← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061010.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 10 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061010.9 Rolnummer: 2005-0200 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-01-16 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-07-01 04:50 Fiches 1 - 3 Met ingang van 25 juli 2004, datum van inwerkingtreding van artikel 2, § 5, 3de lid van de Wet van 2 april 1965 houdt de territoriale bevoegdheid van het OCMW van de gemeente waar de kandidaat-vluchteling ingeschreven is in het wachtregister op wanneer de asielprocedure beëindigd is ingevolge het arrest tot verwerping van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen een beslissing van het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen. Artikel 58, § 3 van de OCMW-Wet, dat bepaalt dat een OCMW dat een steunaanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht, deze aanvraag binnen 5 kalenderdagen dient over te maken aan het volgens hem bevoegde OCMW, is niet van toepassing in het geval van stopzetting van voorheen verleende steun. De regelgeving die voorziet in de materiële opvang van minderjarige illegalen in een federaal opvangcentrum houdt geen schending in van het EVRM of het Kinderrechtenverdrag. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Algemeen Vrije woorden: Sociale voorzorg - openbare centra voor maatschappelijk welzijn - taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - maatschappelijke dienstverlening - uitgeprocedeerde asielzoeker - onbevoegd OCMW - verplichting tot verwijzing naar een ander OCMW - minderjarige illegaal - materiële hulp in federaal opvangcentrum - geen schending van artikel 8 EVRM of het Kinderrechtenverdrag Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57 § 2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Wet - 08-07-1976 - 58 § 3 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Vreemdelingen OCMW Vrije woorden: Sociale voorzorg - wet betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de OCMW - maatschappelijke dienstverlening uitgeprocedeerde asielzoeker - onbevoegd OCMW - verplichting tot verwijzing naar een ander OCMW - minderjarige illegaal - materiële hulp in federaal opvangcentrum - geen schending van artikel 8 EVRM of het Kinderrechtenverdrag Wettelijke bepalingen: Wet - 02-04-1965 - 2 § 5, 3de lid - 01 ELI link Pub nr 1965040210 Nota: X E - X F Gerangschikt onder X E - artikel 57 § 2, onder X E - artikel 58 § 3, en onder X F - artikel 2 § 5, 3de lid. Annotaties Publicaties: SRK 2008, nr. 4, blz. 220-223 - - Tekst van de beslissing Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2050200 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES. In de zaak:

  1. B P B,
  2. M P K, optredend in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon N P, allen wonende te appellanten, verschijnend bij mr. M. P, advocaat te H; tegen :
  3. HET O C M W VAN EN TE K, met zetel te
  4. HET O C M W VAN EN TE S T, met zetel te geïntimeerden, verschijnend bij mr. S, advocaat te S T. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 12 september
  5. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 15 september 2005, 25 april 2006 en 12 september
  6. I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 17 juni 2005 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief d.d. 23 juni 2005 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 25 juli 2005; - de conclusies van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 4 oktober 2005; - de conclusies van appellanten neergelegd ter griffie op 20 maart
  7. II. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Met een verzoekschrift, op 25 juli 2005 neergelegd ter griffie van dit hof, tekende appellant hoger beroep aan tegen een vonnis (in de gevoegde zaken A.R. 204/2434 en 204/3646) van 17 juni 2005 van de arbeidsrechtbank te Hasselt. Bedoeld vonnis werd in toepassing van artikel 792, lid 2 Gerechtelijk Wetboek bij gerechtsbrief van 23 juni 2005 ter kennis gebracht aan partijen. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. Het hoger beroep is ontvankelijk. III. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
  8. De echtelieden P, appellanten, zijn van Nepalese afkomst. Op 10 januari 2001 dienden zij een asielaanvraag in België in. Kortrijk werd als verplichte plaats van inschrijving aangeduid. Het O.C.M.W. van Kortrijk, eerste geïntimeerde, kende aan appellanten een financiële steun, gelijk aan het leefloon, toe. Na de verhuis van appellanten naar Sint-Truiden in januari 2002 bleef het O.C.M.W. van Kortrijk verder instaan voor de steunverlening. Nadat hun asielaanvraag geweigerd werd, werd tegen deze weigeringsbeslissing door appellanten beroep ingesteld bij de Raad van State. Tijdens deze (asiel)procedure bij de Raad van State, dienden appellanten op 5 juni 2003 bij het gemeentebestuur te St-Truiden een aanvraag in tot machtiging tot verblijf in België, dit in toepassing van artikel 9,3( van de Vreemdelingenwet. Deze procedure zou nog steeds hangende zijn. Op 6 juni 2004 werd de zoon (N P) van appellanten geboren. Het O.C.M.W. van Kortrijk kende alsdan aan appellanten een bijkomende financiële steun toe, gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag.
