id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061026.2 Rolnummer: 2005-0564 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 14:34 Fiche De arbeidsovereenkomst kan wegens medische overmacht worden beëindigd indien bij de werknemer een blijvende arbeidsongeschikt wordt vastgesteld waardoor het voor hem onmogelijk is de bedongen taak, met inbegrip van de overeengekomen arbeidstijd, te hervatten (Cass. 15 februari 1982, R.W. 1982-83, 2209, Cass. 13 februari 1989, J.T.T. 1989, 435; Cass. 2 oktober 2000, Arr. Cass. 2000, 504) Wanneer de werkgever de arbeidsovereenkomst wegens medische overmacht beëindigt en de werknemer vervolgens onmiddellijk aanspraak maakt op werkloosheidsuitkeringen, heeft de gemeenschap het recht een onrechtstreekse controle uit te oefenen op het eventueel oneigenlijk gebruik van het begrip overmacht zoals dit bestaat in de arbeidsovereenkomstenwet. Voor zover dit laatste het geval mocht zijn dient immers aangenomen te worden dat de werkloze vrijwillig zonder arbeid en loon is. In geval van tegenstrijdige standpunten omtrent de medische overmacht op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is het gepast, alvorens ten gronde te oordelen over het vrijwillig of onvrijwillig karakter van de werkloosheid, een deskundige aan te stellen ten einde het Hof advies te verstrekken over het feit of de betrokken werknemer op het ogenblik van deze beëindiging al dan niet definitief arbeidsongeschikt was om de bedongen arbeid verder uit te voeren. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - onvrijwillig werkloos - werkverlating - ontslag ingevolge foutieve houding ontslag wegens medische overmacht - beoordeling. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 51 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN, AFDELING ANTWERPEN ARREST A.R. 2050564 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: B. T., die woonstkeuze doet bij zijn raadsman: geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. R., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 september 2005, 11 mei 2006 en 28 september 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 27 juni 2005 (A.R. 375.887); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 27 juli 2005; - de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 9 maart
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 en 3 dossier arbeidsaudi-toraat Antwerpen). Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 28 september
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 27 juli 2005, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 27 juni 2005 (A.R. 375.887). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 30 juni
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging B. T. was vanaf 11 februari 2003 tot en met 29 september 2004 als technieker (installaties zonnebanken) voltijds tewerkgesteld bij bvba Ergoline Belgium te 2070 Zwijndrecht. Op 17 september 2004 verklaarde de huisarts van B. T. het volgende: "Ondergetekende bevestigt hiermee dat T. B., °20/10/1970 om medische redenen zijn huidig werk niet kan voortzetten. Het hanteren en heffen van dergelijke zware lasten veroorzaakt en verslecht de spierblessure aan de linker arm. Andersoortig werk is om medische redenen aangewezen. (verklaring Dr. Peter Dieleman van 17.9.2004 - stuk 4 administratief dossier). Na overhandiging van dit attest aan zijn werkgever werd met schrijven van 24 september 2004 de arbeidsovereenkomst van B. T. opgezegd met ingang vanaf 1 oktober 2004, aangezien zijn werkgever geen aangepast werk voor hem had (stuk 5, 6 en 9 administratief dossier). Met een werkloosheidsbewijs C4 diende B. T. bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een aanvraag in tot het bekomen van werkloosheidsuit-keringen vanaf 18 oktober
- Op 10 november 2004 werd B. T. onderzocht door een door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aangewezen erkende geneesheer welke tot het volgende besluit kwam : Betrokkene was eerder tewerkgesteld als technisch bediende bij een firma van betaalautomaten en als electromechanieker (opleiding A2 electronica). Hij was bij Ergoline actief als plaatser van zonnebanken en vervangen van zonnebanklampen van 11/02/03 tem 29/09/
