id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 09 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061109.3 Rolnummer: 2004-0305 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 14:38 Fiche Voor de in artikel 45 van het werkloosheidsbesluit bedoelde activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en niet beperkt is tot het gewone beheer van eigen bezit geldt het al dan niet ontvangen van loon of een materieel voordeel niet als wettelijk criterium om voor de toepassing van artikel 44 als arbeid te worden beschouwd. Deze activiteit wordt slechts dan niet als arbeid beschouwd wanneer zij beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit, wat slechts het geval is als voldaan is aan alle voorwaarden van artikel 45, lid 7 van het werkloosheidsbesluit. Daar waar betrokkene strafrechtelijk werd vervolgd wegens de niet aangifte van een activiteit in loondienst en door de correctionele rechtbank definitief werd vrijgesproken van deze tenlastelegging op grond van de motivering dat er twijfel bestond over het ontvangen van een materieel voordeel of loon voor de uitgeoefende activiteit, belet het strafrechtelijk gewijsde van deze uitspraak geenszins dat de arbeidsrechter oordeelt dat de werkloze toch geen recht op werkloosheidsuitkeringen heeft wegens het uitoefenen van een activiteit verricht voor zichzelf of met andere woorden een activiteit als zelfstandige. Het gegeven dat de directeur van het werkloosheidsbureau zijn beslissing tot uitsluiting heeft gemotiveerd met de verwijzing naar de uitoefening van een activiteit in loondienst, zoals bedoeld in artikel 45, lid 1, 2° van het werkloosheidsbesluit en dat het openbaar ministerie hem daarin volledig is gevolgd in zijn vordering voor de correctionele rechtbank, is uiteindelijk zonder belang nu de rechter bij wie een geschil inzake het recht op werkloosheidsuitkering aanhangig is zodanig recht niet mag erkennen wanneer uit de gegevens van het dossier blijkt dat de werkloze niet voldoet aan alle wettelijke vereisten om aanspraak te kunnen maken op deze uitkering. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - wordt als arbeid beschouwd - activiteit verricht voor zichzelf - activiteit als zelfstandige - strafrechtelijke vrijspraak - relativiteit van het gezag van strafrechtelijk gewijsde. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 45 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN, AFDELING ANTWERPEN ARREST A.R. 2040305 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT JUNI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: F. R., geïntimeerde, op de zitting persoonlijk aanwezig en vertegenwoordigd door mr. K. V., advocaat te 2970 Schilde. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 5 mei 2004, 23 maart 2006 en 27 april 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 8 maart 2004 (A.R. 351.059); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 9 april 2004; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 23 september 2004; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 27 april 2006, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 28 april 2006; - de conclusies na advies openbaar ministerie voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 4 mei
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stukken 2 en 4 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen) en het correctioneel vonnis van 14 oktober 2003 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen (stuk 6 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen). Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 23 maart
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 27 april 2006 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 9 april 2004, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 8 maart 2004 (A.R. 351.059). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 10 maart
