← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061107.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061107.1 Rolnummer: 2005-0220;2005-0221 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-12-27 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-02 14:37 Fiches 1 - 2 De eerste rechter veroordeelde de vakbond om haar werkloze lid een materiële schadevergoeding (het verschil tussen de werkloosheidsuitkeringen waarop zij recht zou hebben gehad en de voorschotten op werkloosheidsuitkeringen die zij ontving van het O.C.M.W.) en een morele schadevergoeding te betalen wegens aansprakelijkheid op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek. Samen met de eerste rechter was het arbeidshof van oordeel dat de werkloze geen aanspraak kon maken op schadevergoeding voor de dagen dat zij de stempelcontrole niet volgde omdat zij geen rechtmatig belang aantoonde. Het arbeidshof kende evenwel geen morele schadevergoeding toe aan de werkloze. Het hof ging niet mee in de gedachtegang van de werkloze dat zij werd gestigmatiseerd door uitkeringen te ontvangen van het O.C.M.W. in plaats van de R.V.A. Volgens het hof schetst de werkloze een fout beeld van het O.C.M.W. door deze instelling te situeren in haar historisch verleden van liefdadigheid en armenzorg, een beeld dat niets gemeen heeft met de moderne maatschappelijke visie van de O.C.M.W.'s. Bovendien ontving de werkloze geen bestaansminimum, maar voorschotten op werkloosheidsuitkeringen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK Werkloosheid - aansprakelijkheid vakbond artikel 1382 Burgerlijk Wetboek - materiële en morele schade Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Aangifte en controle werkloosheidsperiodes - aansprakelijkheid vakbond artikel 1382 Burgerlijk Wetboek - materiële en morele schade Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 71 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 1382 en onder V A N - artikel 71 Annotaties Publicaties: SRK 2009 - nr. 3 - - blz. 151 - blz. 152 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2050220 en A.R. 2050221 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN NOVEMBER TWEE-DUIZEND EN ZES In de zaak A.R. 2050220: mevrouw P. L., appellante, eerste geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. D. F., advocaat te Antwerpen, tegen:

  1. het ALGEMEEN BELGISCH VAKVERBOND, met zetel gevestigd te 2060 Antwerpen, Van Arteveldestraat 20/22, eerste geïntimeerde, tweede geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. K. V. C. loco mr. E. V., advocaat te Antwerpen, en
  2. de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Keizers-laan 7, tweede geïntimeerde, appellant op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. F. I., advocaat te Antwerpen. En in de zaak A.R. 2050221: het ALGEMEEN BELGISCH VAKVERBOND, met zetel gevestigd te 2060 Antwerpen, Van Arteveldestraat 20/22, appellant, vertegenwoordigd door mr. K. V. C. loco mr. E. V., advocaat te Antwerpen, tegen: mevrouw P. L., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. D. F., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 13 april 2005, 10 mei 2006, 6 juni 2006 en 5 september
  3. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het tussenvonnis, op 11 januari 1999 uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het eensluidend verklaard afschrift van het tussenvonnis, op 21 juni 2004 uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het eensluidend verklaard afschrift van het eindvonnis, op 14 februari 2005 uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan partijen ter kennis ge-bracht bij gerechtsbrieven op 17 februari 2005; x het verzoekschrift tot hoger beroep voor P. L., neergelegd ter griffie van dit hof op 14 maart 2005 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 15 maart 2005 (A.R. 2050220); x het verzoekschrift tot hoger beroep voor het Algemeen Belgisch Vakver-bond, ontvangen ter griffie van dit hof op 15 maart 2005 en ter kennis ge-bracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 15 maart 2005 (A.R. 2050221); x de conclusies voor het Algemeen Belgisch Vakverbond, ontvangen ter griffie van dit hof op 11 april 2005; x de conclusies voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, ontvangen ter griffie van dit hof op 3 oktober 2005; x de conclusies voor P. L., neergelegd ter griffie van dit hof op 30 november 2005; x de conclusies voor het Algemeen Belgisch Vakverbond, per fax ontvangen ter griffie van dit hof op 21 december 2005; x de conclusies voor het Algemeen Belgisch Vakverbond, ontvangen ter griffie van dit hof op 23 december 2005; x de aanvullende conclusies voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, ont-vangen ter griffie van dit hof op 29 december 2005; x het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 5 september 2006, bij gerechtsbrief overeen-komstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 6 september
  4. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 6 juni
  5. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 14 maart 2005, te-kende P. L. hoger beroep aan tegen een (eind)vonnis van 14 februari 2005 (A.R. 280.098) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan P. L. ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 17 februari
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk. Met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit hof op 15 maart 2005, te-kende het Algemeen Belgisch Vakverbond hoger beroep aan tegen hetzelfde vonnis van 14 februari 2005 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 17 februari
  7. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk.
