id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 06 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061106.3 Rolnummer: 2003-0313 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-15 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-07-02 14:37 Fiche 1 Op het ogenblik van het ongeval was het slachtoffer in dienst van de werkgever, en was zij op weg van de uitbatingszetel van het bedrijf naar haar werk toe, zodat er sprake is van een arbeidsongeval, minstens arbeidswegongeval. Het Hof stelt dat het onbetwistbaar is dat het ongeval alleszins overkomen is tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN Begripsomschrijving - arbeidsongeval - toepassingsgebied arbeidsongevallenwet - arbeidsprestaties in Nederland - ongeval in België. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 7 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Fiches 2 - 4 Op 02 april 1997 gebeurde het verkeersongeval. Op 03 april 2000 dagvaardde appellante de arbeidsongevallenverzekeraar van haar werkgever alsmede het F.A.O. voor de arbeidsrechtbank. Zonder stuiting van de lopende verjaardagstermijn (artikel 69, eerste lid arbeidsongevallenwet) is de vordering van appellante inderdaad verjaard. Appellante heeft op vrijdag 31 maart 2000 (poststempel) een aangetekende brief verstuurd aan de wetsverzekeraar. De wetsverzekeraar houdt echter voor dat hij pas ten vroegste op maandag 03 april 2000 de aangetekende brief kon hebben ontvangen, zijnde de datum van de inleidende dagvaarding, 03 april 2000. Voor de wijziging van artikel 70 van de arbeidsongevallenwet door artikel 109 van de wet van 01 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, moest de aangetekende brief vergezeld zijn van een ontvangstbewijs. Na voormelde wetswijziging werden de woorden "met ontvangstbewijs" geschrapt. De arbeidsongevallenwet is in eerste instantie een bescherming voor het slachtoffer van een arbeidsongeval, zodat de gestelde stuitingsregel minstens ten opzichte van deze laatste soepel moet worden opgevat. De stuitingsdaad dient te gebeuren "door een ter post aangetekende brief". Die omschrijving impliceert op zich minstens twee handelingen : die waarbij de informatie wordt vastgelegd in een brief en vervolgens die waarbij het nodige wordt gedaan om die informatie bij de bestemmeling te brengen, namelijk het posten van de brief. Het verzenden van een aangetekende brief is een loutere voorzorgsmaatregel die de gevolgen niet heeft van een betekening of een kennisgeving zoals gedefinieerd in artikel 32 van het Gerechtelijk Wetboek waarin sprake is van een akte van rechtspleging of deurwaardersexploot zoals in het Gerechtelijk Wetboek wordt verstaan. De datum van toezending van een brief is niet de datum van aanbieding of van ontvangst ervan. Nu de brief van appellante ter post afgestempeld werd op 31 maart 2000 en gericht aan eerste geïntimeerde, de arbeidsongevallenverzekeraar van de werkgever binnen de drie jaar na het verkeersongeval op 02 april 1997, werd de verjaringstermijn regelmatig en wettelijk gestuit. De rechtsvordering van appellante tot betaling van de bij de arbeidsongevallenwet bepaalde vergoedingen gesteld tegen eerste geïntimeerde is dus niet verjaard. Het aangetekend schrijven van 31maart 2000 werd enkel verzonden aan de wetsverzekeraar en geldt niet als stuitingsdaad t.a.v. het F.A.O. De inleidende dagvaarding van 03 april 2000 heeft derhalve alleen de verjaringstermijn opzichtens de wetsverzekeraar gestuit en niet deze opzichtens het F.A.O. De vordering tegen het F.A.O. is zodoende verjaard. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK De beroepsrisico's - arbeidsongevallen - verjaring naar Belgisch recht - arbeidsprestaties in Nederland, ongeval in België - regelmatige stuiting - omschrijving "door een ter post aangetekende brief" verzonden naar wetsverzekeraard en niet aan het F.A.O.. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 32 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN Procedure - verjaring - verjaring naar Belgisch recht - arbeidsprestaties in Nederland, ongeval in België - regelmatige stuiting - omschrijving "door een ter post aangetekende brief" verzonden naar wetsverzekeraar en niet aan het F.A.O.. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 69,lid1 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN Procedure - schorsing of stuiting - verjaring naar Belgisch recht - arbeidsprestaties in Nederland, ongeval in België - regelmatige stuiting - omschrijving "door een ter post aangetekende brief" verzonden naar wetsverzekeraar en niet aan het F.A.O.. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 70 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Fiche 5 De arbeidsovereenkomst voorziet uitdrukkelijk dat beroepster enkel in Nederland haar beroepsactiviteit moest uitoefenen; zij werd in Nederlandse gulden uitbetaald, de sociale zekerheid werd ook volgens Nederlands recht geregeld en daarvoor werden bijdragen betaald aan Interfisc. De loondoorbetalingswet werd ook in beroepsters geval toegepast en beroepster kreeg uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsvergoedingen op grond van de Nederlandse ziektewet (70 % van het loon) door Interfisc (zie beroepsters syntheseconclusies blz. 3) en ook terugbetaling van de medische kosten. Deze vergoedingen of terugbetalingen werden zonder enig voorbehoud door beroepster aanvaard, reden ook waarom zij in België nooit aangifte deed van het arbeidsongeval en erop vertrouwde, in toepassing van de contractueel vastgelegde verbintenissen, dat het Nederlands recht van toepassing was. Er is nergens aangetoond en ook niet aantoonbaar dat appellante een essentieel deel van haar arbeidstaak in België uitvoerde. Haar beroepsbezigheden op Belgisch grondgebied beperkte zich tot het afhalen van de bedrijfswagen (met snoepgoed geladen) op de maatschappelijke zetel en uitbatingszetel te Tongeren, en aldaar (soms) besprekingen te hebben van geringe omvang. Appellante nam niet deel aan de werking van de administratie of bedrijfswerking gezien zij slechts een merchandiser was en haar arbeidstaak er zich toe beperkte snoepgoed af te leveren bij cliënteel op Nederlands grondgebied. De werkzaamheden welke beroepster had in België, haar woonland, waren slechts marginaal. Beroepster was dan ook te aanzien als een grensarbeidster. Het Belgisch arbeidsongevallenrecht vindt zodoende geen toepassing. Enkel het Nederlands recht dient toepasselijk verklaard. De werkgever heeft voldaan aan haar verplichtingen in het kader van de socialezekerheidsverbintenissen en heeft de nodige bijdragen betaald. Dientengevolge werd beroepster ook volgens Nederlands recht de nodige vergoedingen uitbetaald en zij toont niet aan dat zijn nog lastens een Nederlands bevoegd orgaan, vorderingen kan stellen. Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN De beroepsrisico's - arbeidsongevallen - arbeidsprestaties in Nederland - ongeval in België - toepassing nationale wetgeving - toepassing E.G.-verordening nr. 1408/71. Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 14-06-1971 - 14,lid2,b,i - 01 Link Justel databank 19710614-01 Nota: Gerangschikt onder I A - art. 31, VI A - art. 69, lid 1, VI A - art. 70 (andere inhoud), VI A - art. 7 (andere inhoud) en onder IX D 3 - art. 14, lid 2, b, i (andere inhoud). Tekst van de beslissing A.R. 2030313 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES in de zaak: EH, wonende te appellante, verschijnend bij mr. N. SAHIN loco mr. P. VANAGT, advocaat te Genk. tegen : 1. N.V. I, met maatschappelijke zetel gevestigd te eerste geïntimeerde, verschijnend bij mr. M. SPAAS, advocaat te Hasselt. 2. FAO, met maatschappelijke zetel gevestigd te tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. K. MOREL loco mr. L. NELIS, advocaat te Antwerpen. 3. N.V. 2W met maatschappelijke zetel gevestigd te derde geïntimeerde, verschijnend bij mr. V. CAUWELS loco mr. W. VAN ROEYEN, advocaat te Gent. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt van 3 juni 2003, gekend onder rolnummer 2001495; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 25 september 2003; - de besluiten, tweede besluiten, synthesebesluiten en aanvullende besluiten na synthesebesluiten van het FAO, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 27 november 2003, 23 juli 2004, 7 december 2004 en 13 juli 2005, de besluiten, synthesebesluiten en vervangende syntheseberoepsbesluiten van de N.V. I ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 23 februari 2004, 5 november 2004 en 21 oktober 2005, de besluiten, synthesebesluiten, nieuwe synthesebesluiten en aanvullende besluiten van partij N.V. 2W, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 12 maart 2004, 2 september 2004, 10 januari 2005, 7 juni 2005 en 17 oktober 2005 en de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten van partij EH, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 21 april 2004, 4 oktober 2004 en 6 oktober 2005; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter openbare terechtzitting dd. 23 december 2005; - de kennisgeving van het schriftelijk advies aan de raadslieden van partijen verzonden in toepassing van artikel 767 van het gerechtelijk wetboek op 26 december 2005; - het schrijven van mr. E. Wouters, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 29 december 2005, melding makend dat deze raadsman de belangen van partij EH zal opvolgen van mr. P. Vanagt; - de kennisgeving van het schriftelijk advies dd. 29 december 2005 aan mr. E. Wouters, raadsman van partij EH, in toepassing van artikel 767 van het gerechtelijk wetboek; - de repliek op het advies van het openbaar ministerie van partij N.V. 2W, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 11 januari 2006, de repliek op het advies van het openbaar ministerie van partij F.A.O., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 13 januari 2006 en de repliek op het advies van het openbaar ministerie van partij N.V. ING. I, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 16 januari 2006; - de processen-verbaal van openbare terechtzittingen van 5 november 2003, 25 februari 2005, 10 juni 2005, 24 oktober 2005, 25 november 2005, 23 december 2005, 24 februari 2006, 24 maart 2006, 25 april 2006, 23 mei 2006, 27 juni 2006, 18 september 2006 en 16 oktober 2006. OMTRENT DE FEITEN: Appellante ondertekende op 13 januari 1997 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur (met een proeftijd van twee maanden) met de N.V. P en P. Beroepster was woonachtig te Hasselt, de werkgever had zowel haar maatschappelijke zetel alswel magazijnen te Tongeren en appellante zou haar arbeidsovereenkomst opstarten vanaf 14 januari 1999, voor onbepaalde duur. In die arbeidsovereenkomst werden bovendien volgende bepalingen opgenomen: "Artikel 1 sub c.: Partijen erkennen uitdrukkelijk dat de werknemer uitsluitend over het hele grondgebied van Nederland is tewerkgesteld. sub d.: Het is uitdrukkelijk tussen partijen overeengekomen dat B (bedoeld wordt beroepster) in geen geval enige arbeidsprestatie zal leveren op Belgisch grondgebied behoudens met een uitdrukkelijke en geschreven opdracht van A. (N.V. P en P) Artikel 3 Gedurende de arbeidsongeschiktheid van B zal door A de ArbeidsomstandighedenWet alsmede de Wet Uitbreiding Loondoorbetalingsplicht bij Ziekte zoals van kracht per 01.01.1994 en per 1 maart 1996 worden toegepast." Er is niet in betwisting dat de werkgever een arbeidsongevallenverzekering had afgesloten bij de N.V D V zowel voor haar bedienden als voor haar arbeiders doch wel enkel voor haar Belgisch personeel. Voor appellante gold dan de Nederlandse ziektewet. Op 2 april 1997 werd appellante het slachtoffer van een verkeersongeval te Diepenbeek toen zij zich verplaatste van Tongeren richting Eindhoven alwaar zij tengevolge van haar tewerkstelling snoepgoed ging leveren. Zulks heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging. De politierechtbank te Hasselt veroordeelde haar op 14 januari 1998 voor de begane verkeersinbreuken en de werkgever werd burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de kosten welke appellante werden ten laste gelegd. Van haar ongeval werd I (instelling naar Nederlands recht welke instond met uitbetaling van de uitkeringen volgens de in Nederland geldende ziektewet en waarvoor de werkgever de wettelijke vereiste bijdragen betaalde. Beroepster werd arbeidsongeschikt bevonden en bleef zulks tot 30 juni 1997. De facturen voor medische kosten werden betaald door de zorgverzekeraar VGZ en het loon door I. Op 30 juni 1997 heeft appellante het werk hervat doch op 24 april 1998 nam zij ontslag bij haar werkgever per 30 april 1998 en motiveerde zulks als volgt: "Deze beslissing is ondermeer gebaseerd op medische gronden." Zulks nadat er op 27 april 1998 tussen werkgever en werknemer een overeenkomst (een dading) werd gesloten. Artikel 1 van die overeenkomst voorziet: "De werknemer was in dienst van de werkgever sinds 14/01/97. De werknemer werd gedurende de volledige duur van haar tewerkstelling uitsluitend op Nederlands grondgebied tewerkgesteld." Men kan erover twisten of het een "dading" betreft, dan wel een bekentenis of een "vaststelling van feiten". OVER DE PROCEDURE: Beroepster heeft in hoofdzaak willen uitmaken welke instantie haar de arbeidsongevallenvergoedingen zou uitbetalen. Eerst richtte zij zich tot haar voormalige werkgever via haar raadsman en vroeg hem op 6 januari 1998 of deze van het arbeidsongeval aangifte had gedaan aan de arbeidsongevallenverzekeraar en om daarover nadere informatie te bekomen. De werkgever antwoordde aan beroepsters advocaat: ".. Aangezien Uw cliënte onder de Nederlandse sociale zekerheid valt werd het ongeval d.d. 2 april 1997, conform de Nederlandse wetgeving, aan de geijkte instanties gemeld. In het Nederlandse sociaal zekerheidsstelsel werkte men niet met een arbeidsongevallenverzekeraar, en worden ongevallen als dit sowieso geregeld via de zogenaamde ziektewet, zo ook in het geval van Uw cliënte. Ondertussen doe ik