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen besliste op 2 augustus 2002 - in toepassing van de artikelen 44, 45, 71, 139, 142, 144, 154, 158, 169 en 175 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - : - F. R. uit te sluiten van het recht op uitkeringen van 2 mei 1991 tot 10 december 2001 (artikelen 44, 45 en 71 Werkloosheidsbesluit); - F. R. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 5 augustus 2002 gedurende een periode van 24 weken (artikel 154 Werkloosheidsbesluit); - de uitkeringen die F. R. vanaf 1 juli 1997 tot 10 december 2001 onrechtmatig ontving, terug te vorderen (artikel 169 Werkloosheidsbesluit). De directeur van het werkloosheidsbureau nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 15 administratief dossier - bundel arbeidsauditoraat Antwerpen): "Wat betreft de uitsluiting op grond van de artikelen 44 en 45 van het voormeld koninklijk besluit: De reglementering voorziet dat de werkloze zonder arbeid en zonder loon moet zijn om uitkeringen te kunnen genieten (artikel 44). Wordt onder andere beschouwd als arbeid : de activiteit verricht voor een derde waarvoor de werknemer enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen (artikel 45, eerste lid, 2°). Elke activiteit verricht voor een derde wordt geacht een loon of een materieel voordeel op te leveren, behalve wanneer de werkloze het tegendeel bewijst (artikel 45, tweede lid). Uit een onderzoek door onze controledienst blijkt dat u, terwijl u uitkeringen genoot als volledig werkloze, van 02.05.1991 tot 10.12.2001 in loondienst gewerkt hebt voor rekening van Oklahoma Department of Commerce (ODC). Het betreft een overheidsorganisatie in Amerika. Voor het ODC bezocht u technologiebeurzen in het buitenland. Van uw bevindingen maakte u rapporten die u dan overmaakte aan het ODC. Tijdens uw tewerkstelling hebt u nooit schrappingen aangebracht op uw controlekaart. U bewijst niet dat deze activiteit u geen loon of materieel voordeel opleverde. De activiteit die u heeft verricht, moet dus worden beschouwd als arbeid in de zin van artikel
- Daar u van 02.05.1991 tot 10.12.2001 niet zonder arbeid en zonder loon was, kan u geen uitkeringen genieten voor de voormelde arbeidsperiode. Wat betreft de uitsluiting op grond van artikel 71 van het voormeld koninklijk besluit : Om uitkeringen te kunnen genieten, moet de werknemer in het bezit zijn van een controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag van de maand en deze bij zich bewaren. Hij moet eveneens vóór de aanvang van zijn activiteit bedoeld in artikel 45, hiervan melding maken op zijn controlekaart met onuitwisbare inkt. (artikel 71, eerste lid, 1° en 4°). U heeft deze verplichting, die vermeld staat op uw controlekaart, niet nageleefd. U kan dus geen uitkeringen genieten voor de voormelde arbeidsperiode. Wat betreft de vaststelling dat u met bedrieglijk inzicht handelde : U handelde met bedrieglijk inzicht. Dat wordt bewezen door het feit dat u jaren verbonden was door een arbeidsovereenkomst met Oklahoma Department of Commerce en hiervoor een verloning bekwam terwijl u nog verder bleef aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen. Daar u gehandeld heeft met bedrieglijk inzicht, kan u strafrechtelijk worden vervolgd (artikel 175, 1°, e van voormeld koninklijk besluit). Wat de terugvordering betreft : Elke onrechtmatig en bedrieglijk ontvangen som dienst te worden terugbetaald (artikel 169, eerste lid van voormeld koninklijk besluit). Normaal gezien beschikt de RVA over een termijn van 3 jaar om de terugvordering te bevelen van de uitkeringen waarop u geen recht heeft. Deze termijn bedraagt 5 jaar wanneer de betaling van de onverschuldigde uitkeringen het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze. Deze termijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de betaling van de onverschuldigde uitkeringen werd verricht (artikel 7, ,§13, tweede en derde lid van de besluitwet van 28 december 1944). Bijgevolg moeten de uitkeringen worden teruggevorderd vanaf 01.07.
