id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060926.3 Rolnummer: 2005-0248 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-18 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-01 04:47 Fiches 1 - 3 De tijdelijke leerkracht die wordt tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst, is niet door deze arbeidsovereenkomst verbonden met de subsidiërende overheid. Wanneer de Vlaamse Gemeenschap al dan niet weddetoeslagen verschuldigd is aan een leerkracht op grond van diens tewerkstelling op contractuele basis bij de stad Antwerpen, dan is de rechtsgrond daarvoor terug te vinden in de onderwijswetgeving en niet in de arbeidsovereenkomstenwet. Vermits in artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs niet wordt bepaald dat de daarin voorziene verjaringstermijn van één jaar voor de terugvordering van ten onrechte betaalde weddetoeslagen kan worden gestuit door een ter post aangetekende brief, kan voor de stuiting van de verjaringstermijn enkel teruggegrepen worden naar artikel 2244 B.W. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK arbeidsovereenkomst - onderwijzend personeel - tijdelijke leerkracht - contractueel - weddetoeslag - subsidiërende overheid - terugvordering - verjaring. Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 21-03-1804 - 2244 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN verjaring - onderwijzend personeel - tijdelijke leerkracht - contractueel - weddetoeslag - subsidiërende overheid - terugvordering. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . ARBEID IN OVERHEIDSSECTOR OF ONDERWIJS arbeidsovereenkomst - onderwijzend personeel - tijdelijke leerkracht - contractueel - weddetoeslag - subsidiërende overheid - terugvordering - verjaring. Wettelijke bepalingen: Varia - 31-07-1990 - 198 - 51 ELI link Pub nr 1990030228 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 2244, onder II S - artikel 198 en onder II AAN - artikel
- Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN, AFDELING ANTWERPEN ARREST A.R. 2050248 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES M. V. H. wonende te appellante vertegenwoordigd door mr. D. De Bock, advocaat te 2018 Antwerpen, tegen : V. G. geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. L. Aernaudts, advocaat te 2018 Antwerpen. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 13 juni
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 december 2005, 13 juni 2006 en 27 juni
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 31 maart 2003 op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het eensluidend verklaard afschrift van het op 15 maart 2005 op tegenspraak gewezen eindarrest van het hof van beroep van Antwerpen, aangetekend ter kennis gebracht van partijen op 18 maart 2005, waarbij de zaak in toepassing van art. 661 Ger.W. naar het arbeidshof Antwerpen werd verwezen, x de conclusie voor de V.G., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 26 mei 2005, x de conclusie voor M.V.H., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 23 september 2005, x het advies van het openbaar ministerie neergelegd ter zitting van 27 juni
- II. FEITEN EN VOORAFGAANDE PROCEDURE M.V.H. was als advocaat ingeschreven aan de balie te Antwerpen tot 31 december
- Over de periode van 1 september 1994 tot 30 juni 1996 was M.V.H. als tijdelijke leerkracht tevens contractueel tewerkgesteld in de stedelijke secundaire onderwijsinrichtingen van de Stad Antwerpen (stukken 3 en 4 dossier M.V.H.). Met aangetekende brief van 21 december 1995 vorderde V.G. van M.V.H. de terugbetaling van 808,63 EUR ten titel van onverschuldigd uitbetaalde wedden over de periode van 1 september 1994 tot 30 november
- Als reden van de terugvordering werd opgegeven dat M.V.H. geen aanspraak kon maken op de uitgestelde bezoldiging zodat de uitbetaling werd verricht in strijd met het K.B. nr. 294 van 31 maart
- Met aangetekende brief van 5 maart 1997 vorderde hetzelfde Ministerie van M.V.H. de terugbetaling van 389,99 EUR ten titel van onverschuldigd uitbetaalde wedden over de periode van 1 september 1996 tot 31 december
- Als reden van de terugvordering werd opgegeven dat M.V.H. na haar ontslag dd. 1 september 1996 ten onrechte werd doorbetaald tot en met 31 december 1996 zodat de uitbetaling werd verricht in strijd met de bepalingen van artikel 25 van het K.B. van 10 maart
- Op 20 juni 2001 gaf V.G. opdracht aan het Bestuur der Registratie en Domeinen voormelde schulden in te vorderen. Een dwangbevel werd uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijke Directeur der Registratie te Antwerpen op 26 juni
