← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061108.25

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061108.25 Rolnummer: 2005-0538 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-04-06 Raadplegingen: 154 - laatst gezien 2026-07-02 14:38 Fiches 1 - 2 In de informele fase beperkt de rol van de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur zich ertoe de werknemer die zich over pestgedrag beklaagt te horen, hem op te vangen en bij te staan en, voor zover hij dit wenst, te trachten via bemiddeling een oplossing te bereiken. Tijdens deze informele fase moeten de vertouwenspersoon of de preventieadviseur geen verslag uitbrengen bij de werkgever, wat verklaart waarom de wetgever het niet nodig heeft geacht om de werknemer reeds in deze fase een bijzondere bescherming tegen ontslag te bieden. Het indienen van een met redenen omklede klacht maakt een einde aan de informele fase en, in voorkomend geval, meteen ook aan het optreden van de vertrouwenspersoon. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Vrije woorden: Arbeidsreglementering - welzijn op het werk - pesterijen op het werk - ontslagbescherming - interne procedure - onderscheid tussen informele en formele fase - III AB Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32nonies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Nota: Gerangschikt onder III AB - artikel 32 nonies en onder III AB - artikel 32 tredecies, §

  1. Vrije woorden: Arbeidsreglementering - welzijn op het werk - pesterijen op het werk - ontslagbescherming - interne procedure - onderscheid tussen informele en formele fase - III A B Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32tredecies, § 1 - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Koninklijk Besluit - 11-07-2002 - 10 - 32 ELI link Pub nr 2002012876 Nota: Gerangschikt onder III A B - artikel 32 nonies en onder III A B - artikel 32 tredecies, §
  2. Annotaties Publicaties: SRK 2008 - Paul BRASSEUR - 737-739 SRK 2008 - Paul BRASSEUR - blz. 737-739 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2050538 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES M.S., wonende te , appellant vertegenwoordigd door mevrouw N. Wens, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie, tegen : Geïntimeerde, met zetel gevestigd te, geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. H. Van Den Nieuwenhof, advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 28 juni
  3. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 6 september 2005, 28 juni 2006 en 27 september
  4. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 12 mei 2005 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen,waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep van de heer S ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 15 juli 2005; * de beschikking d.d. 11 oktober 2005 overeenkomstig artikel 747 Ger. W.; * de conclusie van de GEÏNTIMEERDE, hierna genoemd de GEÏNTIMEERDE ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 9 december 2005; * de conclusie van de heer S ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 10 februari 2006; * de tweede conclusie van de GEÏNTIMEERDE ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 9 maart 2006; * het advies van het openbaar ministerie neergelegd ter zitting van 27 september 2006; * de repliek van de heer S op het advies van het openbaar ministerie, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 4 oktober 2006; * het schrijven van de GEÏNTIMEERDE ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 6 oktober
