← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060921.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 21 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060921.4 Rolnummer: 2005-0389 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-01 04:46 Fiches 1 - 3 De deeltijdse werknemers worden vermoed hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt. Deze openbaarmaking wordt bepaald in de artikelen 157 tot 159 van de programmawet van 22 december

  1. Artikel 157 heeft betrekking op een tewerkstelling met een vast werkrooster. Bewijs. Bij tegenstrijdigheid tussen het onderzoeksverslag van de inspectie en andere bewijselementen, zoals een onder eed afgelegde getuigenverklaring, wordt de ontstentenis van openbaarmaking onvoldoende bewezen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Soorten arbeidsovereenkomsten - Deeltijdse arbeid Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . DEELTIJDSE ARBEID Vermoeden van de normale werkelijke arbeid te hebben uitgevoerd volgens de normale werkroosters Wettelijke bepalingen: Wet - 22-12-1989 - 157 - 31 ELI link Pub nr 1989021231 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsreglement - W. 8 april 1965 SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsreglement - W. 8 april 1965 - Bekendmaking Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSREGLEMENT Ontstentenis van openbaarmaking - sanctie Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1965040816 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Maatschappelijke zekerheid der arbeiders - inning en invordering van de bijdragen - aangifte en betaling Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22ter - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder II P - artikel 157, onder III G - artikel 15 en onder VII A - artikel 22ter Annotaties Publicaties: R.W. 2007-2008 - - Nr. 3 - blz. 112-114 SRK 2008 - - nr. 7 - blz. 432 + noot Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2050389 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EENENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. F. SELS, advocaat te 2018 ANTWERPEN, tegen : TM verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. E. MAES loco mr. K. VERBRUGGEN, advocaat te 2000 ANTWERPEN. Na beraadslaging over de zaak, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 1 juni 2005, van 24 februari 2006 en van 15 juni
  2. Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder op: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het tussenvonnis van 6 oktober 2003 en van het eindvonnis van 28 februari 2005, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het verzoekschrift in hoger beroep, op de griffie van dit hof neergelegd op 13 mei 2005 en overeenkomstig artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek ter kennis gebracht op 13 mei 2005; x het verzoekschrift van eiser in hoger beroep (in toepassing van artikel 747, ,§2 van het gerechtelijk wetboek), op 10 augustus 2005 ontvangen op de griffie van dit hof; x de beschikking daarop van raadsheer J. VERHAVERT van 6 september 2005; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 6 oktober 2005; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het hof op 4 november 2005; x de aanvullende conclusies voor verweerder in hoger beroep, op 1 december 2005 per fax ontvangen op de griffie van het hof; x dezelfde aanvullende conclusies, per post ontvangen op de griffie van dit hof op 2 december 2005; x de aanvullende syntheseconclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 4 januari 2006; x de replieknota van eiser in hoger beroep, neergelegd op 11 juli
  3. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 15 juni
  4. Gehoord het mondelinge advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 15 juni
  5. De ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat De TM baat een eetcafé uit aan.... Op 7 mei 1998 vindt in de zaal een controle plaats door de sociale inspectie en door de inspectie sociale wetten. Er worden drie personen aan het werk aangetroffen: - Y, student, die als afwasser en hulp in de keuken wordt tewerkgesteld; - KR, ook studente, die als dienster wordt tewerkgesteld; - WG, de kok. De inspecteur noteert in zijn proces-verbaal dat er geen personeelsregister kan worden voorgelegd, geen arbeidsreglement, geen deeltijdse arbeidsovereenkomsten en geen uithangende uurroosters. Van JG, de zaakvoerder, wordt er van die dag geen verhoor neergelegd, ondanks het feit dat ze bij de controle aanwezig was. Wel wordt een verklaring bijgebracht die de zaakvoerder op 31 augustus 1998 aflegde aan de sociaal controleur. Daarin bevestigt de zaakvoerder dat zij wel degelijk op 7 mei, bij de controle, de arbeidsovereenkomst voor WG aan inspecteur W overhandigde. Later zal de raadsman van de TM de gang van zaken tijdens de controle van 7 mei 1998 verduidelijken in een brief. Als bijlagen worden bij deze brief o.a. ingesloten: een exemplaar van de arbeidsovereenkomst, opgemaakt te Antwerpen op 5 mei 1997 en twee geschreven verklaringen van klanten die bevestigen bij de controle aanwezig te zijn geweest en te hebben gezien dat JG de arbeidsovereenkomst aan inspecteur W overhandigde. De meegestuurde arbeidsovereenkomst bevatte een deeltijdse tewerkstelling van 20 uren per week volgens een vast uurrooster: op woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag telkens van 18 uur tot 22 uur. Hoe dan ook, de RSZ besliste om op basis van het onderzoeksverslag en zich steunende op de toepassing van artikel 22 ter van de RSZ-wet de tewerkstelling van WG te beschouwen als een voltijdse tewerkstelling. Omdat de zaakvoerder duidelijk had laten verstaan dat ze een voltijdse tewerkstelling van WG nooit zou aanvaarden, ging de RSZ op 20 december 2001 tot dagvaarding over, voor een bedrag van 6001,25 euro. De vordering had betrekking op het tweede, derde en vierde kwartaal van 1997 en op het eerste en tweede kwartaal van