  8. Samenvoeging Met het oog op een goede rechtsbedeling worden beide hogere beroepen, die gericht zijn tegen hetzelfde vonnis, overeenkomstig artikel 30 van het Gerechte-lijk Wetboek samengevoegd.
  9. Feiten en voorafgaande procedure P. L. was tewerkgesteld van 11 februari 1992 tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 8 september
  10. Zij vroeg werkloosheidsuit-keringen aan. Haar werkgever liet na haar de nodige sociale documenten te be-zorgen. Na zijn veroordeling in afgifte ervan bezorgde hij de documenten aan P. L. op 4 april
  11. P. L. bood zich aan ter stempelcontrole van 8 september 1993 tot en met september 1994, van april 1996 tot en met december 1996 en van april 1997 tot en met januari
  12. Van het O.C.M.W. van Antwerpen ontving zij intussen voorschotten op de werkloosheidsuitkeringen vanaf september 1993 tot en met januari
  13. De directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, werkloosheidsbureau Antwerpen, besliste op 29 juli 1996, op grond van de artikelen 30, 32, 37, 38, 142, 144 en 146 van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloos-heidsreglementering, P. L. vanaf 25 april 1996 niet toe te laten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen. De directeur nam deze beslissing op grond van volgende overwegingen: "U vroeg op 25.04.1996 werkloosheidsuitkeringen aan. Op datum van uw aanvraag was u 35 jaar. Bijgevolg moet u 312 arbeidsdagen of hiermee gelijkgestelde dagen bewijzen in de referteperiode van 18 maanden voorafgaand aan uw aanvraag om uit-keringen (artikel 30, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). Deze referteperiode loopt voor u dus van 25/04/1996 tot de dag voor 25.04.
  14. In deze referteperiode bewijst u slechts 0 dagen. Tenslotte vervult u ook niet de voorwaarden van een hogere leeftijdsgroep (art. 30, 2de lid van bovenvermeld K.B.)." P. L. tekende hiertegen beroep aan bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 13 september
  15. Zij dagvaardde het Algemeen Belgisch Vakverbond in tussenkomst teneinde deze instelling, wegens nalatige houding en fouten, samen met de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere en ieder voor het geheel, te doen veroordelen tot betaling van een schadever-goeding gelijk aan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop zij zou gerechtigd zijn sedert 8 september 1993, alsmede een vergoeding voor morele schade, provisioneel begroot op 1.000.000 BEF (24 789,35 EUR), bedrag te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding en te vermeerderen met de vergoedende intresten sedert 8 september 1993 en de gerechtelijke in-tresten. De eerste rechters verklaarden in hun tussenvonnis van 11 januari 1999 (A.R. 280.098) de vordering ontvankelijk en gegrond als volgt: de administratieve beslissing van 29 juli 1996 werd vernietigd, er werd voor recht gezegd dat P. L. vanaf 8 september 1993 toelaatbaar diende verklaard te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen, het dossier werd opnieuw naar de diensten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening gezonden ter beoordeling van de toekenningsvoorwaarden van de werkloosheidsuitkeringen vanaf 8 september 1993, de aansprakelijkheid van het Algemeen Belgisch Vakverbond op basis van artikel 1382 B.W. werd weerhouden en er werd aan P. L. een schadevergoeding ten laste van het Algemeen Belgisch Vakverbond toege-wezen, provisioneel begroot op 1 BEF; de zaak werd desbetreffend naar de bij-zondere rol verzonden. Enkel de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tekende hiertegen hoger beroep aan met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 12 februari