- Vanaf 08/06/04 tem 17/10/04 stond hij op mutualiteit wegens een 'overbelasting van zijn linkerarm', waarbij de diagnose gesteld werd van 'BEPERKTE tendinopathie van de M.add.pol.longus'. Hij kreeg hiervoor pijnstillers. Een radiografie dd. 10/09/2004 bevestigde deze diagnose. Op te merken valt dat betrokkene wel RECHTSHANDIG is, wat de beperkte tendinopathie LINKS nog minder relevant maakt. Bij het klinisch onderzoek merkt men een lichte tot minimale drukpijn thv de linker pols op evenwel zonder krachts- of bewegingsbeperking. De rechter bovenste lidmaat is perfect normaal. Mijn besluit is dat een overbelasting van de linker arm kan voorkomen, doch bij een rechtshandige kan dit GEEN aanleiding zijn tot een medische overmacht. Ik heb dan ook besloten dat betrokkene geschikt is voor het aangeboden werk en derhalve het werk verlaten heeft om lichtvaardige medische redenen, zeker wanneer het gaat om een BEPERKTE tendinopathie die nog naar genezing kan evolueren." (Medisch verslag 11.3.2005 van Dr. M. Vervaeke - administratief dossier). Met aangetekend schrijven van 28 december 2004 werd B. T. door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening uitgenodigd om hem de mogelijkheid te geven uitleg te verschaffen omtrent het feit dat hij zijn werk op 29 september 2004 bij bvba Ergoline Belgium te Zwijndrecht verliet omwille van medische redenen en geschikt werd bevonden door de R.V.A.-geneesheer, en tevens om zijn beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt na te gaan. Tijdens het verhoor van 11 januari 2005 legde B. T. volgende verklaring af (stuk 12 administratief dossier: formulier C 25.2) : "Op 11/2/03 ben ik als technieker beginnen werken voor rekening van Ergoline Belgium bvba te Zwijndrecht. Op 8/6/04 ben ik thuis gebleven ingevolge een blessure aan de linkerpols. Noch mijn huisarts, dokter Dieleman noch de adviseur van de ziekenkas vonden dat ik het werk bij Ergoline mocht hervatten. Ik heb dan een doktersattest van dokter Dieleman overhandigd aan de werkgever (attest dd. 17/9/04). Ik heb geen navraag gedaan bij de werkgever of er een arbeidsgeneesheer was en werd derhalve ook niet door hem onderzocht. Ik werd er van ingelicht dat ik door het overhandigen van het doktersattest aan mijn werkgever in feite zelf mijn ontslag gaf. Tevens werd mij medegedeeld dat de RVA dokter mij geschikt vond voor het werk als technieker bij Ergoline verder uit te voeren. Ik solliciteerde reeds bij Maar Services België NV, bij Aquafin NV, bij Atlas Copco (bewijzen voorgelegd). Ik solliciteerde voornamelijk telefonisch en via email. Persoonlijk bood ik me nergens aan. Ik schreef me in bij Vedior, Randstad, Atol. Tot op heden zonder resultaat." De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen besliste vervolgens op 14 januari 2005, - in toepassing van de artikelen 51, 52bis, 53, 53bis, 141, 142, 144 en 146 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsre-glementering alsook de artikelen 22 tot 33 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregels van de werkloosheidsre-glementering - B. T. uit te sluiten van het genot van uitkeringen vanaf 17 januari 2005 gedurende een periode van 13 weken omdat hij een passende dienstbetrekking heeft verlaten (artikelen 51 en 52bis Werkloosheidsbesluit). De directeur nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 14 administratief dossier): "De reglementering voorziet dat de werknemer die zonder wettige reden een passende dienstbetrekking verlaat, beschouwd wordt als iemand die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil (artikel 51). Hij kan uitgesloten worden van het genot van uitkeringen gedurende ten minste 4 en ten hoogste 52 weken (artikel 52bis, ,§1, 1°) De directeur kan zich beperken tot het geven van een verwittiging of de uitsluitingsbeslissing gepaard laten gaan met een geheel of gedeeltelijk uitstel indien in de voorafgaande twee jaar geen gebeurtenis heeft plaatsgevonden die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een uitsluiting op grond van artikel 52 of 52bis (artikel 53bis). U heeft uitkeringen gevraagd vanaf 18.10.2004 nadat u op 29.09.2004 de dienstbetrekking van technieker, die u uitoefende bij Ergoline. Belgium, had verlaten. U bewijst niet dat het om een niet passende dienstbetrekking gaat volgens de criteria van de passende dienstbetrekking vastgelegd in de artikelen 22 tot 32 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering. Uit de gegevens in ons bezit blijkt dat deze werkverlating plaatsvond zonder wettige reden. Inderdaad, op 29.09.2004 werd uw arbeidsovereenkomst bij Ergoline Belgium BVBA te Zwijndrecht beëindigd aangezien u aan uw werkgever een doktersattest bezorgde waarin gesteld wordt dat u het werk als technieker niet meer kon uitoefenen. Om deze verlating te rechtvaardigen, hebt u uw medische ongeschiktheid ingeroepen voor deze dienstbetrekking. U hebt zich op 10.12.2004 aangemeld bij een erkend geneesheer van de R.V.A. Deze geneesheer heeft u geschikt bevonden voor het uitoefenen van deze dienstbetrekking. Bijgevolg heeft u de dienstbetrekking zonder wettige reden verlaten (artikel 33 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering). U kunt dus worden uitgesloten overeenkomstig het voornoemde artikel 52bis. U bent bijgevolg werkloos geworden wegens omstandigheden afhankelijk van uw wil. Het aantal weken uitsluiting werd bepaald op 13 weken, gelet op het feit dat u zonder wettige redenen het werk verliet, rekening houdend met het medisch onderzoek d.d. 10.12.