- Op 31 juli 2001 werd dit dwangbevel aan M.V.H. betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot en werd haar tevens bevel gedaan tot betaling van 1.198,61 EUR, meer de interest vanaf 13 juli 2001 en de uitvoeringskosten. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 17 augustus 2001, vorderde M.V.H. voor recht te zeggen dat zij de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is en derhalve de uitvoering van het dwangbevel te verbieden. Bij tussenvonnis van 17 februari 2003 werden de debatten ambtshalve heropend teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen m.b.t. de ontvankelijkheid van de vordering. Bij eindvonnis van 31 maart 2003 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de vordering van M.V.H. onontvankelijk. Tegen dit eindvonnis stelde M.V.H. op 15 mei 2003 hoger beroep in bij het hof van beroep te Antwerpen. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 maart 2005 werd het bestreden vonnis vernietigd en werd de zaak naar dit arbeidshof verwezen voor verdere behandeling. III. EISEN IN HOGER BEROEP M.V.H. vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw rechtsprekend, de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het dwangbevel uitgevaardigd door de Ontvanger van het Ontvangkantoor der Domeinen te Antwerpen dd. 20 juni 2001, uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijke Directeur der Registratie te Antwerpen dd. 26 juni 2001 te vernietigen en te zeggen voor recht dat M.V.H. de som van 1.198,61 EUR niet verschuldigd is. Tenslotte vordert M.V.H. om de V. G. te veroordelen tot de kosten van het geding. De V.G. vordert het hoger beroep van M.V.H. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; dienvolgens de oorspronkelijke vordering van M.V.H. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID VAN DE OORSPRONKELIJKE VORDERING Het staat niet meer ter betwisting tussen partijen dat de door M.V.H. bij verzoekschrift ingestelde vordering tegen het kwestieuze dwangbevel als ontvankelijk dient te worden beschouwd. Gelet op het bepaalde van artikel 94 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit en artikel 1385 decies van het Ger.W., is ook het arbeidshof van oordeel dat de oorspronkelijke vordering zoals ingeleid bij verzoekschrift van 17 augustus 2001 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen ontvankelijk. V. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld zodat het ontvankelijk is. VI. TEN GRONDE
- De ingeroepen verjaring van de vordering tot terugbetaling van de weddetoeslagen op basis van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet De door M.V.H. ontwikkelde argumentatie dat de vordering van de V.G. als subsidiërende overheid verjaard is op grond van artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 kan niet worden bijgetreden om de hiernavolgende redenen. Het staat als zodanig niet ter discussie dat M.V.H. bij de S.A. werd tewerkgesteld als tijdelijke leerkracht op basis van een arbeidsovereenkomst. Bedoeld personeelslid is slechts verbonden door een arbeidsovereenkomst met de inrichtende macht die haar aanwerft en tewerkstelt, niet met de subsidiërende overheid. Zoals zeer juist wordt benadrukt door de V.G. worden de relaties tussen M.V.H. en de subsidiërende overheid immers niet beheerst door de bepalingen van de arbeidsovereenkomstenwet. De verplichting van de V.G. om de weddetoeslagen uit te betalen aan de leerkrachten is terug te vinden in de bepalingen van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Terecht laten de V.G. alsook het Openbaar Ministerie in dit verband gelden dat de betaling van de weddetoeslagen door de subsidiërende overheid een dubbele oorzaak heeft. Enerzijds voert zij daarmee jegens de inrichtende macht (de werkgever) haar subsidiëringverplichting uit en anderzijds voert zij jegens de leerkracht (werknemer) een verplichte betaling uit voor rekening van de inrichting (werkgever). Door deze betaling die bijgevolg uitgevoerd wordt voor rekening van de inrichting (werkgever) wordt de subsidiërende overheid evenwel geen werkgever. Krachtens de wet heeft de subsidiërende overheid een directe verplichting tegenover de leerkracht waarvan vaststaat dat deze laatste gerechtigd is op een weddetoelage, met name de verplichting de wedde van die leerkracht voor rekening van de school (werkgever) en ten belope van de weddetoelage, zijnde het bedrag waarop de betrokken leerkracht recht zou hebben mocht deze tot het personeel van het rijksonderwijs behoren, rechtstreeks aan deze leerkracht uit te betalen (cfr. arrest van 18 mei 1976 van de Raad van State, stuk C.10 bundel V.G.). Wanneer de V.G. al dan niet weddetoeslagen verschuldigd is aan een leerkracht op grond van diens tewerkstelling op contractuele basis bij de S.A., dan is de rechtsgrond daarvoor terug te vinden in de onderwijswetgeving en niet in de arbeidsovereenkomstenwet. Artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II voorziet in een bijzondere regeling inzake de verjaring die geldt voor de terugvordering door de V.G. van onder meer ten onrechte betaalde weddetoelagen.
