id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061027.8 Rolnummer: 2005-0704 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-20 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 14:35 Fiches 1 - 2 Geen enkele wettelijke of conventionele bepaling verplicht de werkgever om loon te betalen voor niet gewerkte dagen tijdens de periode gelegen tussen het ogenblik waarop de arbeidsgeneesheer de werknemer in kennis stelt van zijn voorstel tot definitieve werkverandering en de daaropvolgende beslissing van de arbeidsgeneesheer. Ook voor de niet gewerkte dagen na de beslissing van de arbeidsgeneesheer tot definitieve werkverandering heeft de werknemer geen recht op loon wanneer hij tegen die beslissing geen beroep heeft ingesteld. Het feit dat de werkgever, die geen aangepast werk kan aanbieden op suggestie van de arbeidsgeneesheer een werkloosheidsattest C 3.
- heeft overgemaakt aan de werknemer, hoewel deze niet aan de voorwaarden voldeed om aanspraak te kunnen maken op tijdelijke werkloosheidsuitkeringen, is geen fout waardoor de werknemer inkomsten heeft gederfd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - einde van de overeenkomst - overmacht - definitieve arbeidsongeschiktheid - recht op loon voor niet gewerkte dagen tussen het onderzoek door de arbeidsgeneesheer en het definitief advies van deze laatste - overhandiging van een werkloosheidsattest C 3.
- - II AAN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32, 5° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Brugpensioen - Voltijds - Werkloosheidsuitkering Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - toekenningsvoorwaarden - criteria passende dienstbetrekking - defnitieve arbeidsongeschiktheid - overmacht - recht op loon voor niet gewerkte dagen tussen het onderzoek door de arbeidsgeneesheer en het defintief advies van deze laatste - overhandiging van een werkloosheidsattest C 3.
- - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 51, § 2 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 32, 5° en onder V A N - artikel 51, §
- Annotaties Publicaties: SRK 2008 - - nr. 3 - blz. 161-164 SRK 2008 - - nr. 3 - blz. 161-164 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2050704 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES bvba, met maatschappelijke zetel gevestigd te, appellante, incidenteel geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. S. VANDERMEERSCH loco mr. M. GOVAERTS, en mr. H. BUYSSENS, advocaten te Antwerpen, tegen : L T, wonende te, woonstkeuze doende bij. geïntimeerde, incidenteel appellant vertegenwoordigd door mevr. S. GABRIËLS, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie, volmachtdrager, ten kantore van. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 22 september
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 6 december 2005 en 22 september 2006 . I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 24 juni 2005, betekend op 7 oktober 2005; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 4 november 2005; * de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 20 december 2005 van de heer T. en op 8 juni 2006 neergelegd door de bvba; * de beschikking d.d. 9 mei 2006, overeenkomstig art. 747 §2 van het Gerechtelijk Wetboek; * de syntheseconclusies, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof door de heer T. op 26 juni 2006 en de syntheseconclusies, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof door bvba op 17 augustus
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 1 september 2004, vorderde de heer T. de veroordeling van de bvba, hierna genoemd bvba, tot betaling van 1.539,65 EUR, achterstallig loon, minstens, in ondergeschikte orde, als inkomstendervingsvergoeding voor de periode van 30 september tot en met 23 oktober 2003, te vermeerderen met de wettelijke, de verwijls, minstens de vergoedende intrest vanaf 24 oktober 2003 en de gerechtelijke intrest. Bij bestreden vonnis van 24 juni 2005 werd de vordering ontvankelijk en gedeeltelijke gegrond verklaard. De bvba werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 1.539,65 EUR bruto loon voor de periode van 30 september 2003 tot en met 23 oktober 2003, bedrag te verminderen met de op het brutobedrag voorziene wettelijke inhoudingen, indien verschuldigd, en te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 23 oktober 2003 en de gerechtelijke intrest vanaf 21 november 2003 op het netto bedrag. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de bvba strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vordering van de heer T. ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de kosten van het geding. Bij conclusie neergelegd ter griffie van dit hof verzoekt T. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het vonnis a quo te bevestigen en de bvba te veroordelen tot betaling van: 1.539,65 EUR achterstallig loon, minstens in ondergeschikte orde, als inkomstendervingsvergoeding voor de periode van 30 september 2003 tot en met 23 oktober 2003, bedrag te vermeerderen met de wettelijke intrest zoals bepaald door artikel 10 van de Loonbeschermingswet en/of artikel 102 van de Arbeidsovereenkomstenwet, de verwijls-, minstens de vergoedende intrest vanaf 24 oktober 2003, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- De feiten Op basis van de neergelegde stukken en de niet tegengesproken feitelijke argumentatie ontwikkeld door partijen aanvaardt het arbeidshof de volgende elementen als bewezen: De bvba is een aannemingsbedrijf dat hoofdzakelijk actief is in de sector van de renovatie. De heer T. is in dienst getreden van de bvba op 23 april 2003 met een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd, die liep tot 23 oktober 2003, als handlanger. Op 18 augustus 2003 meldde de heer T. zich ziek. Zijn afwezigheid werd behoorlijk gestaafd door medische attesten die een ononderbroken arbeidsongeschiktheid bevestigden tot en met 30 september
- Op 29 september 2003 werd de heer T. onderzocht door de arbeidsgeneesheer. Diezelfde dag overhandigde de arbeidsgeneesheer een niet ondertekende handgeschreven nota aan de heer T. waarin zij reeds melding maakte van de aanwijzingen die zij later op de kaart van medisch onderzoek aanbracht en waarin zij heel summier advies gaf omtrent het verder verloop van de procedure en de stappen die de heer T. verder moest ondernemen. In fine van deze nota vindt men de vermelding "na 5 werkdagen = ga naar werkgever voor C 3.2 samen met kaart med onderz (gezondheidstoezichtkaart naar RVA of vakbond" Op 30 september 2003 heeft de heer T. deze nota aan de bvba ter kennis gebracht, hij heeft het werk op dat ogenblik niet hervat. Op 6 oktober verzond de arbeidsgeneesheer aan partijen een kaart van medisch onderzoek. Op deze kaart doorstreepte de arbeidsgeneesheer in de rubriek C de vermeldingen "verklaart dat bovengenoemde persoon voldoende geschikt is voor de hierboven bedoelde betrekking " en "met ziekteverlof moet worden gezonden". De vermelding "oordeelt het aangewezen de bovengenoemde persoon voorgoed over te plaatsen in een betrekking die beantwoordt aan de in F hieronder bepaalde voorwaarden" werd onderstreept en in de rubriek F noteerde de arbeidsgeneesheer "veel staan en veel rondlopen moeten min of meer beperkt worden". Op 10 oktober 2003 bezorgde de bvba een werkloosheidsattest C 3.
- aan de heer T., teneinde hem toe te laten vanaf 7 oktober 2003 tijdelijke werkloosheidsuitkeringen te genieten wegens (medische) overmacht. De aanvraag van de heer T. tot het bekomen van dergelijke uitkeringen werd geweigerd door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening met een beslissing van 4 november 2003, met als motivering dat de heer T. sedert 18 augustus 2003 arbeidsongeschikt was en een aanvraag tot het bekomen van tijdelijke werkloosheidsuitkeringen niet mag worden ingediend tijdens de eerste zes maanden van de arbeidsongeschiktheid. Met een brief van 13 november 2003 verzocht de vakorganisatie van de heer T. om betaling van een loondervingsvergoeding voor de periode van 7 tot 23 oktober
- Latere briefwisseling tussen de vakorganisatie van de heer T. en het sociaal secretariaat leidde niet tot een overeenkomst. Met brieven d.d. 19 november 2003 en 16 januari 2004 vorderde de mutualiteit van de heer T. terugbetaling van de ziekteuitkeringen die de heer T. had ontvangen voor respectievelijk 30 september 2003 en 1 tot 23 oktober
- Tegen deze terugvorderingsbeslissingen werd geen beroep ingesteld.
- De beoordeling 2.
- Loon Hoewel de heer T. in het beschikkend gedeelte van zijn conclusie verklaart dat hij de bevestiging van het bestreden vonnis nastreeft, vordert hij tegelijkertijd de veroordeling van de bvba tot betaling van loon voor de periode van 30 september tot 23 oktober
- Hij herneemt bijgevolg de in hoofdorde gestelde vordering, die door de eerste rechters werd afgewezen. Het arbeidshof begrijpt uit de beroepsconclusies en de argumentatie die daarin werd ontwikkeld dat de heer T. desbetreffend incidenteel beroep instelt. Behoudens wettelijke of conventionele afwijking heeft de werknemer geen recht op loon voor periodes tijdens dewelke hij, zelfs door toedoen van de werkgever, geen arbeid heeft verricht. (vgl. Cass. 24 december 1979, Arr. Cass., 1979-80, 260; Cass. 16 maart 1992, J.T.T., 1992, 218; Cass. 18 januari 1993, J.T.T., 1993, 223; Cass. 26 april 1993, R.W., 1993-94, 507) Het staat niet ter discussie dat de heer T. geen arbeidsprestaties heeft geleverd voor de periode van 30 september tot 23 oktober 2003, zodat