  5. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 4 februari 2004 vorderde de heer S de veroordeling van de GEÏNTIMEERDE tot betaling van 11.571,06 EUR bruto forfaitaire beschermingsvergoeding wegens afdanking hangende een formele en met redenen omklede klacht inzake pesten op het werk; ondergeschikt vorderde de heer S de veroordeling van de GEÏNTIMEERDE tot betaling van 11.571,06 EUR schadevergoeding wegens willekeurig ontslag, het toegekende bedrag te vermeerderen met de wettelijke intrest, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. De heer S vorderde tevens de afgifte van de sociale documenten m.n.: een loonfiche, een individuele rekening, een fiscale steekkaart 281,10 m.b.t. de gevorderde bedragen en een verbeterd C4-formulier onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag vertraging per document. Bij bestreden vonnis van 12 mei 2005 werd de vordering van de heer S ontvankelijk doch ongegrond verklaard, de kosten werden ten laste van de heer S gelegd. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de heer S strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen en de GEÏNTIMEERDE te veroordelen tot betaling van 11.571,03 EUR forfaitaire vergoeding wegens ontslag, hangende een formele en met redenen omschreven klacht inzake pesten op het werk. De heer S vordert verder het toegekende bedrag te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intrest op het nettobedrag na afhouding van de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen. Bij conclusie ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 10 februari 2006 breidt de heer S zijn vordering uit en vordert hij eveneens afgifte van de sociale en fiscale documenten. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het hoger beroep ontvankelijk is. V. ART.767, § 3 Ger.W. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 767, §3 Ger.W. kunnen partijen, met ingang van de kennisgeving van het advies van het openbaar ministerie, binnen de daartoe door de rechter bepaalde termijn ter griffie een conclusie neerleggen "uitsluitend met betrekking tot de inhoud van dat advies". De rechter neemt deze conclusie enkel in aanmerking in zoverre zij antwoordt op het advies van het openbaar ministerie. Op 6 oktober 2006 heeft de GEÏNTIMEERDE ter griffie van dit arbeidshof een brief neergelegd, die, zoals zij zelf ook aangeeft, een reactie is op de repliek op het advies van het openbaar ministerie neergelegd door de heer S op 4 oktober
  6. Vermits genoemde brief aldus niet antwoordt op het advies van het openbaar ministerie kan hiermee geen rekening worden gehouden. VI. TEN GRONDE
  7. De feiten Op basis van de neergelegde stukken en de niet tegengesproken feitelijke argumentatie ontwikkeld door partijen, aanvaardt het arbeidshof de volgende feiten als bewezen: De heer S trad in dienst van de GEÏNTIMEERDE op 7 december 1998, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, als gespecialiseerd lasser. In een zogeheten bericht 18 HR dd. 19 februari 2003 werd de interne procedure betreffende de bescherming van het personeel tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk vastgelegd. Bedoeld bericht bevat onder meer de volgende tekst: "...
  8. INDIENEN VAN EEN VERKLARING BETREFFENDE GEWELD, PESTERIJEN OF ONGEWENST SEKSUEEL GEDRAG OP HET WERK De bediende die meent dat hij of zij het slachtoffer is van één van de onder de rubriek 1 gedefinieerde handelingen, heeft de mogelijkheid zich te wenden tot de bevoegde vertrouwenspersoon of de preventieadviseur voor psychosociale aangelegenheden van CPS

(2). Daarbij mag zich steeds laten bijstaan door een vertegenwoordiger van een personeelsorganisatie of een lid van het personeel. Een afspraak kan geregeld worden via de Centrale Meldkamer van de GEÏNTIMEERDE (911/52525 24 uur op 24 uur) of rechtstreeks bij de preventieadviseurs van CPS en de vertrouwenspersonen, opgenomen in bijlage
  1. De bedoelde informatie kan mondeling of schriftelijk geformuleerd worden en wordt in vertrouwen behandeld. De bevoegde preventieadviseur of de vertrouwenspersoon brengt de betrokken bediende duidelijk op de hoogte van de mogelijkheden en de te volgen procedure. Indien een informatie aangaande één van de bedoelde ontoelaatbare handelingen op een andere wijze wordt geformuleerd (bij de onmiddellijke chef of een andere interne overheid), zal betrokken bediende altijd verzocht worden de hierbij voorziene procedure via de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur te volgen. Met deze exclusieve procedure wordt een professionele en oordeelkundige aanpak beoogd, die moet toelaten dat de Maatschappij zich eveneens op een correcte wijze een idee kan vormen van de impact van dergelijke feiten op de werksfeer, zodat waar het nodig is verbeteringen kunnen aangebracht worden aan de arbeidsorganisatie.
