id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061026.3 Rolnummer: 2002-0427 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 14:35 Fiches 1 - 3 Het gezag van het rechterlijk gewijsde geldt enkel voor wat zeker en noodzakelijk is beslist in het vonnis waarvan het gezag wordt aangevoerd. Het gezag van het rechterlijk gewijsde van het vonnis dat uitspraak doet over het verhaal ingesteld tegen de administratieve beslissing waarbij betrokkene wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen voor een bepaalde periode, een administratieve sanctie wordt opgelegd en de terugvordering wordt bevolen, mits het weerhouden van arglist, van de ten onrechte ontvangen uitkeringen, belet niet dat in een daaropvolgende procedure aanhangig gemaakt met betrekking tot de terugvordering geoordeeld zou worden over de becijfering van het terug te betalen bedrag, noch over de eventuele verjaring van deze vordering. De verjaringstermijn voorzien in artikel 7, ,§13, tweede lid van de Besluitwet van 28 december 1944 loopt uitsluitend naar aanleiding of ten aanzien van de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau waarbij de terugvordering van de onrechtmatig genoten en onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen bevolen wordt, terwijl de omstandigheid dat die beslissing het bedrag van die uitkeringen niet vermeldt, daaraan geen afbreuk doet (Cass., 30/01/1995, J.T.T. 1995, 317, noot; R.W. 1995-96, 394; Arr. Cass. 1995, 103). Vanaf deze beslissing is er geen nieuwe verjaringstermijn gelijk aan deze voorzien in voornoemde wetsbepaling van toepassing. Slechts na het definitief worden van de einduitspraak over het verhaal dat tegen deze administratieve beslissing werd ingesteld door de werkloze begint er een nieuwe verjaringstermijn, meer in het bijzonder de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van artikel 2262bis B.W., van 10 jaar te lopen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK gezag van rechterlijke gewijsde - toepassing. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT BURGERLIJK RECHT - BURGERLIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK werkloosheid - terugvordering uitkeringen - verjaring. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2262bis - 35 ELI link Pub nr 1804032155 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Verjaring Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID terugvordering van uitkeringen - verjaring. Wettelijke bepalingen: Besluitwet - 28-12-1944 - 7§13 - 01 ELI link Pub nr 1944122850 Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 169 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 23, onder I B - artikel 2262bis en onder V AN - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2009 - nr. 3 - - blz. 149 - blz. 150 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN, AFDELING ANTWERPEN ARREST A.R. 2020427 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: Y. V., appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. I. D., loco mr. L. E., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 4 september 2002, 27 april 2006, 22 juni 2006 en 14 september 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 juni 2002 (A.R. 341.587); - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 9 juli 2002; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 12 februari 2003; - de conclusies voor appellante, neergelegd op de griffie van dit hof op 7 maart 2006; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 14 september 2006, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 14 september
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 februari 2001 - nr. 39 AGA 98 - (stuk 2 en 6 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen). Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 22 juni
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 14 september 2006 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 9 juli 2002, tekende Y. V. hoger beroep aan tegen een vonnis dat door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen werd uitgesproken op 20 juni 2002 (A.R. 341.587). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 24 juni
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen besliste op 12 februari 1996, - in toepassing van de artikelen 44, 45, 46, 48, 139, 142, 143, 144, 146, 153, 154, 157, 158, 159, 169 en 175 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en in toepassing van artikel 7, ,§13 van de Besluitwet van 28 december 1944 - : - Y. V. vanaf 6 oktober 1992 tot en met 6 december 1993 uit te sluiten van het recht op uitkeringen (artikel 45), - Y. V. vanaf 15 december 1993 uit te sluiten van het recht op uitkeringen (artikel 44); - Y. V. vanaf 19 februari 1996 voor een periode van 26 weken uit te sluiten van het recht op uitkeringen (13 weken in toepassing van artikel 153 + 13 weken in toepassing van artikel 154); - het dossier voor gevolggeving over te maken aan de arbeidsauditeur (artikel 175); - de eventueel ten onrechte genoten uitkeringen terug te vorderen (artikel 169); - ingevolge arglist de terugvordering uit te breiden en de ten onrechte genoten uitkeringen terug te vorderen voor de periode vanaf 6 oktober 1992 tot en met 6 december 1993 en vanaf 15 december 1993 tot en met 31 juli 1995 (artikel 13 Besluitwet); - het bedrag en de wijze van terugbetaling later mede te delen. De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeids-voorziening te Antwerpen nam deze beslissing op grond van volgende motivering (stuk 15 administratief dossier - bundel auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen): "Wat de grond van de zaak betreft U maakte tijdens de periode van 13.05.92 tot en met 31.07.95 aanspraak op werkloosheidsuitkeringen. De werknemer heeft recht op werkloosheidsuitkeringen wanneer hij gedurende zijn werkloosheid geen arbeid verricht voor zichzelf die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten, tenzij die arbeid zich beperkt tot het gewone beheer van eigen bezit (artikel 45 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). U werkte tijdens uw werkloosheid voor eigen rekening. Uit de vaststellingen van de controledienst van de R.V.A. is gebleken dat u in de periode van 06.10.92 tot en met 06.12.93 niet-statutair zaakvoerster was van de B.V.B.A. Park Immo. Deze activiteit is ingeschakeld in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten. Bovendien gaat het niet om het gewone beheer van eigen bezit. U voldoet dus vanaf 06.10.92 tot en met 06.12.93 niet aan de bovenvermelde voorwaarden van artikel 45 van het koninklijk besluit van 25 november
- Uit de controle is verder gebleken dat u vanaf 15.12.93 deeltijdse prestaties verricht voor B.V.B.A. Park Immo. Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn (art. 44 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). Ingevolge uw tewerkstelling bij B.V.B.A. Park Immo hebt u recht op loon vanaf 15.12.