navraag bij I aangaande de stand van het dossier van Uw cliënte. " (stuk 6 bundel derde geïntimeerde) Het blijkt dat beroepster onmiddellijk nadien (26/01/1998) op verzoek van de geneesheer van G werd onderzocht welke haar werkonbekwaam verklaarde tot en met 27 januari 1998, waaruit kan worden besloten dat de werkgever, geconfronteerd met een dergelijke eis, onmiddellijk heeft gereageerd en/of opheldering heeft gebracht voor het bestaande probleem. Beroepsters raadsman antwoordde op 4 maart 1999 - let wel op het tijdsverschil tussen 11 januari 1998 en 8 maart 1999 -: "Ik verwijs naar uw brief van 11.1.1998. Ik had voordien reeds contact opgenomen met I, en heb deze dienst na uw schrijven nog aan de kwestie herinnerd. U vindt in bijlage kopie van de briefwisseling die ik ontving van I. Dit bevestigt mijn vermoeden, m.n. dat er geen tussenkomst kan verwacht worden van I of van een andere officiële Nederlandse instantie, voor wat betreft de verdere gevolgen van het arbeidsongeval. I heeft mij telefonisch nog bevestigd dat uw bedrijf van zulke "spelregels" eerder al in kennis zou zijn gesteld, niet enkel voor wat betreft de situatie van Mevr. H. Ik meen terzake de verantwoordelijkheid van uw bedrijf te kunnen inroepen. U zal mij vooreerst willen meedelen of U een door I bedoelde verzekering hebt. Indien niet, meen ik dat U ernstig in gebreke bent gebleven, temeer daar U hoe dan ook, welke interpretatie men er ook zou op nahouden inzake toepasselijk sociaal zekerheidsstelsel, vanwege P & P in een arbeidsongevallenverzekering had moeten voorzien. Immers, U wist van meet af aan dat Mevr. H verplaatsingen moest doen vanuit België naar Nederland en dat zij toch ook geregeld in uw bedrijf aanwezig moest zijn, weze het maar voor het verslag e.d. Kortom, haar activiteiten en arbeidsprestaties werden verricht zowel op Belgisch grondgebied als op Nederlands grondgebied. Een EG-verordening voorziet trouwens dat indien een deel van de werkzaamheden op Belgisch grondgebied worden uitgeoefend, ook het Belgisch sociale zekerheidsstelsel van toepassing is. U zal mij dan ook willen mededelen of uw arbeidsongevallenverzekering kennis heeft gekregen van dit ongeval, wie deze verzekeraar is, of U daarvan geen aangifte hebt gedaan, U dan als bedrijf persoonlijk de schade zal vergoeden. In dat geval moet er over de vaststelling en de omvang van eventuele blijvende invaliditeit overgegaan worden tot medische expertise. Ik verwacht uw bericht terzake af. Gelieve mij dringend te berichten gezien het tijdsverloop dat dit dossier helaas ondertussen reeds heeft gekend." (stuk 7 + bijlagen bundel derde geïntimeerde) Beroepster zou zich derhalve alleszins per 4 maart 1999 moeten bewust geweest zijn dat er zich een serieus juridisch probleem inzake vergoeding aan de gevolgen op arbeidsongevallenrechtsvlak zal stellen. De werkgever wees terzake elke verantwoordelijkheid af, stellend dat zij niet kon gehouden zijn tot enige vergoeding en ook de beledigende toon van de brief van beroepsters raadsman werd niet in dank afgenomen. Zij schreef op 17 maart 1999: " In eerste instantie zijn wij van oordeel dat wij al de aan ons opgelegde verplichtingen nagekomen zijn. Wij hebben het arbeidsongeval van Mevrouw H onmiddellijk ter kennis gebracht van I en het gehele ongeval is integraal en correct afgehandeld. Dat er blijkbaar verschillen zijn tussen de regeling van een arbeidsongeval naar Nederlands recht en naar Belgisch recht, is toch niet iets dat U ons ten laste kunt leggen. De toon van Uw brief stelt ons dan ook teleur aangezien wij menen helemaal niet "ernstig in gebreke gebleven te zijn". De verwijtende suggestie i.v.m. de "spelregels" waarvan wij in kennis zouden gesteld zijn, ervaren wij al helemaal als ongepast. Bovendien moeten wij mededelen dat het onjuist is dat Mevrouw H arbeidsprestaties zou verricht hebben op Belgisch grondgebied. Dergelijke arbeidsprestaties waren haar gewoonweg verboden. Ik verwijs dienaangaande naar art. 1.d van haar arbeidsovereenkomst (zie bijlage 1) en naar art.1 van de dading waarmee aan de arbeidsovereenkomst een einde werd gemaakt, omdat Mevrouw H het verzoek had geformuleerd de onderneming te mogen verlaten zonder het presteren van een opzegtermijn (zie bijlage 2) In dit verband kan overigens nog benadrukt worden dat Mevrouw H tot op heden ook altijd zelf ervan uitgegaan is dat wel degelijk het Nederlands recht van toepassing was. Zij meldde zich bij het begin van haar tewerkstelling aan bij een Nederlandse ziekenfondsverzekering en ontving zij zonder enig voorbehoud alle betalingen van de Nederlandse zorgverzekeraar. Wij zijn van oordeel dat wij hiermee aangetoond hebben dat de veronderstellingen die U maakt in Uw brief van 4 maart laatstleden volstrekt onjuist zijn. Wij verzoeken U dan ook deze zaak als afgewikkeld te beschouwen en ons niet met verdere aangetekende brieven te belasten." Waarop de raadsman van beroepster als volgt reageerde op 1 april 1999: " Ik heb met aandacht uw brief van 17.3.99 gelezen, doch minstens bent U wettelijk al in de fout doordat U geen arbeidsongevallenverzekering hebt aangegaan voor het feit dat mijn cliënte, al weze het maar voor de verplaatsing naar Nederland, deze verplaatsing vanuit België naar haar werk moest doen. Alleen al hiervoor was U wettelijk gehouden tot het onderschrijven van een arbeidsongevallenverzekering. Indien ik uit uw brief moet afleiden dat dit niet is gebeurd er aldus geen verhaal op verzekeringsmaatschappij mogelijk is, dan dien ik uw bedrijf daarvoor persoonlijk aansprakelijk te stellen. Gelieve mij dan ook klaar en ondubbelzinnig mede te delen of er al dan niet een verzekeraar is die voor deze zaak voor U tussenkomst verleent." De verdere draagwijdte van het bestaande probleem werd nog nader uiteengezet bij brief d.d. 22 april 1999 tussen de raadslieden van de werkgever en deze van appellante. " In de hierboven genoemde zaak werd ik naar aanleiding van uw brief van 1 april jl. gecontacteerd door de N.V. P and P Bis. Mijn cliënte bezorgt mij tevens een afschrift van uw brieven van 6 januari en 4 maart jl. en haar brieven van 11 januari en 17 maart jl. Mijn cliënte verzoekt mij namens haar te antwoorden op uw brief van 1 april jl. U gelieve deze brief dan ook als niet-vertrouwelijk te willen beschouwen. In de voornoemde brief maakt u twee veronderstellingen die naar mijn mening volstrekt onjuist zijn. In de eerste plaats is mij geen enkele rechtsgrond bekend waarom een (Belgische) werkgever voor een werkneemster die ontegensprekelijk onder het Nederlands sociaal recht valt, een Belgische arbeidsongevallenverzekering zou moeten afsluiten voor de verplaatsingen naar haar werk (dat zij enkel in Nederland uitvoerde). (...) Behoudens indien u mij dienaangaande toch een rechtsgrond zou aanwijzen, meen ik dat die discussie als afgesloten te beschouwen is.) Ten tweede zal het u niet onbekend zijn dat bij ontstentenis van een (Belgische) arbeidsongevallenverzekering, de werkgever niet persoonlijk kan aangesproken worden door