  9. Op 9 juli 2004 werd de asielprocedure van appellanten beëindigd middels een voor hen negatief arrest van de Raad van State. Het O.C.M.W. van Kortrijk heeft daarop op 27 juli 2004 beslist om met ingang van 1 augustus 2004 de financiële steunverlening aan appellanten integraal stop te zetten, met toepassing van artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-wet en gelet op het arrest van de Raad van State inzake de asielprocedure van appellanten. Tegen deze beslissing van het O.C.M.W. van Kortrijk werd door appellanten op 30 augustus 2004 beroep ingesteld bij de arbeidsrechtbank te Hasselt (procedure, er gekend onder A.R. nr. 2042434).
  10. Op 14 oktober 2004 boden appellanten zich aan bij het O.C.M.W. van Sint-Truiden, tweede geïntimeerde, met een vraag om financiële steunverlening voor hun kind N. Op 25 oktober 2004 besliste het O.C.M.W. van Sint-Truiden het navolgende: "De financiële steun aan het minderjarig illegaal kind PN wordt niet toegestaan doch materiële hulp wordt voorgesteld in het federaal opvangcentrum St. Truiden, in toepassing van het arrest Arbitragehof nr. 106/2003 dd. 22/07/2003, de Programmawet dd. 22/12/2003 en het K.B. dd. 24/06/2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan minderjarige vreemdelingen die met hun ouders illegaal in het Rijk verblijven." Met een schrijven van 29 oktober 2004 bevestigde FEDASIL aan het OCMW van St. Truiden dat de minderjarige zoon van appellanten zich voor materiële hulp kon aanbieden in het federaal opvangcentrum te St. Truiden. Tegen de beslissing van het OCMW van St. Truiden tekenden appellanten beroep aan bij de arbeidsrechtbank van Hasselt met een verzoekschrift van 26 november 2004 (procedure, er gekend onder A.R. 2043646).
  11. De vorderingen van appellanten in de vermelde procedures bij de arbeidsrechtbank te Hasselt kunnen qua voorwerp als volgt worden gesitueerd: 1) De vordering van appellanten tegen het OCMW van Kortrijk strekt ertoe de beslissing van 27 juli 2004 te vernietigen, te zeggen voor recht dat het OCMW van Kortrijk bevoegd blijft voor het toekennen van financiële steun en kinderbijslag sedert 1 augustus 2004, het OCMW van Kortrijk te veroordelen tot het toekennen van financiële steun en kinderbijslag sedert 1 augustus 2004; 2) De vordering van appellanten tegen het OCMW van St. Truiden strekt ertoe de beslissing van 25 oktober 2004 te vernietigen en te zeggen voor recht dat het OCMW van St. Truiden gehouden is tot het verlenen van maatschappelijke dienstverlening in de vorm van: - rechtstreekse tenlasteneming van de huurgelden en de kosten voor nutsvoorzieningen m.b.t. de woning die het gezin thans betrekt of de terbeschikkingstelling van een andere woning zolang er minderjarige kinderen verblijven in het gezin, - rechtstreekse tenlasteneming van de schoolkosten en de medische kosten van de kinderen, - ervoor in te staan dat de kinderen minstens 3 behoorlijke maaltijden per dag krijgen, gekleed, geschoeid zijn naargelang het seizoen, beschikken over de nodige producten voor hygiëne en aan vrijetijdsbesteding kunnen doen, - voorzover het OCMW zich niet in de mogelijkheid zou bevinden om aan deze verplichtingen in natura te voldoen, een bedrag te betalen gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag, zonder dat appellanten verplicht worden te verblijven in een opvangcentrum.
  12. Op 17 juni 2005 sprak de arbeidsrechtbank van Hasselt een vonnis uit waarbij: - de vorderingen werden samengevoegd; - de vorderingen van appellanten ontvankelijk doch ongegrond werden verklaard; - de bestreden O.C.M.W.-beslissingen werden bevestigd; - geïntimeerden in de gerechtskosten werden veroordeeld.