- U voldoet dus niet aan de hiervoor vermelde vereiste van art. 44 van het bovenvermeld K.B. Wat de administratieve sanctie in de zin van artikel 153 van het bovenvermeld K.B. Betreft U deed geen aangifte van uw activiteiten. De werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen doordat hij een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd of een verplichte verklaring niet of te laat heeft afgelegd, wordt van het genot van de uitkeringen uitgesloten gedurende ten minste één week en ten hoogste dertien weken (art. 153, eerste lid van het bovenvermeld K.B.) Wat de administratieve sanctie in de zin van artikel 154 van het bovenvermeld K.B. betreft Aangezien er is vastgesteld dat u van 06.10.92 tot en met 06.12.93 een activiteit verrichtte voor eigen rekening die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit; dat u vanaf 15.12.93 een activiteit verricht voor een derde, waarvoor u een loon of materieel voordeel ontvangt dat tot uw levensonderhoud of dat van uw gezin kan bijdragen, wordt u geacht arbeid te hebben verricht in de zin van artikel 45 van het bovenvermeld K.B. Voor de aanvang van de activiteit bedoeld in artikel 45, moest u hiervan met onuitwisbare inkt melding maken op uw controlekaart (art. 71, eerste lid, 4° van het bovenvermeld K.B.). U hebt dit niet gedaan en zou dus d.m.v. uw controlekaart voor de betreffende arbeidsperiode ten onrechte uitkeringen kunnen ontvangen. De werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft verkregen of kan ontvangen doordat hij zich niet heeft gedragen naar de bepalingen van artikel 71, eerste lid, 3° of 4° van het bovenvermeld K.B., wordt van het genot van de uitkeringen uitgesloten gedurende ten minste 4 en ten hoogste 26 weken (art. 154, eerste lid, 1° van het bovenvermeld K.B.). Wat het strafrechtelijk aspect van de door u begane overtreding betreft De werkloze bedoeld in artikel 154, die gehandeld heeft met bedrieglijk inzicht, kan strafrechtelijk vervolgd worden (art. 175, ,§1, 2° van het bovenvermeld K.B.). Daarom wordt uw dossier overgemaakt aan de Arbeidsauditeur. Wat de terugvordering betreft Elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald (art. 169, eerste lid van het bovenvermeld K.B.). Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde uitkeringen te bevelen verjaart na vijf jaar wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze. Deze verjaringstermijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling werd gedaan (art. 7, ,§13, tweede en derde lid van de Besluitwet van 28 december 1944). Aangezien het feit dat de uitkeringen onrechtmatig verkregen werden als gevolg van bedrieglijk inzicht, is de arglist in uw hoofde bewezen en dienen de ten onrechte genoten uitkeringen teruggevorderd te worden van 06.10.92 tot en met 06.12.93 en van 15.12.93 tot en met 31.07.95." Y. V. diende tegen voornoemde beslissing verhaal in bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen met verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 27 februari 1996 en ingeschreven in de algemene rol onder nummer 271.
- Bij vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 6 september 2001 werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 12 februari 1996 bevestigd. Met schrijven van 22 november 2001 betekende de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen, in uitvoering van het vonnis van de arbeidsrechtbank van 6 september 2001, een beslissing tot terugvordering met verzoek de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 6 oktober 1992 tot en met 31 juli 1995 ten bedrage van 660.184 frank (16.365,53 euro) terug te betalen (stuk 19 administratief dossier: terugvordering C31). Y. V. diende tegen voornoemde beslissing tot terugvordering verhaal in bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen met verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 12 december 2001 en ingeschreven in de algemene rol onder nummer 341.
