id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 04 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061004.8 Rolnummer: 2004-0207 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-20 Raadplegingen: 274 - laatst gezien 2026-07-03 21:18 Fiches 1 - 2 Wanneer de Belgische Staat een samenwerkingsovereenkomst tekende voor de aanwerving van een deskundige die later directeur geworden is van de Dienst voor Energiebehoud en partijen duidelijk kozen voor de zelfstandige samenwerking, moet deze kwalificatie geëerbiedigd worden wanneer niet blijkt dat betrokkene onder het gezag van de Belgische Staat werkte maar steeds als zelfstandige handelde. Het feit dat betrokkene geleidelijk andere taken is gaan vervullen dan initieel overeengekomen, en zelfs een ambt dat normaliter voorbehouden is aan de uitvoerende macht en niet mocht worden gedelegeerd, veranderd daar niets aan. Een zelfstandige kan zich bovendien ook verbinden op bepaalde dagen en uren arbeidsprestaties te leveren. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - bepaling - arbeidsovereenkomst voor bedienden - openbare sector - ondergeschikt verband - direkteur van een dienst van het centraal bestuur van de staat - aannemingsovereenkomst - geen element onverenigbaar met deze kwalificatie - II AAN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 3 en onder II AAN - artikel 17, 2° Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - algemene verplichtingen van de partijen - openbare sector - ondergeschikt verband - directeur van een dienst van het centraal bestuur van de staat - aannemingsovereenkomst - geen element onverenigbaar met deze kwalificatie - II AAN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 17, 2° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 3 en onder II AAN - artikel 17, 2°. Annotaties Publicaties: SRK 2008 - - nr. 3 - blz. 164-167 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040207 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES DE B.S., vertegenwoordigd door de, waarvan de burelen gevestigd zijn te, appellant vertegenwoordigd door mr. P. VAN RILLAER loco mr. A. HOUTEKIER, advocaat te 2800 Mechelen. Tegen: hoedanigheid van enige wettige erfgenaam van zijn vader de heer C.P., overleden op, geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. E. BRAL, advocaat te Gent, Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 6 september
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 april 2004 en 6 september
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * de eensluidend verklaarde afschriften van de op 12 mei 1989 en 31 oktober 1996 op tegenspraak gewezen vonnissen van de arbeidsrechtbank te Brussel; * het eensluidend verklaard afschrift van het op 18 september 1998 op tegenspraak gewezen arrest van het arbeidshof te Brussel; * het eensluidend verklaard afschrift van het op 10 januari 2000 gewezen arrest van het Hof van Cassatie; * het eensluidend verklaard afschrift van het op 27 november 2002 gewezen arrest van het arbeidshof te Gent; * het eensluidend verklaard afschrift van het op 8 september 2003 gewezen arrest van het Hof van Cassatie; * het verzoekschrift tot hoger beroep na Cassatie, ingediend ter griffie van dit arbeidshof op 12 maart 2004; * de conclusie van partijen ontvangen ter griffie van dit arbeidshof, door geïntimeerde op 13 oktober 2004, 9 april 2005 en 26 december 2005, en door appellante op 11 maart 2005 en 8 augustus
- II. PROCEDUREVOORGAANDEN Met inleidende dagvaarding, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel en betekend op 20 mei 1987 vorderde wijlen de heer C. P., hierna de heer P. genoemd, de veroordeling van de B. S., vertegenwoordigd door de heer, hierna de B.S. genoemd, tot de betaling van een opzeggingsvergoeding van 135.256,16 EUR, vermeerderd met de verwijlintrest vanaf 16 november
