id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061103.2 Rolnummer: 2005-0316 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 14:36 Fiche Een arbeidsongeschikte zelfstandige maakt geen einde aan zijn arbeidsongeschiktheid wanneer hij, bij wijze van vriendendienst voor zijn lesgever en medestudenten van de kunstacademie, wegens de tijdelijke onbeschikbaarheid van een professioneel model, sporadisch als model fungeert in de lessen, zelfs wanneer hij hiervoor een bescheiden vergoeding ontvangt. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING Arbeidsongeschiktheid - sporadische prestaties als model in kunstacademie. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 100 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Koninklijk Besluit - 20-07-1971 - 19en20 - 01 ELI link Pub nr 1971072008 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Vijfde kamer Ziekteverzekering zelfstandige ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2050316 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RVL, wonende te x, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. W. VERMEULEN, advocaat te 2000 ANTWERPEN, tegen : LANDSBOND DER ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN, met zetel gevestigd te 1150 BRUSSEL, Sint Huibrechtsstraat 19, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. A. FRET loco mr. S. SERGEANT, advocaat te 8000 BRUGGE. Na beraadslaging, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 6 mei 2005 en van 6 oktober 2006; Gelet op de stukken van de rechtspleging en in het bijzonder op: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 14 maart 2005, door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op tegenspraak gewezen en aan de partijen betekend op 16 maart 2005, met toepassing van artikel 792 van het gerechtelijk wetboek; x het verzoekschrift in hoger beroep, op 14 april 2005 neergelegd op de griffie van dit hof en vervolgens, zoals artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek voorschrijft, op 15 april 2005 ter kennis gebracht aan wie het behoort; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 11 juli 2005; x het verzoekschrift, op 27 december 2005 op de griffie van dit hof ontvangen, waarmee verweerder in hoger beroep vraagt om de conclusietermijnen te regelen en om de rechtsdag te bepalen (toepassing van artikel 747, ,§2 van het gerechtelijk wetboek); x het antwoord op dit verzoek van eiser in hoger beroep, op de griffie van dit hof ontvangen op 6 januari 2006; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 6 januari 2006; x de beschikking van 18 januari 2006 van raadsheer L. Boeykens, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het gerechtelijk wetboek. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van eiser in hoger beroep. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 6 oktober
- Gehoord het mondelinge advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 6 oktober
- De ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat In het stelsel van de zelfstandigen is RVL als invalide erkend vanaf 28 juli 1986 tot 31 augustus 2004, zijn pensioenleeftijd. Hij is leerling aan de kunstacademie te Mechelen. Begin 2000 was een mannelijk model niet langer beschikbaar en men vroeg aan RVL om in te springen en om enkele uren model te staan, omwille van zijn karakteristieke 'kop'. Hij ging op die vraag in en hij stond aldus model gedurende 8 dagen in februari 2000, 2 dagen in maart 2000 en nog eens gedurende 3 dagen in december 2001, telkens gedurende een paar uren per dag. Voor deze diensten ontving RVL achteraf, een (wat hij noemt) 'verplaatsingsvergoeding' van 12 euro per dag voor de dagen in het jaar 2000 en 16 euro per dag voor de dagen in het jaar
- Op 27 maart 2003 betekende het ziekenfonds aan RVL een einde van arbeidsongeschiktheid omdat hij, zonder voorafgaandelijke toelating van de adviserende geneesheer, een gedeelte van de taken, die hij uitoefende vóór de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid zou hebben hervat. Later wordt dit gecorrigeerd in die zin dat de arbeidsongeschiktheid wordt geweigerd omdat RVL een andere beroepsbezigheid, hetzij als zelfstandige of als helper, hetzij in een andere hoedanigheid heeft hervat. Op 11 augustus 2003 vordert het ziekenfonds de vergoedingen terug, die werden uitbetaald in de periode 16 februari 2000 tot en met 16 december 2000 enerzijds en in de periode 12 december tot en met 14 december 2001 anderzijds. RVL tekende op 19 juni 2003 beroep aan tegen de beslissing van het ziekenfonds om hem in de bedoelde periodes niet langer als arbeidsongeschikt te beschouwen. Zijn beroep wordt voorwerp van het dossier A.R. nr. 358.965 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen en thans voorwerp van dossier A.R. 2050316 bij dit hof. Het ziekenfonds vorderde op 8 april 2004 bij dezelfde arbeidsrechtbank van RVL een saldo terug van 2.554,62 euro aan uitbetaalde uitkeringen. Deze vordering wordt het voorwerp van het dossier A.R. nr. 366.056 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen en thans voorwerp van dossier A.R. 2050315 bij dit hof. RVL houdt voor de eerste rechters vol dat zijn 'model' staan geen hervatting betekende van zijn werkzaamheden als zelfstandige, zodat er geen aanleiding is om hem arbeidsgeschikt te verklaren. Ondergeschikt kan van hem enkel worden teruggevorderd de dagen dat hij effectief als model is opgetreden omdat hij de facto altijd arbeidsongeschikt is gebleven. Het bestreden vonnis De eerste rechters, nadat ze in een tussenvonnis meer documentatie hadden opgevraagd over de aard van de vergoeding, die aan RVL werd betaald, wezen in een eindvonnis van 14 maart 2005 RVL af van zijn vordering en ze bevestigden de beslissing van de adviserende geneesheer. In een eindvonnis van dezelfde datum, maar dan in het andere dossier, veroordeelden ze RVL om aan het ziekenfonds een bedrag terug te betalen van 2.554,62 euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 8 april