- De ingeroepen verjaring van de vordering tot terugbetaling van de weddetoeslagen op basis van artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs Terecht is het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies van oordeel dat de terugvordering door de V.G. van de ten onrechte aan M.V.H. betaalde sommen verjaard is. Het arbeidshof kan zich daarbij volledig terugvinden in de argumentatie ontwikkeld door het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies neergelegd ter zitting van 27 juni 2006, waar het inzake de wettelijke bepalingen en de verjaring van de terugvordering, rekening houdende met deze wettelijke bepalingen ter zake stelt: " De wettelijke bepalingen" " Artikel 198 van het decreet van de V.G. van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, dat de verjaring van terugvorderingen door de V.G. van ten onrechte uitbetaalde sommen aan onder meer leden van het onderwijzend personeel behandelt, luidt als volgt: ',§
- Inzake toegekende werkingsmiddelen of toelagen alsmede wedden, weddetoelagen, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden of weddetoelagen vormen of ermede gelijkstaan, zijn de door de V.G. aan de inrichtende machten van onderwijs en de personeelsleden, ten onrechte uitbetaalde sommen voor goed vervallen aan hen die ze ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de eerste januari volgend op de datum van betaling. De in het eerste lid vastgestelde termijn wordt tot 30 jaar verlengd, wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen. ,§
- In afwijking op ,§ 1, eerste lid: - is de verjaringstermijn drie jaar, ingaande op 1 januari 1991, voor alle tussen 1 januari 1986 en 1 januari 1991 betaalde sommen, met dien verstande dat nooit kan worden teruggevorderd voor een periode die de vijf jaar overstijgt; - is de verjaringstermijn twee jaar, ingaande op 1 januari 1992, voor alle tussen 1 januari 1991 en 1 januari 1992 betaalde sommen. ,§
- Inzake toegekende wedden, weddetoelagen, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen die een toebehoren van de wedden of weddetoelagen vormen of ermede gelijkstaan, wordt geen terugbetaling gevorderd van de door de V.G. aan de inrichtende machten van onderwijs en de personeelsleden ten onrechte uitbetaalde sommen, waarvan het totale bedrag 1000 frank niet overschrijdt, tenzij het ten onrechte uitbetaalde bedrag kan worden gerecupereerd op nog uit te keren wedden of weddetoelagen of op nog voor dezelfde doeleinden uit te keren bedragen. Op de voordracht van de Vlaamse minister van Onderwijs, kan de Vlaamse regering het in het vorig lid vastgestelde bedrag verhogen.' Volgens de memorie van toelichting bij het decreet van 31 juli 1990 had die bepaling (artikel 197 van het ontwerp, dat artikel 198 is geworden) tot doel om de rechtszekerheid voor de inrichtende machten van het onderwijs inzake toegekende werkingsmiddelen of -toelagen en de weddetoelagen te verbeteren (Parl.St., Vlaamse Raad, 1989-1990, nr.365-1,p.58). Dat artikel 198 is in werking getreden op 1 september
- Met artikel 9 van het decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX werd een eerste wijziging doorgevoerd, welke als volgt luidde: 'In artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II wordt een ,§ 4 ingevoegd, die luidt als volgt: ,§
- Om geldig te zijn moet de vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij een ter post aangetekend schrijven met vermelding van: 1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen; 2° de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan. Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd.' Dat artikel is het resultaat van een amendement, dat werd verantwoord als volgt: ' De wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 februari 1970, bevat in hoofdstuk II de bepalingen inzake de verjaring van schuldvorderingen ten voordele van de Staat (art. 7, ,§,§ 1 tot 3). Artikel 7, ,§ 1, van voormelde wet bepaalt o.m. dat de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen als de terugbetaling niet gevraagd wordt binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, behoudens voor onverschuldigde sommen verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen, waarvoor dertig jaar geldt. Artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II heeft, met ingang van 1 september 1990, voor het onderwijs in de V.G. de eerst vermelde verjaringstermijn, met een overgangsperiode, teruggebracht van 5 jaar naar 1 jaar. Bij een koninklijk besluit van 17 juli 1991, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 augustus 1991, werden de wetten op de Rijkscomptabiliteit gecoördineerd. In deze coördinatie werd de wet van 6 februari 1970, gewijzigd bij de wet van 24 december 1976, opgenomen in zoverre de bepalingen van toepassing zijn op de Rijkscomptabiliteit. Met weglating van pensioenen vormt artikel 7, ,§,§ 1 en 2, van de wet van 6 februari 1970 artikel 106 van de coördinatie en luidt als volgt: 'Art.