hij in beginsel ook geen recht heeft op loon voor die periode. Het blijkt verder niet dat er een wettelijke of conventionele bepaling voorhanden is die aan de heer T. voor het geheel of een gedeelte van deze periode van afwezigheid recht op loon verleent. Het arbeidshof steunt deze besluitvorming op de hiernavolgende overwegingen: Het staat kennelijk niet ter discussie dat bij de beoordeling van dit dossier toepassing moet worden gemaakt van de bepalingen van het K.B. van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, hierna het K.B. van 28 mei 2003 genoemd. Volgens de bepalingen van de artikelen 56 e.v. van het K.B. van 28 mei 2003 brengt de arbeidsgeneesheer de werknemer op de hoogte van zijn voorstel tot definitieve werkverandering, alvorens het formulier voor de gezondheidsbeoordeling (vroeger kaart van medisch onderzoek) in te vullen. De werknemer heeft dan vijf dagen de tijd om al dan niet zijn akkoord te betuigen met het voorstel van de arbeidsgeneesheer. Gaat hij niet akkoord, dan duidt de werknemer een geneesheer naar keuze aan, beide geneesheren moeten dan tot een overeenstemming zien te komen. De overlegprocedure neemt bijgevolg slechts een aanvang wanneer de werknemer verklaart dat hij niet akkoord gaat met het voorstel van de arbeidsgeneesheer, wat in casu kennelijk niet is gebeurd. Bovendien schorst de overlegprocedure de beslissing van de arbeidsgeneesheer, behoudens in enkele uitzonderingen die in casu geen toepassing vinden, zodat de werknemer in beginsel zijn vroegere werkzaamheden gewoon moet verder zetten, in welk geval hij uiteraard het conventioneel bedongen loon zal ontvangen voor zijn prestaties. Ten slotte is er geen enkele wettelijke bepaling die voorziet in een "loongarantie" tijdens de overlegprocedure, zelfs niet in de gevallen waarin de overlegprocedure niet schorsend werkt. Een wettelijke afwijking kan alleszins niet gevonden worden in artikel 70, §2 van het KB van 28 mei 2003, dat enkel de situatie viseert van de werknemer die beroep instelt tegen de beslissing van de arbeidsgeneesheer, wat in casu kennelijk niet gebeurde. Het K.B. van 28 mei 2003 bevat bijgevolg geen enkele bepaling die aan de heer T. een recht op loon verleent voor de periode van 30 mei tot 23 oktober
- Anders dan de heer T. voorhoudt bevat het dossier ook geen elementen die toelaten te besluiten dat de bvba zich ertoe zou verbonden hebben om, niettegenstaande het ontbreken van een wettelijke verplichting daartoe, toch loon te betalen voor de periode van 30 september tot 7 oktober
- De brief die de bvba op 13 november 2003 aan de mutualiteit van de heer T. verzond volstaat daartoe alleszins niet en bevat langs de zijde van de bvba nergens een duidelijke en ondubbelzinnige verbintenis om aan de heer T. loon te betalen voor die periode. Uit deze brief kan hoogstens besloten worden dat alle betrokkenen in verwarring werden gebracht door de, toch wel merkwaardige vermeldingen van de arbeidsgeneesheer in de nota die zij op 29 september 2003 aan de heer T. bezorgde. Het incidenteel beroep is bijgevolg niet gegrond. 2.
- Schadevergoeding De heer T. vordert betaling door de bvba van een schadevergoeding gelijk aan de inkomsten die hij van 30 september tot 23 oktober 2003 zou hebben gederfd als gevolg van foutieve gedragingen vanwege de bvba. De heer T. houdt daarbij voor dat de bvba heeft nagelaten hem tijdens de periode van 30 september tot en met 7 oktober 2003 ander werk aan te bieden, in overeenstemming met de aanbevelingen van de arbeidsgeneesheer, waardoor hij verstoken bleef van loon, minstens van inkomen tijdens deze periode. Voor de navolgende periode verwijt de heer T. de bvba dat zij hem ten onrechte tijdelijke werkloos stelde wegens medische overmacht, terwijl hij niet aan de wettelijke voorwaarden voldeed om aanspraak te maken op tijdelijke werkloosheidsuitkeringen. Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering behoort het aan de heer T. het bewijs te leveren van de door hem ingeroepen fouten en van het feit dat hij ingevolge deze fouten inkomsten heeft gederfd. Anders dan de eerste rechters is het hof van oordeel dat de heer T. volkomen faalt in deze op hem rustende bewijslast en wel om de volgende redenen. Elke beslissing van de arbeidsgeneesheer moet worden vermeld op een zogeheten formulier voor gezondheidstoezicht ( vroeger kaart van medisch onderzoek) dat beantwoordt aan de wettelijk voorgeschreven vormvereisten. Dit formulier moet in drievoud worden opgesteld en moet worden overgemaakt zowel aan de werknemer als aan de werknemer. De niet ondertekende nota die de arbeidsgeneesheer op 29 september 2003 aan de heer T. overhandigde is duidelijke geen formulier voor gezondheidstoezicht en heeft dan ook niet de waarde van een beslissing die onmiddellijk gevolgen sorteert. Het formulier voor gezondheidstoezicht naar aanleiding van het medisch onderzoek van 29 september 2003 werd slechts opgesteld en overgemaakt aan partijen op 6 oktober