- De heer P. vorderde tevens te horen zeggen voor recht dat de B.S. de achterstallige sociale zekerheidsbijdragen moet betalen, verschuldigd uit hoofde van de tewerkstelling voor de B.S. van 15 november 1979 tot en met 15 november 1986, evenals afgifte van sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis dd. 12 mei 1989 verklaarde de arbeidsrechtbank te Brussel zich bevoegd om kennis te nemen van de zaak en verklaarde zij de vordering ontvankelijk. De beslissing ten gronde werd geschorst in afwachting van het resultaat van de door de heer P. ingestelde vordering bij de Raad van State. Bij vonnis dd. 31 oktober 1996 werd de B.S. veroordeeld tot betaling van 54.102,46 EUR opzeggingsvergoeding, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intrest op het met dit brutobedrag overeenstemmende nettobedrag en tot afgifte binnen de maand na betekening van het vonnis van een getuigschrift van tewerkstelling, de afrekening van het nog verschuldigde loon, de individuele rekening betreffende het laatste jaar van tewerkstelling, het werkloosheidsattest C4, de fiche van de belastbare bezoldiging 281.10, het vakantieattest en de bijdragebon voor de ziekte en invaliditeitsuitkering. De B.S. werd tevens veroordeeld tot de kosten van het geding. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 12 december 1996, stelde de B.S. hoger beroep in tegen laatstgenoemd vonnis, dat ertoe strekte de oorspronkelijke vordering van de heer P. ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de gerechtskosten. Met conclusie ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 21 april 1997 stelde de heer P. incidenteel beroep in, dat ertoe strekte te zeggen voor recht dat de door de B.S. te respecteren opzeggingstermijn 30 maanden bedroeg en vervolgens de B.S. te veroordelen tot betaling van 135.256,16 EUR, vermeerderd met de verwijlintrest vanaf 16 november 1986 en met de gerechtelijke intrest vanaf 20 mei
- Bij arrest van het arbeidshof te Brussel van 18 september 1998 werden het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Het bestreden vonnis werd bevestigd en de B.S. werd verwezen in de kosten van het hoger beroep. Op voorziening van de B.S. werd het arrest van 18 september 1998 vernietigd bij arrest van het Hof van Cassatie dd. 10 januari 2000 en werd de zaak naar het arbeidshof te Gent verwezen. Bij akte neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Gent op 6 mei 2002 hervatte de heer M. P. het geding ingeleid door wijlen zijn vader. Bij arrest dd. 27 november 2002 verklaarde het arbeidshof te Gent het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het bestreden vonnis werd bevestigd met veroordeling van de B.S. tot de kosten in graad van beroep en cassatie. Bij arrest van het Hof van Cassatie dd. 8 september 2003 werd het arrest van het arbeidshof te Gent op voorziening van de B.S. verbroken en werd de zaak verwezen naar dit arbeidshof. III. EISEN IN HOGER BEROEP Voor dit arbeidshof handhaven partijen hun vorderingen zoals gesteld voor het arbeidshof te Gent. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- De feiten Op 15 november 1979 sloot de heer P. een overeenkomst met de B.S. waarvan de inhoud luidt als volgt: "
- De Heer P. verklaart vanaf 15 november 1979 de betrekking van deskundige bij de Cel voor Energieconservatie als zelfstandige te aanvaarden.
- De Heer P. is in het bijzonder belast met de betrekkingen van de Cel met de buitenwereld en daartoe zal hij de nodige contacten leggen met de landen die dezelfde maatregelen toepassen als deze die België zal nemen op het gebied van energieconservatie. Hij zal de passende schikkingen voorstellen die de doeltreffendheid van de genomen of te nemen maatregelen zouden moeten verbeteren.
- De bezoldiging van de Heer P. is vastgesteld op een jaarlijks bedrag van 1.550.000 frank. Dit jaarlijks bedrag is gekoppeld aan de spilindex van 188,
- De bezoldigingen zijn betaalbaar bij maandelijkse schijven na vervallen termijn. Het maandbedrag wordt verhoogd of verlaagd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied, opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Het bedrag van voormelde bezoldiging kan met het goedvinden der partijen worden herzien; het wordt in elk geval om de twee jaar verhoogd overeenkomstig een aanpassingsschaal van 36.000 F (spilindex 188,45) die aangepast wordt zoals hierboven werd voorzien voor de maandelijkse schijf. De belasting op de toegevoegde waarde valt ten laste van de Staat.