  2. PREVENTIE, BEMIDDELING EN BEGELEIDING De bevoegde preventieadviseur van CPS of de vertrouwenspersoon zal op discrete wijze en in overleg met de bediende die zich heeft aangemeld, een verkennend onderzoek starten. Tijdens deze informele fase analyseert hij de klacht van de bediende wat betreft de aard, de omstandigheden en de ware toedracht en bemiddelt hij eventueel, op verzoek van de betrokken bediende, met de vermoedelijke dader van de gemelde ontoelaatbare handelingen. Indien een dergelijke bemiddeling onmogelijk of ongewenst blijkt of tot geen resultaat leidt, kan de betrokken bediende bij de preventieadviseur een formele, met redenen omklede klacht neerleggen. De preventieadviseur onderzoekt volledig onpartijdig de met redenen omklede klacht en maakt zijn bevindingen en voorstellen over aan de N.M.B.S., die in deze context als werkgever vertegenwoordigd wordt door de Directeur - Generaal Human Resources. De preventieadviseur zal eveneens, in samenspraak met de indiener van de klacht, toezien op de nodig en nuttig geachte begeleiding, in overeenstemming met de wettelijke bepalingen terzake. Telkens wanneer de preventieadviseur tijdens de bemiddeling of de begeleiding zoals hier bedoeld een tussenkomst of bijkomend onderzoek nodig acht op het vlak van ofwel de relaties tussen de bedienden onderling of tussen de betrokken bediende en zijn hiërarchische oversten, kan hij bovendien een verklarend verslag opmaken ten behoeve van de Directie Human Resources.
  3. MAATREGELEN TE NEMEN BIJ EEN GEFORMULEERDE KLACHT De Directie Human Resources onderzoekt elke door de CPS overgemaakte met redenen omklede klacht en draagt er zorgt voor dat ten spoedigste de maatregelen genomen worden die zich opdringen, zowel ten opzichte van een individueel vergrijp als in de werkomgeving, indien de misbruiken daar hun oorzaak zouden vinden. Het spreekt vanzelf dat inbreuken tegen de statutaire bepalingen die bedoeld worden in de rubriek 2 te allen tijde aanleiding geven tot de gepast geachte tuchtmaatregelen. De betrokken bediende de preventieadviseur of vertrouwenspersoon en eventueel het betrokken Comité PBW worden zonder uitstel ingelicht over de genomen maatregelen. In voorkomend geval worden zij, ten laatste drie maanden nadat een klacht bij de Directie Human Resources in ontvangst genomen werd, op de hoogte gebracht van de stand van het onderzoek. (punten 3, 4 en 5 uit stuk8 van het dossier GEÏNTIMEERDE) Aansluitend bij dit bericht werd in een bericht nr. 21 d.d. 1 april 2003 vermeld welke personen in dit kader werden aangeduid als vertrouwenspersoon, onder wie dr. B., tevens arbeidsgeneesheer. Op een niet nader gepreciseerde dag nam de heer S contact op met de heer B om informatie in te winnen over de binnen de GEÏNTIMEERDE bestaande procedures in het kader van de bescherming van werknemers tegen pesten op het werk, daarbij aanvoerend dat hij het slachtoffer was van pesterijen. De heer B heeft de heer S ingelicht over de procedure en heeft hem een kopie gegeven van het bericht 18 HR, waarvan hoger sprake. Bij een tweede contact raadde de heer B de heer S aan om contact op te nemen met de arbeidsgeneesheer. Met een brief van 5 april 2003, gericht aan dr. B. in zijn hoedanigheid van vertrouwenspersoon, zette de heer S omstandig uiteen dat hij het slachtoffer was van pesterijen op het werk, met verzoek aan dr. B. om zijn klacht vertrouwelijk te behandelen. Op 8 april 2003 vond een gesprek plaats tussen de heer S en dr. B.. Aansluitend op dit gesprek vervolledigde en ondertekende de heer S een document, waarin hij dr. B. toestemming gaf om contact op te nemen met zijn onmiddellijke chef, om een oplossing voor zijn probleem te zoeken. Andere mogelijkheden, zoals een toestemming om het dossier te bespreken met de