id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 13 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060913.10 Rolnummer: 2004-0064 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-18 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 04:45 Fiches 1 - 3 De exceptie van nietigheid gesteund op de overweging dat in het inleidend verzoekschrift een fictieve of onjuiste naam werd vermeld voor de eisende partijen is gedekt wanneer zij niet tegelijk met of voor enig ander middel wordt voorgedragen. Vermits de exceptie eerst werd opgeworpen tijdens de pleidooien, terwijl door diezelfde partij de dag voordien een conclusie ten gronde werd neergelegd, waarin geen gewag werd gemaakt van de exceptie, dient deze in toepassing van artikel 864 van het Gerechtelijk wetboek te worden verworpen. Onder verwijzing naar een arrest van het Arbitragehof van 16 november 2005 (Arbitragehof arr. nr. 166/2005 van 16 november 2005, B.S. 17-01-2006, 2589 en J.T.T. 2006, 2), stelt het Arbeidshof dat de termijn voorzien in artikel 71 van de organieke wet van 8 juli 1976 om verhaal in te stellen tegen een administratieve beslissing inzake het recht op financiële hulp loopt vanaf de datum van waarop de aangetekende brief, waarbij deze beslissing ter kennis wordt gebracht, is aangeboden op het adres van de aanvrager. Wanneer door de Dienst Vreemdelingenzaken van FOD Binnenlandse Zaken in toepassing van artikel 54, ,§3 van de wet van 15 december 1980 een beslissing wordt genomen om de asielzoekers toe te wijzen aan een opvangcentrum als verplichte plaats van inschrijving en de geldigheid van deze beslissing op geen enkel ogenblik werd aangevochten, kan enkel nog maatschappelijke dienstverlening verkregen worden door de betrokkenen in dat centrum of op die plaats in toepassing van artikel 57ter, tweede lid van de organieke wet van 8 juli
- De rechter kan op het ogenblik van zijn beslissing enkel maatschappelijke dienstverlening toekennen voor de toekomst en niet voor de tot dan toe verlopen periode, tenzij de betrokkenen aantonen dat zij op het ogenblik van de rechterlijke beslissing nog de negatieve gevolgen ondergaan van een mensonwaardig bestaan dat men voorheen heeft geleid en die de betrokkenen beletten alsdan een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het enige wat de rechter bij betwisting kan doen is hulp toekennen met betrekking tot de nog bestaande gevolgen van een hulpbehoevend bestaan, in zoverre die nadelige gevolgen betrokkene niet toelaten op dat ogenblik een menswaardig leven te leiden. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK gerechtelijk privaatrecht - verzoekschrift - exceptie van nietigheid - onjuiste naam - voordracht voor enig ander middel. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 702 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN maatschappelijke dienstverlening - administratieve beslissing - verhaaltermijn - aanvangsdatum - datum kennisgeving - financiële steun - asielzoeker - toewijzing van een erkend opvangcentrum - toekenning voor het verleden. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57ter - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Wet - 08-07-1976 - 71 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 702, onder X E - artikel 57ter en onder X E - artikel
- Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN, AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2040064 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak:
- I G,
- N G, samenwonende te , appellanten, verschijnend bij mr. K. KROL loco mr. H. DE PONTHIERE, advocaat te Ieper, tegen : OCMW van G, gevestigd te , geïntimeerde, verschijnend bij mr. J. VAN HOOF, advocaat te Leuven. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest: Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden eindvonnis op 16 januari 2004 op tegenspraak uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Hasselt, gekend onder A.R. nr. 2032030 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 18 februari 2004 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en de stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET PRINCIPAAL HOGER BEROEP EN VAN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP Het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep werden naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist, zodat beide rechtsmiddelen ontvankelijk dienen te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 10 mei 2006 van deze kamer. PROCESVERLOOP-PRECEDENTEN Met verzoekschrift d.d. 1 juli 2003, dat ter griffie van de arbeidsrechtbank te Hasselt werd neergelegd op 3 juli 2003, stelden appellanten verhaal in tegen de beslissing van het Bijzonder Comité voor de sociale dienst van het OCMW van G van 20 mei 2003, hen ter kennis gebracht met brief van 2 juni 2003, waarbij de maatschappelijke dienstverlening, bestaande in het verstrekken van de financiële steun equivalent van het leefloon categorie 1, het ten laste nemen van de medische en farmaceutische kosten en van de mutualiteitbijdragen, werden stopgezet vanaf 7 mei
- Daarbij vorderden appellanten te horen zeggen voor recht "dat zij vanaf 7 mei 2003 wel degelijk recht hadden op het equivalente bestaansminimum". Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 16 januari 2004 werd deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de beslissing van 20 mei 2003 bevestigd. POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellanten postuleren het principaal hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg te zeggen voor recht dat appellanten van 7 mei 2003 tot en met 13 november 2003 recht hebben ten laste van geïntimeerde op het equivalente leefloon. Tenslotte geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. Geïntimeerde postuleert akte te verlenen van zijn incidenteel hoger beroep, het incidenteel hoger beroep gegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 16 januari 2004 te vernietigen en de oorspronkelijke vordering onontvankelijk te verklaren wegens laattijdige neerlegging van het initiële verzoekschrift. In ondergeschikte orde het principaal hoger beroep van appellanten ongegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 16 januari 2004 te handhaven en de vordering van appellanten ongegrond te verklaren; in meest ondergeschikte orde enkel dringende medische hulp toe te kennen en dit gedurende de periode van 7 mei 2003 tot en met 14 juli
- Bij beroepsconclusies neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 9 november 2005 bevestigen appellanten dat zij met ingang van 14 november 2003 een leefloon uitbetaald krijgen vanwege het OCMW Hasselt op grond van het feit dat zij inmiddels erkend werden als staatlozen en dat zij bijgevolg hun vordering beperken, in die zin dat zij slechts aanspraak maken op de uitbetaling door geïntimeerde van het equivalente leefloon voor de periode van 7 mei tot en met 13 november
- MOTIVERING - BEOORDELING
- Het bestreden vonnis dient integraal bevestigd te worden en het hof verwijst naar de motieven van de eerste rechter waarbij het hof zich kan aansluiten om de in het aangevochten vonnis ontwikkelde redenen die wij ons eigen maken en zulks zover als nodig en zover deze niet in tegenspraak zijn met onderhavige.
- Antecedenten 2.
- Op 5 oktober 2000 werd door appellanten een asielaanvraag ingediend. In het kader van het spreidingsplan werden zij voor eventuele sociale hulp toegewezen aan het OCMW te G, daar waar zij zich in december 2000 vestigden in Hasselt. Vanaf 10 oktober 2000 ontvingen zij vanwege geïntimeerde financiële hulp. 2.
- Bij bevestigende beslissing van het CVGS d.d. 30 januari 2003 werd hun asielaanvraag afgewezen op grond van de tegenstrijdige en zelfs leugenachtige verklaringen welke door appellanten waren afgelegd. Inmiddels was immers gebleken dat eerste appellant al op 10 december 1999 een eerste asielaanvraag had ingediend onder de naam Z I (°21-08-1964 te Jumala), welke werd afgesloten met een technische weigering op 28 juli 2000, terwijl hij het bestaan van deze eerste aanvraag had verzwegen. Bij beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 7 mei 2003 werden appellanten daarenboven in toepassing van artikel 54, ,§3 van de wet van 15 december 1980 toegewezen aan het "Opvangcentrum Klein Kasteeltje" voor het verlenen van sociale hulp op voorwaarde dat zij er effectief verblijven. Tegen de negatieve beslissing van het CGVS werd door appellanten tijdig verhaal ingesteld bij de Raad van State. Op 20 mei 2003 besloot het bijzonder comité voor de sociale dienst van het OCMW G om alle steunverlening stop te zetten vanaf 7 mei 2003, gelet op de toewijzing aan het "Opvangcentrum Klein Kasteeltje". 2.