het slachtoffer van een arbeidsongeval. Een vordering die u tegen mijn cliënte zou instellen, zal ik dan ook moeten beschouwen als tergend en roekeloos. Ik wil tenslotte nog "klaar en ondubbelzinnig" antwoorden op de vraag die u formuleerde in uw brief van 1 april jl. De verzekeraar die in deze zaak tussenkomst verleent, is Zorgverzekeraar VGZ. Het arbeidsongeval van uw cliënte werd volledig en zonder enig voorbehoud van harentwege naar Nederlands recht geregeld. Zoals mijn cliënte in haar brief van 17 maart jl. volledig correct opmerkte, kan u het haar toch niet ten laste leggen dat er verschillen zijn tussen de regeling van een arbeidsongeval naar Nederlands recht en naar Belgisch recht. Enkel volledigheidshalve kan ik u nog wel mededelen dat mijn cliënte wel een Belgische arbeidsongevallenverzekeraar heeft omdat zij ook personeel heeft dat onder de Belgische sociale zekerheid valt. Die verzekeraar kan uiteraard niet tussenkomen voor het arbeidsongeval van uw cliënte, aangezien dat volgens Nederlands recht geregeld is en ook geregeld moest worden. Ik hoop dat ik hiermee namens mijn cliënte alle onduidelijkheden uit de weg geholpen heb en dat de zaak dan ook als afgehandeld beschouwd kan worden." Op basis van die op het ogenblik bestaande gegevens werd een aanvang genomen met de procedure. Vooreerst heeft de raadsman van appellante op 31 maart 2000 de N.V. D V (thans I N.V., eerste beroepene) aangetekend in kennis gesteld van het verkeersongeval welk haar was overkomen op 2 april 1997, daarbij vermeldend dat dit ongeval gebeurde toen zij in dienst was van de firma N.V. P en P. Onmiddellijk nadien, op 3 april 2000, werden op verzoek van beroepster zowel D V N.V. als wel het FAO gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Hasselt teneinde beide gedaagden, ofwel de ene bij gebreke aan de andere, te horen veroordelen om aan de aanleggende partij de voordelen toe te kennen conform de Belgische arbeidsongevallenwetgeving. Het FAO (tweede beroepene), dagvaardde nadien op 25 juli 2002 de N.V. P en P Bis (thans de N.V. 2W, derde geïntimeerde in gedwongen tussenkomst). Nadat de arbeidsrechtbank te Hasselt bij tussenvonnis van 18 februari 2003 een tussenmaatregel had bevolen werd bij eindvonnis van 2 juni 2003 de vordering van aanleggende partij (nu appellante) laattijdig verklaard wegens ingetreden verjaring vóór de dagvaarding. Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 25 september 2003 heeft het slachtoffer E H tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, teneinde " " Opnieuw rechtdoende de vordering van verzoekster opzichtens gedaagden in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens eerste gedaagde in beroep, als arbeidsongevallenverzekeraar bij wie de gewezen werkgever N.V. P and P bis van aanlegster een desbetreffende polis voor andere personeelsleden zou hebben onderschreven, alsook en voor zoveel als nodig, en overeenkomstig art.58 van de Arbeidsongevallenwet, tweede gedaagde in hoger beroep - minstens de ene bij gebreke van de andere - te veroordelen tot betaling van de gebruikelijke vergoedingen zoals verschuldigd conform de Belgische Arbeidsongevallenwetgeving alsmede de medische kosten. Omtrent het basisloon van verzoekster voorbehoud te verlenen. Tenslotte alvorens recht te doen een geneesheer - deskundige aan te stellen met als opdracht om afzonderlijk haar loutere fysische arbeidsongeschiktheid na te gaan, zowel tijdelijke als blijvende alsmede de economische arbeidsongeschiktheid, nl. de definitieve gevolgen van het ongeval op de algemene arbeidsmarkt, rekeninghoudend met haar leeftijd, beroepsopleiding en aanpassingmogelijkheden aan de algemene arbeidsmarkt. Verder dient deze geneesheer te zeggen:
- a)of het mogelijk is met zekerheid te voorzien of een evolutie in de fysieke toestand van de getroffene noodzakelijkerwijze zal intreden;
- b)in bevestigend geval, welke deze wijziging met al haar elementen(graad) zal zijn en op welke datum zij zich zal voordoen;
- c)of deze wijziging enige invloed zal hebben op de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid en zo ja,welk?
- d)of bij de vaststellingen van de huidige graad van arbeidsongeschiktheid rekening werd gehouden met de toekomstige en zekere evolutie. Gedaagden in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van beide instanties." De wetsverzekeraar, eerste beroepene, zowel als het FAO, tweede beroepene, verzoeken het hoger beroep als ongegrond af te wijzen. De voormalige werkgever, derde beroepene in deze stand van het geding, postuleert de tegen haar gestelde tussenvordering als onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en haar buiten zake te stellen, daarbij de aanleggende partij in deze tussenvordering (FAO) te veroordelen tot de kosten van het geding. Alle beroepenen zijn de mening toegedaan dat bovendien niet de Belgische arbeidsongevallenverzekeraar doch wel het Nederlands recht toepassing vindt. Toepassing makend van de Europese verwijzingsregels in de Verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971, is door getroffene niet of nog niet aangetoond dat de Belgische arbeidsongevallenwetgeving toepassing zou vinden. BEOORDELING: Er dienen zich verschillende vragen aan welke een beantwoording vergen. A. Het vraagstuk "Toepasselijkheid van de arbeidsongevallenwet" Het openbaar ministerie stelde daaromtrent met haar advies, neergelegd ter zitting van 23 december 2005 als volgt: "Het toepassingsgebied van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 valt in principe samen met dat van het sociaal zekerheidsstelsel voor werknemers. Artikel 1 van de Arbeidsongevallenwet bepaalt uitdrukkelijk dat: " Deze wet vindt toepassing op alle personen die als werkgever,werknemer of daarmee gelijkgestelde, geheel of gedeeltelijk vallen onder: 1° de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944, betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. De bepalingen van de Arbeidsongevallenwet betreffende het toepassingsgebied, de vaststelling van de schade en het wettelijk forfaitair systeem zijn van openbare orde. Elke overeenkomst strijdig met de bepalingen van de Arbeidsongevallenwet is van rechtswege nietig. De rechter ziet bij de uitspraak over de rechten van de getroffenen en zijn rechthebbenden ambtshalve na of de bepalingen van deze wet nageleefd worden (artikel 6,,§,§2 en 3 A.O.W.) Ook de bepalingen van de R.S.Z.