id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060920.5 Rolnummer: 2005-0669 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-19 Raadplegingen: 248 - laatst gezien 2026-07-03 19:02 Fiche Wanneer bij de toekenning van een dertiende maandloon in de individuele arbeidsovereenkomst geen bijkomende voorwaarden of beperkingen werden bedongen en noch expliciet, noch impliciet werd verwezen naar de bepalingen van een algemeen verbindend verklaarde C.A.O. heeft de werknemer bij zijn vertrek recht op bepaling van een pro rata dertiende maandloon, dat zowel op het vaste als op het veranderlijk loon moet worden becijferd. Vakantiegeld einde dienst is geen loon in de zin van de Loonbeschermingswet, zodat de hierop verschuldigde intrest moet worden becijferd op het netto bedrag dat bekomen wordt na inhouding van de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, dat artikel 10 van de Loonbeschermingswet wijzigt, is geen interpretatieve wet zodat de vroegere bepaling van toepassing blijft totdat genoemd artikel 82 in werking treedt. Het arbeidshof nodigt partijen uit hun standpunt uiteen te zetten m.b.t. de mogelijke onwettighied van het K.B. van 3 juli 2005 het K.B. betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, onder meer omwille van het ontbreken van een voorafgaande vraag om advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . BESCHERMING VAN HET LOON wettelijke intresten - arbeidsovereenkomst - pro rata eindejaarspremie - intrest op vakantiegeld - intrest op loon. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 03-07-2005 - 1 - 36 ELI link Pub nr 2005201526 Wet - 12-04-1965 - 10 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet - 26-06-2002 - 82 - 55 ELI link Pub nr 2002012847 Tekst van de beslissing Tussenarrest op tegenspraak (getuigenverhoor op 21 november 2006, om 14.00 uur + neerlegging stukken i.t.v. artikel 877 e.v. Ger. W.) Tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2050669 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES NV G.M.A., appellante, incidenteel geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. W. VAN ROEYEN, advocaat te Gent, tegen :
- M. G., eerste geïntimeerde, incidenteel appellant vertegenwoordigd door mr. Ph. BERNAERTS, loco mr. E. VERVAEKE, advocaat te Antwerpen,
- B. S., tweede geïntimeerde, incidenteel appellant vertegenwoordigd door mr. S. SCHUTT, loco mr. A. LINDEMANS, advocaat te Brussel. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 21 juni
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 november 2005 en 21 juni
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 7 september 2005 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 12 oktober 2005; x het incidenteel beroep van de heer G., ingesteld bij conclusie van 19 oktober 2005; x het incidenteel beroep van de B.S., ingesteld bij conclusie van 5 januari 2006; x de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit hof op 19 oktober 2005 en 6 maart 2006 voor de heer G., op 5 januari 2006 en 18 april 2006 voor de B.S. en op 22 februari 2006 en 25 april 2006 voor de NV G.M.A., hierna de NV genoemd; x de beschikking d.d. 30 december 2005 overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 1 maart 2004, vorderde de heer G. de veroordeling van de NV tot betaling van: - 1.509,15 EUR pro rata eindejaarspremie - 2.849,40 EUR achterstallige commissie - 488,09 EUR feestdagloon - 546,42 EUR vakantiegeld einde dienst - 46.048,60 EUR opzeggingsvergoeding - 17.711,00 EUR uitwinningsvergoeding - 1,00 EUR provisioneel tekort eindafrekening te vermeerderen met de verwijl-, minstens de vergoedende intrest vanaf 28 juli 2003, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. Tevens werd de afgifte gevorderd van de loonfiche en de fiscale fiche, onder verbeurte van een dwangsom van 150,00 EUR per dag vertraging per document. Bij conclusie van 22 juni 2004 stelde de NV een tegeneis in strekkende tot betaling van een schadevergoeding bij toepassing van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet, ex aequo et bono begroot op 50.000,00 EUR. Met exploot van 15 juli 2004 dagvaardde de heer G. de B.S. in gedwongen tussenkomst en vorderde hij vanwege de B.S. betaling van een schadevergoeding van 1.000,00 EUR provisioneel, minstens van 1,00 EUR provisioneel wegens het uitblijven van bepalingen teneinde artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking te laten treden. Met conclusie van 27 januari 2005 wijzigde de heer G. zijn oorspronkelijke vordering en vorderde hij betaling van: - 1.509,15 EUR pro rata eindejaarspremie - 2.597,78 EUR achterstallige commissie - 157,54 EUR feestdagloon 15.8.2003 - 488,09 EUR feestdagloon juni-juli 2003 - 503,41 EUR enkel vakantiegeld - 527,95 EUR dubbel vakantiegeld - 49.349,83 EUR opzeggingsvergoeding - 18.980,70 EUR