- Bij vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 juni 2002 werd: - de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van Y. V. vereffend op 100,40 euro rechtsplegingsvergoeding; aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave werd ingediend. Met verzoekschrift, ontvangen op de griffie van dit hof op 9 juli 2002, tekende Y. V. hoger beroep aan tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 juni
- Eisen in hoger beroep Y. V. (appellante) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw recht doende: x de oorspronkelijke vordering van de Rijksdienst voor Arbeids-voorziening tot terugbetaling van onverschuldigde uitkeringen t.b.v. 16.365,53 euro (660.184 BEF), gesteld met aangevochten administratieve beslissing van 22 november 2001, verjaard te verklaren en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ervan af te wijzen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, aan haar zijde begroot op 100,40 euro rechtsplegings-vergoeding eerste aanleg, op 59,47 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en op 142,80 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, eventueel aan te passen aan het indexcijfer op het ogenblik van de uitspraak. Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - bijgevolg het vonnis a quo te bevestigen; - over de kosten te oordelen als naar recht.
- Ten gronde 5.
- Het gezag van gewijsde Appellante laat gelden dat er geen toepassing kan gemaakt worden van de exceptie van het rechterlijk gewijsde omdat huidige vordering verschillend is van de gevorderde zaak waarover de arbeidsrechtbank uitspraak deed bij vonnis van 6 september
- Overeenkomstig artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek strekt het gezag van rechterlijk gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is. Bovendien geldt het gezag van gewijsde enkel voor wat zeker en noodzakelijk is beslist in het vonnis waarvan het gezag wordt ingeroepen. Noodzakelijk betekent dat de overweging van het betrokken vonnis de grondslag uitmaakt voor hetgeen beslist wordt door het vonnis in het beschikkend gedeelte. Het hof stelt vast:
- Het voorwerp van huidige geschil, waarover de arbeidsrechtbank uitspraak deed bij vonnis van 20 juni 2002, is verschillend van het voorwerp van het geschil waarover de arbeidsrechtbank uitspraak deed bij vonnis van 6 september
- Het voorwerp van het geschil waarover de arbeidsrechtbank uitspraak deed bij vonnis van 6 september 2001 betrof een beroep van appellante tegen de administratieve beslissing van 12 februari 1996 van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen. Bij deze beslissing werd appellante uitgesloten van het recht op de werkloosheidsuitkeringen in de periodes van 6 oktober 1992 tot en met 6 december 1993 en van 15 december 1993 tot en met 31 juli 1995 omdat zij niet voldeed aan de toekenningsvoorwaarden voorzien in de artikelen 44 en 45 van het Werkloosheidsbesluit. Naast deze uitsluiting en het opleggen van administratieve sancties werden tevens de ten onrechte genoten uitkeringen teruggevorderd; ingevolge arglist werd de terugvordering uitgebreid en de ten onrechte genoten uitkeringen teruggevorderd voor de periode vanaf 6 oktober 1992 tot en met 6 december 1993 en vanaf 15 december 1993 tot en met 31 juli
- Het voorwerp van huidig geschil, waarover de arbeidsrechtbank uitspraak deed bij vonnis van 20 juni 2002, betreft een beroep van appellante tegen een beslissing van 22 november 2001 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen waarbij de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 6 oktober 1992 tot en met 31 juli 1995 ten bedrage van 660.184 frank (16.365,53 euro) worden teruggevorderd. 2) Bij vonnis van 6 september 2001 werd de administratieve beslissing van 12 februari 1996 bevestigd zodat het gezag van rechterlijk gewijsde zich uitstrekt tot de uitsluiting, de oplegging van administratieve sancties en de terugvordering van de ten onrechte genoten uitkeringen over de periode vanaf 6 oktober 1992 tot en met 6 december 1993 en vanaf 15 december 1993 tot en met 31 juli
- De overweging in het vonnis van 6 september 2001 dat "de loop van de procedure elke verjaring schorst" heeft geen gezag van gewijsde vermits deze overweging geen betrekking heeft op iets dat zeker en noodzakelijk werd beslist in het vonnis van 6 september
- Appellante kan bijgevolg in huidige procedure zowel de becijfering van de terugvordering nog betwisten als een middel van verjaring inroepen. 5.