  13. Tegen dit vonnis stelden appellanten hoger beroep in bij dit arbeidshof. IV. EISEN IN HOGER BEROEP
  14. Appellanten vorderen om: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis van de arbeidsrechtbank te vernietigen; - te zeggen voor recht dat het OCMW van Kortrijk: * niet de procedure heeft gevolgd zoals voorgeschreven in het KB van 24.06.2004 en in de omzendbrief van 16.08.2004, * bevoegd blijft voor het toekennen van maatschappelijke dienstverlening van 01.08.2004 tot 14.10.2004; - het OCMW van Kortrijk te veroordelen tot het toekennen van maatschappelijke dienstverlening onder de vorm van kinderbijslag van 01.08.2004 tot 14.10.2004 aan het minderjarige kind; - te zeggen voor recht dat: * het OCMW van St. Truiden bevoegd is voor het toekennen van maatschappelijke dienstverlening vanaf 14.10.2004, * het KB van 24.06.2004 ter uitvoering van het nieuw artikel 57 §2 1° van de OCMW-wet een scheiding tussen ouders en kind organiseert, * zulks in strijd is met de bedoeling van de wetgever, alsmede artikel 8 E.V.R.M. en de artikelen 2.2, 7.1 en 9.1 van het kinderrechtenverdrag, * op grond van artikel 159 van de Grondwet de arbeidsrechtbank het KB van 24.06.2004 ter uitvoering van het nieuw artikel 57 §2, 1° lid OCMW-wet buiten toepassing had moeten verklaren, * het minderjarig kind P N mag worden opgevoed binnen de geborgenheid van zijn eigen gezin, zijnde in de woning van appellanten en niet verplicht kan worden tot verblijf alleen in een opvangcentrum teneinde in aanmerking te komen voor materiële hulp; - het OCMW van St. Truiden te veroordelen tot het toekennen van financiële steun onder de vorm van kinderbijslag vanaf 14.10.2004 aan het minderjarige kind P N; - geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding.
  15. Geïntimeerden verzoeken om: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - het vonnis van de eerste rechters integraal te bevestigen. V. BEOORDELING V.a. Nopens de door appellanten opzichtens het O.C.M.W. van Kortrijk geformuleerde eis inzake maatschappelijke dienstverlening.
  16. Appellanten vorderen om het O.C.M.W. van Kortrijk te zien aanwijzen als het voor steunverlening bevoegde O.C.M.W. vanaf 1 augustus 2004 tot 14 oktober 2004, en om dit O.C.M.W. voor deze periode te zien veroordelen tot dienstverlening in de vorm van kinderbijslag voor hun minderjarig kind. Naar het oordeel van het hof kunnen deze vorderingen van appellanten niet worden ingewilligd, hetgeen hierna verder wordt toegelicht.
  17. Artikel 2, § 5 van de Wet van 2 april 1965 'betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn' bepaalt dat voor kandidaat-vluchtelingen het territoriaal bevoegde O.C.M.W. dat is van de gemeente alwaar de betrokkene hetzij in het wachtregister, hetzij in de bevolkingsregisters of in het vreemdelingenregister is ingeschreven. Door de Programmawet van 9 juli 2004 (artikel 103, 2(/B.S. 15 juli 2004) is daaraan de navolgende specificatie toegevoegd (artikel 2, § 5, lid 3 Wet van 2 april 1965): "Niettegenstaande het behoud van de aanduiding van een verplichte plaats van inschrijving houdt deze territoriale bevoegdheid op wanneer: -/- de asielprocedure beëindigd is -/- ingevolge het arrest tot verwerping van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen een beslissing van het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatslozen of van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen; -/-". Bij gebrek aan een andere termijn die daartoe door de wetgever zou zijn bepaald, is deze wetswijziging/specificatie van kracht vanaf 25 juli 2004, zijnde de tiende dag na die van de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad (cf. artikel 4 van de 'Inwerkingtredingswet' van 31 mei 1961 / B.S. 21 juni 1961). Het arrest van de Raad van State, houdende de verwerping van het beroep tot nietigverklaring tegen een voor appellanten ongunstige beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, dateert hier van 9 juli
  18. In toepassing van artikel 2, § 5 van de Wet van 2 april 1965 - zoals aangepast door de Programmawet van 9 juli 2004 - is bijgevolg en alleszins vanaf 25 juli 2004 (datum van inwerkingtreding van de wetsaanpassing) het O.C.M.W. van Kortrijk niet meer aan te merken als het territoriaal bevoegde O.C.M.W. De vordering van appellanten, erop gericht om het O.C.M.W. van Kortrijk te zien aanwijzen als het voor steunverlening bevoegde O.C.M.W. vanaf 1 augustus 2004 tot 14 oktober 2004, kan bijgevolg niet worden ingewilligd, aangezien dit zou indruisen tegen de hogervermelde wettelijke regeling.