psychosociale cel van CPS (de externe dienst voor preventie en bescherming), werden door de heer S niet aangevinkt op dit document. Met brieven d.d. 11,16 en 17 april 2003 verstrekte de heer S bijkomende informatie aan dr. B., ter aanvulling van zijn dossier. Met een brief van 1 september 2003 maakte de heer S zijn beklag over het feit dat dr. B. nog steeds niets had ondernomen in zijn dossier. In een antwoordschrijven van 2 september 2003 liet dr. B. aan de heer S weten dat hij geen vertrouwenspersoon was in het kader van de bescherming tegen pesten op het werk en suggereerde hij de heer S om contact op te nemen met de heer B of de heer Sioen. In een brief van 3 september 2003 uitte de heer S zijn verbazing over het feit dat dr. B. verklaarde dat hij geen vertrouwenspersoon was en verzocht hij zijn vertrouwelijk pestdossier terug te bezorgen tijdens een onderzoek, dat was gepland op 15 september
  4. Op 11 september 2003 verzocht de overste van de heer S om laatstgenoemde onmiddellijk te ontslaan. Dit verzoek werd gemotiveerd door de herhaalde weigering van de heer S om het aanwezigheidsformulier te ondertekenen m.b.t. de veiligheidsconferenties waaraan hij had deelgenomen. Op 17 september 2003 beëindigde de GEÏNTIMEERDE onmiddellijk de arbeids-overeenkomst met de heer S met betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met 35 dagen loon. Met een aangetekende brief van 13 oktober 2003 verzocht de heer S om zijn wederopneming in de onderneming, met verwijzing naar het bepaalde in artikel 32 tredecies van de Welzijnswet. Dit verzoek werd door de GEÏNTIMEERDE geweigerd met als motivering dat geen "officiële" klacht wegens pesten op het werk werd ingediend.
  5. De beoordeling Bij wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk werd een hoofdstuk V bis toegevoegd aan de Welzijnswet van 4 augustus
  6. Deze wet bevat enerzijds een preventief en informatief luik en anderzijds een repressief luik. De werknemer/ambtenaar die meent dat hij het slachtoffer is van pestgedrag in de zin van de Welzijnswet heeft verschillende actiemogelijkheden. Hij kan gebruik maken van een interne procedure door zich te richten tot de vertrouwenspersoon of tot de preventieadviseur, hij kan zich richten tot de met het toezicht belaste ambtenaren en hij kan een vordering instellen voor het bevoegde rechtscollege. Artikel 32 nonies van de Welzijnswet bepaalt desbetreffend: "De werknemer die meent het slachtoffer te zijn van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kan zich ofwel richten tot de preventieadviseur of de vertrouwenspersonen die hem bijstaan ofwel tot de met het toezicht belaste ambtenaren bedoeld in artikel 80 en, in voorkomend geval, bij die personen een met redenen omklede klacht indienen volgens de voorwaarden en de nadere regels vastgesteld met toepassing van artikel 32quater, § 2." De nadere regels m.b.t. de zogeheten interne procedure zijn terug te vinden in de artikelen 10 tot 14 van het K.B. van 11 juli 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, hierna het K.B. van 11 juli 2002 genoemd, waarvan de inhoud luidt als volgt: "Art.
  7. Wanneer een vertrouwenspersoon is aangeduid, wendt de werknemer die meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk zich tot deze persoon, behalve indien hij verkiest zich rechtstreeks te richten tot de bevoegde preventieadviseur. De vertrouwenspersoon hoort het slachtoffer en bemiddelt op zijn verzoek met de dader van het geweld, de pesterijen of het ongewenst seksueel gedrag op het werk. Indien de bemiddeling tot geen resultaat leidt of onmogelijk blijkt, neemt de vertrouwenspersoon, op uitdrukkelijk verzoek van het slachtoffer, de met redenen omklede klacht in ontvangst, die hij onmiddellijk doorzendt aan de bevoegde preventieadviseur. Art.