-Wet en zijn Uitvoeringsbesluit die de toegang tot de sociale zekerheid voor werknemers beheersen, raken de openbare orde. De bodemrechter dient dan ook ambtshalve te onderzoeken of deze wetten toepassing kunnen vinden op een hem voorgelegde casus, ook al hebben partijen hieromtrent geen uitdrukkelijke betwisting gevoerd. Bijzonder relevant voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet is het gehele contentieux over het bestaan van een arbeidsovereenkomst en over de aflijning van het toepassingsgebied van de sociale zekerheid voor werknemers. Essentieel richt het sociale zekerheidsrecht zich voor wat het afbakenen van zijn toepassingsgebied betreft dus op het arbeidsrecht, niet omgekeerd. Bepalend is evenwel het bestaan van een arbeidsovereenkomst, niet de toepasselijkheid van de arbeidsovereenkomstenwet. Appellante sloot met derde geïntimeerde op 13 januari 1997 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd af als besteller-leveraar. Betreffende de arbeidsprestaties werd er uitdrukkelijk gestipuleerd dat: 1. appellante uitsluitend over het gehele grondgebied van Nederland is tewerkgesteld; 2. appellante in geen geval enige arbeidsprestatie zal leveren op Belgisch grondgebied, behoudens met een uitdrukkelijke en geschreven opdracht van derde geïntimeerde. De vraag stelt zich of appellante in België, d.w.z buiten de arbeidsprestaties in Nederland, al dan niet verbonden was door een arbeidsovereenkomst met derde geïntimeerde. Van nu af aan kan reeds worden gesteld dat appellante door de uitgewerkte regeling in de arbeidsovereenkomst zou terechtkomen in een situatie dat zij niet sociaal verzekerd zou zijn in België, hetgeen totaal indruist tegen de sociale belangen van appellante. Er kan immers ook een overeenkomst bestaan die niet onder de Arbeidsovereen-komstenwet valt, maar die desalniettemin het verrichten van beloonde arbeid in ondergeschikt verband tot voorwerp heeft en derhalve een arbeidsovereenkomst is. Bij het beoordelen van het bestaan van een gezagsverhouding, essentieel element van de arbeidsovereenkomst, dient de rechter ten gronde de feitelijke toestand te onderzoeken aan de hand van alle feitelijke elementen van de zaak. Het kwalificeren van de rechtsverhouding tussen partijen blijft finaal het exclusieve domein van de rechter. Het wordt niet betwist dat appellante woont te Hasselt, dat zij bij derde geïntimeerde in Tongeren goederen moest ophalen, die dienden geleverd te worden in Nederland. De tijd gedurende dewelke appellante bij het verlaten van haar woning te Hasselt, om naar Tongeren te rijden tot op het ogenblik dat zij de Belgisch-Nederlandse grens verliet om in Nederland arbeidsprestaties te leveren, was appellante wel degelijk gedurende de hele periode onder het gezag van haar werkgever, derde geïntimeerde. In beginsel staat de werknemer onder het gezag van de werkgever zolang hij ten gevolge van het verrichten van arbeid in zijn persoonlijke vrijheid wordt beperkt. De gezagverhouding is derhalve niet noodzakelijk binnen de arbeidstijd besloten en de uitvoering van de arbeidsovereenkomst valt derhalve niet steeds samen met het eigenlijk verrichten van arbeid. De gezagsverhouding, als kenmerk van de arbeidsovereenkomst, bestaat zodra iemand in feite gezag kan hebben over andermans handelingen. Het gezag van de werkgever kan werkelijk of virtueel zijn. Er is niet vereist dat de werkgever het gezag effectief uitoefende. Het volstaat dat hij daartoe de loutere mogelijkheid had, ongeacht of hij deze benutte of niet. Hieruit volgt dat appellante op het ogenblik dat het verkeersongeval zich voordeed op 2 april 1997 wel degelijk verbonden was met een Belgische arbeidsovereenkomst met derde geïntimeerde. De overwegingen van partijen of het Belgisch dan wel het Nederlands arbeidsovereenkomstenrecht en of het de vergoedingen naar aanleiding van het ongeval naar Nederlands dan wel naar Belgisch recht geregeld worden, is ter zake niet meer dienend." Partijen hebben daarop uitvoerig met conclusies gerepliceerd. Verder adviseerde het openbaar ministerie omtrent de begripsomschrijving van het ongeval: "Kan het verkeersongeval aan appellante overkomen te Diepenbeek op 2 april 1997 als "een arbeidswegongeval"dan wel als "een ongeval tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst" worden omschreven? Voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet wordt als arbeidsongeval aangezien elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt. Het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst wordt, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst (artikel 7 A.O.W.) Volgens de Eerste-advocaat-generaal J.F. LECLERCQ is het criterium voor de begripsomschrijving van het ongeval het feit dat de werknemer die een opdracht vervult, in algemene regel, moet worden beschermd gedurende de gehele periode waarin hij onder het gezag van de werkgever staat, ongeacht de specifieke gevallen waarin dat gezag wordt uitgeoefend en dus ook op de terugweg, tenzij de werkgever aantoont dat de werknemer op het ogenblik van het ongeval op de terugweg zijn onafhankelijkheid had teruggevonden om een zuiver persoonlijk nut of genoegen na te streven dat dus geen verband houdt met het werk. Voor appellante begon de uitvoering van de arbeidsovereenkomst op het ogenblik dat zij haar woonplaats te Hasselt verliet en de uitvoering duurde voort op het ogenblik dat zij te Diepenbeek betrokken was in het verkeersongeval. De verplaatsing vanuit het bedrijf van derde geïntimeerde te Tongeren naar Nederland maakte noodzakelijk deel uit van de opdracht van derde geïntimeerde. Volgens de arbeidsovereenkomst diende appellante uit Tongeren te vertrekken om "in opdracht " van derde geïntimeerde arbeidsprestaties te leveren over het gehele grondgebied van Nederland. Aangezien derde geïntimeerde thans niet aantoont dat appellante op het ogenblik van het verkeersongeval niet onder zijn gezag stond, wordt het verkeersongeval dan ook als 'een ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst' gekwalificeerd, zoals bepaald in artikel 7 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971." Het komt evenwel aan het hof voor dat er blijkbaar tussen alle partijen een consensus is dat het slachtoffer op het ogenblik van het ongeval in dienst was van derde beroepene, dat zij op weg was van de uitbatingszetel van het bedrijf naar haar werk toe, zodat er sprake is van een arbeidsongeval, minstens arbeidswegongeval. Er is alleen verschil van mening over het toepasselijke recht en welke juridische gevolgen deze beide mogelijke toepasselijke wetgevingen kunnen hebben. B. Omtrent de ingeroepen verjaring, ingetreden naar Belgisch recht: Het hof neemt aan dat appellante de verplaatsingen over Belgisch grondgebied van haar woonplaats naar Tongeren en verder naar Nederland bij gelegenheid van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ook deed in opdracht van derde beroepene en dat deze laatste niet aantoont dat beroepster inderdaad niet aantoont dat het slachtoffer niet onder het gezag van de werkgever stond op dat ogenblik, zodat het ongeval alleszins is overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (hetgeen overigens onbetwistbaar is). Het is derhalve niet zo dat de feitelijke omstandigheden van tewerkstelling (woonplaats, plaats van de uitbatingszetel) risico tijdens verplaatsingen naar de plaats van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst een soort niemandsland zou in het leven roepen, een vacuüm in risicodekking, een onmogelijkheid om zich terzake de risicodekking naar een der twee mogelijke toepasselijke wetgevingen uit de