  19. Appellanten voeren nog aan dat het O.C.M.W. van Kortrijk zijn wettelijke verplichtingen niet zou zijn nagekomen doordat het centrum aan appellanten niet zou hebben meegedeeld dat vanaf 1 augustus 2004 het O.C.M.W. van Sint-Truiden het bevoegde O.C.M.W. was. Aldus zou - althans in de visie van appellanten - het O.C.M.W. van Kortrijk de door artikel 58, § 3 van de O.C.M.W.-wet bepaalde verplichtingen hebben geschonden, en zou dit O.C.M.W. alsnog vanaf 1 augustus 2004 (tot 14 oktober 2004) gehouden zijn tot betaling van de door appellanten beoogde steunverlening. Artikel 58, § 3 van de O.C.M.W.-wet (de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn) bepaalt dat het O.C.M.W. dat een steunaanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht, deze aanvraag binnen de 5 kalenderdagen dient over te maken aan het volgens hem bevoegde O.C.M.W. (met vermelding van de redenen van onbevoegdheid), en daarvan de aanvrager schriftelijk in kennis dient te stellen. In geval van niet-naleving van deze verplichtingen moet het nalatige O.C.M.W. zelf de maatschappelijke dienstverlening verlenen zolang het de aanvraag niet heeft overgezonden en de redenen die aan de onbevoegdheid ten grondslag liggen niet heeft meegedeeld. Artikel 58, § 3 van de O.C.M.W.-wet handelt duidelijk en expliciet over de situatie van een aanvraag om steun, niet meer of minder. De hier te beoordelen situatie betreft echter geen nieuwe aanvraag van appellanten, doch enkel een stopzetting van voorheen verleende steun. Bij gebrek aan een dienovereenkomstige aanvraag zijn de bepalingen van artikel 58, § 3 van de O.C.M.W.-wet niet van toepassing op onderhavige situatie. Het O.C.M.W. van Kortrijk diende uiteraard, bij gebrek aan aanvraag, geen aanvraag door te sturen aan het O.C.M.W. van Sint- Truiden en er kan hem geen schending of niet-naleving van de bepalingen van artikel 58, § 3 van de O.C.M.W.-wet worden verweten. De andersluidende argumentatie van appellanten faalt en wordt door het hof verworpen.
  20. De algemene verwijzing van appellanten naar de niet-naleving door het O.C.M.W. van Kortrijk van de procedure "zoals voorgeschreven in het KB van 24.06.2004 en in de omzendbrief van 16.06.2004" kan hier evenmin leiden tot een andere beoordeling. In het K.B. van 24 juni 2004 'tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft' wordt uitgegaan van "een aanvraag" die moet "worden ingediend bij het OCMW van de gewoonlijke verblijfplaats van de minderjarige -/-" (artikel 2 van het K.B.; cf. eveneens artikel 4: "Het O.C.M.W. neemt een beslissing ten laatste één maand na ontvangst van de aanvraag"). De voorwaarden voor de toepassing van dit K.B. op de door het O.C.M.W. van Kortrijk getroffen beslissing (de beslissing van 27 juli 2004 om met ingang van 1 augustus 2004 de financiële steunverlening aan appellanten integraal stop te zetten) zijn echter niet vervuld: - er is hier namelijk geen sprake van een "aanvraag", maar wel van een weigeringsbeslissing na een arrest van de Raad van State; - evenmin is het O.C.MW. van Kortrijk het O.C.M.W. van de gewoonlijke verblijfplaats van het betrokken minderjarige kind, dat vanaf zijn geboorte te Sint-Truiden verblijft. Na de weigeringsbeslissing d.d. 27 juli 2004 van het O.C.M.W. van Kortrijk had eventueel door appellanten een nieuwe aanvraag tot steunverlening kunnen worden ingediend, maar dan wel bij het O.C.M.W. te Sint-Truiden. Ook beschouwd in functie van deze reglementering (het K.B. van 24 juni 2004) kan er bijgevolg door het hof aan de zijde van het O.C.M.W. van Kortrijk geen enkele schending of miskenning van de regelgeving worden vastgesteld. De andersluidende argumentatie van appellanten faalt en wordt verworpen.