  8. Wanneer geen vertrouwenspersoon is aangeduid wendt de werknemer die meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk zich tot de bevoegde preventieadviseur. Art.
  9. De bevoegde preventieadviseur hoort het slachtoffer en bemiddelt op zijn verzoek met de dader van het geweld, de pesterijen of het ongewenst seksueel gedrag op het werk. Indien de bemiddeling tot geen resultaat leidt of onmogelijk blijkt neemt de bevoegde preventieadviseur op uitdrukkelijk verzoek van het slachtoffer de met redenen omklede klacht in ontvangst. Art.
  10. De met redenen omklede klacht wordt opgenomen in een document dat wordt gedateerd en waarin de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen worden opgenomen en in voorkomend geval het resultaat van de bemiddeling. Het slachtoffer en de getuige ontvangen een afschrift van hun verklaring. Art.
  11. Van zodra een met redenen omklede klacht is ingediend brengt de bevoegde preventieadviseur de werkgever hiervan op de hoogte door hem een afschrift van het in artikel 13 bedoelde document te bezorgen en nodigt hij de werkgever uit om passende maatregelen te nemen. De bevoegde preventieadviseur onderzoekt volledig onpartijdig de met redenen omklede klacht en doet aan de werkgever een voorstel betreffende de toe te passen passende maatregelen. De werkgever treft de passende maatregelen om een einde te stellen aan de feiten van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. In voorkomend geval, past de bevoegde preventieadviseur de maatregelen bedoeld in artikel 32septies van de wet toe." De Welzijnswet bevat ten slotte in artikel 32 tredecies, §1 een bijzondere bescherming tegen ontslag, die als volgt werd geformuleerd: "De werkgever die een werknemer tewerkstelt die, hetzij op het vlak van de onderneming of van de instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures, hetzij bij de met het toezicht belaste ambtenaren, een met redenen omklede klacht heeft ingediend of voor wie deze ambtenaren zijn opgetreden, of die een rechtsvordering instelt op grond van dit hoofdstuk, mag de arbeidsverhouding niet beëindigen, noch de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan die klacht of aan die rechtsvordering." Bij miskenning van dit ontslagverbod kan de werknemer een verzoek richten tot zijn werkgever om hem opnieuw in de onderneming op te nemen. Wanneer de werkgever weigert hieraan gevolg te geven en de rechter van oordeel is dat het ontslag werd gegeven met miskenning van het bepaalde in artikel 32, tredecies, §1 van de Welzijnswet, moet de werkgever aan de werknemer een vergoeding betalen die, naar keuze van de werknemer, gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het brutoloon voor zes maanden, hetzij aan de werkelijk door de werknemer geleden schade. Om aanspraak te kunnen maken op de in artikel 32 tredecies van de Welzijnswet bedoelde forfaitaire vergoeding moet de heer S het bewijs leveren dat hij behoort tot de in artikel 32 tredecies, §1 van diezelfde wet bedoelde werknemers, wat het bewijs veronderstelt dat hij voorafgaand aan zijn ontslag "een met redenen omklede klacht" heeft ingediend, ofwel dat de met toezicht belaste ambtenaren voor hem zijn opgetreden, ofwel dat hij een rechtsvordering heeft ingesteld. Dat er in deze zaak geen sprake is geweest van een voorafgaand optreden van bedoelde ambtenaren en dat ook geen rechtsvordering werd ingesteld staat als zodanig niet ter discussie, de betwisting tussen partijen blijft in dit kader beperkt tot de vraag of de heer S al dan niet "een met redenen omklede klacht" heeft ingediend. Zoals zeer juist werd benadrukt door het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies werd het begrip "met redenen omklede klacht" noch in de Welzijnswet, noch in het K.B. van 11 juli 2002 gedefinieerd. Uit het geheel en de samenhang van de hiervoor aangehaalde wettelijke bepalingen kan evenwel worden besloten dat niet elke mondeling of