  16. Bij conclusies van 5 augustus 1999 stelde P. L. incidenteel beroep in tegen de door de eerste rechters niet weerhouden aansprakelijkheid van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Bij arrest van 18 december 2001 verklaarde dit hof zowel het hoofdberoep als het incidenteel beroep niet toelaatbaar. Ondertussen had P. L. verhaal aangetekend bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie op 8 juni 1999 (A.R. 314.093), tegen een beslissing van 11 mei 1999 van de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te Antwerpen waarbij haar de hoedanigheid van deeltijds werknemer met behoud van rechten niet werd toegekend, evenmin als het genot van de inkomengarantie-uitkering. In het tussenvonnis van 21 juni 2004 werden de zaken met A.R. 280.098 en A.R. 314.093 samengevoegd onder het A.R. nr. 280.098 en werden de debatten heropend om partijen toe te laten een aantal gegevens en stukken bij te brengen. In hun eindvonnis van 14 februari 2005 verklaarden de eerste rechters de vor-dering van P. L. gegrond als volgt: ze veroordeelden het Algemeen Belgisch Vakverbond tot betaling aan P. L. van een materiële schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. t.b.v. 1 769,00 EUR, meer de intresten vanaf 13 september 1997, en een morele schadevergoeding, ex aequo et bono begroot op 5 000,00 EUR; akte werd genomen van het feit dat de bestreden beslissing van 11 mei 1999 werd herzien op 27 mei 2003 en dat hieromtrent tussen partijen geen verdere betwisting meer was, zodat dit deel van de vordering dan ook zonder voorwerp was geworden; er was ook geen reden om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd, in toepassing van artikel 1017, tweede lid, Ger. W., veroordeeld tot de kosten van P. L., en het Algemeen Belgisch Vakverbond tot de eigen gemaakte kosten. Zowel P. L. als het Algemeen Belgisch Vakverbond stelden hoger beroep in tegen dit vonnis met verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het arbeidshof resp. op 14 en 15 maart
  17. Eisen in hoger beroep P. L. vordert haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, haar hoger beroep en dit van het Algemeen Belgisch Vakverbond te voegen, het vonnis a quo teniet te doen in zoverre het, enerzijds, haar vordering tegen het Algemeen Belgisch Vakverbond, strekkende tot vergoeding van haar materiële schade, enkel gegrond verklaart voor de periode tijdens dewelke het bewijs van ondergane stempelcontrole wordt geleverd en, anderzijds, de morele schade ex aequo et bono begroot wordt op 5 000,00 EUR; opnieuw recht doende, het Algemeen Belgisch Vakverbond te veroordelen in betaling van een materiële schadevergoeding van 10 000,00 EUR provisioneel, bedrag nader te bepalen in de loop van het geding; minstens te zeggen voor recht dat het Algemeen Belgisch Vakverbond gehouden is tot vergoeding van de materiële schade gedurende de periode aanvangend op 8 september 1993 en eindigend op 27 mei 2003, onder aftrok van de sommen die haar werden uitbetaald door het O.C.M.W.; voor het overige het Algemeen Belgisch Vakverbond te veroorde-len in betaling van een morele schadevergoeding van 25 000,00 EUR definitief; in ondergeschikte orde, bij tussenarrest, vooraleer recht te spreken, haar per-soonlijke verschijning te bevelen en haar tevens toe te laten tot het getuigen-verhoor van haar kinderen, P. en A. D. W., beiden geïdentificeerd in het bundel, i.v.m. de levensomstandigheden bij haar na 8 september 1993 en de aanleiding van de beslissing om vervolgens bij hun vader te gaan wonen - feiten welke voldoende in tijd en ruimte gespecifieerd zijn; het tussen te komen arrest gemeen te verklaren aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en deze te veroordelen tot de kosten van het geding; recht doende op het hoger beroep aangetekend door het Algemeen Belgisch Vakverbond, dit ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en/of het Al-gemeen Belgisch Vakverbond solidair te veroordelen tot de kosten van het ge-ding. Het Algemeen Belgisch Vakverbond vordert, in de zaak A.R. 2050220, het ho-ger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; in de zaak A.R. 2050221, het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren het vonnis a quo te vernietigen en, opnieuw recht doende, de vordering van P. L. tot het bekomen van een morele schadevergoeding ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening alleszins te veroordelen tot de kosten van het geding. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vraagt buiten zake te worden gesteld en de kosten ten laste van P. L. en het Algemeen Belgisch Vakverbond te leggen.