- ,§
- Inzake wedden, voorschotten daarop en vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermede gelijkstaan, zijn de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling. De in het eerste lid vastgestelde termijn wordt tot dertig jaar opgevoerd, wanneer de onverschuldigde sommen zijn verkregen door bedrieglijke handelingen dan wel door valse of bewust onvolledige verklaringen. ,§
- Om geldig te zijn moet deze vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij een ter post aangetekend schrijven met vermelding van: 1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen; 2° de bepalingen in strijd waarmede de betalingen zijn gedaan. Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd.' Artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 bepaalt wel de termijnen waarbinnen ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze ontvangen, maar bepaalt niet op welke wijze de terugbetaling van deze sommen moet worden gevraagd en hoe de verjaring wordt gestuit. Het opnemen van een bepaling terzake leek op dat ogenblik overbodig daar de bepalingen die dienaangaande voorkwamen in artikel 7, ,§ 2, van de wet van 6 februari 1970 en later in artikel 106, ,§ 2, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, volledig van toepassing bleven op het onderwijs in de V.G. en onverkort werden toegepast. Om reden van duidelijkheid en om iedere betwisting dienaangaande uit te sluiten, lijkt het echter wenselijk artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II aan te vullen met een ,§ 4 waarin de bepalingen worden overgenomen van voormeld artikel 106, ,§ 2, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991 (Parl. St., Vlaams Parlement, 1997-1998, nr. 1057-2, pp. 3-4).' In artikel 15, 1° van het decreet van 14 juli 1998 werd voorzien dat het genoemde artikel 9 uitwerking zou hebben met ingang van 1 september 1990, zijnde de datum waarop ook het oorspronkelijke artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II in werking is getreden. Betreffende deze wetswijziging werd een beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 9 en 15, 1° van het decreet van 14 juli 1998 bij het Arbitragehof. Bij arrest van 29 maart 2000 heeft het Arbitragehof artikel 15, 1° van het decreet vernietigd omdat het aan artikel 9 van datzelfde decreet terugwerkende kracht verleende. Het Hof stelde daarbij onder meer vast dat noch de tekst van de aangevochten bepalingen, noch de parlementaire voorbereiding ervan steun bieden voor de stelling van de Vlaamse Regering dat zij moeten worden beschouwd als interpretatieve bepalingen ten aanzien van artikel 198 van het decreet van de V.G. van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II en dat bovendien de Vlaamse Regering niet aangaf welke uitzonderlijke omstandigheden de bestreden retroactiviteit zouden kunnen verantwoorden (Arbitragehof 29 maart 2000, arrest nr. 36/2000, B.S. 2000, p. 18301-18305). Deze uitspraak van het Hof inspireerde de V.G. tot het doorvoeren van een nieuwe wetswijziging ingevoerd door artikel XIII.2 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek, dat als volgt luidde: 'Artikel 198 van hetzelfde decreet wordt als volgt geïnterpreteerd: Dit artikel laat de bepalingen van artikel 7, ,§ 2, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën onverlet.' Naar luid van de parlementaire voorbereiding van die bepaling bleek uit de tekst van de artikelen 9 en 15, 1°, van het decreet van 14 juli 1998 onvoldoende dat het niet de bedoeling was om nieuwe regelgeving te creëren, maar alleen om de toepasselijkheid van de bepalingen van de wet van 6 februari 1970 te benadrukken. Het ontwerpartikel geeft een authentieke interpretatie aan artikel 198 van het onderwijsdecreet-II. Een dergelijke interpretatie houdt in dat een artikel reeds vanaf zijn inwerkingtreding in die zin begrepen moet worden (Parl. St., Vlaams Parlement, 2000-2001, nr. 729/1, p. 42). Ook tegen deze wetswijziging werd een beroep tot vernietiging ingesteld. Bij arrest van het Arbitragehof van 19 december 2002 werd de V.G. voor de tweede maal teruggefloten en werd het artikel XIII.2 van het decreet van de V.G. van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-III-Mozaïek vernietigd, op grond van onder meer de volgende overwegingen: x Artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 voorziet, voor de terugvordering van voor het onderwijs ten onrechte betaalde subsidies en wedden, in een reglementering die afwijkt van die van artikel 7 van de wet van 6 februari
