← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061025.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061025.13 Rolnummer: 2006-0112 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 14:34 Fiche rtikel 57, § 2 van de OCMW-Wet is niet van toepassing op vreemdelingen, die geen gevolg geven aan een bevel om het grondgebied te verlaten, indien zij om reden onafhankelijk van hun wil verhinderd zijn om naar hun land van herkomst terug te keren. De bewijslast van de overmacht ligt volledig bij degene die zich erop beroept. Zelfs wanneer de betrokken vreemdelingen zouden bewijzen dat zij Roma uit Kosovo zijn, is er van overmacht geen sprake aangezien uit de bijgebrachte stukken blijkt dat zij vrijwillig terug kunnen keren naar dat land. Uitsluitend in het geval van de absolute onmogelijkheid om wegens medische redenen de terugreis naar het land van herkomst aan te vatten is er sprake van medische overmacht. Geen enkele wettelijke bepaling is voorhanden op grond waarvan maatschappelijke dienstverlening aan de minderjarige kinderen van een echtpaar dat illegaal in het land verblijft, verstrekt kan worden ten laste van een OCMW. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Algemeen Vrije woorden: sociale voorzorg - openbare centra voor maatschappelijk welzijn - taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - maatschappelijke dienstverlening - stopzetting - illegaal in het land verblijvende vreemdeling - onmogelijkheid om naar het land van herkomst terug te keren - medische reden - begrip - minderjarige illegaal - uitsluitend materiële hulp in federaal opvangcentrum Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57 § 2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Annotaties Publicaties: SRK 2008, nr. 4, blz. 223-225 - - Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2060112 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak van: de heer N. R. en zijn echtgenote, mevrouw S. R., appellanten, vertegenwoordigd door mr. M. M., advocaat te Brussel, tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANTWERPEN, gevestigd te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 32, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mevrouw A. B., consulent rechten, volmachtdraagster. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 1 maart 2006 en 27 september

  1. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: * het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 25 januari 2006 uitge-sproken door de veertiende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan het echtpaar R. ter kennis gebracht bij gerechtsbrieven op 31 januari 2006; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 13 februari 2006 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 14 februari 2006; * de conclusies voor het echtpaar R., per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit hof op 24 maart
  2. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 27 september
  3. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 13 februari 2006, tekenden N. en S. R. hoger beroep aan tegen een vonnis van 25 januari 2006 (A.R. 380.626) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan N. en S. R. ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrieven op 31 januari
  4. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk.
  5. Feiten en voorafgaande procedure Appellanten houden voor Roma-zigeuners te zijn uit Kosovo. Zij kwamen met hun kinderen naar België op niet gekende datum. Ze ver-klaarden zich vluchteling op 7 november 2000 en werden, in het kader van een harmonieuze spreiding van bepaalde vreemdelingen over de gemeenten, toege-wezen aan de stad Aalst, waar het plaatselijk O.C.M.W. hen financiële steun verleende. Ze vestigden zich echter te Antwerpen. Asiel werd op 8 december 2000 geweigerd door de Dienst Vreemdelingenzaken met het bevel om het grondgebied te verlaten. Het beroep daartegen bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd onontvan-kelijk verklaard op 12 juni 2003 om reden dat N. en S. R. geen enkele medewerking hadden verleend om nadere inlichtingen omtrent hun verzoek te verschaffen en zij op de uitnodiging om te verschijnen niet waren ingegaan. In de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd vermeld dat appellanten terug mochten worden geleid naar de grens van het land dat ze ontvluchtten. Als land hadden appellanten "Joego-slavië" opgegeven. Opnieuw werd bevel gegeven om het grondgebied te verla-ten. De Raad van State bevestigde de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij arrest van 19 november