socialezekerheidsstelsels te gedragen. Het is ook niet aanvaardbaar dat de naar Belgisch arbeidsongevallenrecht ingestelde wettelijke regeling terzake de aangifteplicht van het arbeidsongeval door de werkgever, het wettelijk systeem van de ingestelde verjaring zou kunnen uitschakelen. De aangifteplicht is een principiële plicht waaraan de wetgever concrete vormgeving heeft verstrekt doch zulks neemt niet weg dat het slachtoffer indien deze de uitbetaling van de wettelijke vergoedingen inzake arbeidsongevallen wil benaarstigen en deze wil veilig stellen, zulks moet doen binnen een redelijke termijn. Krachtens artikel 69, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 verjaart de rechtsvordering tot betaling van vergoedingen na drie jaar. Voormelde regel raakt de openbare orde, zodat een afstand van een verkregen verjaring geen uitwerking kan hebben. De driejaarlijkse verjaringstermijn vangt aan op het ogenblik dat een recht op vergoeding ontstaat, dit is op de dag waarop de eerste arbeidsongeschiktheid aanvangt In onderhavig geschil is dat de datum van het verkeersongeval op 2 april 1997. Op 3 april 2000 dagvaardde appellante de arbeidsongevallenverzekeraar van haar werkgever (thans eerste geïntimeerde), alsmede het FAO (thans tweede geïntimeerde) voor de Arbeidsrechtbank te Hasselt. Zonder stuiting van de lopende verjaringstermijn is de vordering van appellante inderdaad verjaard. De vraag stelt zich of de verjaring regelmatig werd gestuit? De wijze van schorsing en stuiting van de verjaringstermijn bepaald door artikel 70 van de Arbeidsongevallenwet, geldt voor elke vordering waarvan de verjaring geregeld wordt door artikel 69 van deze wet. De verjaringen kunnen bovendien worden gestuit door een ter post aangetekende brief of door een rechtsvordering tot betaling wegens het arbeidsongeval, gesteund op een andere rechtsgrond. Artikel 70 wijkt af van de gemene rechtsregelen moet dus beperkend worden uitgelegd en vaardigt een stuitingsvorm uit ten voordele van de getroffene. Er is lang een betwisting tussen partijen geweest van het bestaan van een aangetekende brief aan de wetsverzekeraar, welke zou dateren van 31 maart 2000. De briefwisseling welke appellante zelf en haar raadsman aan de voormalige werkgever richtte in de jaren 1998 en 1999 kunnen op de verjaringstermijn voor dit jaar geen stuitende werking hebben voorzover het de belangen van de wetsverzekeraar of het Fonds voor Arbeidsongevallen aangaat. De werkgever kan immers volgens het Belgisch arbeidsongevallenverzekeringsrecht door het slachtoffer niet worden aangesproken ter vergoeding van diens schade, voorkomend uit een arbeidsongeval. Indien de Belgische arbeidsongevallenverzekering haar toepassing zou vinden (zie evenwel infra) dan kan appellante haar voormalige werkgever, derde geïntimeerde, niet ter vergoeding aanspreken. Daaruit volgt dat de briefwisseling gericht aan een niet-debiteur ook geen verjaring (ingesteld bij Belgische wetgeving) kan stuiten opzichtens een eventuele debiteur. Thans brengt appellante een afgiftebewijs bij van een aangetekende brief door de post afgestempeld op vrijdag 31 maart 2000, hetgeen een geldige stuitingsdaad zou betekenen. Eerste geïntimeerde houdt echter voor dat hij pas ten vroegste op maandag 3 april 2000 de aangetekende brief kon hebben ontvangen, zijnde de datum van de inleidende dagvaarding, 3 april 2000. Vóór de wijziging van artikel 70 van de Arbeidsongevallenwet door artikel 109 van de Wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, moest de aangetekende brief vergezeld zijn van een ontvangstbewijs. Na voormelde wetswijziging werden de woorden "met ontvangstbewijs " geschrapt. De Arbeidsongevallenwet is in eerste instantie een bescherming voor het slachtoffer van een arbeidsongeval, zodat de gestelde stuitingsregel minstens ten opzichte van deze laatste soepel moet worden opgevat. De stuitingsdaad dient te gebeuren "door een ter post aangetekende brief". Die omschrijving impliceert op zich minstens twee handelingen: die waarbij de informatie wordt vastgelegd in een brief en vervolgens die waarbij het nodige wordt gedaan om die informatie bij de bestemmeling te brengen, namelijk het posten van de brief. Het verzenden van een aangetekende brief is een loutere voorzorgsmaatregel die de gevolgen niet heeft van een betekening of een kennisgeving zoals gedefinieerd in artikel 32 van het Gerechtelijk Wetboek waarin sprake is van een akte van rechtspleging of deurwaardersexploot zoals in het Gerechtelijk Wetboek wordt verstaan. De datum van toezending van een brief is niet de datum van aanbieding of van ontvangst ervan. Nu de brief van appellante ter post afgestempeld werd op 31 maart 2000 en gericht aan eerste geïntimeerde, de arbeidsongevallenverzekeraar van de werkgever binnen de drie jaar na het verkeersongeval op 2 april 1997, werd de verjaringstermijn regelmatig en wettelijk gestuit. De rechtsvordering van appellante tot betaling van de bij de Arbeidsongevallenwet bepaalde vergoedingen gesteld tegen eerste geïntimeerde is dus niet verjaard. Zulks alles onder voorbehoud van de toepasselijkheid van het Belgisch recht. Derde geïntimeerde werpt eveneens op dat appellante nagelaten heeft de brief van 31 maart 2000 ook aan tweede geïntimeerde (F.A.O.) te richten met als gevolg dat ten aanzien van tweede geïntimeerde geen stuitingsdaad werd gesteld, zodat de dagvaarding van 3 april 2000 aan tweede geïntimeerde betekend laattijdig was, en derhalve verjaard. Inderdaad, artikel 70 A.O.W. bepaalt dat de verjaring van de rechtsvordering tot betaling van vergoedingen kan worden gestuit door een ter post aangetekende brief. Dat de aangetekende brief de stuiting enkel tot gevolg kan hebben als hij gericht wordt aan de schuldenaar van de vergoedingen. Het aangetekend schrijven van 31 maart 2000 werd enkel verzonden aan de wetsverzekeraar en geldt niet als stuitingsdaad t.a.v. het FAO. Enkel de dagvaarding van 3 april 1997 kan opzichtens het FAO als mogelijke verjaringsstuiting gelden doch in casu niet gezien ondertussen de verjaring was ingetreden. Appellante kan zodoende nog enkel de arbeidsongevallenverzekeraar aanspreken, doch deze werpt op dat, naar Belgisch recht, zij aan haar wettelijke verplichtingen heeft voldaan, te weten dat zij voor verzekering heeft gezorgd, zowel voor het gehele bediendenpersoneel als wel alle arbeiders was de werkgever, zulks op aangifte en vraag van derde beroepene. Appellante hoorde gewoon niet thuis in het Belgisch personeelsbestand en de risicoverzekering ervan werd ook door het Nederlands recht geregeld met de daartoe geëigende socialezekerheidsinstellingen, zoals contractueel door beroepster geregeld en aanvaard. Appellante heeft immers haar vergoedingen bekomen op basis van het Nederlands socialezekerheidsrecht; zulks werd contractueel vastgelegd vóór enig ongeval en nadien werd het als zodanig uitgevoerd en aanvaard. De inleidende dagvaarding van 3 april 2000 heeft derhalve alleen de dagvaardingstermijn opzichtens de wetsverzekeraar gestuit