- Het decreet van 31 juli 1990 heeft de verjaringstermijn van vijf jaar tot één jaar teruggebracht, maar het bevatte geen enkele regel betreffende de wijze van stuiting van die verjaring. x De vraag of die verjaring van één jaar wordt gestuit door een dagvaarding voor het gerecht of door een aangetekende brief, hangt niet af van de interpretatie van de bewoordingen van het decreet maar van de interpretatie die kan worden afgeleid uit het stilzwijgen van het decreet over dat punt. x Zoals hij dat heeft gedaan met de aanneming van het decreet van 14 juli 1998, vermocht de decreetgever van oordeel te zijn dat de V.G., zoals elke andere openbare overheid waarop de wet van 6 februari 1970 van toepassing is, de mogelijkheid moest hebben om de verjaring bij aangetekende brief te stuiten. Maar door in die mogelijkheid slechts te voorzien in het decreet van 14 juli 1998 waaraan terugwerkende kracht tot 1 september 1990 is gegeven, heeft hij een maatregel genomen waarvan de retroactieve draagwijdte niet steunt op redenen van algemeen belang of op uitzonderlijke omstandigheden die hem zouden toestaan in te grijpen in hangende rechtsgedingen. x Door in de aangevochten bepaling een maatregel op te nemen die dezelfde gevolgen heeft als die welke het Hof in zijn arrest nr. 36/2000 heeft vernietigd, maar door die maatregel nu als interpretatief te kwalificeren, terwijl hij aan het decreet van 31 juli 1990 een bepaling toevoegt die er niet in stond, heeft de decreetgever een maatregel genomen die eveneens onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (Arbitragehof dd. 19 december 2002, arr. nr. 189/2002, B.S. 2003, p. 1336-1340). Dit alles heeft tot gevolg dat de beide wetswijzigingen waarvan hoger sprake geneutraliseerd werden en dat enkel rekening moet gehouden worden met de oorspronkelijke formulering van het kwestieuze artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990, waarin niets wordt voorzien met betrekking tot wijze waarop de verjaringstermijn van één jaar kan worden gestuit." Volledigheidshalve merkt het arbeidshof op dat de beschouwing van de V.G. in die zin dat zij in alle terugvorderingen, ook de niet betwiste, de vormvereisten heeft toegepast die zij terecht meende toepasselijk te zijn, zonder enige relevantie is, gelet op voorgaande besluitvorming. "De verjaring van de terugvordering rekening houdende met deze wettelijke bepalingen" "Cruciaal in de betwisting omtrent de verjaring van de terugvordering door de V.G. van de volgens haar ten onrechte betaalde weddetoelagen is de vraag of de brieven van 21 december 1995 en 5 maart 1997, welke aangetekend zouden verzonden zijn, de verjaring van één jaar voorzien in artikel 198, ,§1 van het decreet van 31 juli 1990 heeft gestuit, met als gevolg dat vanaf de respectievelijke data van verzending van deze brieven een verjaringstermijn van 30 jaar zou lopen. De redenering van geïntimeerde dat deze vraag positief beantwoord dient te worden en dat naar de geest van de wet ook in de periode vanaf 1 september 1990 artikel 7, ,§2 van de wet van 6 februari 1970 zou gelden inzake de stuiting van de verjaringstermijn van één jaar voorzien in artikel 198, kan niet aanvaard worden. In het genoemd artikel 198, dat - en daar zijn partijen het over eens - vanaf 1 september 1990 geldt voor de terugvordering door de V.G. van ten onrechte betaalde weddetoeslagen, is alvast geen sprake van een stuiting van de verjaring door een ter post aangetekend verzonden brief. Evenmin wordt daarin verwezen naar het feit dat een stuiting van de verjaring zou kunnen gerealiseerd worden op dezelfde wijze als voorzien in artikel 7, ,§2 van de wet van 6 februari