  21. Kortom: Voor de periode vanaf 1 augustus 2004 tot 14 oktober 2004 moet het O.C.M.W. van Kortrijk niet worden beschouwd als het territoriaal bevoegde O.C.M.W. Het O.C.M.W. van Kortrijk is in deze door appellanten vooropgestelde periode niet gehouden tot enige steunverlening aan appellanten. Het vonnis a quo wordt m.b.t. dit aspect door het hof bevestigd, zij het dan gesteund op gewijzigde overwegingen. V.b. Nopens de door appellanten opzichtens het O.C.M.W. van Sint-Truiden geformuleerde eis inzake maatschappelijke dienstverlening.
  22. Appellanten vorderen vanaf 14 oktober 2004 de door hen beoogde steun (zie hoger, IV.1.) van het O.C.M.W. van Sint-Truiden, nadat dit O.C.M.W. de ingediende aanvraag, in se gericht op het bekomen van financiële steun voor het kind P N, niet inwilligde. Naar het oordeel van het hof kan ook deze vordering van appellanten niet worden gehonoreerd. Het hof licht deze beoordeling nader toe.
  23. De aanvraag van appellanten kadert in het toepassingsveld van de O.C.M.W.-wet (de Organieke Wet van 8 juli 1976). Artikel 1, § 1 van de O.C.M.W.-wet bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening, die tot doel heeft éénieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Artikel 57, § 1 van dezelfde wet bepaalt dat het O.C.M.W. de taak heeft om de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. Dergelijke dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn. Voor illegaal in het Rijk verblijvende vreemdelingen zijn er specifieke bepalingen van toepassing. Artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-wet, zoals van kracht vanaf 10 juli 2004 (wijziging door artikel 483 van de Programmawet van 22 december 2003/ B.S. 31 december 2003) luidt als volgt: lid 1 "In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot: 1( het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2( het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft." lid 2 "In het geval bedoeld in 2(, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning." lid 3 -/- lid 4 " De vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend. -/-". De voorwaarden en modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft, worden verder uitgewerkt in een K.B. van 24 juni 2004 (B.S. van 1 juli 2004). In artikel 4 van dit K.B. wordt bepaald dat het O.C.M.W. zijn beslissing binnen de maand na de aanvraag meedeelt en dat, wanneer de voorwaarden vervuld zijn, het O.C.M.W. de aanvrager meedeelt dat hij zich voor de in artikel 2 bedoelde materiële hulp naar een in overleg met het Agentschap (het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers / Fedasil) bepaald federaal opvangcentrum kan begeven. De concrete feitelijke gegevens van de zaak getoetst in functie van de hogervermelde wettelijke bepalingen, leidt tot de navolgende vaststellingen en conclusies: - vanaf het negatief arrest van de Raad van State van 9 juli 2004 moeten appellanten worden beschouwd als illegaal in het Rijk verblijvend (artikel 57, § 2, lid 4 O.C.M.W.-wet); - voor het minderjarige kind was/is alsdan enkel nog de toekenning van materiële hulp in een federaal opvangcentrum mogelijk (artikel 57, § 2, lid 2 O.C.M.W.-wet); het O.C.M.W. heeft dergelijke materiële steun expliciet aangeboden aan appellanten in de bestreden O.C.M.W.-beslissing, waarin meegedeeld werd "dat de financiële steun aan het minderjarig illegaal kind P N niet wordt toegestaan, doch materiële hulp wordt voorgesteld in het federaal opvangcentrum Sint-Truiden -/-", conform hetgeen in het K.B. van 24 juni 2004 is bepaald. Er kan enkel maar worden besloten dat het O.C.M.W. terzake een correcte (wetsconforme) en rechtmatige beslissing heeft getroffen.