  6. Vanaf deze datum zette het O.C.M.W. van Aalst de steun stop. Niet betwist wordt dat N. R., S. R. en hun kinderen van dat ogenblik af illegaal in het land verblijven. Op 3 maart 2005 contacteerden N. en S. R. voor het eerst de diensten van het O.C.M.W. van Antwerpen. Er werd geen aanvraag ingediend maar enkel verzocht om medische hulp, die werd toegekend. Uit het sociaal verslag blijkt dat te dier gelegenheid door het O.C.M.W. de nodige informatie werd verstrekt over de hulp die ze eventueel in een opvangcentrum van Fedasil konden krijgen voor hun kinderen. N. en S. R. weigerden op dit aanbod in te gaan. Op 1 juni 2005 dienden ze, per brief, een aanvraag in om steun gelijk aan het leefloon voor een gezin en een toelage gelijk aan de gewaarborgde gezinsbijslag voor drie kinderen. Het bijzonder comité voor sociale bijstand besliste op 13 juni 2005 het equi-valent leefloon te weigeren, met als motivering "Uw verblijfsdocumenten zijn niet geldig." Deze beslissing werd aan N. en S. R. ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven op 24 juni
  7. Hiertegen tekenden N. en S. R. verhaal aan bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 4 juli
  8. In hun vonnis van 25 januari 2006 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk, doch ongegrond. Zij oordeelden dat gebleken was dat N. R. en zijn gezin vrijwillig konden terugkeren naar het land van herkomst, zodat er van overmacht geen sprake kon zijn. N. en S. R. stelden tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 13 februari
  9. Inmiddels vroegen ze op 18 juni 2004 machtiging van verblijf van meer dan drie maanden aan op grond van artikel 9, 3, van de Vreemdelingenwet. Het re-sultaat daarvan is niet geweten.
  10. Eisen in hoger beroep N. en S. R. vorderen het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te hervormen en het O.C.M.W. van Antwerpen te veroordelen tot betaling vanaf 1 juni 2005 van een financiële steun equivalent aan leefloon en aan kinderbijslag voor hun drie minderjarige kinderen, en tot alle door hun gemaakte medische kosten, meer de gerechtelijke intresten op elke verschuldigde maand; in ondergeschikte orde, alvorens recht te doen, een des-kundige - cardioloog - aan te stellen, met als opdracht S. R. te onderzoeken, zijn advies te geven over haar medische toestand en te zeggen of zij in geval van terugkeer naar haar land van oorsprong er zou kunnen genieten van gelijkaardige medische behandeling zoals in België; in dit geval, inmiddels het O.C.M.W. van Antwerpen te veroordelen tot betaling van een maandelijks voorschot gelijk aan het equivalent aan leefloon en kinderbijslag. Het O.C.M.W. van Antwerpen neemt geen geschreven conclusies.
  11. Ten gronde 4.
  12. N. en S. R. beroepen zich op overmacht: als Roma-zigeuners zouden ze onmogelijk kunnen terugkeren naar Kosovo, waar de autoriteiten niet vermogen hun vrijheid en fysieke integriteit te waarborgen. Alle mogelijke en onmogelijke argumenten ten spijt dient het hof vast te stellen dat geenszins is bewezen dat N. en S. R. afkomstig zijn uit Kosovo. Bij hun asielaanvraag gaven ze zelf als nationaliteit deze van Joegoslavië op. Ze ontvingen van de Dienst Vreemdelingenzaken op 8 december 2000 een be-vel om het grondgebied te verlaten naar het land waarvan ze beweerden afkom-stig te zijn. Ze stelden daartegen beroep in bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelin-gen en de staatlozen. N. en S. R. kregen toen volop het recht en de gelegenheid alle mogelijke informatie te verstrekken over de redenen waarom ze om bescherming van de Belgische