- Beide vonnissen werden door de griffie betekend op 16 maart
- Eisen in hoger beroep RVL tekende tegen deze beslissingen afzonderlijk hoger beroep aan op 14 april
- Hij handhaaft zijn stelling uit eerste aanleg dat er geen aanleiding was om hem arbeidsgeschikt te verklaren zodat er niets hoeft teruggevorderd te worden. Ondergeschikt blijft hij benadrukken dat er enkel kan terugbetaald worden voor de dagen waarop hij effectief model stond, vordering die de eerste rechters niet eens behandelden. De Landsbond vraagt om de hogere beroepen als ongegrond af te wijzen. Volgens het recht De Landsbond steunt zich terzake op de toepassing van artikel 19 en artikel 20 van het koninklijk besluit, houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, om te argumenteren dat men in het stelsel van de zelfstandigen pas als arbeidsongeschikt kan worden erkend als men zijn activiteiten volledig heeft stopgezet. De betrokkene mag geen beroepsbezigheid meer uitoefenen hetzij als zelfstandige of helper, hetzij in een andere hoedanigheid. De arbeidsongeschiktheid van de zelfstandige die aanspraak maakt op invaliditeitsuitkeringen is geen absoluut begrip, maar moet worden gemeten aan de persoonlijke beroepsactiviteit, waarbij de non-activiteit met gezond verstand moet worden beoordeeld. Het begrip van volledige 100 % inactiviteit is een theoretisch begrip dat slechts in extreme gevallen in de praktijk wordt teruggevonden (Cass., 20 december 1993, J.T.T., 1994, 53). Er moet met andere woorden met gezond verstand worden beoordeeld of de uren die RVL model heeft gestaan voor zijn medeleerlingen, moeten worden beschouwd als het uitoefenen van een beroepsactiviteit, onverenigbaar met de status van arbeidsongeschikte in het statuut van de zelfstandigen. Niettegenstaande het model staan in een kunstacademie een beroepsbezigheid kan zijn, is het hof in deze zaak van oordeel dat de uren die RVL model stond in februari en maart 2000 en in december 2001 in de academie te Mechelen niet als een beroepsbezigheid kunnen worden beschouwd. Deze "prestaties" kaderen in het beoefenen van een hobby. Zij werden niet geleverd in een economische omgeving met de bedoeling om inkomsten te regenereren. Ze werden bovendien geleverd in een noodsituatie. De onbeschikbaarheid van het (professionele) model bracht het geven van de les in gedrang. Dit was in het nadeel van de leerlingen met inbegrip van RVL. De bedoeling van zijn inspringen was geen geldgewin maar het bewijzen van een vriendendienst naar de lesgever en zijn medeleerlingen toe. Het staat immers helemaal niet vast dat RVL deze dienst niet zou hebben bewezen indien er geen sprake was van enige vergoeding vanuit de academie. Het was een geste van hoffelijkheid. Het betalen van een bescheiden vergoeding is een wederdienst uit dankbaarheid voor de bereidwilligheid van RVL. Er is geen sprake van enig loon of vergoeding, die de tegenprestatie is van geleverde prestaties. Het betonen van dankbaarheid in de vorm van deze vergoeding heeft in deze context een eigen plaats en moet niet in verband gebracht worden met het uitoefenen van een ongeoorloofde beroepsbezigheid. Zover heeft de wetgever of de regelgever het beslist niet willen drijven. Het feit dat de academie deze vergoedingen op een fiscale fiche heeft geplaatst, doet hieraan geen afbreuk. Tenslotte is het hof van oordeel dat de staat van arbeidsongeschiktheid, waarin RVL zich bevond hem niet belemmerde om model te staan (of te zitten) in de academie. Met andere woorden, het model zijn is geen bewijs dat RVL plots arbeidsgeschikt was geworden, iets wat trouwens ook door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit achteraf werd erkend. Conclusie: De adviserende geneesheer bij de Landsbond was ten onrechte van oordeel dat er een einde was gekomen aan de arbeidsongeschiktheid van RVL vanaf 16 februari 2000 door het hervatten van een beroepsbezigheid. Ten onrechte erkende hij deze arbeidsongeschiktheid niet langer. De keerzijde van deze medaille is dat het beroep van RVL tegen deze beslissing van de adviserende geneesheer, die de Landsbond tot de zijne maakte gegrond is. Het hogere beroep is gegrond. Derhalve wordt deze beslissing bij deze vernietigd en wordt voor recht gezegd dat RVL in het kader van dit geschil erkend arbeidsongeschikt is gebleven vanaf 16 februari tot aan zijn pensioenleeftijd. Van de landsbond wordt verwacht dat hij alle gevolgen van deze vernietigde beslissing neutraliseert en aan RVL toekent wat hem zou toegekend zijn geweest, indien deze beslissing nooit zou zijn genomen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer P. Van den Bon, advocaat-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2006, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 14 maart
- Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vordering van RVL ontvankelijk en gegrond. Vernietigt de beslissing van 27 maart 2003 en voor zover als nodig deze van 16 juli 2003 waarmee een einde werd gesteld aan de arbeidsongeschiktheid van RVL vanaf 16 februari
- Zegt voor recht dat RVL in het kader van dit geschil erkend arbeidsongeschikt is gebleven vanaf 16 februari tot aan zijn pensioenleeftijd. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de Landsbond. De kosten aan de zijde van partijen werden niet begroot en alsdan door het hof niet vereffend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van drie november tweeduizend en zes, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer, mevrouw M. ZEGERS, raadsheer, de heer A. BRUYNEIL, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, mevrouw L. VAN CALSTER, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061103.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div