- Het voor personeelsleden van de ministeries van rang 13 bepaalde stelsel tot vergoeding van reisen verblijfkosten geldt voor hem. Voor alle aan de Heer P. uit te keren maandelijkse laten, kosten en vergoedingen moet een schuldvordering in drievoud worden opgemaakt.
- In geval van afwezigheid wegens ziekte behoudt de Heer P. het recht op zijn bezoldiging voor zover deze afwezigheid niet meer dan dertig dagen duurt.
- De Heer P. regelt zelfs zijn werkzaamheden, hij kan zijn werkzaamheden gedurende een periode welke overeenstemt met het officiële vakantie en omstandigheidsverlof zoals werd bepaald voor het personeel van de ministeries;
- Onderhavige overeenkomst wordt uitgesloten voor de duur van twee jaar; ze is stilzwijgend hernieuwbaar." Punt 7 van deze overeenkomst werd in een bijvoegsel van 14 mei 1980 als volgt gewijzigd: "
- Onderhavige overeenkomst wordt gesloten voor een duur van twee jaar. Ze is hernieuwbaar voor een, in functie van de opdracht, nader te bepalen duur." De initiële overeenkomst werd met 6 opeenvolgende bijvoegsels verlengd, telkens voor een periode van 6 maanden of 1 jaar. De chronologisch laatste verlenging dateert van 22 november 1985 en bevat een verlenging voor een periode van 1 jaar, vanaf 16 november
- Het staat niet ter discussie dat de activiteiten van de heer P. wijzigingen hebben ondergaan en dat hij met name evolueerde van deskundige naar directeur van de dienst voor energiebehoud. In een brief van 25 maart 1986 formuleerde het Rekenhof bezwaren m.b.t. de toekenning aan de heer P. van het statuut van zelfstandige. Met een dienstnota van 1 juli 1986 werd aan de personeelsleden van de dienst voor energiebehoud ter kennis gebracht dat de activiteiten van deze dienst voortaan zouden worden gecoördineerd door adjunct-adviseur G., onder de directe leiding van inspecteur-generaal S. Het staat niet ter discussie dat de heer G. sedertdien de taak van directeur van de dienst voor energiebehoud heeft waargenomen. Met een brief van 22 oktober 1986 deelde de Minister van Economische zaken aan de heer P. mee dat zijn overeenkomst niet zou worden verlengd en aldus definitief een einde zou nemen per 15 november
- Met een verzoekschrift dd. 23 december 1986 vorderde de heer P. de vernietiging door de Raad van State van de beslissing dd. 22 oktober 1986, welke hij kwalificeerde als de beslissing waarbij hij als directeur van de dienst voor energiebehoud werd ontslagen. Deze vordering werd ongegrond verklaard bij arrest van 3 mei
- De beoordeling Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering is het de heer M. P. die het bewijs moet leveren van zijn bewering dat zijn vader met de B.S. verbonden was door een arbeidsovereenkomst, wat uiteraard het bewijs veronderstelt van het feit dat de heer P. zijn prestaties heeft geleverd onder het gezag van de B.S. In dit verband dient eraan herinnerd te worden dat de voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding zijn positiefrechtelijke weergave vindt in artikel 17, 2° Arbeidsovereenkomstenwet dat de werknemer ertoe verplicht te handelen volgens de bevelen en instructies die hem worden gegeven door de werkgever, zijn lasthebbers of zijn aangestelden met het oog op de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Daarbij moet tevens rekening worden gehouden met het gegeven dat in de regel élke vorm van samenwerking tussen meerdere personen, ook de samenwerking tussen juridisch gelijkwaardige partners, noopt tot het maken van bepaalde, bindende afspraken en het vastleggen van bepaalde regels teneinde de activiteiten op elkaar af te stemmen en het werk op een zo efficiënt mogelijke manier te verdelen en te organiseren. Bij de beoordeling van de aangevoerde gezagsverhouding dient dit arbeidshof aan de hand van de overgelegde feitelijke gegevens van de zaak te onderzoeken of de