- Het totale bedrag dat u moet terugbetalen, de berekening en de wijze waarop u kan terugbetalen, zullen u later worden meegedeeld. Wat betreft de administratieve sanctie: De werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen omdat hij vóór de aanvang van een activiteit bedoeld in artikel 45 hiervan geen melding heeft gemaakt op zijn controlekaart met onuitwisbare inkt, kan worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 1 week en ten hoogste 26 weken (artikel 154, eerste lid, 1°). In uw geval werd de duur van de uitsluiting bepaald op 24 weken aangezien u vanaf 02.05.1991 tot 10.12.2001 in loondienst werkte zonder enige aanduiding hiervoor op uw stempelkaarten aan te brengen." Met schrijven van 30 augustus 2002 betekende de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen, in uitvoering van zijn beslissing C29 van 2 augustus 2002, een beslissing tot terugvordering met verzoek de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 1 juni 1997 tot en met 10 december 2001 ten bedrage van 46.273,49 euro terug te betalen (stuk 14 administratief dossier: beslissing tot terugvordering C31). Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 29 oktober 2002, tekende F. R. beroep aan tegen de beslissing van 2 augustus 2002 van de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 8 maart 2004 werd: - de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard; - de administratieve beslissing van 2 augustus 2002 en de terugvorderings-beslissing van 30 juni 2002 (lees: 30 augustus 2002) van de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te Antwerpen vernietigd; - voor recht gezegd dat F. R. vanaf 2 mei 1991 verder gerechtigd is op werkloosheidsuitkeringen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld om de achterstallige werkloosheidsuitkeringen te betalen in zoverre F. R. voldoet aan alle andere toelaatbaarheids- en vergoedbaarheidsvoorwaarden; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, in toepassing van artikel 1017, tweede lid Gerechtelijk Wetboek, verwezen in de kosten van het geding; deze kosten werden door geen der partijen begroot en derhalve door de rechtbank niet vereffend. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 9 april 2004, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.
- Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert in zijn verzoekschrift tot hoger beroep: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis te vernietigen en de administratieve beslissing integraal te bevestigen. F. R. (geïntimeerde) vordert in zijn conclusies: - in hoofdorde: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - de bestreden beschikking te bevestigen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van F. R. begroot op 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 273,67 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; - in ondergeschikte orde: - aan F. R. akte te verlenen van zijn voorbehoud om de voor de strafrechter voorgebrachte middelen voor het hof uiteen te zetten middels aanvullende conclusies.
- In rechte 5.
- Situering van het geschil F. R. genoot sedert 2 mei 1991 werkloosheidsuitkeringen als volledig werkloze. Naar aanleiding van een schriftelijke klacht van 7 augustus 2001 ingediend bij het Ministerie van Financiën (stuk 6 administratief dossier: schrijven van S. Mahjoub) werd in het eerste trimester van 2002 een controle uitgevoerd door de inspectiediensten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening naar de voorgehouden activiteiten van F. R. voor 'Oklahoma Department of Commerce'. In het proces-verbaal van verhoor van 21 maart 2002 verklaarde F. R. dat hij, na zijn tewerkstelling in 1991 voor 'Rhode Island Port Authority', prestaties had geleverd voor het 'Oklahoma Departement of Commerce' (O.D.C.), zijnde een Amerikaanse overheidsinstelling. Zijn taak bestond er in technologiebeurzen in verschillende Europese steden te bezoeken en zijn bevindingen te rapporteren aan zijn opdrachtgever. F. R. verklaarde ook nog dat hij hiervoor enkel een onkostenvergoeding ontving, zijnde een vergoeding voor de kosten van hotelverblijf, computer, telefoon, fax, de huur van een bureau op de Ankerrui te Antwerpen, enz. ..., ten bedrage van soms 120.000 US-dollars en soms 80.000 US-dollars, waarbij hij eraan toevoegde dat in het