uitwinningsvergoeding te vermeerderen met de op de bruto bedragen berekende verwijl-, minstens de vergoedende intrest vanaf 28 juli 2003, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. De vordering tot afgifte van de sociale en fiscale documenten werd gehandhaafd. Ondergeschikt, met name in de hypothese dat de arbeidsrechtbank de NV slechts zou veroordelen tot betaling van intrest op de netto bedragen, vorderde de heer G. de veroordeling van de B.S. tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke, verwijl- minstens de vergoedende intrest vanaf 28 juli 2003 en de gerechtelijke intrest berekend op de bruto toe te kennen bedragen, onder aftrek van het bedrag aan intrest op de netto bedragen te betalen door de NV en de B.S. te veroordelen tot de gerechtelijke intrest vanaf 15 juli 2004 op het bedrag van deze schadevergoeding tot het ogenblik van betaling. Bij vonnis van 7 september 2005 verklaarden de eerste rechters de hoofdvordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De NV werd veroordeeld tot betaling van: - 49.349,83 EUR opzeggingsvergoeding - 1.509,15 EUR pro rata eindejaarspremie - 2.597,78 EUR achterstallig commissieloon - 438,68 EUR feestdagloon - 503,41 EUR enkel vakantiegeld - 527,95 EUR dubbel vakantiegeld bedragen te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen in zoverre verschuldigd en te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 28 juli 2003, behoudens op het vertrekvakantiegeld, en met de gerechtelijke intrest vanaf 1 maart 2004 op alle bedragen op het netto opeisbaar gedeelte. De NV werd eveneens veroordeeld tot afgifte van een loonfiche en een fiscale steekkaart overeenkomstig de toegekende bedragen. Het meergevorderde werd als ongegrond afgewezen. De eerste rechters verklaarden de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond. De vordering in gedwongen tussenkomst werd ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De B.S. werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke intrest vanaf 28 juli 2003 en de gerechtelijke intrest berekend op de bruto toe te kennen bedragen, behoudens het vakantiegeld, onder aftrok van het bedrag aan intresten op de netto bedragen te betalen door de NV en de gerechtelijke intrest vanaf 15 juli 2004 op het bedrag van deze schadevergoeding tot het ogenblik van betaling. De NV werd veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding m.b.t. de hoofd- en de tegenvordering en de B.S. tot de kosten m.b.t. de vordering in gedwongen tussenkomst. III. EISEN IN HOGER BEROEP In haar syntheseconclusie van 25 april 2006 vordert de NV het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de vordering van de heer G. ongegrond te verklaren, haar oorspronkelijke tegeneis ontvankelijk en gegrond te verklaren en de heer G. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding bij toepassing van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet, ex aequo et bono begroot op 50.000,00 EUR, te verhogen met de vergoedende intrest vanaf het ontstaan van de schade en de gerechtelijke intrest vanaf 22 juni
- In ondergeschikte orde verzoekt de NV de persoonlijke verschijning en een getuigenverhoor te bevelen, minstens een deskundige aan te stellen. Met syntheseconclusie van 6 maart 2006 vordert de heer G. het hoger beroep ongegrond te verklaren en stelt hij tevens incidenteel beroep in dat ertoe strekt het bestreden vonnis te vernietigen in zoverre het de vordering in betaling van een uitwinningsvergoeding ongegrond verklaarde en uitspraak deed over de intrest en, opnieuw rechtsprekend hierover, de NV te veroordelen tot betaling van 18.980,70 EUR uitwinningsvergoeding en tot betaling van intrest berekend op de bruto bedragen. Daarnaast vordert de heer G. de afgifte van de loonfiche en de fiscale fiche binnen de 10 dagen na betekening van het arrest, onder verbeurte van een dwangsom van 150,00 EUR per document en per dag vertraging. Ondergeschikt, met name in de hypothese dat het arbeidshof het bestreden vonnis zou bevestigen wat de betaling betreft van de intrest op de netto bedragen, vordert de heer G. de veroordeling van de B.S. tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke, verwijl- minstens de vergoedende intrest vanaf 28 juli 2003 en de gerechtelijke intrest berekend op de bruto toe te kennen bedragen, onder aftrok van het bedrag aan intresten op de netto bedragen te betalen door de NV en de B.S. te veroordelen tot de gerechtelijke intrest vanaf 15 juli 2004 op het bedrag van deze schadevergoeding tot het ogenblik van betaling. Met syntheseconclusie van 18 april 2006 vordert de B.S. het bestreden vonnis te vernietigen in zoverre het de oorspronkelijke vordering in tussenkomst gegrond verklaarde en, opnieuw rechtsprekend, deze vordering ongegrond te verklaren. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en de incidentele beroepen werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- De feiten Op basis van de neergelegde stukken en de niet tegengesproken feitelijke argumentatie ontwikkeld in conclusies aanvaardt het hof de volgende elementen als bewezen: De heer G. is in dienst getreden van de NV G. A. op 1 februari 1992, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Deze overeenkomst werd door partijen expliciet gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers. Aansluitend bij deze kwalificatie bepaalt artikel 2 van de arbeidsovereenkomst dat de handelsvertegenwoordiger (de heer G. ) tot taak heeft, in naam en voor rekening van de werkgever, bestaand cliënteel te bezoeken en/of een nieuw cliënteel op te sporen, met het oog op de vertegenwoordiging en de verkoop van nieuwe personenwagens en bestelwagens. In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst werd naast de betaling van een vaste maandwedde een commissieloon bedongen "bestaande uit 20% op de nettowinst op iedere verkoop van een nieuwe of occasiewagen gerealiseerd door zijn rechtstreekse tussenkomst of door de tussenkomst van de werkgever of diens ondergeschikte werkzaam bij G. A. NV". Artikel 7 van diezelfde overeenkomst bepaalt: "Een dertiende maand wordt eveneens toegekend op het maandloon". In februari 2002 werd de NV G. A. overgenomen door de NV. De voorstellen van de NV om een nieuwe arbeidsovereenkomst te sluiten werden door de heer G. niet aanvaard. Met een brief van 24 april 2003 bevestigde de afgevaardigd bestuurder van de NV formeel de overname van alle rechten verworven bij de NV G. A. Met een aangetekende brief van 28 juli 2003 beëindigde de NV onmiddellijk de arbeidsovereenkomst van de heer G.. De tot staving van dit ontslag ingeroepen dringende reden werd in diezelfde brief als volgt omschreven: - Misbruik van vertrouwen en valsheid in geschrifte. U verklaart bij verschillende verkoopdossiers aan de verkoopadministratie dat de overnamewagen die deel uitmaakt van de verkoopovereenkomst, niet binnengebracht werd door de klant. Zoals u weet werd uw verklaring telkens vastgelegd d.m.v. de tekst 'Overname geen'. Doch blijkt bij steekproefsgewijze navraag bij de klanten dat zij wel degelijk hun oude wagen binnengebracht hebben en dat zij van mening zijn dat ze de wagen aan de vennootschap G. A. NV of G. NV verkocht hebben. Geen enkel document dat de aankoop noch de verkoop van de overnamewagen weergeeft is terug te vinden in het verkoopdossier, noch in de algemene administratie van de vennootschap. Het betalingsverkeer echter bevestigd het verhaal van de klant: zij gaven telkenmale een cheque ter waarde van de nieuwe wagen minus de overnamewaarde. De overnamewaarde werd contant door u aan de kassa betaald. - Fraude in naam van de vennootschap. Door het niet aankopen van de overnamewagens volgens de contractuele overeenkomst met de klant pleegt u in naam van G. NV inbreuken tegen de Belgische wet. Hierdoor verhindert u tevens dat een verkoopfactuur kan volgen waardoor BTW en belasting ontdoken wordt. Er is geen spoor van waar deze wagens naartoe gegaan zijn, laat staan aan welke prijzen deze verhandeld werden. - Systematische weigering van de te volgen procedure met betrekking tot de prijsbepaling van overname wagens. Na u herhaalde malen verwittigd te hebben, blijft u het naast zich neerleggen om systematisch elke prijsbepaling van overnamewagens te laten geschieden volgens de voorgeschreven procedure. U geeft vele wagens niet in, in het Trade-In programma en bepaald vervolgens zelf overnameprijzen op bestelbons van nieuwe wagens waardoor G. NV genoopt is de prijs te dekken. Dit terwijl u goed weet dat u geen enkele overnameprijs zelf mag bepalen, dit is de verantwoordelijkheid van de centrale schatter L. G.. - Misbruik van vertrouwen. U maakt systematisch gebruik van een niet erkende handelaar door G.. Nochtans hebt u op vraag van L. G. bij de start van G. na de overname van A. de handelaars opgegeven waarmee A. werkte. Echter de handelaar T. waarmee u blijkt tot op heden veel zaken te doen maakt geen deel uit van deze lijst. U geeft tevens een hogere overnameprijs die u ontvangt van handelaren niet door aan de centrale schatter zoals beschreven in de interne procedures. Op vrijdag 25/07/2003 heb ik deze feiten vastgesteld aan de hand van verklaringen door verschillende betrokken klanten. Vandaag 28/03/2003, verklaren G. V. R. en A. A. dat zij op geen enkele manier kunnen aantonen dat deze wagens door de vennootschap aangekocht werden, en dat deze praktijken zonder hun medeweten gebeurd zijn. (...)" Eveneens op 28 juli 2003 schreef de heer G. een verklaring, waarvan de inhoud luidt als volgt: "Heden ten dage verklaart M. G. de feiten die hem ten laste worden gelegd in de brief met ref 95/UR/MG niet meer zullen plaatsvinden in de toekomst".
