v. het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de heer F. B. en bij verstek t.o.v. de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 30 mei 2003, waarbij de heropening van de debatten werd bevolen; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak t.o.v. het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de heer F. B. en bij verstek t.o.v. de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 24 oktober 2003, waarbij een geneesheer-deskundige werd aangesteld; - het deskundig verslag van Dr. M. V. M., ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 12 maart 2004; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak t.o.v. het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de heer F. B. en bij verstek t.o.v. de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 12 november 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep tegen het vonnis van 12 november 2004, ontvangen op de griffie van dit hof op 8 december 2004; - de conclusies voor de heer F. B., neergelegd op griffie van dit hof op 15 september 2005; - de conclusies voor het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeits-verzekering, ontvangen op de griffie van dit hof op 20 december 2005; - de gerechtsbrief overeenkomstig artikel 803 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten verzonden op 27 maart 2006 met kennisgeving van rechtsdag op 23 mei 2006; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 13 juni 2006 en waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 14 juni
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (stuk 6 dossier arbeidsauditoraat van Antwerpen), de bundel van de raadsman van de heer F. B. bestaande uit 3 genummerde stukken en de bundel van de raadsman van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering bestaande uit 2 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de heer F. B. gehoord op de openbare terechtzitting van 23 mei 2006, zitting waarop de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten niet verschijnt, noch iemand voor hem, en de zaak t.o.v. deze partij wordt gepleit overeenkomstig artikel 804, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 13 juni 2006 en is de zaak in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 8 december 2004, tekende het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna Riziv genoemd) hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 12 november 2004 (A.R. 350.282). Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen met gerechtsbrief van 16 november
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De heer F. B., geboren op 9 maart 1960, is ingevolge een arthrogryposis multiplex congenitalis (zeldzaam aangeboren gewrichtsaandoening) volledig rolstoelgebonden en zijn functionele situatie is deze van een triplegische patiënt. Hij is voltijds werkzaam als bediende bij het gemeentebestuur te K. en niettegenstaande zijn handicap heeft hij van 1978 tot 1986 intensief aan competities voor zwemmen gedaan; toen hij stopte met competitiesport nam zijn gewicht progressief toe en voor een lengte van 1,65 meter woog hij 130 kilo. Gezien deze morbide obesitas werd F. B. door zijn behandelende geneesheren verwezen voor een laparoscopische gastric banding die op 11 december 2001 werd uitgevoerd in het Middelheimziekenhuis. Na deze heelkundige ingreep en na een aanpassing van het dieet bereikte F. B. een "normaal" gewicht van ongeveer 70 kilo hetgeen een directe positieve weerslag had op zijn functionele zelfredzaamheid; inzonderheid voor zijn verplaatsingen was hij opnieuw in staat zelfstandiger te functioneren. Op 22 april 2002 werd via de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten bij het College van geneesheren-directeurs van het Riziv een aanvraag ingediend om, in het kader van het Bijzonder Solidariteitsfonds, een tussenkomst te bekomen in de kosten voor een gastric banding ten bedrage van 1.445,21 euro (stuk 6/1 administratief dossier). Met schrijven van 26 juni 2002 deelde het Riziv aan de geneesheer-directeur van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten mede dat het college van geneesheren-directeurs op de zitting van 22 mei 2002 een ongunstige beslissing had uitgebracht op basis van de bepalingen van artikel 25, ,§ 2, 1ste lid, 2° en 3° van de gecoördineerde wet van 14 juli