  6. Het bestreden vonnis In een tussenvonnis van 6 oktober 2003 aanvaardden de eerste rechters dat de TM geen deeltijds arbeidscontract noch variabele uurroosters voor WG kon voorleggen op het moment van de controle. Bijgevolg speelt het vermoeden van artikel 22 ter van de RSZ-wet. Ze lieten TM evenwel toe met getuigen te bewijzen dat de tewerkstelling van WG inderdaad slechts deeltijds was. De twee getuigen, die een schriftelijke verklaring hadden afgelegd, werden onder eed verhoord. In een eindvonnis van 28 februari 2005 oordeelden de eerste rechters vervolgens dat de firma voldoende bewijzen had bijgebracht om het deeltijdse karakter van de tewerkstelling van WG aan te tonen. Ze wezen de RSZ af van zijn vorderingen. Op de terechtzitting van 24 februari 2006 bevestigen de raadslieden van de beide partijen dat geen van de twee vonnissen wederzijds werd betekend. Eisen in hoger beroep Op 13 mei 2005 tekende de RSZ hoger beroep aan tegen de beide voornoemde vonnissen. Volgens de RSZ deden de eerste rechters aan machtsoverschrijding wanneer ze in het eindvonnis van 28 februari 2005 opnieuw rekening hielden met bewijselementen die reeds in het tussenvonnis als onvoldoende waren afgewezen. De RSZ meent dat de getuigenverklaringen geen voldoende bewijs opleveren om het vermoeden van artikel 22 ter van de RSZ-wet te weerleggen. Hij vraagt om zijn oorspronkelijke vordering toe te wijzen. De TM vraagt om het hoger beroep van de RSZ als ongegrond af te wijzen en om haar een vergoeding toe te kennen van 2.500 euro wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Volgens het recht Er bestaat tussen de partijen geen betwisting over het uitgangspunt dat hun geschil enkel dient te worden beoordeeld vanuit de toepassing van artikel 22 ter van de RSZ-wet (Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Artikel 22 ter, ingevoegd bij de wet van 22 december 1989, art. 181, 005 en in werking getreden op 9 januari 1990, bepaalt: Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Ontdaan van de uitzondering, zegt de eerste zin van artikel 22 ter dat de deeltijdse werknemers worden vermoed hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt. Aldus schept de wetgever een verband tussen de theorie (de werkroosters) en de praktijk (de effectieve prestaties). Als de werkroosters op de wettelijk voorgeschreven manier openbaar zijn gemaakt dan worden de werknemers vermoed gepresteerd te hebben conform deze werkroosters. De prestaties kunnen ook afwijken van deze werkroosters. Maar in dat geval moeten deze afwijkingen ofwel worden ingeschreven in de wettelijke daartoe voorziene documenten of moeten ze worden geregistreerd via vervangende apparatuur. In deze zaak is echter de afwijking van de werkroosters niet aan de orde, zodat de uitzondering buiten beschouwing kan worden gelaten. De eerste zin van artikel 22 ter bevat het vereiste van openbaarmaking. En dit vereiste kan niet buiten beschouwing worden gelaten. En precies in verband daarmee voorziet artikel 22 ter in een tweede vermoeden. De tweede zin van artikel 22 ter bepaalt immers dat, wanneer er geen openbaarmaking van werkroosters is conform de wet, de deeltijdse werknemers worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De RSZ beroept zich op het tweede vermoeden van deze bepaling want hij houdt voor dat door de ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters in casu, WG wordt vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Het eerste wat bijgevolg moet bewezen zijn, is de 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters'. Welke openbaarmaking? Deze die werd bepaald in de artikelen 157 tot 159 van de programmawet van 22 december
  7. Wie moet dit bewijs leveren? Hij die zich beroept op de 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters', in casu de RSZ. Artikel 157 bepaalt: Een afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer, schriftelijk vastgesteld overeenkomstig artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of een uittreksel van die arbeidsovereenkomst met de werkroosters en met de identiteit van de deeltijdse werknemer waarop deze van toepassing zijn, alsmede zijn handtekening en die van de werkgever, moet worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden met toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. Artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen laat er geen twijfel over bestaan dat 'de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden' de werkplaats is waar de werknemers zijn tewerkgesteld. Hier betreft het TM Artikel 