  18. Ten gronde 5.
  19. Het Algemeen Belgisch Vakverbond werd bij tussenvonnis van 11 januari 1999 veroordeeld in betaling van een provisionele schadevergoeding van 1 BEF op grond van artikel 1382 B.W. Tevens werd P. L. toelaatbaar verklaard om aanspraak te maken op werkloosheidsuitkeringen. De eerste rechters verzonden het dossier wel terug naar de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ten einde te onderzoeken of P. L. aan de toekenningsvoorwaarden voldeed. Zoals verklaard onder punt 3 is deze veroordeling definitief geworden. Bij eindvonnis van 14 februari 2005 werd de materiële schadevergoeding vast-gesteld op 1 769,00 EUR, zijnde het verschil tussen het bedrag waarop P. L. recht zou hebben gehad aan werkloosheidsuitkeringen in de perioden waarin ze zich aanbood ter stempelcontrole en het bedrag dat ze als voorschotten op die werkloosheidsuitkeringen uitbetaald kreeg vanwege het O.C.M.W. van Antwerpen. Tevens werd een morele schadevergoeding toegewezen, ex aequo et bono begroot op 5 000,00 EUR. Aangezien het Algemeen Belgisch Vakverbond zijn aansprakelijkheid op grond van artikel 1382 B.W. niet betwist, beperkt de discussie zich tot de bepaling van de hoegrootheid van het bedrag aan schadevergoeding(en). 5.
  20. de materiële schadevergoeding P. L. vordert het Algemeen Belgisch Vakverbond te veroordelen tot een materiële schadevergoeding van 10 000,00 EUR provisioneel, bedrag nader te bepalen in de loop van het geding. Zij houdt voor dat de eerste rechters ten onrechte geen rekening hielden met de perioden tijdens dewelke ze geen stempelcontrole volgde. Haar materiële scha-de bestaat erin dat ze vergoed moet worden voor de ganse ononderbroken pe-riode van 8 september 1993 tot 27 mei 2003, dag waarop de beslissing van 11 mei 1999 door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd herzien. Dat ze niet altijd ging stempelen, zou op advies van het Algemeen Belgisch Vakver-bond zijn geweest. Samen met het openbaar ministerie is het hof van mening dat de eerste rechters de materiële schade correct hebben begroot. Het is niet omdat P. L. aan de toelaatbaarheidsvereisten voldoet om aanspraken te doen gelden op werkloosheidsuitkeringen, dat ze eveneens aan de toekenningsvoorwaarden van Titel II, hoofdstuk 3, van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering beantwoordt. Zo moet de werkloze zich ingevolge artikel 71 aanmelden op de werklozencontrole in de gemeente van zijn verblijfplaats, ten einde de werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Er wordt niet betwist dat P. L. zich enkel in de perioden van 8 september 1993 tot en met september 1994, van april 1996 tot en met december 1996 en van april 1997 tot en met januari 1999 heeft aangeboden ter stempelcontrole, zodat ze uitsluitend voor deze perioden gerechtigd was op uitkeringen lastens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Bij de begroting van de materiële schadevergoeding dient rekening te worden gehouden met de voorschotten die ze vanwege het O.C.M.W. van Antwerpen ontving in de betrokken perioden. De eerste rechters berekenden dat P. L. in die drie tijdspannen in totaal 28453,00 EUR aan voorschotten ontving van het O.C.M.W., terwijl ze in diezelfde perioden recht had op werkloosheidsuitkeringen t.b.v. 30 222,00 EUR. Het verschil tussen die twee bedragen beloopt 1 769,00 EUR. Deze cij-fers worden niet betwist. Het hof sluit zich samen met het openbaar ministerie aan bij het oordeel van de eerste rechters dat de materiële schade die door het Algemeen Belgisch Vakver-bond verschuldigd is beperkt is tot dat verschil van 1 769,00 EUR. In geen geval kan P. L. aanspraak maken op materiële schadevergoeding met betrekking tot de perioden waarin ze geen stempelcontrole volgde in strijd met de bepalingen van artikel 71 van het Werkloosheidsbesluit. Wanneer P. L. voorhoudt dat ze van de stempelcontrole afzag op aanraden van het Algemeen Belgisch Vakverbond, dan dient zij dit aan te tonen. Zij faalt echter in haar bewijslast. De toepasselijke werkloosheidsreglementering raakt de openbare orde. De rechter is verplicht het recht toe te passen op de feiten die hem door partijen worden voorgelegd, zodat hij in concreto dient na te gaan of de betrokkene krijgt waarop hij recht heeft, niet minder, maar ook niet meer; de rechter mag de vordering van de gerechtigde niet inwilligen wanneer deze niet aan alle wet-telijke vereisten voldoet, ook al laat het bestuur, in casu de Rijksdienst voor Ar-beidsvoorziening, dit niet gelden. (Concl. Adv.