- Deze ongunstige beslissing, door de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten aan F. B. ter kennis gebracht bij brief van 15 juli 2002, was als volgt gemotiveerd (stuk 6/11 dossier arbeidsauditoraat van Antwerpen): "Het gaat niet om een uitzonderlijke geneeskundige verstrekking. Het gaat hier niet om een zeldzame aandoening. De behandeling beantwoordt niet aan een indicatie die voor de rechthebbende op medisch-sociaal vlak absoluut is." Met schrijven van 30 juli 2002 (stuk 6/12 dossier arbeidsauditoraat van Antwerpen) diende de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten bij het College van geneesheren-directeurs van het Riziv een herzieningsaanvraag in, maar het College van geneesheren-directeurs heeft op zijn zitting van 21 augustus 2002 de ongunstige beslissing bevestigd (stuk 6/13 dossier arbeidsauditoraat van Antwerpen). Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 11 oktober 2002, tekende F. B. verhaal aan tegen de weigeringsbeslissing van 22 mei
- Bij tussenvonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 30 mei 2003 werd de vordering ontvankelijk verklaard, doch alvorens ten gronde te beslissen, de heropening der debatten bevolen teneinde F. B. toe te laten een medisch attest bij te brengen ondertekend en gedateerd door zijn behandelend geneesheer. Bij tussenvonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 24 oktober 2003 werd de vordering ontvankelijk verklaard, doch alvorens ten gronde te beslissen, dokter M. V. M. als deskundige aangesteld, met als opdracht F. B. te onderzoeken en na te gaan of de aanvraag tot tegemoetkoming in de kosten van een gastric banding beantwoordt aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 25, ,§2, eerste lid van de gecoördineerde wet van 14 juli
- In een definitief deskundig verslag van 12 maart 2004 besluit de gerechtsdeskundige dat de aanvraag tot tegemoetkoming in de kosten van een gastric banding beantwoordt aan de voorwaarden, vastgesteld in artikel 25, ,§ 2, eerste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor genees-kundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli
- Bij eindvonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank Antwerpen van 12 november 2004 werd(en): - de vordering van F. B. gegrond verklaard; - de beslissing van 22 mei 2002 van het college van geneesheren-directeurs van het Riziv vernietigd en voor recht gezegd dat F. B. gerechtigd is op een tussenkomst van het Bijzonder Solidariteitsfonds in de kosten voor een gastric banding in het kader van artikel 25, ,§ 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994; - de kosten van het geding, met inbegrip van de kosten van het deskundig onderzoek, in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek ten laste van het Riziv gelegd; de kosten van het geding werden aan de zijde van F. B. begroot op 102,63 euro rechtsplegingsvergoeding en op 57,02 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding; de kosten van het deskundig onderzoek van Dr. M. V. M. werden begroot op 394,23 euro. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 8 december 2004, tekende het Riziv hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.
- Eisen in hoger beroep Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis a quo te hervormen en de administratieve beslissing van 22 mei 2002 te bevestigen; - over de kosten te oordelen als naar recht. F. B. (eerste geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond te verklaren; - het vonnis gewezen door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 12 november 2004 integraal te bevestigen; - te zeggen voor recht dat F. B. recht heeft op de tussenkomst van het Bijzonder Solidariteitsfonds in de kosten van de uitgevoerde behandeling; - de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten als betalingsinstelling te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van F. B. begroot op 102,63 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, op 57,02 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 142,80 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (tweede geïntimeerde) verschijnt niet ter zitting van 23 mei 2006 en heeft ook geen conclusies genomen.
- Ten gronde 5.