- De beoordeling 2.
- Opzeggingsvergoeding Overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet is het de NV die het bewijs moet leveren van de correcte naleving van de wettelijk voorgeschreven termijnen en formaliteiten, evenals van het bestaan en het zwaarwichtig karakter van de door haar als dringende reden ingeroepen feiten. Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd. (art. 35, vierde lid Arbeidsovereenkomstenwet) De dringende reden ter verantwoording van het ontslag moet in de kennisgeving zodanig worden omschreven dat de ontslagen partij op de hoogte wordt gebracht van de haar verweten tekortkomingen en dat de rechter het ernstig karakter van de aangevoerde reden kan beoordelen en kan nagaan of het dezelfde is als de reden die voor hem wordt ingeroepen. (Cass., 24 maart 1980, Arr.Cass., 1979-80, 912) De wet vereist echter niet dat de kennisgeving ook de datum en de plaats moet vermelden, waarop de ingeroepen feiten zich hebben voorgedaan. (vgl. ENGELS, C., "Ontslag wegens dringende reden", in "A.T.O.", Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, O 102-1352 en de aldaar geciteerde rechtspraak) Anders dan de eerste rechters is het hof van oordeel dat de omschrijving van de ingeroepen dringende reden in de ontslagbrief wel degelijk beantwoordt aan het vereiste van nauwkeurigheid en dat het zowel voor de heer G. als voor dit arbeidshof aan de hand van de gegeven omschrijving perfect mogelijk is om uit te maken wat precies aan de heer G. wordt verweten. De kennisgeving bevat weliswaar een aantal generieke verwijten (misbruik van vertrouwen, valsheid in geschrifte,...), doch deze generieke verwijten zijn enkel bedoeld als samenvattende kwalificatie van de in diezelfde brief gegeven beschrijving van de concrete handelingen die aan de heer G. worden verweten. Of de juridische kwalificatie van de verweten gedragingen door de NV correct is, is in dit kader weinig relevant. Het volstaat vast te stellen dat de NV aan de heer G. duidelijk en ondubbelzinnig verwijt dat hij meermaals en niettegenstaande eerdere verwittigingen de binnen de NV geldende interne procedure, met name het zogeheten "trade-in" systeem m.b.t. de overname van de oude wagen van een klant, bij aankoop van een nieuwe wagen heeft miskend en dat hij oude wagens van klanten heeft overgenomen of laten overnemen via een eigen, niet toegelaten werkwijze, feiten die werden ontdekt naar aanleiding van een telefonische oproep van een klant aan de afgevaardigd bestuurder van de NV op 25 juli 2003 en het onderzoek dat daarop volgde. Dat de namen van de betrokken klanten in de kennisgeving niet werden vermeld, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de kennisgeving voldoende nauwkeurig is. Het hof wenst in dit verband tevens op te merken dat het kennelijk ook voor de heer G. meer dan duidelijk was wat hem precies werd verweten, gelet op de inhoud van zijn schriftelijke verklaring dd. 28 juli 2003, verklaring die werd opgesteld nadat hij zijn ontslagbrief had gelezen. Het hof kan niet aanvaarden dat de heer G. zich ertoe zou hebben verbonden om zich in de toekomst te onthouden van de hem in de ontslagbrief verweten feiten, wanneer hij niet zou weten welke feiten hem in bedoelde brief precies werden verweten. Anderzijds is de schriftelijke verklaring van de heer G. onvoldoende duidelijk om te kunnen worden aanvaard als een erkenning van het bestaan en het zwaarwichtig karakter van de ingeroepen feiten. Teneinde het hof toe te laten zich een juist en volledig beeld te vormen van de binnen de NV geldende regels m.b.t. het overnemen van oude wagens van klanten bij aankoop van een nieuwe wagen en m.b.t. de wijze en het tijdstip waarop de NV kennis heeft gekregen van het feit dat de heer G. niet steeds gebruik maakte van het zogeheten "trade-in" systeem, komt het gepast voor in te gaan op het door de NV in ondergeschikte orde geformuleerde bewijsaanbod, zoals hierna geherformuleerd. Het hof meent evenwel niet te moeten ingaan op het verzoek van de NV om de persoonlijke verschijning van partijen te bevelen. Partijen hebben immers reeds in conclusie elk hun versie van de feiten gegeven en het hof ziet niet in welke meerwaarde hun persoonlijke verschijning nog zou kunnen bieden. Vermits op dit ogenblik geen uitspraak kan worden gedaan over de ingeroepen dringende reden wordt de beslissing over de vordering in betaling van een opzeggingsvergoeding aangehouden. 2.