-gen. Lenaerts bij Cass., 18 juni 1984, R.W., 1984-85, 1022; Cass., 18 februari 1993, A.C., 1993, 202; Cass., 15 januari 1996, R.W., 4 mei 1996, 1234). Het hof kan niet anders dan vaststellen dat P. L. op bepaalde ogenblikken de stempelcontrole niet meer volgde om redenen die alleen aan haar bekend zijn. Zelfs in de veronderstelling dat het Algemeen Belgisch Vakverbond onzorgvul-dig zou hebben gehandeld en het vertrouwensbeginsel zou hebben geschonden, dan kan haar nooit uitkeringen worden toegekend waarop ze geen recht had. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten weliswaar het recht op rechtszekerheid in, maar de toepassing van die beginselen kan in de regel even-wel geen afwijking van de wet rechtvaardigen. (Cass., 29 november 2004, R.W., 2006-2007, 173). Het behoort ook niet tot de wettelijke taak van de Rijksdienst voor Arbeids-voorziening om te waken over de belangen van de werkloze. (Cass., 13 januari 1992, Soc.Kron., 1992, 292). Aangezien P. L. niet aantoont dat ze een rechtmatig belang heeft om aanspraak te maken op het genot van werkloosheidsuitkeringen zonder de stempelcontrole te volgen, kan zij deze uitkeringen ook niet bekomen via de omweg van een vordering op grond van artikel 1382 B.W. Samen met de eerste rechters en het openbaar ministerie is het hof van mening dat, vermits het belang van P. L., bij het behoud van het door haar verloren voordeel in de perioden dat ze de werklozencontrole niet volgde, niet rechtmatig is, ze geen aanspraak kan maken op een materiële schadevergoeding waarvan het bedrag hoger ligt dat wat de eerste rechters toekenden. Het hoger beroep van P. L. is ongegrond. 5.
  21. de morele schadevergoeding P. L. houdt voor dat een morele schadevergoeding verantwoord is omwille van het lijden van haar gezin onder de toestand, de jarenlange rechtsonzekerheid, de niet voor regularisatie vatbare perioden dat ze niet ging stempelen en de stigmatisering doordat ze zich genoodzaakt zag zich te wenden tot het O.C.M.W. voor voorschotten op de werkloosheidsuitkeringen. De eerste rechters volgden deze redenering en veroordeelden het Algemeen Bel-gisch Vakverbond in betaling van een morele schadevergoeding, ex aequo et bono begroot op 5 000,00 EUR. P. L. ziet het echter ruimer en vordert een bedrag van 25 000,00 EUR. Het Algemeen Belgisch Vakverbond betwist dat er in hoofde van P. L. sprake zou zijn van enige morele schade. Samen met het openbaar ministerie is het hof van mening dat geen morele scha-devergoeding verschuldigd is. P. L. draagt de bewijslast van haar geleden schade. Zij faalt daarin. Schade moet objectiveerbaar zijn en niet gesteund op loutere veronderstellin-gen. P. L. slaagt er niet in aan te tonen dat de aan het Algemeen Belgisch Vakverbond toerekenbare subjectieve fout ook nog eens diens aansprake-lijkheid met zich mee brengt voor beweerde geleden morele schade als gevolg van de stigmatisering omwille van het ontvangen van O.C.M.W.-uitkeringen als voorschotten, in plaats van werkloosheidsuitkeringen, en de nefaste weerslag daarvan op haar gezinsleven. Het hof ziet niet in waarom er een grotere stigmatisering zou uitgaan van het ontvangen van O.C.M.W.-uitkeringen dan van werkloosheidsuitkeringen. Het cijfermatig verschil tussen de ontvangen O.C.M.W.-voorschotten en de werkloosheidsuitkeringen die P. L. had moeten ontvangen is alvast verwaarloosbaar en maakt deel uit van de materiële schade zoals hierboven ver-klaard onder punt 5.