- Situering van het geschil Het voorwerp van huidig geschil betreft de weigeringsbeslissing van het College van geneesheren-directeurs tot verzekeringstegemoetkoming in de kosten van een 'gastric banding' in het kader van artikel 25, ,§2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (Bijzonder Solidariteitsfonds). Overeenkomstig artikel 25, ,§2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 - in de versie van toepassing voor de verstrekkingen die zijn verleend vóór 1 april 2005 - verleent het College van geneesheren-directeurs aan de in de artikelen 32 en 33 bedoelde rechthebbenden, binnen de perken van de vastgestelde financiële middelen, tegemoetkomingen in de kosten van de uitzonderlijke geneeskundige verstrekkingen die niet vergoedbaar zijn door de verzekering voor geneeskundige verzorging en die voldoen aan volgende voorwaarden: 1) duur zijn; 2) betrekking hebben op een zeldzame aandoening die de vitale functies van de rechthebbende aantast; 3) beantwoorden aan een indicatie die voor de rechthebbende op medisch sociaal vlak absoluut is; 4) een wetenschappelijke waarde en een doeltreffendheid bezitten die door de gezaghebbende medische instanties in ruime mate worden erkend; 5) het experimenteel stadium voorbij zijn; 6) voorgeschreven zijn door de geneesheer die gespecialiseerd is in de behandeling van de betreffende aandoening en toestemming heeft om in België de geneeskunde uit te oefenen. Het College van geneesheren-directeurs besliste op 22 mei 2002 ongunstig over de aanvraag van F. B. tot verzekeringstegemoetkoming in de kosten van de gastric banding met de motivering dat de uitgevoerde geneeskundige verstrekking niet uitzonderlijk is, de aandoening niet zeldzaam is en de behandeling niet beantwoordt aan een indicatie die voor de rechthebbende op medisch-sociaal vlak absoluut is. Na verhaal van F. B. heeft de eerste rechter bij tussenvonnis een deskundige aangesteld met opdracht F. B. te onderzoeken en na te gaan of de aanvraag tot tegemoetkoming in de kosten van een gastric banding beantwoordt aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 25, ,§2, eerste lid van de gecoördineerde wet van 14 juli
- In het definitief deskundig verslag, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 12 maart 2004, formuleert Dr. M. V. M. volgend besluit (stuk 13, dossier rechtspleging arbeidsrechtbank Antwerpen): "De heer F. B. lijdt aan arthrogryposis multiplex congenitalis. Door deze aandoening is hij eigenlijk sinds de geboorte gekluisterd aan een rolstoel. Zijn functionele situatie is deze van een triplegische patiënt. Er is een vrij behoorlijke functie van het rechter bovenste lidmaat. De onderste ledematen zijn quasi afunctioneel. Enkel het linker onderste lidmaat kan enige steunfunctie bezorgen. Het linker bovenste lidmaat geeft enkel een beperkte trek- en duwfunctie. In die omstandigheden was het toenemende overgewicht van de heer F. B. met een morbide obesitas en een BMI van 48% uiteraard een belangrijke risico voor zijn vitale functies. De indicatie was voor rechthebbende op medisch-sociaal vlak absoluut. De behandeling heeft een wetenschappelijke waarde en een doeltreffendheid, die door gezaghebbende medische instanties in ruime mate wordt erkend, is het experimenteel kader voorbij en werd voorgeschreven door een geneesheer, die gespecialiseerd is in de behandeling van de betreffende aandoening en toestemming heeft om in België de geneeskunde uit te oefenen. Met andere woorden beantwoordde de aanvraag tot tegemoetkoming in de kosten van een gastric banding aan de voorwaarden, vastgesteld in artikel 25, ,§2, 1° lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14/07/1994, meer bepaald in het kader van het Bijzonder Solidariteitsfonds." De eerste rechter heeft zich aangesloten bij het besluit van de gerechtsdeskundige en de bestreden beslissing van College van geneesheren-directeurs vernietigd. Het Riziv acht zich gegriefd door het eerste vonnis en laat gelden: - dat onder 'uitzonderlijke geneeskundige verstrekking' moet worden verstaan: een verstrekking die in het algemeen zeer zeldzaam is; - dat om uit te maken of een geneeskundige verstrekking een uitzonderlijk karakter vertoont, men naar de verstrekking zelf moet kijken en niet naar de omstandigheden waarin de verstrekking wordt verricht; uitzonderlijke of complexe medische situaties hebben niet tot gevolg dat de verrichte geneeskundige verstrekkingen ook een uitzonderlijk karakter verkrijgen; - dat een gastric banding geen uitzonderlijke verstrekking is maar een gewone verstrekking; - dat morbide obesitas geen zeldzame aandoening is; - dat dienvolgens niet voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 