- Appellanten hadden met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 28 maart 2003, een vordering ingesteld tot het verkrijgen van het statuut van staatloze. Bij vonnissen van die rechtbank d.d. 15 juli 2003 werden deze vorderingen ontvankelijk en gegrond verklaard en werden appellanten als staatlozen erkend. Bij beslissing van het OCMW te H werden de aanvragen van appellanten (d.d. 14 november 2003) tot het bekomen van een leefloon geweigerd, omdat dit OCMW de mening was toegedaan dat het onbevoegd was om het leefloon toe te kennen. Tegen deze beslissing werd verhaal ingesteld door appellanten dat uiteindelijk beslecht werd door een eindarrest van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, d.d. 23 november 2004, waarbij het bestreden vonnis werd bevestigd en derhalve voor recht werd gezegd dat het OCMW te H wèl het bevoegde OCMW is om kennis te nemen van de aanvraag tot het bekomen van leefloon ingediend door appellanten. Uiteindelijk is gebleken dat appellanten op grond van hun statuut als staatlozen vanaf 14 november 2003 een leefloon hebben toegekend gekregen door het OCMW te H.
- De ontvankelijkheid van het initieel verhaal 3.
- Geïntimeerde argumenteert dat het oorspronkelijke verhaal dat door appellanten werd ingesteld tegen de beslissing van het BCSD van het OCMW te G d.d. 20 mei 2003 laattijdig en derhalve onontvankelijk was, onder verwijzing naar de vaststelling dat het verzoekschrift neergelegd werd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Hasselt op 3 juli 2003, daar waar de bestreden beslissing met aangetekend schrijven met ontvangstbewijs werd betekend op 2 juni
- 3.
- Artikel 71 van de Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van 8 juli 1976 voorziet dat het beroep moet worden ingesteld binnen de maand te rekenen vanaf de datum van afgifte ter post van de aangetekende brief waarmee de beslissing wordt meegedeeld. Uit de (door geïntimeerde) neergelegde stukken blijkt weliswaar dat de bestreden beslissing met brief d.d. 2 juni 2003, welke als opschrift vermeldt 'aangetekend met ontvangstbewijs', werd verzonden, maar er wordt geen bewijs van effectieve verzending via aangetekende post en bewijs van afgifte van de brief bij de postdiensten op 2 juni 2003 gevoegd. Aldus blijft geïntimeerde in gebreke het bewijs te leveren van dit in haar standpunt inzake de ontvankelijkheid van de vordering essentieel feitelijke gegeven. Bovendien wordt in het vonnis a quo terecht opgeworpen dat de brief waarbij de bestreden beslissing ter kennis moest gebracht worden van appellanten, verstuurd werd naar het adres aan de Negende Linielaan 27 te Brussel, terwijl zij nooit verbleven hebben in het "Klein Kasteeltje" en het bekend was bij geïntimeerde dat zij sinds 13 december 2000 steeds woonden op het adres te H, . Deze vergissing brengt alleszins de geldigheid van de kennisgeving op grond van artikel 71 van de OCMW-wet voor het bepalen van de startdatum van de termijn om verhaal in te stellen in het gedrang. 3.
- Tenslotte verliest geïntimeerde uit het oog dat het Arbitragehof, recht doend op een prejudiciële vraag, in een recent arrest heeft vastgesteld dat, in zoverre artikel 71 van de Organieke wet van 8 juli 1976 bepaalt dat de beroepstermijn loopt vanaf de datum van afgifte ter post van de aangetekende brief waarmee de beslissing wordt meegedeeld, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt (Arbitragehof arr. nr. 166/2005 van 16 november 2005, B.S. 17.01.2006, 2589, J.T.T. 2006, 2). In het motiverend gedeelte van dit arrest kunnen daaromtrent de volgende relevante overwegingen geciteerd worden: "Het is redelijk verantwoord dat de wetgever, om rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelwijze van de partijen. Evenwel, de keuze van de datum van de afgifte van de aangetekende brief bij de post als aanvangspunt van de beroepstermijn beperkt het recht van verdediging van de geadresseerden op onevenredige wijze, doordat die termijnen beginnen te lopen op een ogenblik dat zij nog geen kennis kunnen hebben van de inhoud van de aangetekende brief. De doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden zou evengoed kunnen worden bereikt, indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen op de datum waarop, naar alle waarschijnlijkheid, de brief op zijn woonplaats is aangeboden, zonder rekening te houden met de datum waarop hij de brief, in voorkomend geval, daadwerkelijk bij de post heeft afgehaald." 3.