  22. Het is totaal misplaatst om zich heden ten dage te beroepen op een zogenaamde stigmatisering omwille van het feit dat men een poos afhankelijk is geweest van een O.C.M.W. Zo wordt ten onrechte een beeld gecreëerd van het O.C.M.W. dat aanleunt bij het historisch verleden van liefdadigheid en armen-zorg van de commissies van openbare onderstand, dat totaal niet beantwoordt aan de nieuwe en moderne maatschappelijke visie van de O.C.M.W.'s van na de totstandkoming van de organieke wet van 8 juli
  23. P. L. verliest tevens uit het oog dat het tot de wettelijke taak van de O.C.M.W.'s behoort om, in het kader van de maatschappelijke dienstverlening waartoe ze gehouden zijn, voorschotten op sociale zekerheidsuitkeringen te verstrekken indien zich financiële problemen bij de betrokkene voordoen. P. L. ontving overigens geen bestaansminimum, maar genoot van de loutere maandelijkse uitbetaling van voorschotten. Er bestaat bovendien ook niet de minste aanleiding om in te gaan op het aanbod van P. L. om haar kinderen aan een getuigenverhoor te onderwerpen ten einde haar morele schade te bewijzen. Het hof meent dat het moreel verwerpelijk is en pedagogisch totaal onverantwoord om kinderen aan een gerechtelijk verhoor te doen onderwerpen over hun "levensomstandigheden" en de reden waarom ze bij hun vader zijn gaan wonen elementen die alle relevantie missen in huidig geding -, met als enig doel er pecuniair voordeel uit te halen. Het hoger beroep van het Algemeen Belgisch Vakverbond is gegrond. 5.
  24. Aangezien geen vordering wordt geformuleerd tegen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, dient deze buiten zake te worden gesteld.
  25. de kosten Het voorwerp van huidige vordering in hoger beroep is het bekomen van een schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. ten laste van het Algemeen Belgisch Vakverbond. Artikel 1017, eerste lid, Ger. W., is van toepassing. Huidige vordering in schadevergoeding wordt niet ingesteld door of tegen een gerechtigde, zoals voorzien in artikel 578, 7°, Ger. W., zodat de in het ongelijk gestelde partij dient te wor-den veroordeeld tot de kosten. Bij incidenteel beroep vraagt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening artikel 1017, eerste lid, Ger. W., ook op de kosten voor de arbeidsrechtbank toe te pas-sen. Afgezien het gegeven dat de oorspronkelijke vorderingen wel onder artikel 578, 7°, Ger. W., vallen en artikel 1017, tweede lid, Ger. W., toepasselijk is, dient het incidenteel beroep niet toelaatbaar te worden verklaard daar de Rijks-dienst voor Arbeidsvoorziening buiten zake is gesteld. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer P. VAN DEN BON, advocaat-generaal, op de openbare terechtzitting van 5 september
  26. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Voegt de zaken A.R. 2050220 en A.R. 2050221 samen onder het A.R. nummer
  27. Stelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening buiten zake. Verklaart het incidenteel beroep van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening niet toelaatbaar. Verklaart het hoger beroep van P. L. ontvankelijk, doch ongegrond. Verklaart het hoger beroep van het Algemeen Belgisch Vakverbond ontvanke-lijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van 14 februari 2005 (A.R. 280.098) van de arbeidsrecht-bank te Antwerpen waar dit het Algemeen Belgisch Vakverbond veroordeelde tot een morele schadevergoeding. Bevestigt het vonnis voor het overige. Legt de kosten van de procedure in hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van P. L., door het Algemeen Belgisch Vakverbond begroot op 59,47 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift en 285,55 EUR rechtsplegingsvergoeding, en door het hof vereffend op 58,25 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift en 291,52 EUR rechts-plegingsvergoeding; de kosten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, be-groot op 237,98 EUR rechtsplegingsvergoeding, worden door het hof vereffend op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op zeven november tweeduizend en zes. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061107.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.