25, ,§2, eerste lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 zodat het College van geneesheren-directeurs terecht ongunstig besliste over de aanvraag van F. B. tot verzekeringstegemoetkoming in de kosten van de gastric banding via het Bijzonder Solidariteitsfonds. De heer F. B. vordert de bevestiging van het bestreden vonnis en verwijst ten overvloede naar: - het medisch deskundig verslag opgesteld door dokter M. V. M. op 8 maart 2004; - de rechtspraak van het arbeidshof Antwerpen inzake de begripsom-schrijving 'uitzonderlijke geneeskundige verstrekking'; - de informatiebrochure van het Riziv inzake het Bijzonder solidariteitsfonds waarin een uitzonderlijke geneeskundige verstrekking omschreven wordt als een verstrekking die in het algemeen zeer zeldzaam is of een verstrekking die gewoonlijk niet wordt gebruikt in een dergelijke behandeling, zodat ze in die indicatie uitzonderlijk wordt; - de wet van 27 april 2005 waarbij de reglementering rond het Bijzonder Solidariteitsfonds werd hertekend; artikel 25bis bepaalt dat het College van geneesheren-directeurs tegemoetkoming kan verlenen in de kosten van geneeskundige verstrekkingen in 'zeldzame indicaties'. 5.2 Beoordeling Overeenkomstig artikel 25, ,§2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen verleent het Bijzonder Solidariteitsfonds tegemoetkomingen in de kosten van uitzonderlijke geneeskundige verstrekkingen die niet vergoedbaar zijn door de verzekering voor geneeskundige verzorging en voorzover voldaan is aan zes cumulatieve voorwaarden opgesomd in diezelfde bepaling. Vooreerst dient te worden onderzocht of de 'gastric banding' waarvoor F. B. een tegemoetkoming vraagt in het kader van het Bijzonder Solidariteitsfonds, een 'uitzonderlijke geneeskundige verstrekking' is. Bij ontstentenis van een wettelijke omschrijving van het begrip 'uitzonderlijke geneeskundige verstrekking' heeft dit arbeidshof in het verleden meermaals geoordeeld, zich hierbij steunend op de voorbereidende werken en de toelichtingen bij de oprichting van het bijzonder solidariteitsfonds, dat de wetgever niet zozeer 'uitzonderlijke medische zorgen of behandelingswijzen op zich' heeft geviseerd maar wel 'uitzonderlijke complexe situaties' zodat niet alleen uitzonderlijke zorgen maar evenzeer gewone zorgen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in het kader van het Bijzonder Solidariteitsfonds (Arbeidshof Antwerpen, 4° kamer, 28 april 2000, Soc. Kron., 2002, 129; Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt 4° kamer, 7 december 2000, Soc. Kron., 2002, 139; Arbeidshof Antwerpen, 4° kamer, 26 juni 2001, Soc. Kron., 2003, 512; Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt 4° kamer, inzake Riziv/ K.H en H.O en LCM, stuk 2 bundel van de raadsman van de heer F. B.). In een recent arrest van 6 september 2004 heeft het Hof van Cassatie voormelde rechtspraak van dit arbeidshof verworpen en geoordeeld "dat verstrekkingen die niet uitzonderlijk zijn, maar gewone verstrekkingen, ook al worden zij verstrekt voor een complexe medische toestand, niet voor een tegemoetkoming door het Bijzonder Solidariteitsfonds in aanmerking komen" (zie Cass., 6 september 2004, R.W., 2004-2005, 673). In huidig geschil vorderde F. B. een verzekeringstegemoetkoming in de kosten voor een gastric banding ten bedrage van 1.445,21 euro. In antwoord op de opmerkingen geformuleerd door de geneesheer-inspecteur van het Riziv op het verslag in voorlezing vermeldt de deskundige het volgende (zie medisch deskundig verslag Dr. M. V. M.: stuk 13 dossier rechtspleging arbeidsrechtbank Antwerpen): "Gastric banding op zich is uiteraard geen uitzonderlijke verstrekking. Ik meen echter dat de situatie van de heer F. B. dermate uitzonderlijk is dat de verstrekking, alhoewel in se bij een gewone patiënt banaal, in het bijzonder geval van de heer F. B. als uitzonderlijk moet worden beschouwd". Aangezien de deskundige uitdrukkelijk heeft gesteld dat gastric banding geen uitzonderlijke geneeskundige verstrekking is komt deze verstrekking, op grond van artikel 25, ,§2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, niet in aanmerking voor vergoeding in het kader van het Bijzonder Solidariteitsfonds. Een verder onderzoek of de verstrekking bovendien betrekking heeft op een zeldzame aandoening die de vitale functies aantast en beantwoordt aan een indicatie die voor de rechthebbende op medisch sociaal vlak absoluut is, is dienvolgens overbodig. In tegenstelling tot wat F. B. in beroepsbesluiten voorhoudt kan er geen beroep gedaan worden op de tweede omschrijving in de informatiebrochure van het Riziv m.b.t. het Bijzonder Solidariteitsfonds dewelke luidt: "een verstrekking die gewoonlijk niet wordt gebruikt in een dergelijke behandeling zodat ze in die indicatie uitzonderlijk wordt". Met het plaatsen van een gastric banding wordt een poging ondernomen om de obesitas waaraan betrokkene leed te behandelen. De verstrekking gastric banding wordt zeer vaak toegepast ter behandeling van obesitas en is dus allerminst een verstrekking die gewoonlijk niet wordt gebruikt in een dergelijke behandeling. Tenslotte kan F. B. evenmin een argument putten uit de wijziging van artikel 25 door de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid (Belgisch Staatsblad 20 mei 2005 (tweede uitg.)). Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 april 2005 blijkt ondubbelzinnig dat de wetgever de vergoedingsvoorwaarden van het Bijzonder Solidariteitsfonds heeft willen uitbreiden (zie Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 22 februari 2005, wetsontwerp betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, DOC 51, 1627/001, pag. 3). Vanaf 1 april 2005 worden niet enkel de zeldzame ziektes en de uitzonderlijke verstrekkingen gedekt maar ook niet uitzonderlijke verstrekkingen in het kader van een zeldzame indicatie alsook (in het kader van de behandeling van zeldzame aandoeningen) verstrekkingen die op zich niet duur zijn maar waarvan de zorg heel duur wordt door de frequentie en de complexiteit. Ter interpretatie van het begrip 'uitzonderlijke geneeskundige verstrekking' kan F. B. zich dienvolgens niet steunen op de bewoordingen van artikel 25bis, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 27 april
- Aangezien de bepalingen van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 van openbare orde zijn en dus van strikte interpretatie is dit hof, die alle begrip opbrengt voor de complexe medische toestand van F. B., niet in de mogelijkheid om op grond van billijkheid of omwille van behartigenswaar-digheid af te wijken van de voorwaarden zoals bepaald in artikel 25, ,§2 van de gecoördineerde wet van 14 juli
- Samenvattend besluit het hof dat F. B. niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de kosten van een gastric banding vermits niet voldaan is aan wettelijke voorwaarden van artikel 25, ,§2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals van toepassing op het ogenblik van de aanvraag om tussenkomst van het Bijzonder Solidariteitsfonds. De arbeidsrechtbank heeft dienvolgens ten onrechte de vordering van F. B. gegrond verklaard en de beslissing van 22 mei 2002 van het College van geneesheren-directeurs van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeits-verzekering vernietigd. Het hoger beroep is gegrond. 5.
- Gerechtskosten F. B. vordert de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten als betalingsinstelling te veroordelen tot de kosten van het geding aan zijn zijde als volgt begroot: x 102,63 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg x 57,02 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg x 142,80 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. In toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek wordt, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, de overheid of instelling belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in artikel 580, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen gerechtigden steeds in de kosten verwezen. In huidig geschil werd de bestreden administratieve beslissing genomen door het College van geneesheren-directeurs van de dienst voor geneeskundige controle zodat enkel het Riziv dient veroordeeld te worden tot de gerechtskosten. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 13 juni
- Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak t.o.v. het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de heer F. B. en en bij verstek t.o.v. de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt dienvolgens het bestreden vonnis gewezen en uitgesproken op 12 november 2004 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 350.282), behoudens wat de ontvankelijkheid van de vordering en de kosten van het geding betreft. Opnieuw recht doende. Verklaart de vordering van de heer F. B. ongegrond en bevestigt de beslissing van 22 mei 2002 van het College van geneesheren-directeurs van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. Verwijst het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van de heer F. B. op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en Landsbond der Christelijke Mutualiteiten worden de kosten niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op twaalf september tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060912.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div