157 van voornoemde programmawet heeft betrekking op een tewerkstelling met een vast werkrooster. Immers artikel 159 van dezelfde wet regelt de tewerkstelling met een variabel werkrooster. De gegevens van het dossier in casu wijzen in eerste instantie op een tewerkstelling van WG met een vast uurrooster. De eerste rechters konden uit deze gegevens onmogelijk met zekerheid afleiden dat WG effectief was tewerkgesteld met een variabel uurrooster. De arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid van 5 mei 1997, die de TM neerlegt als stuk 1 van haar dossier, vermeldt uitdrukkelijk een tewerkstelling volgens een vast uurrooster. Door de inspectie werden er geen vaststellingen gedaan die onomstotelijk bewijzen dat WG niet volgens een vast maar volgens een variabel uurrooster werkte. Er moet dus worden onderzocht of het werkrooster van WG openbaar werd gemaakt volgens het voorschrift van artikel 157 van de voornoemde programmawet. De RSZ houdt voor dat geen afschrift van de arbeidsovereenkomst van WG, noch een uittreksel ervan kon worden voorgelegd op het ogenblik van de inspectie, waaruit kan worden afgeleid dat dergelijk afschrift of uittreksel niet werd bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan worden geraadpleegd. De TM daarentegen heeft steeds volgehouden dat JG, die eerst overrompeld was door de komst van de inspecteurs in de volle bedrijvigheid van het eethuis, later toch de hand kon leggen op de arbeidsovereenkomst van WG en deze overhandigde aan inspecteur W. Deze afgifte wordt bevestigd door de verklaring van JG van 31 augustus 1998, door haar raadslieden in hun briefwisseling en door LJ, zowel in zijn geschreven verklaring (stuk 3 van de TM) als in zijn verklaring onder eed van 12 januari 2004 als getuige voor de arbeidsrechtbank. Dat de zaakvoerder het arbeidscontract aan WG en niet aan de inspecteur zou hebben overhandigd (zie getuigenverklaring) is een lapsus, begaan bij het noteren van deze verklaring. De verklaring is maar zinvol als de inspecteur het contract aannam van de zaakvoerder, het wegstak en meenam. Conclusie: er is tegenspraak tussen wat de inspectie voorhoudt en datgene wat de zaakvoerder en dus de TM volhoudt over wat er precies is gebeurd. Er is bijgevolg een bewijsprobleem. Het hof beschikt over geen bijkomende elementen, die moeten toelaten voor de ene of voor de andere versie te opteren. In tegenstelling met wat het openbaar ministerie meent, kan het hof de versie van de TM niet terzijde schuiven zonder de bewijskracht te schenden van de bewijsstukken die ze voorlegt, waaronder de verklaring onder eed van LJ. Het komt de RSZ toe om vast en zeker te bewijzen dat het voorschrift van artikel 157 van de programmawet van 22 december 1989 werd geschonden. Het bewijs dat de RSZ terzake voorlegt (het onderzoeksverslag van de inspectiediensten) wordt op dit punt geneutraliseerd door de verklaring van de zaakvoerder van 31 augustus 1998 en de getuigenis van LJ. Het hof is derhalve van oordeel dat naar recht het bewijs niet werd geleverd dat op 7 mei 1998 sprake is van een wettelijke 'ontstentenis van openbaarmaking van het werkrooster' van WG. Dat ze op die dag werkende werd aangetroffen was in overeenstemming met het rooster uit haar arbeidscontract. Dit bewijs wordt evenmin geleverd voor enig andere tijdspanne binnen de periode waarvoor de RSZ zijn vorderingen instelde. De vordering van de RSZ blijft ongegrond. De tegenvordering wegens tergend en roekeloos beroep. Het hof is van oordeel dat de RSZ niet roekeloos hoger beroep instelde nu er minstens iets te zeggen viel over de coherentie tussen het tussenvonnis en het eindvonnis van de eerste rechters. Ook de termijn waarbinnen de RSZ hoger beroep instelde, is normaal. De tegenvordering is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, substituut-generaal, in zijn mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 15 juni
  8. Eiser in hoger beroep repliceerde met conclusies, neergelegd op de griffie van dit hof op 11 juli
  9. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch slechts gegrond in de mate dat het de vernietiging nastreeft van het tussenvonnis van 6 oktober
  10. Verklaart het beroep voor het overige ongegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 6 oktober 2003 omdat het uitging van een variabele tewerkstelling van WG. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 28 februari 2005 in de mate dat het de RSZ afwees van zijn vordering. Verklaart de oorspronkelijke vordering van de RSZ ongegrond omdat de 'ontstentenis van het werkrooster' van WG volgens artikel 157 van de programmawet van 22 december 1989 niet naar recht is bewezen, zodat artikel 22 ter van de RSZ-wet niet van toepassing is. Verklaart de tegenvordering wegens tergend en roekeloos beroep eveneens ongegrond. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de RSZ. Laat de kosten van de tegenvordering ten laste van de TM. Vereffent de kosten aan de zijde van de RSZ op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van TM op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van eenentwintig september tweeduizend en zes PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060921.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.