- Achterstallig commissieloon Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering is het uiteraard de heer G. die het bewijs moet leveren dat hij recht heeft op de door hem gevorderde commissielonen. Samen met de eerste rechters is het hof van oordeel dat dit bewijs afdoende werd geleverd door: - de neergelegde geschreven arbeidsovereenkomst, inzonderheid artikel 8 - de niet betwiste verhoging van het initieel bedongen commissiepercentage tot 25% - de door de NV zelf neergelegde lijst van verkochte wagens met haar berekening van het nog aan de heer G. verschuldigde commissieloon op die wagens. Het verweer dat de NV in dit kader ontwikkelt kan niet overtuigen. Zoals zeer juist werd opgemerkt door de eerste rechters bepaalt de arbeidsovereenkomst expliciet dat de heer G. niet alleen recht heeft op een commissieloon op de rechtstreeks door hem verkochte wagens, maar eveneens op verkopen die werden gerealiseerd door de werkgever of diens ondergeschikten. Het blijkt niet dat deze initieel bedongen loonvoorwaarden werden gewijzigd, behoudens de niet betwiste verhoging van het commissiepercentage. De heer G. heeft bijgevolg recht op betaling van commissieloon op alle verkopen vermeld op de door de NV neergelegde lijst, ongeacht de vraag of hij die verkopen (volledig) zelf heeft gerealiseerd. Het hof stelt tevens vast dat de arbeidsovereenkomst geen enkele bepaling bevat die toelaat het overeengekomen commissieloon te verminderen wegens "aflevering" door een andere verkoper en het blijkt al evenmin dat een dergelijke afwijkende regeling op een later tijdstip werd overeengekomen. Ten slotte is er geen enkel element dat toelaat te besluiten dat het de NV was toegelaten op de door haarzelf berekende commissielonen bedragen in mindering te brengen, die zij zonder enige verduidelijking kwalificeert als kosten/verliezen en het blijkt al evenmin dat de NV meer commissieloon heeft betaald dan de bedragen vermeld op de loonfiche van de maand juli 2003, betalingen die door de heer G. uitdrukkelijk werden erkend. Dat de heer G., in de door het hof bijgetreden hypothese dat hij recht heeft op de gevorderde achterstallen, alleszins recht heeft op de door de eerste rechters toegekende intrest berekend op het netto bedrag van de toegekende achterstallen, staat als zodanig niet ter discussie. Het hoger beroep is bijgevolg wat dit punt betreft niet gegrond. 2.
- Pro rata eindejaarspremie Zoals hiervoor reeds aangegeven werd in de geschreven arbeidsovereenkomst aan de heer G. een dertiende maandloon toegekend. Bij de toekenning van dit dertiende maandloon werden geen bijkomende voorwaarden of beperkingen bedongen en de individuele arbeidsovereenkomst verwijst noch expliciet, noch impliciet naar de bepalingen van de C.A.O's die binnen het aanvullend nationaal Paritair Comité voor de bedienden werden gesloten m.b.t. de toekenning van een eindejaarspremie. In dit verband moet erop gewezen worden dat de bepalingen van de algemeen verbindend verklaarde C.A.O. waarnaar de NV verwijst geen beletsel vormen voor een (voor de werknemer) gunstiger regeling in de individuele arbeidsovereenkomst. Bedoelde C.A.O. -bepalingen beogen immers enkel de minimale rechten van de werknemers te waarborgen. Gelet op de gunstiger regeling opgenomen in zijn individuele arbeidsovereenkomst kan de heer G. zijn recht op betaling van een dertiende maandloon rechtstreeks en uitsluitend stoelen op deze overeenkomst en is dat recht niet onderworpen aan de voorwaarden en beperkingen opgenomen in de C.A.O. Het tussen partijen overeengekomen dertiende maandloon is de tegenprestatie van de arbeid die de heer G. ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst heeft verricht en zij wordt in beginsel verkregen naarmate de arbeid werd verricht. (Cass. 9 september 1985, R.W., 1985-86, 2692) Nu geen enkel element uit het dossier toelaat te besluiten dat de splitsbaarheid van het recht op deze dertiende maand werd uitgesloten, heeft de heer G. recht op betaling van een dertiende maandloon in verhouding tot de tijdens het jaar 2003 geleverde prestaties. Het gebruik van de term dertiende maandloon in de arbeidsovereenkomst, zonder enige bijkomende precisering of beperking, geeft aan dat partijen de toekenning hebben beoogd van een bijkomende premie die zowel het vaste maandloon als het commissieloon omvat. Het overeengekomen commissieloon ressorteert immers evenzeer onder de arbeidsrechtelijke notie "loon", te begrijpen als de tegenprestatie voor de geleverde arbeid en werd blijkens de neergelegde loonfiches maandelijks betaald. De becijfering door de heer G. van het voor het jaar 2003 verschuldigde pro rata dertiende maandloon, op basis van het maandelijks gemiddelde van de tijdens dat jaar verdiende commissielonen, kan dan ook volledig worden bijgetreden. Dat de heer G., in de door het hof bijgetreden hypothese dat hij recht heeft op de gevorderde pro rata eindejaarspremie, alleszins recht heeft op de door de eerste rechters toegekende intrest berekend op het netto bedrag van de toegekende premie, staat als zodanig niet ter discussie. Het hoger beroep is bijgevolg ook wat dit punt betreft niet gegrond. 2.