autoriteiten verzochten, én aan te tonen dat ze specifiek afkomstig waren uit Kosovo, een deelgebied van Servië, waarnaar ze, thans naar eigen zeggen, als Roma-zigeuners op gevaar van hun leven niet kunnen terugkeren. N. en S. R. lieten echter na de noodzakelijke informatie te verschaffen alhoewel hierom bij aangetekende brief werd verzocht. Ze gaven zelfs geen gevolg aan de uitnodiging om te verschijnen voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en lieten zonder verwittiging verstek gaan. Deze gezaghebbende dienst, die met kennis van zake en met de nodige middelen bij uitstek kon oordelen over de rechtmatigheid en de gegrondheid van de asielaanvraag, was derhalve door de nalatigheid van N. en S. R. niet in staat een grondig onderzoek te doen naar de (latere) bewering van het echtpaar R. dat ze van Kosovo afkomstig waren, terwijl ze aanvankelijk zelf opgaven de nationaliteit te bezitten van "Joegoslavië" of "Joegoslavië (Servië-Montenegro)". Ook de Raad van State spreekt in zijn arrest van 19 november 2004, dat het beroep tegen de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevestigt, over de "Joegoslavische nationaliteit" van appellanten. Nu zij deze bevoegde dienst zelf hebben belet een onderzoek te doen naar hun ware landstreek van afkomst, gaat het niet op dat onderzoek naar de arbeidsge-rechten door te schuiven als een zoveelste beroep. De Commissaris-generaal maakte in zijn beslissing uitdrukkelijk melding van het feit dat appellanten konden teruggeleid worden naar de grens van het be-weerde land van herkomst. N. en S. R. hebben ruimschoots gebruik kunnen maken van alle democratische rechten en middelen, ten einde onder toepassing te vallen van het verdrag van Genève. Om redenen die zij alleen kennen hebben ze daar blijkbaar vrijwillig aan verzaakt. Ieder dossier dient apart onderzocht te worden in het kader van zijn eigen spe-cificiteit. Verwijzingen naar andere dossiers die niet gelijkaardig zijn, zijn niet ter zake dienend. In casu worden geen ernstige, originele of door het hof controleerbare bewijzen voorgebracht dat N. en S. R. Roma-zigeuners zijn uit Kosovo. Eigen verklaringen kunnen bezwaarlijk als bewijs worden aangevoerd. Overmacht kan enkel voortvloeien uit een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die de mens niet heeft kunnen voorzien of voorkomen. (Cass. 29 november 1999, J.T.T., 2000, 97). De bewijslast van overmacht ligt volledig bij degene die zich erop beroept. N. en S. R. falen daarin. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 18 december 2000 (www.juridat.be) geoordeeld dat de beperking van artikel 57, §2, van de O.C.M.W.-wet alleen geldt voor vreemdelingen die weigeren gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, maar niet van toepassing is op degenen die om redenen, onafhankelijk van hun wil, verhinderd zijn om naar hun land van herkomst terug te keren; ten aanzien van laatstgenoemden blijft het O.C.M.W. gehouden tot maatschappelijke dienstverlening tot het ogenblik waarop ze in staat zijn het grondgebied effectief te verlaten. N. en S. R. vallen niet onder deze laatste situatie. In de zaak die ter beoordeling aan het Hof van Cassatie werd voorgelegd ging het immers om een persoon die niet kon uitgewezen worden naar Joegoslavië, omdat dit land hem geen toegang wenste te verlenen. Zelfs in de veronderstelling dat N. en S. R. uit Kosovo afkomstig zouden zijn (hetgeen niet bewezen is), dienen ze te worden geacht in de mogelijkheid te zijn vrijwillig naar dat land terug te keren. Uit het schrijven van 23 november 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken - aan wiens competentie ter zake niet hoeft getwijfeld te worden - blijkt dat, wanneer N. en S. R. als Roma-zigeuners vrijwillig wensen terug te keren naar Kosovo, ze in dit land zullen worden toegelaten en een repatriëring georganiseerd kan worden (stuk 7 auditoraatsdossier). Een vrijwillige terugkeer is derhalve mogelijk, zodat van enige overmacht geen sprake kan zijn. Artikel 57, §2, van de O.C.M.W.-wet van 8 juli 1976 is derhalve onverkort van toepassing. 4.