- Hiermee rekening houdende kon in casu de kennisgeving, zoals bedoeld in hoger genoemd arrest van het Arbitragehof, van de bestreden beslissing ten vroegste gebeuren op 3 juni 2003 zodat de termijn om verhaal in te stellen ten vroegste een aanvang kon nemen op 4 juni 2003 (cf. artikel 52 Ger. W.). Dit betekent dat de laatste nuttige dag om de vordering aanhangig te maken bij de arbeidsrechtbank nooit vroeger dan op 3 juli 2003 kan gefixeerd worden. Nu het verzoekschrift van appellanten neergelegd werd ter griffie van de arbeidsrechtbank op laatstgenoemde datum, kan niet betwijfeld worden dat de vordering tijdig werd aanhangig gemaakt. 4.
- Geïntimeerde handhaaft eveneens haar exceptie van nietigheid namelijk dat in het inleidend verzoekschrift appellanten een fictieve naam of alleszins niet hun werkelijke naam zouden vermeld hebben. Geïntimeerde meent dat hierdoor niet voldaan werd aan de in artikel 702 Ger. W. gestelde vereiste dat de gedinginleidende akte de naam, voornaam en woonplaats van de eisers moet vermelden. 4.
- De eerste rechter heeft naar het oordeel van het hof de exceptie van nietigheid op terechte gronden afgewezen. De niet of onjuiste vermelding van de naam van de eiser in de akte van rechtsingang is geen verzuim of onregelmatigheid voorzien in artikel 862 Ger. W. Bijgevolg is de daarop gesteunde exceptie van nietigheid gedekt wanneer zij niet tegelijk en vóór enig ander middel wordt voorgedragen (Cass. 28 september 1984, Arr. Cass. 1984-85, 165). In onderhavig geding heeft geïntimeerde de exceptie eerst op de zitting van de arbeidsrechtbank van 21 november 2003 laten gelden, terwijl zij reeds op 20 november 2003 conclusies ten gronde had neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank. De door geïntimeerde opgeworpen exceptie van nietigheid dient aldus in toepassing van artikel 864 Ger. W. te worden verworpen. 4.
- Ten overvloede meent het hof dat dit middel evenmin kan worden aanvaard, omdat uit de stukken van het dossier voldoende blijkt dat de namen Z en G betrekking hebben op één en dezelfde persoon en dat het in feite slechts gaat om twee verschillende spellingswijzen van dezelfde naam (stuk 5 appellanten). De echtelieden G I en G N werden door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt onder die identiteit erkend als staatloze, zij hebben onder die identiteit hun steunaanvraag ingediend bij geïntimeerde en hebben dan ook onder diezelfde identiteit verhaal ingesteld tegen de administratieve beslissing. Geïntimeerde kan dan ook niet voorhouden in dwaling te zijn gebracht omtrent de identiteit van appellanten zodat er geen reden is om de kwestieuze proceshandeling nietig of onontvankelijk te verklaren. 5.