- Vóór de ontvangst van dit formulier was de bvba dan ook niet verplicht om te trachten zo vlug mogelijk aangepast werk voor de heer T. te vinden, conform de bepalingen van artikel 70, §1 van het K.B. van 28 mei
- Bovendien staat niet ter discussie dat het voor de bvba niet mogelijk was om de heer T. tewerk te stellen conform de aanbevelingen van de arbeidsgeneesheer en het blijkt al evenmin dat de heer T. op enig ogenblik na 29 september 2003 heeft gevraagd of aangeboden om te werken. Er is dan ook geen enkel bewijs voor de bewering dat de heer T. door een fout van de bvba geen arbeidsprestaties kon leveren, zodat meteen ook geen fout van de bvba aan de basis ligt van het feit dat hij geen loon heeft ontvangen voor de periode van 30 september tot 7 oktober
- Er kan in dit dossier weinig twijfel over bestaan dat de nota van de arbeidsgeneesheer aan de basis heeft gelegen van de afgifte door de bvba van een werkloosheidsattest C 3.2 voor de periode vanaf 7 oktober 2003 en de aanvraag door de heer T. van tijdelijke werkloosheidsuitkeringen. Allicht hebben beide partijen te goeder trouw en misleid door de nota van de arbeidsgeneesheer gemeend dat dit de voorgeschreven of aangewezen manier was om de heer T. een vervangingsinkomen te bezorgen. In die omstandigheden kan het overhandigen van bedoeld werkloosheidsattest niet zonder meer als een fout vanwege de bvba worden gekwalificeerd. Bovendien is het naar het oordeel van dit arbeidshof niet de overhandiging van het werkloosheidsattest C 3.2 die aan de basis ligt van het feit dat de heer T. geen inkomsten heeft genoten tijdens de periode van 8 tot 23 oktober
- Dat de heer T. niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden om aanspraak te maken op tijdelijke werkloosheidsuitkeringen kan evident niet worden toegerekend aan de bvba. Zoals hiervoor reeds aangegeven staat het niet ter discussie dat de heer T. tijdens bedoelde periode medisch ongeschikt was om de bedongen arbeid als handlanger te verrichten, terwijl geen vervangingswerk voorhanden was. De bvba kón de heer T. bijgevolg niet tewerk stellen van 8 tot 23 oktober 2003, het blijkt ten andere niet dat de heer T. in die periode ooit gevraagd of aangeboden heeft om te werken. Dat de heer T. geen loon heeft genoten tijdens die periode is bijgevolg al evenmin aan de bvba te wijten. Gelet op zijn arbeidsongeschiktheid had de heer T. allicht aanspraak moeten en kunnen maken op ziekte-uitkeringen, die hem overigens ook daadwerkelijk werden uitbetaald, maar die vervolgens, op kennelijk foutieve gronden, werden teruggevorderd. Het arbeidshof wenst in dit verband op te merken dat bedoelde ziekte-uitkeringen niet werden teruggevorderd omwille van de (geweigerde) aanvraag tot het bekomen van tijdelijke werkloosheidsuitkeringen, maar omwille van een vermeende werkhervatting op 30 september
- Te noteren valt tevens dat geen enkel element uit het dossier toelaat te besluiten dat het de bvba is geweest die dergelijke foutieve inlichtingen aan de mutualiteit heeft verstrek en dat de heer T. geen beroep heeft ingesteld tegen de terugvorderingsbeslissingen. In die omstandigheden kan niet worden besloten dat de heer T. als gevolg van de afgifte van het werkloosheidsattest C 3.2 tijdens de periode van 8 tot 23 oktober 2003 geen vervangingsinkomen heeft genoten. Het is dan ook ten onrechte dat de eerste rechters een schadevergoeding aan de heer T. toekenden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 24 juni
- En opnieuw recht sprekend, Verklaart de vordering van de heer T. ontvankelijk doch volledig ongegrond. Legt de kosten van beide instanties ten laste van de heer T.. Vereffent deze aan de zijde van appellant op 109,32 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 145,76 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerde op 73,16 EUR dagvaardingskosten en 4,50 EUR kosten uitgifte vonnis. Aldus gewezen en uitgesproken door de derde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober tweeduizend en zes, waar aanwezig waren : mevrouw L. BOEYKENS, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, mevrouw C. COPERS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, aangewezen bij beschikking d.d. 27 oktober 2006 door mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer R. BAETE, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (art. 779 Ger.W.), mevrouw L. COLLA, e.a. Adjunct-griffier. L. COLLA C. COPERS I. BIEGS L. BOEYKENS PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061027.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.