- Verjaring Appellante laat gelden dat de terugvordering verjaard is overeenkomstig artikel 7, ,§13 van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders: de verjaring werd gestuit met aangetekende brief waarmee de administratieve beslissing van 12 februari 1996 aan appellante ter kennis werd gebracht zodat een nieuwe verjaringstermijn van 5 jaar begon te lopen; vermits geïntimeerde tussen 12 februari 1996 en 12 februari 2001 geen nieuwe stuitingsdaad heeft gesteld is de terugvorderingbeslissing van 22 november 2001 verjaard. Volgens geïntimeerde is de terugvorderingbeslissing (C31), die een uitvoering is van de administratieve beslissing van 12 februari 1996 van de directeur van het werkloosheidsbureau, niet onderworpen aan de bepalingen van artikel 7, ,§13 van de Besluitwet van 20 december 1944 maar wel aan de gemeenrechtelijke verjaringsregels. In toepassing van artikel 7, ,§13 van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verjaart het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen na drie jaar. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog. De verjaringstermijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling werd gedaan. Het onderscheid tussen de principiële beslissing van 12 februari 1996 (C29) en de beslissing van 22 november 2001 waarin het bedrag van de terugvordering ter kennis wordt gebracht van appelante (C31) is niet relevant voor de toepassing van de verjaringstermijnen van artikel 7, ,§13, tweede lid van de Besluitwet van 28 december
- Volgens het Hof van Cassatie volgt uit de bepaling van artikel 7, ,§13, tweede lid van de Besluitwet van 28 december 1944 dat de daarin bedoelde verjaringstermijn slechts loopt naar aanleiding of ten aanzien van de beslissing van de directeur waarbij de terugvordering van de onrechtmatig genoten en onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen bevolen wordt; de omstandigheid dat die beslissing het bedrag van die uitkeringen niet vermeldt, doet daaraan geen afbreuk (Cass., 30 januari 1995, Arr. Cass. 1995, 103). Aangezien bij beslissing van 12 februari 1996 (C29) de terugvordering bevolen wordt is de terugvordering van de ten onrechte genoten uitkeringen voor de periode vanaf 6 oktober 1992 tot en met 6 december 1993 en vanaf 15 december 1993 tot en met 31 juli 1995, gelet op de bewezen en weerhouden arglist, geenszins verjaard. Door tijdig een beslissing te nemen heeft geïntimeerde het nadelige effect van de verjaring van zijn terugvordering afgewend. Vanaf de administratieve beslissing van 12 februari 1996 (C29), die constitutief is voor het onverschuldigd karakter van de betaling van de werkloosheidsuitkeringen aan appellante, begint er geen nieuwe gelijksoortige verjaringstermijn ten nadele van geïntimeerde te lopen. Door deel te nemen aan de openbare macht geniet de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening het privilège du préalable, dit wil zeggen de bevoegdheid om een uitvoerbare titel op te maken zonder zich voorafgaandelijk tot de rechterlijke macht te wenden en geniet de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening het voorrecht van de ambtshalve tenuitvoerlegging, met name de bevoegdheid om zelf de tenuitvoerlegging, door dwangbevel, van zijn uitvoerbare titel tot stand te brengen, desnoods door de openbare macht aan te wenden. De vaststelling dat geïntimeerde, gelet op het verhaal van appellante tegen de beslissing van 12 februari 1996 (C29), de ambtshalve tenuitvoerlegging opschort tot de betwisting definitief is beslecht, tast het uitvoerbaar karakter van de C29 evenwel niet aan. Na het definitief worden van de rechterlijke uitspraak begint er een nieuwe verjaringstermijn te lopen die in aard en oorsprong verschilt van de verjaringstermijn van artikel 7, ,§13 van de Besluitwet van 28 december 1944, met name de verjaring van de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak tot veroordeling of de actio judicati (de verjaring van de inning). Deze verjaringstermijn bedraagt 10 jaar (artikel 2262bis Burgerlijk Wetboek) en heeft in huidig geschil, bij gebreke aan hoger beroep, een aanvang genomen op 12 oktober 2001 gelet op de kennisgeving op 11 september 2001 van het vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 6 september
- Dit betekent dat, nu op 22 november 2001 deze vordering effectief in uitvoering werd gesteld, het door appellante ingeroepen middel van verjaring naar recht faalt. Er bestaat tussen partijen geen betwisting over de cijfermatige begroting van de terug te betalen uitkeringen in de periodes van 6 oktober 1992 tot en met 6 december 1993 en van 15 december 1993 tot en met 31 juli
- Het hoger beroep is dienvolgens ongegrond en het bestreden vonnis dient, weliswaar met gewijzigde motieven, te worden bevestigd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 14 september
- Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt met gewijzigde motieven het bestreden vonnis uitgesproken op 20 juni 2002 in de openbare zitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 341.587). Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van Y. V. op 55,77 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op zesentwintig oktober tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061026.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div