- Ten gronde oordelend aangaande de vordering tot betaling door geïntimeerde van de financiële steun, equivalent van het leefloon, stelt het hof vast dat de bestreden beslissing van geïntimeerde aan appellanten het recht op steun met ingang van 7 mei 2003 ontzegt, omdat zij vanaf die datum (verplicht) verblijven in het "Klein Kasteeltje". Bij beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van FOD Binnenlandse Zaken d.d. 7 mei 2003 werden appellanten in toepassing van artikel 54, ,§3 van de wet van 15 december 1980 toegewezen aan het opvangcentrum "Klein Kasteeltje", als verplichte plaats van inschrijving. De aanduiding van dit centrum als verplichte plaats van inschrijving vanaf 7 mei 2003 wordt verder bevestigd door het uittreksel uit het inlichtingenbulletin afgeleverd door de gemeente G op naam van appellant (stuk 4 geïntimeerde - stuk 5 administratief dossier). Artikel 57ter, 2de lid van de Organieke wet van 8 juli 1976 bepaalt dat in afwijking van artikel 57, ,§ 1 de asielzoeker aan wie, met toepassing van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 een door de Staat, een andere overheid of één of meerdere openbare besturen georganiseerd centrum of een plaats waar hulpverlening wordt verstrekt op verzoek en op kosten van de Staat, als verplichte plaats van inschrijving is aangewezen, alleen in dat centrum of op die plaats maatschappelijke dienstverlening kan verkrijgen. Bijgevolg konden appellanten vanaf 7 mei 2003, rekening houdende met de hoger genoemd beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken in het kader van de wet van 15 december 1980, waarvan de geldigheid door hen op geen enkel ogenblik, en dus ook niet nadat zij daarvan effectief kennis hadden gekregen, werd bestreden voor de bevoegde rechtsmacht, geen aanspraak meer maken op maatschappelijke dienstverlening vanwege geïntimeerde. Het vonnis a quo heeft om die redenen dan ook terecht de bestreden administratieve beslissing bevestigd. 5.
- Appellanten miskennen de gegevens van het administratief dossier wanneer zij voorhouden dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken inzake de verplichte inschrijving in het opvangcentrum "Klein Kasteeltje" onbestaande zou zijn omdat dit niet geldig betekend werd. De arbeidsrechter is niet bevoegd uitspraak te doen over de geldigheid van deze beslissing. Bij gebreke aan eventuele vernietiging van deze beslissing door de bevoegde rechtsmacht, kan zij in het kader van het huidige geschil noch door geïntimeerde, noch door de arbeidsrechter zomaar ter zijde geschoven worden. Daarenboven is de essentie van maatschappelijke dienstverlening dat zij enkel ogenblikkelijk en in de toekomst kan worden verstrekt en het materieel onmogelijk is om iemand in staat te stellen een menswaardig leven te leiden voor een periode die reeds voorbij is. De rechter kan op het ogenblik van zijn beslissing enkel dienstverlening toekennen voor de toekomst en niet voor de tot dan toe verlopen periode, tenzij de betrokkenen aantonen dat zij op het ogenblik van de rechterlijke beslissing nog de negatieve gevolgen ondergaan van een mensonwaardig bestaan dat men voorheen heeft geleid en die de betrokkenen beletten alsdan een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid (Arbitragehof 17 september 2003, B.S. 07.11.2003, 54364; Arbh. Antwerpen 29 maart 2005, A.R. nr. 2030644), www.juridat.be; Arbh. Antwerpen 14 september 2005, A.R. nr. 2040333, www.juridat.be). Het enige wat de rechter bij betwisting kan doen is hulp toekennen met betrekking tot de nog bestaande gevolgen van een hulpbehoevend bestaan, in zoverre die nadelige gevolgen betrokkene niet toelaten op dat ogenblik een menswaardig leven te leiden (Arbh. Brussel 3 februari 2005, www.juridat.be). 5.
- Vermits appellanten niet aantonen - zelfs geen poging daartoe doen - dat zij op dit ogenblik nog de negatieve gevolgen ondergaan van een mensonwaardig bestaan dat zij voorheen hebben geleid, dient hun vordering tot het bekomen van financiële steun, equivalent van het leefloon, voor de periode van 7 mei 2003 tot en met 13 november 2003 alleszins te worden afgewezen. OP DIE GRONDEN HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het openbaar ministerie vertegenwoordigd door de heer F. S, substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijke advies op de openbare terechtzitting van 28 juni
- Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt van 16 januari 2004 gewezen onder A.R. nr. 2032030 in al zijn beschikkingen. Verwijst, overeenkomstig art. 1017, tweede lid, Ger. W., geïntimeerde in de kosten van het geding in hoger beroep; aan de zijde van appellanten vereffend op 57,01 EUR uitgavenvergoeding indienen verzoekschrift en 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; aan de zijde van geïntimeerde onvereffend latend bij gebreke aan afgifte kostenstaat. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de openbare terechtzitting van dertien september tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060913.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div