  13. Thans wordt, voor de eerste maal in de procedure, ook overmacht ingeroe-pen op medische gronden, zijnde de ziektetoestand van S. R., waardoor het gezin niet zou kunnen terugkeren naar het beweerde land van herkomst. N. en S. R. beroepen zich op het arrest van 30 juni 1999 van het Arbitragehof ten einde maandelijks een bedrag aan maatschappelijke dienstverlening gelijk aan het bedrag van het leefloon en toelagen voor de kinderen te bekomen. Het arbeidshof is ook hier van mening dat N. R. en zijn gezin wel degelijk onder de bepaling van artikel 57, §2, vallen en dat zij geen aanspraken kunnen maken op enige vorm van maatschappelijke dienstverlening, buiten dringende medische hulp. Het Arbitragehof beschikte immers in zijn arrest nr. 80/99 van 30 juni 1999 dat artikel 57, §2, van de O.C.M.W.-wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre zij van toepassing is op vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend en die, om medische redenen, in de absolute onmogelijkheid zijn om er gevolg aan te geven. Dit betekent dat uitsluitend in het geval dat de betrokken vreemdeling zich om medische redenen in de absolute onmogelijkheid bevindt om de terugreis naar zijn land aan te vatten, en alzo geen gevolg kan geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, artikel 57, §2, niet van toepassing is. Het Arbitragehof stelt nergens dat, in het kader van de al dan niet toepassing van artikel 57, §2, dient te worden onderzocht of de betrokken illegaal in zijn land van herkomst de medische zorg en begeleiding kan genieten zoals die voorhanden is in België. Een deskundig onderzoek in die zin is dan ook niet aan de orde. Appellanten zijn dan ook gehouden onomstotelijk te bewijzen dat S. R. om medische redenen in de absolute onmogelijkheid verkeert om gevolg te geven aan het tot tweemaal toe betekende bevel om het grondgebied te verlaten. Die absolute onmogelijkheid blijkt alvast niet uit geloofwaardige medische at-testen. In de voorgebrachte stukken, die moeten doorgaan voor medische getuigschrif-ten, is nergens sprake van de onmogelijkheid de terugreis aan te vatten naar het land van herkomst. Er dient overigens benadrukt dat deze "attesten" geen en-kele bewijskracht ressorteren: het zijn slechts vage fotokopieën, waarvan de waarachtigheid niet te controleren valt. De gezondheidstoestand van S. R. maakt het haar en haar gezin aldus niet onmogelijk om het land te verlaten. Het gezin R. kan derhalve gevolg geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten. Artikel 57, §2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn is dan ook onverkort van toepassing. (In dezelfde zin: Arbh. Brussel, 16 december 2004, www.juridat.be). Alle andere argumenten zijn ter zake niet dienend, want ze doen aan deze vast-stelling niets af. 4.