contract ook de betaling van een loon (wat hij wenst te omschrijven als 'fee') was voorzien, maar dat hij dit in de praktijk na ontvangst ervan cash moest teruggeven. Hij bevestigde ten slotte eveneens dat hij van deze activiteiten nooit aangifte had gedaan bij de RVA omdat de uitgevoerde activiteiten onbezoldigd waren. Tijdens dit onderzoek werd ook een kopie van twee overeenkomsten, geldig vanaf 1 juli 1997 en vanaf 1 juli 2000, bij het dossier gevoegd (stuk 4 en 5 administratief dossier) waarin onder artikel III gestipuleerd wordt dat F. R. voor de door hem geleverde diensten een jaarlijkse vergoeding van 90.000 US-dollars, te betalen a rato van 7.500 US-dollars per maand, zou ontvangen, naast een vergoeding van de kosten welke geplafonneerd werd op 120.000 US-dollars per jaar. Op basis van deze gegevens werd door de sociaal inspecteur op 10 april 2002 een proces-verbaal opgesteld ten laste van F. R. waarin de volgende inbreuken op de werkloosheidswetgeving werden weerhouden (stuk 8 administratief dossier: proces-verbaal houdende vaststelling van een misdrijf gepleegd door een werkloze, formulier C. 25.I A): - als werkloze onverschuldigde uitkeringen kunnen of hebben ontvangen doordat hij een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd of een verplichte verklaring anders dan deze bedoeld in artikel 134, ,§3 van het KB van 25.11.1991 niet of te laat heeft afgelegd; inbreuk geformuleerd in en gesanctioneerd door de artikelen 153 en 175, 1°, e van het KB van 25 november 1991; - als werkloze onverschuldigde uitkeringen kunnen of hebben ontvangen doordat hij zich niet gedragen heeft naar de bepalingen van artikel 71, eerste lid, 5° van het KB van 25.11.1991, voor zover hij op het ogenblik van de vordering een activiteit verricht bedoeld in artikel 45 van datzelfde KB; overtreding geformuleerd en gesanctioneerd door de artikelen 154, 2° en 175, 1°, e van het KB van 25 november
- Nadat de gegevens van dit proces-verbaal met toestemming van de bevoegde arbeidsauditeur werden ter kennis gebracht van de directeur van het werkloosheidbureau te Antwerpen, besliste deze laatste op 2 augustus 2002: - F. R. uit te sluiten van het recht op uitkeringen van 2 mei 1991 tot 10 december 2001 op grond van de artikelen 44, 45 en 71 ven het KB van 25 november 1991 en de uitkeringen die hij onrechtmatig ontving vanaf 1 juli 1997 tot 10 december 2001 terug te vorderen op grond van artikel 169 van datzelfde KB. - F. R. uit te sluiten bij wijze van sanctie van het recht op uitkeringen vanaf 5 augustus 2002 voor een periode van 24 weken in toepassing van artikel 154 van het KB van 25 november
- F. R. werd bovendien door de arbeidsauditeur te Antwerpen strafrechtelijk vervolgd voor de correctionele rechtbank op grond van de volgende inbreuken op de werkloosheidreglementering: A. als werknemer, wetens en willens gebruik te hebben gemaakt van onjuiste stukken ten einde werkloosheidsuitkeringen te verkrijgen waarop hij geen recht heeft, namelijk door geen aangifte te hebben gedaan van zijn activiteit in loondienst voor rekening van het O.D.C. (inbreuk voorzien in artikel 155 van het KB); B. als werkloze met bedrieglijk opzet een verplichte verklaring niet of te laat te hebben afgelegd, namelijk door geen aangifte te hebben gedaan van zijn activiteit in loondienst voor rekening van het O.D.C. (inbreuk voorzien in artikel 153 van het KB); C. als werkloze met bedrieglijk inzicht voor de aanvang van de activiteit, zoals bedoeld in artikel 45, meer in het bijzonder zijn activiteit in loondienst voor rekening van het O.D.C., hiervan geen melding met onuitwisbare inkt te hebben gemaakt op zijn controlekaart (inbreuk voorzien in artikel 154 van het KB). Bij vonnis van 14 oktober 2003 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, recht doende in correctionele zaken, werd F. R. vrijgesproken van deze hem ten laste gelegde feiten op grond van de volgende motivering: " Beklaagde brengt een uitgebreide argumentatie en documentatie naar voor ter staving van zijn stelling dat zijn werk voor het Oklahoma Departement of Commerce niet kan worden aanzien als een activiteit in loondienst voor rekening van een derde. De rechtbank nam hiervan met interesse kennis en meent dat de inbreuken onder A, B, C en D toch wel worden weerlegd door beklaagde conform artikel 45, 