ingeroepen gezagsverhouding tussen de heer P. en de B.S.in werkelijkheid heeft bestaan. Daarbij is dit arbeidshof uiteraard niet gebonden door de overwegingen en bedenkingen die het Rekenhof formuleerde m.b.t. de samenwerking tussen de B.S. en de heer P.. Wanneer de partijen hun overeenkomst gekwalificeerd hebben als een overeenkomst van zelfstandige samenwerking en bij ontstentenis van een tegen deze kwalificatie ingaand wettelijk vermoeden, is het bewijs van een gezagsrelatie niet geleverd wanneer de door de rechter vastgestelde feiten evenzeer wijzen op de uitvoering van zelfstandige arbeid en daarmee niet onverenigbaar zijn. (vgl. Cass. 23 december 2002, S010169F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15; Cass. 28 april 2003, S010184F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030428.7; Cass. 3 mei 2004, S030108N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23, http://www.cass.be, op datum) In deze zaak hebben de heer P. en de B.S. hun samenwerkingsovereenkomst in artikel 1 duidelijk en ondubbelzinnig gekwalificeerd als een overeenkomst van zelfstandige samenwerking. Deze kwalificatie is perfect in overeenstemming met de in artikel 6 van de overeenkomst aan de heer P. verleende mogelijkheid om zelf zijn werkzaamheden te regelen. De overeenkomst bevat voor het overige geen bepalingen die hetzij afzonderlijk, hetzij samengenomen, onverenigbaar zijn met de gegeven kwalificatie. Dit geldt met name de bepalingen in de overeenkomst m.b.t.de bezoldiging, de terugbetaling van kosten, de inkomenswaarborg bij ziekte en de vakantieregeling. In dit verband dient eraan herinnerd te worden dat ook een zelfstandige zich ertoe kan verbinden tegen betaling van een vaste, maandelijkse bezoldiging te werken, waarvan het bedrag aan het indexcijfer van de consumptieprijzen is gekoppeld. Ook het maken van afspraken inzake inkomenswaarborg bij ziekte en het opnemen van vakantie, wijst niet op het bestaan van een gezagsverhouding. Het feit dat de in dit kader bedongen afspraken overeenstemden met regels die op dat ogenblik golden voor de personeelsleden van de ministeries, maakte van de heer P. uiteraard nog geen personeelslid van de B.S. Tevergeefs meent de heer M. P. dat de wijze waarop de samenwerkingsovereenkomst werd uitgevoerd het bewijs inhoudt van het bestaan van de ingeroepen gezagsverhouding. De elementen die in dit kader werden aangereikt blijven immers deels onbewezen en zijn voor het overige niet onverenigbaar met de overeengekomen kwalificatie van een samenwerking als zelfstandige. Zo kan geen bewijs voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst gevonden worden in het als zodanig niet betwiste gegeven dat de heer P. geleidelijk andere taken is gaan vervullen dan de initieel overeengekomen taken. In de regel kunnen contractspartijen immers steeds in gemeen overleg wijzigingen aanbrengen aan hun initieel bedongen verbintenissen. Het feit dat een overeenkomst in gemeen overleg werd gewijzigd levert op zich dan ook geen enkele nuttige aanwijzing m.b.t. de aard van die overeenkomst. Alleszins blijkt niet dat de wijziging in het takenpakket van de heer P. eenzijdig door de B.S. werd opgelegd of kon worden opgelegd. Dergelijke eenzijdige wijzigingen zijn ten andere ook in het kader van een arbeidsovereenkomst niet toegelaten. Dat de heer P. vervolgens als directeur van de dienst voor energiebehoud taken heeft verricht en beslissingen heeft genomen, die volgens de heersende reglementering zijn voorbehouden aan de uitvoerende macht en die eigenlijk niet mochten worden gedelegeerd aan een zelfstandige medecontractant van de B.S., is wellicht juist, maar deze vaststelling impliceert niet dat de heer P. louter door het leveren van die prestaties moet worden beschouwd als een ambtenaar of werknemer die heeft gewerkt onder het gezag van