  14. Door N. en S. R. wordt in het beschikkend gedeelte van hun hoger beroepschrift en conclusie ook een bedrag gevorderd gelijk aan de ge-waarborgde gezinsbijslag voor drie kinderen, maar ze laten na enige grond te la-ten kennen waarop deze eis is gestoeld. Voor zoveel als nodig verwijst het hof naar artikel 57, §2, van de O.C.M.W.-wet, dat onder zijn punt 2° bepaalt dat de taak van het O.C.M.W. beperkt is tot "het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onder-houdsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de ma-teriële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voor-waarden en modaliteiten bepaald door de Koning." Deze bepaling werd uitgevoerd door het K.B. van 24 juni 2004, dat in werking trad op 10 juli 2004, waarbij het 'Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers' werd opgericht. In dit K.B. worden tevens de voorwaarden ge-steld volgens dewelke de betrokken illegalen hun aanspraken op hun rechten dienen na te streven. Zo wordt bepaald dat de aanvraag dient te gebeuren via het plaatselijke O.C.M.W. Dit centrum hoeft vervolgens enkel te onderzoeken of de jongere jonger is dan 18 jaar, de jongere en de ouders illegaal in het Rijk verblijven, het kind behoeftig is en de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen, dan wel niet kunnen nakomen. Wordt aan alle voorwaarden voldaan, dan zal het O.C.M.W. meedelen naar welk opvangcentrum de jongere zich dient te wenden tot het verkrijgen van de nodige hulp. Conform artikel 2 van dit K.B. dient deze vorm van steun vooraf aangevraagd te worden door de betrokkene(n). Noch appellanten, noch de minderjarige kinderen, noch iemand voor hen, heb-ben zulke aanvraag ingediend. Uit het sociaal verslag blijkt dat de diensten van het O.C.M.W. het echtpaar R. op 3 maart 2005 op de hoogte brachten van de mogelijkheid van steun in een opvangcentrum van Fedasil. Het aanbod werd echter door hen geweigerd, zodat het O.C.M.W. daarom de procedure voorzien in het K.B. van 24 juni 2004 niet kon aanvatten. Het echtpaar R. kan alsdan enkel nog voor de procedure, zoals beschreven in het uitvoeringsbesluit, beroep doen op het O.C.M.W. van Antwerpen, en niet meer voor het verkrijgen van financiële dienstverlening. Appellanten voldoen derhalve niet aan de wettelijke voorwaarden gesteld bij ar-tikel 57, §2, van de O.C.M.W.-wet vanaf 10 juli
  15. Intussen werd de wet trouwens aangepast in die zin dat illegale ouders hun kin-deren kunnen vergezellen in het opvangcentrum. Bij artikel 22 van de wet van 27 december 2005, houdende diverse bepalingen (B.S. 30 december 2005), wordt artikel 57, §2, tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976, betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, vervangen bij de wet van 22 december 2003 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 131/2005 van het Arbitragehof, vervangen als volgt: "In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeen-komstig de voorwaarden en nadere regels bepaald door de Koning. De aanwezigheid in het opvangcentrum van de ouders of van de personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uitoefenen, wordt ge-waarborgd." (Onderlijning door het hof). Thans wordt aldus bij wet gewaarborgd wat reeds voorheen in de omzendbrief van 16 augustus 2004 werd voorzien. Het feit dat appellanten zich sedert het treffen van de bestreden beslissing niet meer op het O.C.M.W. aanboden en geen vraag stelden naar hulp en huisvesting in een federaal opvangcentrum, wijst er alvast op dat de nood van het gezin aan hulp niet echt aanwezig was en dat het gezin zonder die hulp blijkbaar in de mogelijkheid verkeerde om een leven te leiden dat beantwoordde aan de mense-lijke waardigheid. Geen enkele wettelijke bepaling is bijgevolg voorhanden op grond waarvan maatschappelijke dienstverlening (buiten de medische kosten die door het O.C.M.W. werden toegekend) voor de minderjarige kinderen van het echtpaar R., dat illegaal in het Rijk verblijft, verstrekt kan worden ten laste van het O.C.M.W. van Antwerpen. Het hoger beroep is ongegrond. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer J. DEKEERSMAEKER, substituut-generaal, op de openbare terechtzit-ting van 27 september
  16. Mr. M. wordt gehoord in zijn opmerkingen over het advies. Mevrouw B. verklaart geen opmerkingen te hebben over het advies. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van 25 januari 2006 (A.R. 380.626) van de arbeidsrecht-bank te Antwerpen. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het O.C.M.W. van Antwerpen, door het echtpaar R. begroot op 107,09 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, en door het hof vereffend op 107,09 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 145,76 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; de kosten van het O.C.M.W. van Antwerpen worden door het hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op vijfentwintig ok-tober tweeduizend en zes. Het hof bestond uit: mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, de heer R. PEETERS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, mevrouw G. SCHAMPAERT, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061025.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.