2de lid van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, gelet op de door hem neergelegde stavingsstukken. ... Er bestaat zeker twijfel of beklaagde wel effectief een materieel voordeel of loon ontvangen heeft voor zijn activiteit. De rechtbank spreekt hem daarom vrij voor de tenlasteleggingen A, B, C, en D." De eerste rechter heeft het verhaal van F. R. tegen de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau van 2 augustus 2002 ontvankelijk en gegrond verklaard op grond van de motivering enerzijds dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geen andere stukken bijbrengt dan deze die ter beoordeling van de strafrechter werden voorgelegd en anderzijds gelet op het gezag van gewijsde van het vonnis van 14 oktober 2003 te Antwerpen. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en laat gelden: - dat het gezag van het strafrechtelijk gewijsde enkel geldt met betrekking tot de gedingpartijen die betrokken waren bij het strafrechtelijk proces; een vonnis dat op grond van het beginsel van het gezag erga omnes van het strafrechtelijk gewijsde, andere gedingpartijen in een geding betreffende zijn burgerlijke rechten en verplichtingen, geen gelijke kans geeft om het door dezen aangebrachte bewijs betreffende een feitelijk gegeven te weerleggen, schendt artikel 6, lid 1 van het EVRM; - dat overeenkomstig de werkloosheidsreglementering de werkloze zonder arbeid en zonder loon moet zijn om uitkeringen te kunnen genieten; de activiteit verricht voor een derde waarvoor de werknemer enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen wordt beschouwd als arbeid; uit het gevoerde controleonderzoek blijkt dat F. R. activiteiten heeft verricht voor O.D.C. waarvoor hij loon en een onkostenvergoeding ontving. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en laat gelden: - dat krachtens het algemeen beginsel van het strafrechtelijk gewijsde erga omnes, de beslissing van de strafrechter ten aanzien van de burgerlijke rechter gezag van gewijsde heeft wat betreft de feiten waarvan de strafrechter ten aanzien van de beklaagde het bestaan zeker en noodzakelijk heeft aangenomen en wat betreft de noodzakelijke gronden waarop die beslissing steunt; ook vrijspraak op grond van twijfel heeft tot gevolg dat zeker en noodzakelijk is beslist dat R. geen materieel voordeel of loon ontvangen heeft voor zijn activiteit; - dat het recht op een eerlijk proces slechts geschonden is in de mate dat een derde voor de burgerlijke rechten bepaalde materiële aspecten welke dienend zijn voor zijn verdediging, niet meer zou kunnen betwisten; ten deze heeft de arbeidsrechter echter vastgesteld dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geen enkel nieuw stuk heeft bijgebracht dan deze die ter beoordeling van de strafrechter werden voorgelegd zodat er geen schending van de rechten van verdediging in hoofde van de Rijksdienst kan weerhouden worden; - dat ondergeschikt, akte dient verleend van zijn voorbehoud om de voor de strafrechter voorgebrachte middelen voor het arbeidshof uiteen te zetten middels aanvullende conclusie. 5.
- Draagwijdte van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde Het gezag 'erga omnes' van het strafrechtelijk gewijsde is een algemeen rechtsbeginsel dat afgeleid is uit verschillende bepalingen van het wetboek van Strafvordering en in het bijzonder van artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Dat gezag is verbonden aan elke onherroepelijke rechterlijke eindbeslissing over de strafvordering. Het levert niet alleen een exceptie van verval van de strafvordering op, het brengt eveneens mee dat de rechter die in een later burgerlijk geding uitspraak doet, de bindende kracht van de beslissing van de strafrechter moet erkennen. Het strafrechtelijk gewijsde is bindend voor de burgerlijke rechter, niet alleen wanneer die uitspraak doet over een afzonderlijk voor hem ingestelde burgerlijke vordering die voortvloeit uit een door de strafrechter beteugeld misdrijf, maar ook wanneer hij kennis neemt van andere burgerlijke vorderingen die verband houden met feiten waarover de strafrechter definitief uitspraak heeft gedaan (Cass., 15 februari 1991, Arr. Cass. 1990-1991, 641 e.v., Conclusie van advocaat-generaal D'Hoore). Het gezag van strafrechtelijk gewijsde is verbonden aan al hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist met inbegrip van de redenen die de onmisbare steun van zijn beslissing ten aanzien van het bestaan van de ten laste van de beklaagde gelegde strafbare feiten opleveren (P. Claeys-Bouvaert, "Algemene beginselen van het recht, vijftien jaar rechtspraak van het Hof van Cassatie", R.W. 1987-87, 922; A. Wylleman, "Het gezag van gewijsde: uitdrukking van het rechterlijk gezag", T.P.R., 1988, 33 e.v). Het gezag van gewijsde blijft derhalve niet beperkt tot wat de strafrechter in zijn beschikkende gedeelte bepaald heeft, maar geldt ook voor de motieven waarop het beschikkend gedeelte gesteund wordt. Het gezag van het strafrechtelijk gewijsde mag echter geen hinderpaal zijn voor de uitoefening van het recht van verdediging, hetwelk een algemeen rechtsbeginsel is dat onafscheidelijk verbonden is met elke jurisdictionele handeling. Eerbiediging van dit recht, o.m. in een burgerlijk geding, vereist dat de mogelijkheid tot tegenspraak in de loop van het proces daadwerkelijk aanwezig is. Het beginsel van het recht van verdediging heeft in het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een uitdrukkelijke bevestiging gekregen. Artikel 6.1 geeft eenieder het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen; dit houdt onder meer in dat de partijen in een burgerlijk geding gelijke kansen moeten hebben om de door de andere partijen aangedragen bewijzen te weerleggen. Artikel 6.1 EVRM bezit rechtstreekse werking en heeft voorrang op het internrechtelijk algemeen rechtsbeginsel van het gezag erga omnes van het strafrechtelijk gewijsde, wanneer de toepassing van dit algemeen rechtsbeginsel in strijd komt met dit artikel 6.1 van genoemd Verdrag. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie staat het gezag van het strafrechtelijk gewijsde er niet aan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de kans moet hebben de gegevens, afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon laten geleden (Cass., 2 oktober 1997, Arr. Cass. 1997, 889 e.v). Bij toepassing van voormelde principes op huidig geschil stelt het hof vooreerst vast dat het vonnis van de strafrechter van 14 oktober 2003 (stuk 6 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen) uiterst summier gemotiveerd is. Het beperkt zich tot volgende overwegingen: "Beklaagde brengt een uitgebreide argumentatie naar voor ter staving van zijn stelling dat zijn werk voor het Oklahoma Departement of Commerce, niet kan worden aanzien als een activiteit in loondienst voor rekening van een derde. De rechtbank nam hiervan met interesse kennis en meent dat de inbreuken onder A, B, C en D toch wel worden weerlegd door beklaagde conform artikel 45, 2° lid van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, gelet op de door hem neergelegde stavingstukken. Ook blijkt dat zijn zoon R. E. niet voor beklaagde werkte. Er bestaat zeker twijfel of beklaagde wel effectief een materieel voordel of loon ontvangen heeft voor zijn activiteit. De rechtbank spreekt hem daarom vrij voor de tenlasteleggingen A, B, C en D" Uit het correctioneel vonnis kan enkel met zekerheid afgeleid worden dat de strafrechter het bestaan van de misdrijven, waarvan overeenkomstig artikel 175 van het Werkloosheidsbesluit het bedrieglijk inzet als constitutief element vereist is bij inbreuken op de artikelen 153 (niet afleggen van een verplichte verklaring), 154 (voor de aanvang van een activiteit bedoeld in artikel 45 geen melding te hebben gemaakt op zijn controlekaart met onuitwisbare inkt) en 155 (het gebruiken van onjuiste stukken teneinde te kwadere trouw uitkeringen te verkrijgen) van het Werkloosheidsbesluit, als niet bewezen heeft beschouwd. De strafrechter heeft echter niet zeker en noodzakelijk beschikt over het al dan niet uitvoeren van een activiteit verricht voor een derde waarvoor de werknemer enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen. Het is niet omdat volgens de strafrechter de strafbaarheidvoorwaarden, de wederrechtelijkheid, de schuld en de strafwaardigheid of één van die constitutieve elementen van de misdrijven ontbreken dat de directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geen beslissing meer kan nemen wegens inbreuken op de werkloosheidsreglementering die een andere dimensie voor de strafrechter hebben dan voor de