de B.S., noch laat zulks toe te besluiten dat hij daadwerkelijk prestaties in ondergeschikt verband heeft geleverd. In dit verband dient er op gewezen te worden dat de heer P. en de B.S. precies door het sluiten van hun overeenkomst van zelfstandige samenwerking en de in deze overeenkomst bedongen mogelijkheid voor de heer P. om zijn werk zelfstandig te organiseren, de juridische mogelijkheid voor de B.S. hebben uitgesloten om het voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezag uit te oefenen over de heer P. m.b.t. het overeengekomen werk. Zoals elke contractspartij dient ook de B.S. de bepalingen van de door hem aangegane overeenkomsten te eerbiedigen en kan en mag hij niet eenzijdig aan een medecontractant opleggen om prestaties te leveren in een band van ondergeschiktheid, wanneer, zoals in deze zaak, duidelijk en ondubbelzinnig een samenwerking op zelfstandige basis werd bedongen. De aard en de kenmerken van een ministerieel departement doen daaraan geen afbreuk. Dat de overeenkomst gesloten tussen de heer P. en de B.S. niet de uitdrukking zou zijn van hun werkelijke bedoeling wordt niet bewezen, net zo min als het feit dat zij hiervan op een later tijdstip hebben willen afwijken, inzonderheid wat het zelfstandig karakter van de samenwerking betreft. Zo blijkt met name niet dat de heer P. op enig ogenblik afstand heeft gedaan van de in de samenwerkingsovereenkomst bedongen mogelijkheid om zijn werk zelfstandig te organiseren en het daaraan inherent verbonden recht om bevelen en instructies te weigeren die verder gingen dan hetgeen als normaal en gebruikelijk kan worden beschouwd in het kader van een samenwerking op zelfstandige basis. Het arbeidshof wenst in dit verband nog op te merken dat het dossier ook geen spoor bevat van daadwerkelijk door de B.S. aan de heer P. gegeven instructies of bevelen, inzonderheid door de personen die in conclusies werden aangewezen als de "hiërarchisch oversten" van de heer P.. Tevergeefs verwijst de heer M. P. in dit verband naar de inhoud van een nota dd. 6 november 1987 aan de directeur-generaal, nota die bijgevolg werd opgesteld nadat de samenwerking reeds was beëindigd. Een volledige en juiste lezing van deze nota illustreert en bevestigt immers dat de heer P., volgens de auteur van deze brief, consequent en in overeenstemming met de bedongen samenwerking als zelfstandige zelf zijn werk organiseerde en verzoeken/verwijten om het anders te doen gewoon naast zich neerlegde. Anders dan de heer M. P. voorhoudt volstaan ook de summiere vermeldingen op het als stuk 15 medegedeelde document niet als bewijs dat de B.S., in de personen van de minister/de secretaris-generaal/de directeur generaal/ de inspecteur-generaal, het voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezag over de heer P. kon uitoefenen. Volgens de eigen beschrijving van zijn taken in zijn verzoekschrift tot vernietiging van de beslissing van 2 oktober 1986, stond de heer P. in voor het behandelen van de aanvragen van belastingplichtigen tot het bekomen van een attest dat hen zou toelaten te genieten van een investeringsaftrek en werd hij daarbij ondersteund door hem ondergeschikte ambtenaren, verbonden aan de dienst voor energiebehoud. De heer P. vervolgde in genoemd verzoekschrift dat hij over de bevoegdheid beschikte om autonoom dergelijke aanvragen te weigeren en de desbetreffende weigerende beslissingen te ondertekenen, de attesten werden na advies van de heer P. ondertekend door de bevoegde Minister. Een mogelijke rechtstreekse inmenging vanwege "hiërarchische oversten" bij de uitoefening van de aldus beschreven taken komt, gelet op de beschreven bevoegdheden waarover de heer P. beschikte, geenszins evident en alleszins niet bewezen voor. Evenzeer blijft onbewezen dat de heer P. zijn prestaties diende te leveren volgens een vast, door