- Om dezelfde reden(en) beperk ik mij niet tot het geven van een verwittiging (art. 53bis, ,§1, lid 1) en laat ik de uitsluitingsbeslissing niet gepaard gaan met een geheel of gedeeltelijk uitstel (art. 53bis, ,§2, lid 1). In uw geval gaat de uitsluiting pas in vanaf 17.01.2005, dit is de maandag die volgt op de afgifte ter post van deze beslissing. Inderdaad, deze beslissing wordt genomen buiten de termijn van één maand en 10 dagen, die aanvangt de dag volgend op de dag waarop het werkloosheidsbureau uw volledig dossier heeft ontvangen (artikel 53, 2de lid)." Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 2 februari 2005 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 3 februari 2005, tekende B. T. beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing van 14 januari 2005, ref. C29/71122/51A/TF. Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 27 juni 2005 werd: - de vordering van B. T. ontvankelijk en gegrond verklaard; - de administratieve beslissing van 14 januari 2005 vernietigd; - voor recht gezegd dat B. T. vanaf 17 januari 2005 verder gerechtigd is op werkloosheidsuitkeringen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld om de achterstallige werkloosheidsuitkeringen te betalen inzoverre B. T. voldoet aan alle andere toelaatbaarheids- en vergoedbaarheidsvoorwaarden; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bij toepassing van artikel 1017, tweede lid Ger. W. veroordeeld tot de kosten van het geding, aan de zijde van B. T. begroot op 4,50 euro aantekenrecht en op 107,09 euro rechtsplegingsvergoeding.
- Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis te vernietigen en de administratieve beslissing te bevestigen. B. T. (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep als onontvankelijk, minstens als ongegrond af te wijzen; - het vonnis a quo te bevestigen; - uiterst ondergeschikt alleszins de beslissing a quo niet te bevestigen doch een aangepaste (mildere) uitsluiting te voorzien, zoals een verwittiging, een uitsluiting, of maximaal een effectieve uitsluiting voor 4 weken; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van B. T. begroot op 142,46 euro rechtsplegingsvergoeding, bedrag aan te passen aan de wettelijke verhogingen.
- Ten gronde Om aanspraak te kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen moet de werkloze, overeenkomstig artikel 44 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit), wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Overeenkomstig artikel 51, ,§1, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit kan de werknemer die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 52 tot
- Onder werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer wordt (onder meer) verstaan het verlaten van een passende dienstbetrekking zonder wettige reden of een ontslag dat het redelijk gevolg is van een foutieve houding (artikel 51, ,§1, tweede lid, 1° en 2° Werkloosheidsbesluit). Men spreekt van een werkverlating indien de arbeidsovereenkomst, in het kader waarvan het verlaten werk uitgeoefend werd, op initiatief van de werknemer beëindigd werd, dit in tegenstelling met een ontslag waar het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitgaat van de werkgever. Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt: - dat B. T. vanaf 11 februari 2003 als technieker voltijds in dienst was van bvba Ergoline; zijn taak bestond uit levering en plaatsing van zonnebanken en zonnebanklampen; - dat B. T., tijdens een periode van erkende arbeidsongeschiktheid, een medisch attest overhandigde aan de werkgever waarbij de behandelend geneesheer attesteerde dat hij om medische redenen zijn werk niet kan voortzetten; na ontvangst van het medisch attest van Dr. Peter Dieleman werd de arbeidsovereenkomst door de werkgever met een schrijven van 24 september 2004 beëindigd met ingang van 1 oktober 2004 (stuk 5 administratief dossier); - dat B. T., via zijn uitbetalingsinstelling ACV-dienstencentrum, op 27 oktober 2004 een aanvraag heeft ingediend bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot het bekomen van werkloosheidsuitkeringen vanaf 18 oktober 2004 (stuk 3 administratief dossier: formulier C4 van 6 oktober 2004); - dat op het formulier C4 als juiste oorzaak van de werkloosheid wordt vermeld: ziekte/ medische