arbeidsrechter. Deze laatste moet dan ook de feiten onderzoeken in hun relatie tot de specifieke bepalingen van de werkloosheidsreglementering. De overweging van de strafrechter dat er zeker twijfel bestaat of R. wel effectief enig loon of materieel voordeel heeft ontvangen mag de Rijksdienst, die geen partij was in het strafproces, niet beletten de door F. R. in het strafproces aangevoerde bewijzen van afwezigheid van loon, te weerleggen en aan te tonen dat betrokkene niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden voor werkloosheidsvergoedingen. Vervolgens stelt het hof vast dat de eerste rechter het principieel recht van verdediging van de Rijksdienst niet miskend heeft hetgeen blijkt uit de overweging dat "verwerende partij (zijnde de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening) geen andere stukken bijbrengt dan deze die ter beoordeling van de strafrechter werden voorgelegd". Aangezien echter uit de stukken waarop het hof vermag acht te slaan niet blijkt welke stukken ter beoordeling van de strafrechter werden voorgelegd kan het arbeidshof voormelde overweging van de eerste rechter echter niet onderschrijven. Samenvattend besluit het hof dat in huidig geschil de arbeidsrechter, zich ten onrechte steunend op het gezag van het strafrechtelijk gewijsde en op een overweging waarvan de juistheid niet kan geverifieerd worden, de administratieve beslissing vernietigd heeft zonder de wettigheid van deze beslissing te toetsen aan de wetten en verordeningen inzake de werkloosheidsreglementering. 5.
- De beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau Artikel 44 van het KB van 25 november 1991 bepaalt dat om uitkeringen te kunnen genieten de werkloze wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon moet zijn. In artikel 45 van datzelfde KB wordt verduidelijkt dat voor de toepassing van artikel 44 als arbeid wordt beschouwd: 1° de activiteit verricht voor zichzelf die is ingeschakeld in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en niet beperkt is tot het gewone beheer van eigen bezit; 2° de activiteit verricht voor een derde waarvoor de werkman enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen. Artikel 45, 2de lid voegt daar dan nog aan toe dat tot het bewijs van het tegendeel elke activiteit verricht voor een derde geacht wordt een loon of materieel voordeel op te leveren. In de akte van hoger beroep argumenteert de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat uit een controle uitgevoerd door haar inspectiediensten, alsmede uit de door F. R. afgelegde verklaringen en uit de voorgelegde overeenkomsten tussen F. R. en O.D.C blijkt dat betrokkene een activiteit verricht heeft voor een derde waarvoor hij een loon of materieel voordeel heeft ontvangen. F. R. daarentegen heeft in beroepsconclusies een voorbehoud geformuleerd om ten gronde te concluderen en om alle middelen die hij uiteenzette voor de strafrechter ook voor het arbeidshof uiteen te zetten middels aanvullende beroepsconclusies. Teneinde de rechten van verdediging niet te schenden komt het aangewezen voor de debatten ambtshalve te heropenen teneinde F. R. toe te laten ten gronde te concluderen waarna partijen tegensprekelijk debat kunnen voeren. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 27 april
- Geïntimeerde heeft op 4 mei 2006 schriftelijk gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ontvankelijk. Alvorens ten gronde te beslissen, beveelt, in toepassing van artikel 774, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, de heropening der debatten teneinde F. R. toe te laten ten gronde te concluderen waarna partijen tegensprekelijk debat kunnen voeren. Zegt overeenkomstig artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek dat partijen zullen verschijnen voor deze kamer van dit hof, Cockerillkaai 39 te 2000 Antwerpen, op donderdag 12 oktober 2006, om 11.00 uur, in zaal H, eerste verdieping. Beveelt dat partijen, en in voorkomend geval hun advocaten, door de griffier bij gerechtsbrief zullen worden verwittigd met inachtneming van de termijn voor de dagvaardingen. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Uitgesproken in openbare terechtzitting op acht juni tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061109.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div