  24. Het hof onderkent hier geen valabele juridische of feitelijke redenen die tot een vernietiging van deze rechtmatig getroffen O.C.M.W.-beslissing zouden kunnen leiden, en/of die ten laste van het O.C.M.W. van Sint-Truiden alsnog aanleiding kunnen geven tot de toekenning van een financiële steun aan appellanten of hun minderjarige kind. Appellanten voeren wel aan dat het vermelde K.B. van 24 juni 2004, getroffen in uitvoering van artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-wet, indruist tegen het belang van het kind en een scheiding tussen ouders en kind organiseert, doordat de materiële hulp georganiseerd wordt in een federaal opvangcentrum en niet in het gezin. Hierdoor zou er volgens appellanten sprake zijn van een strijdigheid van dit K.B. met internationale bepalingen, waaronder artikel 8 E.V.R.M. en de artikelen 2.2, 7.1 en 9.1 van het Kinderrechtenverdrag, in welk geval het arbeidsgerecht in toepassing van artikel 159 van de Grondwet de gewraakte wettelijke regeling buiten toepassing zou moeten verklaren. Het hof volgt deze argumentatie van appellanten niet. Conform de omzendbrief van 16 augustus 2004 van de minister voor maatschappelijke integratie (cf. www.mi-is.be: > thema's > maatschappelijke integratie via OCMW's > recht op maatschappelijke hulp > vreemdelingen > omzendbrief van 16-08-04; cf. eveneens stuk 8 geïntimeerden), blijft in principe de opvang van de ouders samen met hun kinderen in het toegewezen opvangcentrum mogelijk en wordt dergelijke opvang zeker niet van tevoren reeds uitgesloten. Er bestaat volgens het hof geen aanleiding of reden om te twijfelen aan de doelmatigheid van de bepalingen van deze omzendbrief. Niets wijst erop dat Fedisal de toegang tot het opvangcentrum zou weigeren aan ouders, die er zich samen met hun kind zouden aanbieden. Ervan uitgaan - zoals appellanten doen - dat de nieuwe regeling een schending inhoudt van het E.V.R.M. of het Kinderrechtenverdrag doordat er sprake zou zijn van een scheiding tussen ouders en kind, is derhalve een onjuiste premisse die door de praktijk tegengesproken wordt. Appellanten hebben zelf in de procedure ten overstaan van het arbeidsgerecht steeds gestreefd naar de toekenning van uitsluitend materieel-financiële steun die dan in de schoot van het gezin en in de woning van verzoekers zou moeten worden verleend, met expliciete uitsluiting van steunverlening in functie van een eventueel verblijf in een opvangcentrum. Zodoende hebben appellanten zelf een uitvoering en toepassing van de op zich rechtmatige O.C.M.W.-beslissing a priori uitgesloten en verhinderd. De kordate weigering van de hulp en huisvesting in een federaal opvangcentrum schijnt er op te wijzen dat de nood aan hulp niet echt aanwezig was/is en dat het gezin zonder die hulp blijkbaar in de mogelijkheid verkeerde om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. In dergelijke situatie zijn de door appellanten aangevoerde argumenten niet meer dienend, aangezien erdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de vaststelling dat er geen wettelijke bepaling voorhanden is op grond waarvan aan appellanten, illegaal in het Rijk verblijvend, financiële steun voor het minderjarig kind P N zou kunnen worden verstrekt ten laste van het O.C.M.W. van Sint-Truiden. Appellanten zijn dan ook niet gerechtigd op de door hen van het O.C.M.W. van Sint-Truiden gevorderde financiële steun.
  25. Conclusie: De bestreden O.C.M.W.-beslissing is rechtmatig en correct en werd door de eerste rechters in het vonnis a quo terecht bevestigd. Ook m.b.t. dit aspect is bijgevolg de vordering van appellanten en het door hen ingestelde hoger beroep ongegrond. -oOo- O P D I E G R O N D E N, Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, vierde Kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer H. V., substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 12 september
  26. Partijen verklaren geen opmerkingen te hebben betreffende het mondeling advies. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt, zij het gesteund op gedeeltelijk andere overwegingen, het vonnis van de arbeidsrechtbank van Hasselt van 17 juni
  27. Verwijst geïntimeerden, overeenkomstig artikel 1072, lid 2 van het Ger. W., ieder in de helft van de gerechtskosten van huidige beroepsprocedure. Vereffent deze aan de zijde van appellanten op 145,76 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Laat deze onvereffend aan de zijde van geïntimeerden bij gebrek aan een neergelegde kostenopgave. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van tien oktober tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: de heer P. C, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer H. M, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer F. H, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, mevrouw S. W, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061010.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.