- Uitwinningsvergoeding Vermits op dit ogenblik nog geen uitspraak kan worden gedaan over de vraag of de heer G. al dan niet werd ontslagen wegens een dringende reden, dient ook dit onderdeel van de oorspronkelijke vordering te worden aangehouden. 2.
- Feestdagloon voor pinkstermaandag en 21 juli 2003 De heer G. vordert voor deze beide feestdagen telkens 140,57 EUR feestdagloon becijferd op zijn commissieloon. M.b.t. dit onderdeel van de oorspronkelijke en door de eerste rechters toegekende vordering werd door de NV geen andere grief ontwikkeld dan de bewering dat het voor 21 juli 2003 verschuldigde bedrag reeds werd betaald. Van de ingeroepen betaling werd echter niet het geringste bewijs geleverd. Dat de heer G., in de door het hof bijgetreden hypothese dat hij recht heeft op het gevorderde feestdagloon voor pinkstermaandag, alleszins recht heeft op de door de eerste rechters toegekende intrest berekend op het netto bedrag van het toegekende feestdagloon, staat als zodanig niet ter discussie, zodat het hoger beroep ook wat dit punt betreft niet gegrond is. 2.
- Feestdagloon 15 augustus 2003 Dit onderdeel van de oorspronkelijke vordering is eveneens afhankelijk van de vraag of de heer G. al dan niet terecht werd ontslagen wegens dringende reden, zodat de beslissing hieromtrent wordt aangehouden. 2.
- Achterstallig vakantiegeld einde dienst Gelet op de toekenning van de gevorderde achterstallige commissielonen, pro rata eindejaarspremie en het feestdagenloon voor pinkstermaandag en 21 juli 2003 maakt de heer G. terecht aanspraak op het door de eerste rechters toegekende saldo vakantiegeld einde dienst, conform zijn becijfering op pagina 19 van zijn syntheseconclusie. Artikel 270, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is door de belastingplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen, terwijl, volgens artikel 272, 1°, van dat wetboek, behoudens strijdig beding, de in artikel 270, 1°, vermelde belastingschuldigen het recht hebben op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens strijdig beding, dat in deze zaak kennelijk niet voorhanden is, niet het recht te eisen dat hem die voorheffing zou worden betaald. Krachtens artikel 23, ,§1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en is deze die bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de R.S.Z.. Bijgevolg kan de werknemer de betaling van zijn socialezekerheidsbijdragen niet van de werkgever vorderen. Bijgevolg kan geen intrest worden toegekend op het bruto bedrag van het aan de heer G. toegekende vakantiegeld einde dienst. De bepalingen van de Loonbeschermingswet doen daaraan uiteraard geen afbreuk nu het toegekende vakantiegeld einde dienst geen deel uitmaakt van het loonbegrip in de Loonbeschermingswet. 2.
- Intrest op bruto/ schadevergoeding gelijk aan verschil tussen intrest op netto en intrest op bruto De heer G. vordert in hoofdorde betaling door de NV van intrest op de door hem gevorderde brutobedragen. Ondergeschikt, met name in de door de eerste rechters bijgetreden hypothese dat de NV enkel gehouden is tot betaling van intrest op de overeenstemmende nettobedragen, vordert de heer G. betaling door de B.S. van een vergoeding gelijk aan het verschil tussen de intrest becijferd op de hem netto toekomende bedragen en de gevorderde brutobedragen. Deze, in ondergeschikte orde geformuleerde eis steunt op de aansprakelijkheid van de B.S. omdat hij niet binnen een redelijke termijn het nodige zou hebben gedaan om de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, inzonderheid artikel 82 van deze wet, in werking te laten treden. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, verving het vroegere artikel 10 Loonbeschermingswet door de volgende bepaling: "Art.
- Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht". Nazicht van de overgangs- en slotbepalingen van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen leert dat de wetgever het aan de Koning heeft overgelaten om de datum te bepalen waarop deze wet, met inbegrip van haar artikel 82, in werking zou treden. Precies het bestaan van genoemde overgangsbepalingen sluit meteen uit dat bedoeld artikel 82 moet worden beschouwd als een interpretatieve wet, die uit haar aard en automatisch ab initio geldt. (vgl. Cass. 6 februari 2006, S050063N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4, http://www.cass.be, op datum) Niets in de voorbereidende werken van de wet van 26 juni 2002 laat overigens toe te besluiten dat het de bedoeling is geweest van de wetgever om een interpretatieve wet tot stand te brengen en in dit verband kan nuttig verwezen worden naar de argumentatie ontwikkeld door E. Mathys en B. Vanschoebeke "Intresten op netto? En zo ja, vanaf wanneer?" (Or, 2003, 74 e.v.) Diezelfde wet bepaalt in artikel 73 onder titel V "Raadpleging van de Nationale Arbeidsraad": "Voor het uitoefenen van de bevoegdheden die Hem door deze wet zijn toegekend, wint de Koning het advies in van de Nationale Arbeidsraad. De Nationale Arbeidsraad deelt zijn advies mede binnen twee maanden nadat hem het verzoek daartoe is gedaan, zoniet mag aan de adviesvereisten worden voorbijgegaan." Genoemd artikel 73 sluit geen enkele van de door de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen aan de Koning verleende bevoegdheden uit, zodat moet worden aanvaard dat ook het uitoefenen van de aan de Koning in artikel 90, ,§1 verleende bevoegdheid om de datum van inwerkingtreding te bepalen afhankelijk werd gesteld van de verplichting vooraf het advies te vragen aan de Nationale Arbeidsraad. Volgens de niet tegengesproken feitelijke gegevens verstrekt door de B.S. heeft de Nationale Arbeidsraad medio 2005 een advies geformuleerd, waarna een wetsontwerp tot wijziging van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen werd opgesteld dat op 23 december 2005 werd goedgekeurd door de Ministerraad en thans voorligt voor advies van de Raad van State. Het betreft inzonderheid advies nr. 1.513 van de Nationale Arbeidsraad dd. 4 mei 2005, dat in zijn aanhef verwijst naar het ontwerp van uitvoeringsbesluit dat hem op 17 december 2003 werd overgemaakt door de toenmalige minister van Werk onder meer met het oog op de inwerkingtreding van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen. (zie http://www.cnt-nar.be/ADVIES/advies-1513) Vervolgens werd op 3 juli 2005 het K.B. uitgevaardigd betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen. Genoemd K.B. van 3 juli 2005 bepaalt dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen in werking treden op 1 juli 2005 en van toepassing zijn op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
- Teneinde de regelmatigheid van genoemd K.B. van 3 juli 2005 te beoordelen, alsook de ingeroepen nalatigheid van de B.S., komt het gepast voor -alvorens ten gronde te beslissen - aan de B.S., bij toepassing van artikel 877 Ger.W., te bevelen een kopie over te leggen van het ontwerp van uitvoeringsbesluit dat door de regering op 17 december 2003 voor advies werd overgemaakt aan de Nationale Arbeidsraad en dat resulteerde in advies nr.1.513 betreffende de wijziging van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen en aan partijen de gelegenheid te geven in conclusies hun standpunt te bepalen m.b.t. de regelmatigheid van het K.B. van 3 juli 2005, inzonderheid in het licht van de hiernavolgende vragen: - Beschikte de Koning over de bevoegdheid om de inwerkingtreding van de wet van 26 juni 2002 te beperken tot de lonen waarvan het recht op betaling is ontstaan vanaf 1 juli 2005, mede gelet op het in artikel 108 van de Grondwet bepaalde verbod voor de Koning om wetten te schorsen en vrijstelling van hun uitvoering te verlenen, het beginsel van de onmiddellijke werking van de wet, dat impliceert dat een nieuwe wettelijke reglementering in beginsel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de gevolgen van de onder de vroegere reglementering ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe reglementering en voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten en de grondwettelijke beginselen inzake gelijke behandeling en verbod van discriminatie? - Werd het K.B. van 3 juli 2005 voorgelegd voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State en - in voorkomend geval - heeft het ontbreken daarvan gevolgen t.a.v. de regelmatigheid van genoemd K.B.? 2.