schriftelijk geformuleerde klacht over pesten op het werk kan worden gekwalificeerd als "een met redenen omklede klacht", die een bijzondere bescherming tegen ontslag verleent. Uit genoemde bepalingen blijkt immers dat de wetgever binnen de interne procedure een onderscheid heeft gemaakt tussen twee fases, de informele en de formele fase. In de informele fase beperkt de rol van de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur zich ertoe de werknemer die zich over pestgedrag beklaagt te horen, hem op te vangen en bij te staan en, voor zover hij dit wenst, te trachten via bemiddeling een oplossing te bereiken. Tijdens deze informele fase moeten de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur geen verslag uitbrengen bij de werkgever, wat meteen verklaart waarom de wetgever het niet nodig heeft geacht om de werknemer reeds in deze fase een bijzondere bescherming tegen ontslag te bieden. De wetgever heeft aldus de mogelijkheid tot een informele en discrete behandeling van klachten over pesten op het werk willen waarborgen en heeft het vervolgens aan het slachtoffer overgelaten om zelf te bepalen of, en zo ja op welk ogenblik, hij zijn klacht wil formaliseren, inzonderheid door het indienen van "een met redenen omklede klacht". Daarbij mag niet voorbijgegaan worden aan het gegeven dat het indienen van een formele, "met redenen omklede klacht" bepaalde consequenties heeft. Zo zal het indienen van een "met redenen omklede klacht" een einde maken aan de informele fase en, in voorkomend geval, meteen ook aan het optreden van de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon is immers verplicht de "met redenen omklede klacht" onmiddellijk over te maken aan de preventieadviseur. De preventieadviseur moet op zijn beurt de werkgever onmiddellijk in kennis stellen van de met redenen omklede klacht en de preventieadviseur zal vervolgens een onderzoek instellen naar de klacht en een schriftelijke analyse met voorstellen van maatregelen opstellen, bestemd voor de werkgever. In de logica van de door de wetgever uitgewerkte regeling vereist het indienen van een "met redenen omklede klacht" dan ook de uitdrukking van de wil om de formele fase op te starten. Wanneer het slachtoffer kiest voor het indienen van "een met redenen omklede klacht", kiest hij bijgevolg noodzakelijk voor de verdere formele behandeling van zijn klacht door de preventieadviseur, met kennisgeving van de klacht aan de werkgever. Het onderscheid tussen de informele en de formele behandeling van klachten over pesten op het werk werd overigens ook zeer duidelijk weergegeven in de procedure die binnen de GEÏNTIMEERDE werd uitgewerkt en die is vastgelegd in het eerder vermelde bericht 18 HR. Uit het geheel van de beschikbare gegevens in deze zaak blijkt dat de heer S zich weliswaar bij dr. B., in zijn hoedanigheid van vertrouwens-persoon, heeft beklaagd over pestgedrag, maar dat hij geen formele behandeling van zijn klacht nastreefde, dit werd ten andere ook niet zo door dr. B. begrepen. Het arbeidshof steunt deze besluitvorming op de volgende overwegingen: - Zoals hiervoor reeds aangegeven werd de binnen de GEÏNTIMEERDE bestaande procedure aan de heer S uitgelegd en werd hem ook een exemplaar van het bericht nr. 18 HR overhandigd. Hierin staat duidelijk beschreven dat de betrokken bediende, indien bemiddeling onmogelijk of ongewenst blijkt of tot geen resultaat leidt, een formele, met redenen omklede klacht kan neerleggen bij de preventieadviseur, die deze klacht onderzoekt en zijn bevindingen en voorstellen overmaakt aan de GEÏNTIMEERDE, vertegenwoordigd door de directeur-generaal human resources. Met zijn brief van 5 april 2003 heeft de heer S zich echter niet gericht tot de preventieadviseur, maar tot de vertrouwenspersoon en ook in navolgende briefwisseling is hij zich steeds blijven wenden tot de vertrouwenspersoon. - In fine van de brief van 5 april 2003 gaf de heer S duidelijk aan dat