redenen (stuk 3 administratief dossier: formulier C4 van 6 oktober 2004). De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening heeft dienvolgens in de bestreden administratieve beslissing ten onrechte de beëindiging van de arbeidsovereen-komst gekwalificeerd als een 'werkverlating van een passende dienstbetrek-king zonder wettige reden' daar waar de arbeidsovereenkomst beëindigd werd door de werkgever op basis van medische overmacht. Voormelde vaststelling heeft niet automatisch tot gevolg dat B. T. vanaf 18 oktober 2004 recht heeft op werkloosheidsuitkeringen. De rechter oefent een toetsing met volle rechtsmacht uit op de beslissing van de directeur en hij is verplicht op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen feiten, zonder het voorwerp noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregels toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of ze zal afwijzen (Cass. 15 januari 1996, JTT 1996, 105). Alles wat onder de beoordelingbevoegdheid van de directeur van het werkloosheidsbureau valt, valt onder de controle van de arbeidsrechtbank; het komt aan de rechter toe de aangevochten beslissing op haar wettigheid te toetsen, wat hem in staat stelt in de beoordeling van de feiten te treden en uitspraak te doen over het recht van appellant. Gelet op de uitkeringsaanvraag van 6 oktober 2004 dient het hof te onderzoeken of betrokkene voldoet aan de toekenningsvoorwaarden zoals opgesomd in hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Het hof stelt vast dat in huidig geschil de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd ingevolge medische overmacht en het niet voorhanden zijn van aangepast werk. Sinds het cassatiearrest van 5 januari 1981 (Cass., 5 januari 1981, R.W. 1980-81, 2401) is de definitieve arbeidsongeschiktheid voor de overeengekomen taak als gemeenrechtelijke beëindigingsgrond van de arbeidsovereenkomst aanvaard. De rechtspraak vestigt er daarbij terecht de aandacht op dat de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, ook al is deze van zeer lange duur, geen geval van overmacht is dat de arbeidsovereenkomst vermag te beëindigen; wel is een blijvende arbeidsongeschiktheid waardoor het de werknemer definitief onmogelijk is de bedongen taak, met inbegrip van de overeengekomen arbeidstijd, te hervatten, een geval van overmacht waardoor de arbeidsovereenkomst een einde neemt (Cass., 15 februari 1982, R.W. 1982-83, 2209; Cass., 13 februari 1989, J.T.T. 1989, 435; Cass., 2 oktober 2000, Arr. Cass. 2000, 504; Arbh. Antwerpen, 16 februari 1981, T.S.R., 1981, 216, Soc. Kron., 1981, 106; Arbh. Bergen, 18 maart 1982, J.T.T., 1983, 230). De werknemer heeft ingeval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingevolge overmacht geen recht op een opzeggingsvergoeding zodat hij onmiddellijk aanspraak kan laten gelden op werkloosheidsuitkeringen. Aangezien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht, sociaalrechtelijke gevolgen heeft indien een vervangingsinkomen wordt gevraagd via het stelsel van de werkloosheid, heeft de gemeenschap het recht een onrechtstreekse controle uit te oefenen teneinde zich te kunnen verweren tegen een oneigenlijk gebruik van het begrip overmacht zoals dit bestaat in de arbeidsovereenkomstenwet, en dit op het ogenblik dat zij de aanspraken van de gerechtigde dient te onderzoeken. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening argumenteert dat geïntimeerde vrijwillig zonder arbeid en zonder loon is aangezien de werkgever in deze oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van het begrip 'overmacht' hetgeen moet blijken uit: - het aangewende medische attest van Dr. Peter Dieleman van 17 september 2004 waarin geen definitieve arbeidsongeschiktheid wordt weerhouden; - het medisch onderzoek uitgevoerd op 10 december 2004 waarbij de door Rijksdienst erkende geneesheer, met name Dr. M. Vervaeke, tot het besluit komt dat B. T. niet definitief ongeschikt is om zijn betrekking als technieker uit te oefenen. B. T. daarentegen houdt voor dat hij wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon is en verwijst hiervoor naar: - medische verslag van zijn behandelend huisarts Dr. Peter Dieleman van 17 september 2004 (stuk 4 administratief dossier: verklaring Dr. Peter Dieleman van 17.9.2004); - de