- Tegeneis De NV vordert betaling van een vergoeding voor de schade die zij beweert te hebben geleden doordat de heer G. de door de klanten binnengebrachte oude wagens zelf heeft verkocht, zonder tussenkomst van de NV. Nog afgezien van de vraag of de heer G. door aldus te handelen een fout heeft begaan, kan het hof slechts vaststellen dat de NV volkomen in gebreke blijft het bewijs te leveren dat zij ingevolge deze handelwijze schade heeft geleden. Het blijkt immers niet dat de NV als gevolg van de handelwijze van de heer G. winst heeft gederfd en nog minder dat haar reputatie bij de klanten hierdoor werd geschaad. Het hof ziet verder niet in hoe een deskundigenonderzoek met de door de NV gesuggereerde opdracht zou kunnen bijdragen tot het vaststellen van het bestaan en de omvang van de schade die zij beweert te hebben geleden. Het hof ziet immers niet in hoe een deskundige op basis van de binnen de NV beschikbare verkoopdossiers zou kunnen vaststellen tegen welke prijs de oude wagens van klanten aan derden werden verkocht en al helemaal niet hoe de deskundige zou kunnen achterhalen of en, zo ja, tegen welke prijs de NV zelf deze wagens had kunnen inkopen en verkopen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en de incidentele beroepen ontvankelijk. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 7 september 2005 in zoverre het de NV veroordeelde tot betaling aan de heer G. van: - 1.509,15 EUR pro rata eindejaarspremie - 2.597,78 EUR achterstallig commissieloon - 281,14 EUR feestdagenloon pinkstermaandag en 21 juli 2003 - 503,41 EUR enkel vakantiegeld - 527,95 EUR dubbel vakantiegeld verminderd met de wettelijk verplichte inhoudingen in zoverre verschuldigd en te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 28 juli 2003 behoudens op het vakantiegeld einde dienst en met de gerechtelijke intrest op alle bedragen vanaf 1 maart 2004, intrest te berekenen op het overeenstemmend nettogedeelte, en in zoverre het de oorspronkelijke tegeneis van de NV ongegrond verklaarde. Alvorens verder ten gronde te beslissen, laat de NV toe door middel van getuigen het bewijs te leveren van de volgende feiten: - Dat binnen de NV slechts één systeem was toegelaten voor het inkopen en verkopen van oude en nieuwe wagens, met name het zogeheten "trade-in" systeem. - Dat volgens het trade-in systeem elke over te nemen wagen moet worden ingegeven in een computerprogramma, dat de overnameprijs moet worden bepaald en ingegeven door de centrale schatter, dat bij afwezigheid van de centrale schatter door de verkoper een schatting moet worden gevraagd aan een handelaar die voorkomt op de in het programma aanwezige lijst van handelaars, dat de door de handelaar opgegeven prijs door de verkoper in een opmerkingsveld moet worden ingegeven waarna deze prijs moet worden bevestigd of gewijzigd door de centrale schatter; dat een inkoopcontract moet worden uitgeprint wanneer de klant akkoord gaat om zijn oude wagen aan de bepaalde prijs te verkopen, dat dit contract vervolgens door de klant en de verkoper moet worden getekend en dat de aflevering door de klant van de oude wagen in de computer moet worden ingegeven. - Dat de heer G. op de hoogte was van het feit dat alle overnames van oude wagens uitsluitend mochten gebeuren via het hoger beschreven Trade-in systeem. - Dat de klant H. N. op 25 juli 2003 telefonisch contact opnam met de heer G. en bij die gelegenheid melding maakte van de overname door de NV van haar oude wagen. - Dat bij die gelegenheid werd vastgesteld dat de overname van de oude wagen van H. N. niet was ingebracht in het Trade-in systeem. Belast mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, met het houden van de getuigenverhoren (rechtstreeks verhoor en tegenverhoor). Beschikt dat dit rechtstreeks getuigenverhoor zal plaatsvinden op 21 november 2006, om 14.00 uur, in de raadkamer van zaal G in dit gerechtsgebouw te 2000 Antwerpen, Cockerillkaai
- Laat de heer G. toe tot het tegenbewijs van dezelfde feiten met dezelfde rechtsmiddelen. Beschikt dat dit tegenverhoor, na eventueel verzoek daartoe, zal plaatsvinden op een later aan te duiden plaats, datum en uur. Beveelt bij toepassing van artikel 877 Ger.W. aan de B.S. om binnen de 2 maanden vanaf heden een kopie bij het rechtsplegingsdossier te voegen van het ontwerp van uitvoeringsbesluit dat door de toenmalige minister van Werk op 17 december 2003 voor advies werd overgemaakt aan de Nationale Arbeidsraad en resulteerde in advies nr. 1.513 betreffende de wijziging van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van twintig september tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer H. CLOOSTERMANS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060920.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div