hij wenste dat de vertrouwenspersoon zijn klacht zou behandelen en bovendien dat de vertrouwenspersoon deze klacht vertrouwelijk zou behandelen. Een op die wijze geformuleerd verzoek kan onmogelijk worden geïnterpreteerd als een verzoek tot het opstarten van de hiervoor beschreven formele fase, die noodzakelijk een verdere afhandeling door de preventieadviseur insluit, alsook een kennisgeving aan de werkgever. - Dat de heer S inderdaad geen formele behandeling van zijn klacht nastreefde wordt ten slotte nog bevestigd doordat hij tijdens het navolgend gesprek met dr. B. aan laatstgenoemde enkel toestemming gaf om contact op te nemen met zijn onmiddellijke chef en niet met de psychosociale cel van CPS. Gelet op het voorgaande faalt de heer S in de op hem rustende bewijslast dat hij behoorde tot de in artikel 32 tredecies, §1 van de Welzijnswet bedoelde werknemers. Het is dan ook slechts ten overvloede dat het arbeidshof wenst op te merken dat, zelfs in de hypothese dat de brief van 5 april 2003 al dan niet in samenhang met de navolgende brieven aan dr. B., zou kunnen worden gekwalificeerd als een met redenen omklede klacht, quod non, uit het dossier afdoende blijkt dat het ontslag werd gegeven om redenen die geen verband houden met deze klacht. Hierbij kan voorafgaand worden vermeld dat dr. B. de klacht van de heer S niet heeft behandeld als een met redenen omklede klacht in de zin van de Welzijnswet en het staat niet ter discussie dat hij deze klacht niet heeft overgemaakt aan de preventieadviseur, a fortiori niet aan de GEÏNTIMEERDE . Er is dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat de binnen de GEÏNTIMEERDE tot ontslag bevoegde perso(o)n(en) op de hoogte waren van het bestaan van deze klacht. Hoe dan ook blijkt uit de door de GEÏNTIMEERDE neergelegde stukken duidelijk dat het ontslag van de heer S werd gegeven in navolging van een verzoek daartoe door zijn onmiddellijke overste dd. 11 september
  12. Dit verzoek werd gemotiveerd door de herhaalde weigeringen van de heer S om zijn handtekening te plaatsen op een formulier ter bevestiging van zijn aanwezigheid op periodieke veiligheidsconferenties. De realiteit van de ingeroepen weigeringen blijkt afdoende uit de als stukken 2 door de GEÏNTIMEERDE neergelegde verslagen, waaruit meteen ook blijkt dat de heer S weigerde zijn houding te veranderen, niettegenstaande eerdere berispingen met premieafhouding en de uitdrukkelijke waarschuwing dat een "eventuele hervalling" aanleiding zou kunnen geven tot een voorstel tot afdanking. De chronologie van de weigeringen, de berispingen, het voorstel tot ontslag en het ontslag zelf laat er niet de minste twijfel over bestaan dat het ontslag van de heer S louter en alleen werd gegeven omwille van zijn herhaalde weigeringen om zijn handtekening te plaatsen op genoemde formulieren. Gelet op het voorgaande hebben de eerste rechters terecht beslist dat de heer S geen recht heeft op de door hem gevorderde forfaitaire vergoeding. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord mevrouw R. V S, eerste advocaat-generaal, ter zitting van 27 september 2006 in de lezing van haar eensluidend schriftelijk advies. Na beraadslaging recht sprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van 12 mei 2005 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de heer S. Vereffent deze aan de zijde van de heer S op nihil. Vereffent deze aan de zijde van de GEÏNTIMEERDE op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de derde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 8 november 2006, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer D. VAN DEN BOSSCHE, plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken als werkgever, artikelen 383§2 en 390 Ger.W., de heer C. SERROYEN, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. PELEMANS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061108.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.