verklaring van lichamelijke geschiktheid waaruit blijkt dat hij van 22 juni 2004 tot en met 17 oktober 2004 gedurende 101 dagen ziektevergoedingen heeft ontvangen van zijn ziekenfonds (stuk 7 administratief dossier: verklaring lichamelijke geschiktheid). Gelet op de tegenstrijdige medische standpunten - enerzijds van de raadgevend geneesheer van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en anderzijds de behandelende geneesheer van B. T. - komt het gepast voor, alvorens ten gronde te oordelen over het vrijwillig of onvrijwillig karakter van de werkloosheid, een geneesheer-deskundige aan te stellen met als opdracht te onderzoeken of B. T. op 1 oktober 2004 al dan niet om medische redenen definitief arbeidsongeschikt was om zijn voltijdse betrekking als technieker (levering en installaties van zonnebanken en zonnebanklampen) bij bvba Ergoline Belgium, Krijgsbaan 76 te 2070 Zwijndrecht, uit te oefenen. Ter beantwoording van deze vraag dient de deskundige de nodige inlichtingen in te winnen omtrent de taakinhoud en de omstandigheden waarin het werk werd uitgevoerd; immers, ter beoordeling of de blijvende arbeidsongeschiktheid van de werknemer een geval van overmacht is waardoor de arbeidsovereenkomst een einde neemt, mag de rechter geen andere dan de bedongen arbeid, met inbegrip van de overeengekomen arbeidstijd, in aanmerking nemen (Cass. 1 juni 1987, Arr. Cass. 1986, 1335). OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 28 september
- De raadsman van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd gehoord in zijn opmerkingen over het advies. Raadsman van B. T. verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Alvorens ten gronde te oordelen, beveelt een deskundig geneeskundig onderzoek. Gelast Dr. P. Van Wellen (orthopedist), wonend te 2950 Kapellen, Hoevensebaan 202, bus 5, om dit onderzoek uit te voeren volgens de voorschriften van de artikelen 962 tot en met 991 van het Gerechtelijk Wetboek. Binnen de acht dagen na de ontvangst van dit arrest, dat hem door de griffier is toegezonden op verzoek van één der partijen, geeft de deskundige aan het hof, aan de partijen en aan hun (technische) raadslieden per brief kennis van de plaats en van de dag en het uur waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten. Verzoekt de deskundige, na eerst kennis te hebben genomen van alle informatie en van alle stukken die de partijen en/of hun raadslieden hem aanbrengen, en na B. T. eerst te hebben onderzocht, zijn advies te geven over de volgende vraag: "Was B. T. op 1 oktober 2004 al dan niet om medische redenen definitief arbeidsongeschikt om zijn voltijdse betrekking als technieker levering en installaties van zonnebanken en zonnebanklampen uit te oefenen bij bvba Ergoline Belgium, Krijgsbaan 76, 2070 Zwijndrecht?" Ter beantwoording van deze vraag dient de deskundige de nodige inlichtingen in te winnen omtrent de taakinhoud en de omstandigheden waarin het werk werd uitgevoerd. Verzoekt de deskundige te antwoorden op alle dienstige vragen van de partijen en van hun raadslieden. De deskundige wordt gemachtigd zich te laten bijstaan door andere specialisten. Na afloop van zijn onderzoek schrijft de deskundige zijn bevindingen én een ontwerp van zijn advies neer in een verslag, dat hij eerst aan de partijen en/of hun raadslieden toezendt voor eventuele opmerkingen. Na de opmerkingen van de partijen en/of hun raadslieden te hebben genoteerd en na ze te hebben beantwoord, legt de deskundige zijn definitief verslag mét advies neer ter griffie van dit Hof en dit uiterlijk binnen de vier maanden na de aanvaarding van zijn opdracht. Hij ondertekent dit verslag, voorziet het van de schriftelijke en door de wet vereiste eedformule en hij voegt zijn staat van kosten en erelonen bij, opgesteld overeenkomstig de tarieven zoals vastgesteld in het Koninklijk Besluit van 14 november
- Hij geeft van dit definitief verslag tenslotte kennis aan de partijen en/of hun raadslieden. In afwachting van de neerlegging van dit definitief verslag verwijst het hof de zaak naar de bijzondere rol en houdt de beslissing over de kosten aan. Uitgesproken in openbare terechtzitting op zesentwintig oktober tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061026.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div