en niet deze opzichtens het FAO. De vordering tegen het FAO is zodoende verjaard. Er is een samenloop tussen de voordelen uit het Belgisch arbeidsongevallenrecht en het Nederlands recht. Krachtens artikel 49 van de Arbeidsongevallenwet is de werkgever verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming. De werkgever van appellante, derde geïntimeerde (thans NV. 2W), beschikte sedert 1994 bij de N.V. DV, voorganger van eerste geïntimeerde, wel over een polis arbeidsongevallen, zowel voor het risico arbeiders (polis nr. 41A0063450) als voor het risico bedienden (polis nr. 41B0063450) (stuk1 bundel tweede geïntimeerde F.AO.) De verzekeraar dekt alle bij de artikelen 7 en 8 vastgestelde risico's voor alle werknemers in dienst van een werkgever en voor alle werkzaamheden waarvoor zij door die werkgever zijn tewerkgesteld. (artikel 49, lid 7 A.O.W. zoals de tekst luidde op het ogenblik van het ongeval op 2 april 1997) De omvang van de prestaties waarop de getroffenen van een arbeidsongeval recht heeft wordt omschreven in de wet en de uitvoeringsbesluiten, niet in het verzekeringscontract. De reglementering is bovendien van openbare orde, zodat de betrokken partijen onderling niet anders kunnen bedingen. Sinds het K.B. van 6 december 1978 waarbij het beginsel van eenheid van verzekering werd ingevoerd, is een beperkende omschrijving in de polis van de verzekerde activiteiten niet langer tegenstelbaar aan het slachtoffer. Vermits niet meer wordt betwist dat derde geïntimeerde, thans N.V.2W, een (Belgische) arbeidsongevallenverzekering had afgesloten met eerste geïntimeerde, thans N.V.I, zou eerste geïntimeerde appellante schadeloos stellen voor de vastgestelde risico's waaraan zij werd blootgesteld ten gevolge van het ongeval van 2 april 1997, weze het niet dat er samenloop is met een andere buitenlandse wetgeving. Hieruit volgt dat appellante zich niet kon richten tot derde geïntimeerde, het F.A.O., voor het verkrijgen van een schadeloosstelling op grond van artikel 58,,§1,3° A.O.W. vermits dit artikel enkel van toepassing is indien de werkgever geen verzekering heeft afgesloten zoals bepaald in artikel 48 A.O.W. De vordering opzichtens het FAO is ook derhalve alleszins ongegrond. Zulks brengt met zich mee dat elke vordering van het FAO in tussenkomst ook als onontvankelijk, minstens ongegrond dient afgewezen. Het Fonds voor arbeidsongevallen, tweede geïntimeerde, dagvaardde op 25 juli 2002 de N.V. P&PBIS in gedwongen tussenkomst voor de arbeidsrechtbank te Hasselt in het geding aanhangig tussen mevrouw E H en de N.V. I en het F.AO. teneinde het tussen te komen vonnis tegenstelbaar te horen verklaren. Tweede geïntimeerde motiveerde de gedwongen tussenkomst als volgt: " In zoverre de arbeidsrechtbank zou oordelen dat mevrouw E H op 2 april 1997 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval en verzoeker het ongeval met toepassing van artikel 58,,§1,3° AOW ten laste moet nemen, gedaagde met toepassing van artikel 60 AOW te horen veroordelen om aan verzoeker de aan mevrouw E H betaalde uitkeringen terug te betalen, zowel in hoofdsom, als intresten en kosten, vordering voorlopig beraamd op 1,00 EURO provisioneel. Gedaagde in dat geval tevens, met toepassing van artikel 50 AOW, te horen veroordelen tot de bijdragen wegens ambtshalve aansluiting, voorlopig begroot op 1,00 EURO provisioneel.(...)" C. Welk recht is van toepassing? Om na te gaan of het kwestieuze ongeval van 2 april 1997 voldoet aan de wettelijke criteria van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 moet vooraf worden uitgemaakt of die wet wel toepassing vindt, dus welke nationale wetgeving toepassing vindt en dit vraagstuk moet worden beoordeeld op grond van de Europese aanwijzingsregels waarin de Verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971 voorziet. Dat een hogere uitkering waarin de rechtsregels van het woonland voorziet of betere bescherming tegen de gevolgen van een ongeval op de weg van of naar het werk, is onvoldoende om de verwijzingsregels niet toe te passen. Volgens de algemene, vastgelegd in artikel 13, lid 1 en lid 2
- a)en
- b)van de Verordening nr 1408/71 valt hij die op het grondgebied van een Lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, onder het stelsel van de Lidstaat op het grondgebied waarvan hij werkt, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of de domicilie van zijn werkgever zich bevindt op het grondgebied van een andere Lidstaat. Op deze algemene regel bestaan een aantal uitzonderingen. Zo bepaalt artikel 14, lid 2,
- b)
- i)van dezelfde verordening dat op degene die op het grondgebied van twee of meer Lidstaten werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van de woonstaat van toepassing is indien zij een deel van haar werkzaamheden op dit grondgebied uitoefenen. Het feit dat het verkeersongeval zich heeft voorgedaan in België is geen geldig beoordelingscriterium vermits artikel 56 van de Verordening immers bepaalt dat het ongeval op weg van en naar het werk dat op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lidstaat heeft plaats gevonden, geacht wordt op het grondgebied van de bevoegde Lidstaat te hebben plaats gevonden. Welke gegevens liggen dan wel voor? - Op 28 juni 2000 werd de heer P B, zaakvoerder van de N.V. P & P verhoord door de inspectiedienst van het FAO. Hij verklaarde het volgende:" (...) Ik kan U alleen het volgende vertellen. E had een arbeidsovereenkomst met P & P afdeling Nederland. Haar opdracht bestond er uitsluitend in het bezoeken van Nederlandse klanten met de bedoeling goederen af te leveren. Zij leverde geen arbeidsprestaties in België. Gezien in Nederland slechts een uitbating is zonder vaste inrichting en E zelf ook in België woont, kwam zij op het adres van P & P in Tongeren haar goederen ophalen. Haar arbeidsprestaties echter begonnen pas in Nederland. Zij moest niet deelnemen aan vergaderingen hier in België. Haar taak bestond uitsluitend uit leveren van goederen in Nederland." (stuk 7 bundel appellante) - Op 28 november 2000 werd appellante verhoord. Zij verklaarde: " Ik leg deze verklaring af als voormalig werkneemster van de N.V P EN P bis met maatschappelijke zetel te Tongeren. Ik werkte er sedert 14.01.1997 als verdeler. Mijn taak bestond eruit klanten te bevoorraden van dozen snoepgoed. Elke morgen diende ik mijn bedrijfswagen op te halen op de maatschappelijke zetel van P EN P NV.bis. Van daaruit vertrok ik elke morgen richting Nederland. Mijn cliënteel bevond zich uitsluitend in Nederland. Alle contacten met de firma en dus ook de werkgever verliepen in België. Na het bedienen van het cliënteel in Nederland keerde ik dagelijks terug naar Tongeren om nieuwe producten in te laden en mijn prestaties van de dag te overlopen met L, voormalig werkneemster van P EN P NV.bis. Ik ben nooit in het bedrijf in Nederland geweest. Volgens mij bestaat er niets in Nederland. Op mijn loonbriefjes staat het adres van Tongeren vermeld. I, sociaal secretariaat in Nederland geeft als adres