de B.S. opgelegd uurrooster, wat door de B.S. steeds formeel werd betwist. Wat de niet betwiste overhandiging op 8 augustus 1986 van een prikkaart betreft moet vooreerst worden opgemerkt dat deze overhandiging gebeurde op een ogenblik dat de heer P. niet langer de taak van directeur waarnam en geen nuttige elementen oplevert voor de beoordeling van de eerdere samenwerking. Bovendien impliceert de deelname aan een door de B.S. georganiseerd tijdregistratiesysteem op zichzelf niet dat de heer P. daartoe verplicht was of kon worden en nog minder dat hij ook verplicht was of kon worden om prestaties te leveren volgens een bepaald uurrooster. De tijdregistratie kan immers evenzeer, zoals steeds door de B.S. werd voorgehouden, zijn ingegeven vanuit de behoefte om de aanwezigheden en afwezigheden van de heer P. in kaart te brengen, om aldus zijn autonomie bij de organisatie van zijn werkzaamheden te kunnen aantonen. Het arbeidshof stelt bovendien vast dat nooit werd gepreciseerd volgens welk uurrooster de heer P. dan wel diende te werken en dat ook nooit ernstig verweer werd gevoerd op het door de B.S. ontwikkelde argument dat de heer P. slechts sporadisch gebruik heeft gemaakt van de hem ter beschikking gestelde tikkaart. Het is dan ook slechts ten overvloede dat het arbeidshof wenst op te merken dat ook een zelfstandige zich ertoe kan verbinden om op bepaalde dagen en uren prestaties te leveren, zodat dit aspect hoe dan ook niet toelaat om tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst te besluiten. Eenzelfde bemerking geldt het feit dat de heer P. slechts zou hebben gewerkt voor één opdrachtgever en dat hij zijn werkzaamheden verrichtte in een daartoe door de B.S. ter beschikking gesteld kantoor. Ook dit zijn geen elementen die kenmerkend zijn voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Samenvattend is het arbeidshof dan ook van oordeel dat de heer M. P. faalt in de op hem rustende bewijslast aan te tonen dat wijlen zijn vader met de B.S. verbonden was door een arbeidsovereenkomst, zodat zijn vordering tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding en afgifte van sociale en fiscale documenten ongegrond is. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 31 oktober 1996 in zoverre bestreden en hervormend. Verklaart de vordering van de heer M. P. in betaling van een opzeggingsvergoeding en afgifte van sociale en fiscale documenten ongegrond. Legt de kosten van alle instanties ten laste van de heer M. P.. Vereffent deze aan de zijde van appellant op 178,48 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 151,98 EUR kosten betekening verzoekschrift Hof van Cassatie, 192,69 EUR kosten betekening verzoekschrift Hof van Cassatie, 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerde op 79,82 EUR kosten dagvaarding, 178,48 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 243,93 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure arbeidshof Brussel, 143,23 EUR betekening memorie van antwoord, 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure arbeidshof Gent, 156,59 EUR betekening memorie van antwoord en 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vier oktober tweeduizend en zes, waar aanwezig waren : mevrouw L. BOEYKENS, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer F. LAMBERT, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer S. HENS, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, aangewezen bij beschikking d.d. 4 oktober 2006 door mevrouw L. BOEYKENS, Raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer F. LINGIER, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.) mevrouw L. COLLA, e.a. adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061004.8 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030428.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div