- De decreetgever had alleszins de opportuniteit te voorzien, zoals elke andere openbare overheid waarop de wet van 6 februari 1970 van toepassing is, dat de V.G. de mogelijkheid moest hebben om de verjaringstermijn met aangetekend verzonden brief te stuiten en vanaf deze stuiting een verjaringstermijn van 30 jaar te laten lopen. Het dient opgemerkt te worden dat de decreetgever trouwens van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt in bijvoorbeeld de decreten van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding en 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs (zowel in artikel 103, ,§3 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding (B.S. 10/04/1999) en artikel 64 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs (B.S. 21/08/1999) wordt uitdrukkelijk voorzien in een per aangetekende post verzonden schrijven als geldige stuiting van de verjaringstermijn van 1 jaar, alsook van het feit dat vanaf deze stuitingsdag een nieuwe verjaringstermijn van 30 jaar loopt). Nu hij echter heeft nagelaten een gelijkaardige bepaling op te nemen in de tekst van het decreet van 31 juli 1990, zoals van toepassing vanaf 1 september 1990, en bijgevolg geen specifieke wijze van stuiting werd voorzien in deze wettelijke bepaling, kan voor de stuiting van de verjaringstermijn van één jaar enkel teruggegrepen worden naar artikel 2244 B.W. Een geldige stuiting van de bedoelde verjaringstermijn kon bijgevolg enkel gerealiseerd worden door een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen". Het arbeidshof voegt daaraan toe dat artikel 2244 van het B.W. immers een bepaling van het algemeen verbintenissenrecht is waarnaar moet worden verwezen wanneer de decreetgever, zoals in casu, geen specifieke regels heeft uitgewerkt m.b.t. de wijze van de stuiting van de verjaringstermijn. Voormelde besluitvorming impliceert dat voornoemde aangetekende brieven geen stuitend effect kunnen hebben ten aanzien van de verjaringstermijn voorzien in artikel 198 van het decreet van 31 juli
- Nu het dwangbevel van 20 juni 2001 slechts op 31 juli 2001 aan M.V.H. werd betekend is er in casu geen sprake van een geldige en tijdige stuiting van de verjaringstermijn van één jaar van de vordering van de V.G.. Volkomen terecht adviseert het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies derhalve dat de vordering tot terugbetaling van de V.G. van de door M.V.H. ten onrechte ontvangen weddetoeslagen vervallen dient te worden verklaard ingevolge verjaring. Het hoger beroep van M.V.H. is derhalve gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het openbaar ministerie in de voorlezing van zijn schriftelijk advies neergelegd ter zitting van 27 juni 2006, waarna partijen niet meer repliceren. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van M.V.H. ontvankelijk en gegrond. Verklaart de oorspronkelijke vordering van M.V.H. ontvankelijk en gegrond. Vernietigt dienvolgens het dwangbevel van 20 juni 2001 uitgevaardigd door de ontvanger van het ontvangkantoor der domeinen te Antwerpen, uitvoerbaar verklaard op 26 juni 2001 door de gewestelijke directeur der registratie te Antwerpen, en betekend bij deurwaardersexploot aan M.V.H. op 31 juli
- Legt de kosten van eerste aanleg, hoger beroep en arbeidshof ten laste van de V.G. Vereffent deze aan de zijde van M.V.H. op 167,33 rechtsplegingsvergoeding rechtbank van eerste aanleg, op 233,02 EUR rechtsplegingsvergoeding hof van beroep en op 145,76 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Vereffent deze aan de zijde van de V.G. op 145,76 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 26 september 2006, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060926.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div