voor P EN P Divisie Nederland, eveneens te Tongeren op. Op 02.04.1997 vertrok ik vanuit Tongeren, met de wagen van P EN P NV.bis, naar de streek rond Eindhoven. Ik reed van Tongeren richting Diepenbeek om zo in Hasselt de baan richting Eindhoven te nemen. In Diepenbeek kreeg ik een auto-ongeval waarbij ik (vervolg van mijn verklaring vindt u op de volgende bladzijde) verscheidene zware letsels liep o.a. een gebroken halswervel. Ik denk dat het ziekenhuis de werkgever inlichtte van het ongeval. De werkgever deed nooit aangifte bij zijn verzekeraar. De enige personen die kunnen bevestigen dat ik de bedrijfswagen en de goederen in Tongeren moest ophalen zijn enkele collega's en bovenvernoemde L. L was een soort van personeelsverantwoordelijke bij wie je op het einde van de dag moest komen om de bezochte klanten samen te overlopen. L controleerde eveneens met aantal dozen snoepgoed dat in- en uitgeladen werd." ( bijlage stuk 7 bundel appellante) Het hof kan wel aanvaarden dat appellante enige, doch geringe, tijd besteedde aan haar werk op Belgisch grondgebied, nl. het inladen of ophalen van snoepgoed en de bedrijfswagen; veel besprekingen kunnen daarbij niet geweest zijn, gezien beroepster elke morgen de volgeladen bestelwagen in Tongeren moest afhalen. Deze zal dan waarschijnlijk al geladen zijn geweest. De arbeidsovereenkomst voorziet uitdrukkelijk dat beroepster enkel in Nederland haar beroepsactiviteit moest uitoefenen; zij werd in Nederlandse guldens uitbetaald, de sociale zekerheid werd ook volgens Nederlands recht geregeld en daarvoor werden bijdragen betaald aan I. De loondoorbetalingswet werd ook in beroepsters geval toegepast en beroepster kreeg uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsvergoedingen op grond van de Nederlandse ziektewet (70 % van het loon) door I (zie beroepsters syntheseconclusies blz. 3) en ook terugbetaling van de medische kosten. Deze vergoedingen of terugbetalingen werden zonder enig voorbehoud door beroepster aanvaard, reden ook waarom zij in België nooit aangifte deed van het arbeidsongeval en erop vertrouwde, in toepassing van de contractueel vastgelegde verbintenissen, dat het Nederlands recht van toepassing was. I heeft in uitvoering van deze contractuele voorzieningen, zonder enig voorbehoud uitbetaald, is enkel de wettelijke verplichtingen nagekomen, kan ook niets meer terugvorderen; beroepster kan niet worden aangesproken ter terugbetaling van gelijk wat, heeft de gedane uitbetalingen definitief verworven. Nadat op initiatief van appellante een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst (zie stuk II, 3 van derde beroepene) op een ogenblik dat appellante haar werk reeds geruime tijd had hervat, is er tussen appellante en derde beroepene een soort dading tot stand gekomen, waarin appellante nogmaals bevestigde dat zij uitsluitend op Nederlands grondgebied tewerkgesteld was. (zie stuk II/4 van derde beroepene) Derde beroepene heeft aan al haar wettelijke verplichtingen voldaan, voor haar Belgisch personeel, tewerkgesteld in België, zowel voor alle bedienden als wel arbeiders, werd een arbeidsongevallenverzekering afgesloten bij eerste beroepene. Voor het enige personeelslid welk werkzaam was in Nederland, werden de nodige bijdragen betaald in het kader van de Nederlandse ziekteverzekering aan de bevoegde Nederlandse socialezekerheidsinstantie. Terecht merkt derde beroepene dan ook op in haar aanvullende beroepsconclusie (stuk 30 van het gerechtsbundel) dat beweren dat het verkeersongeval waarvan appellante het slachtoffer werd, onder het Belgisch arbeidsongevallenrecht zou vallen, erop zou neerkomen dat geen enkele in België wonende maar in Nederland werkende werknemer nog onder de Nederlandse regelgeving zou kunnen vallen aangezien elke in België wonende maar in Nederland werkende werknemer naar zijn werk in Nederland dient te rijden. Er is nergens aangetoond en ook niet aantoonbaar dat appellante een essentieel deel van haar arbeidstaak in België uitvoerde. Haar beroepsbezigheden op Belgisch grondgebied beperkte zich tot het afhalen van de bedrijfswagen (met snoepgoed geladen) op de maatschappelijke zetel en uitbatingszetel te Tongeren, en aldaar (soms) besprekingen te hebben van geringe omvang. Appellante nam niet deel aan de werking van de administratie of bedrijfswerking gezien zij slechts een merchandiser was en haar arbeidstaak er zich toe beperkte snoepgoed af te leveren bij cliënteel op Nederlands grondgebied. De werkzaamheden welke beroepster had in België, haar woonland, waren slechts marginaal. Beroepster was dan ook te aanzien als een grensarbeidster. Het Belgisch arbeidsongevallenrecht vindt zodoende geen toepassing. Enkel het Nederlands recht dient toepasselijk verklaard. De werkgever heeft voldaan aan haar verplichtingen in het kader van de socialezekerheidsverbintenissen en heeft de nodige bijdragen betaald. Dientengevolge werd beroepster ook volgens Nederlands recht de nodige vergoedingen uitbetaald en zij toont niet aan dat zij nog lastens een Nederlands bevoegd orgaan, vorderingen kan stellen. Het beroep is bijgevolg alleszins ongegrond. D. De kosten: Eerste beroepene dient verwezen in de gerechtskosten van beroepster, deze van haarzelf, deze van het FAO en deze van derde beroepene. Voor wat aangaat de kosten in tussenkomst op last van het FAO, dient het Fonds zijn eigen kosten te dragen (artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek), met inbegrip van de kosten van de dagvaarding in tussenkomst. De kosten kunnen worden vereffend, zoals bepaald in het dispositief van onderhavig arrest. OP D I E G R O N D E N: Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, Zevende Kamer. Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer advocaat-generaal R. N., in de lezing van zijn schriftelijk advies ter zitting van 23 december 2006. Gezien de replieken van de partijen N.V. 2W, FAO en N.V. I. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en wijst appellante ervan af. Wijst de vordering van het FAO tegen derde beroepene af als onontvankelijk, minstens ongegrond. Veroordeelt eerste beroepene tot de kosten van het geding zoals gevallen opzichtens appellante, eerste beroepene zelf en tweede beroepene en vereffent deze als volgt bij gebreke aan een andere en concrete becijfering: - appellante: - 63,29 EUR + 57,83 EUR dagvaardingskosten; - 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg; - 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. - eerste beroepene: niet vereffend zijnde wegens de niet-indiening van een omstandige onkostenopgave. - tweede beroepene: - 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Laat aan tweede beroepene de kosten zoals gevallen opzichtens derde beroepene en vereffent deze voor derde beroepene op: - 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg; - 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van zes november tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061106.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div