← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061109.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 09 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061109.4 Rolnummer: 2002-0188 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 14:38 Fiches 1 - 2 Opdat de werkloze een schorsing wegens zijn langdurige werkloosheid zou ontlopen moet hij het bewijs leveren van uitzonderlijke en ononderbroken inspanningen gedurende de gehele werkloosheidsduur. Een door de nationale administratieve commissie genomen beslissing om het administratief beroep ingesteld tegen een vroeger gegeven verwittiging inzake langdurige werkloosheid op objectieve gronden gegrond te verklaren kan aan dit principe geen afbreuk doen. De langdurige werkloosheid waarop de nieuwe verwittiging is gesteund omvat ook de periode van werkloosheid gelegen voor de eerste verwittiging, zodat de werkloze het bewijs zal moeten leveren dat hij uitzonderlijke en ononderbroken inspanningen heeft geleverd in de periode vanaf de begindatum van zijn werkloosheid tot de dag van de laatste verwittiging UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - langdurige werkloosheid - schorsing - uitzonderlijke en ononderbroken inspanningen - gehele werkloosheidsduur. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 80 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - langdurige werkloosheid - indienen van administratief beroep - schorsing - uitzonderlijke en ononderbroken inspanningen - gehele werkloosheidsduur. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 82 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Annotaties Publicaties: SRK 2009 - nr. 3 - - blz. 153 - blz. 154 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN, AFDELING ANTWERPEN ARREST A.R. 2020188 OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. H. J., advocaat te 2500 Lier, tegen : M. V. D. V., geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. P. B., loco mr. E. V., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 8 mei 2002, 8 juni 2006 en 12 oktober 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 21 februari 2002 (A.R. 76.491); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 14 maart 2002; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 24 maart
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van de raadsman van appellant bestaande uit een kopie van een arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 7.2.2000 - A.R. 990807, en de bundel van de raadsman van geïntimeerde bestaande uit 6 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 12 oktober
  3. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
  4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 14 maart 2002, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 21 februari 2002, A.R. 76.
  5. Overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 27 februari
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  7. Feiten en voorgaande rechtspleging M. V. D. V. is werkloos sedert augustus
  8. Bij brief van 25 juli 1996 van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen werd M. V. D. V. een eerste maal verwittigd dat haar recht op uitkeringen geschorst zou kunnen worden wegens langdurige werkloosheid. Met aangetekend schrijven van 30 juli 1996 diende M. V. D. V. tegen voornoemde verwittiging een administratief beroep in dat bij beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Mechelen van 9 september 1996 ontvankelijk en gegrond werd verklaard, aangezien zij aantoonde dat haar jaarlijks netto-belastbaar gezinsinkomen niet hoger was dan 612.018 frank, verhoogd met 24.481 frank per persoon ten laste. Bij brief van 24 mei 2000 van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen werd M. V. D. V. opnieuw ervan verwittigd dat haar totale werkloosheidsduur de gemiddelde werkloosheidsduur in haar streek, vermenigvuldigd met 1,5, die voor haar leeftijdscategorie en geslacht vastgesteld was op 53 maanden, overschreed en dat haar recht op uitkeringen ten vroegste zou geschorst worden vanaf de maandag volgend op de vervaldag die vastgesteld werd op 1 september 2000 (stuk 3 administratief dossier). Op 5 september 2000 besliste de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen het recht op werkloos-heidsuitkeringen van M. V. D. V. te schorsen vanaf 11 september 2000 wegens langdurige werkloosheid, bij toepassing van de artikelen 80 t/m 88, 142, 144 en 146 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de artikelen 56 en 57 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering. De directeur nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 2 administratief dossier): "Ik verwittigde u op 24.05.2000 dat uw recht op uitkeringen geschorst kan worden omdat de totale duur van uw werkloosheid de gemiddelde werkloosheidsduur in uw streek, vermenigvuldigd met 1,5 heeft overschreden. De gemiddelde werkloosheidsduur in uw streek, vermenigvuldigd met 1,5 bedraagt voor uw leeftijdscategorie en geslacht 53 maanden (artikel 81 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). Op de dag van ontvangst van deze verwittiging vervulde u gelijktijdig alle voorwaarden die vereist zijn om uw recht op uitkeringen te kunnen schorsen (artikel 80 van voormeld koninklijk besluit): - U was samenwonende. - U maakte als samenwonende werknemer aanspraak op wachtuitkeringen. - U had niet gedurende minstens zes ononderbroken maanden het werk hervat als voltijdse werknemer. - U was minder dan 50 jaar oud. - U bewees niet dat u 20 jaar als loontrekkende werkte. - U genoot niet van de vrijstelling toegekend aan een persoon die een voldoende aantal uren actief was in het kader van een PWA of als stadswacht. - U was niet tewerkgesteld als deeltijdse werknemer met behoud van rechten. U diende geen administratief beroep in tegen deze verwittiging." Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 5 december 2000 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 6 december 2000, tekende M. V. D. V. beroep aan tegen de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Mechelen van 5 september 2000, kenmerk C29/71223/83/DV. Bij vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 21 februari 2002 werd de vordering van M. V. D. V. ontvankelijk en gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van M. V. D. V. begroot op 98,16 euro rechtsplegingsvergoeding. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 14 maart 2002, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen.
  9. Eisen in hoger beroep Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslissing te bevestigen. M. V. D. V. (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis a quo integraal te bevestigen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan haar zijde begroot op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
  10. Ten gronde 5.
  11. Situering van het geschil: Geïntimeerde, geboren op 26 oktober 1967, maakte sedert augustus 1987 aanspraak op werkloosheidsuitkeringen. Bij bestreden administratieve beslissing van 5 september 2000 werd geïntimeerde geschorst van het recht op uitkeringen vanaf 11 september 2000 wegens langdurige werkloosheid in toepassing van de artikelen 80 tot 88, 142, 144 en 146 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna afgekort Werkloosheidsbesluit) en de artikelen 56 en 57 van het Ministerieel Besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering. Geïntimeerde heeft deze schorsingsbeslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Mechelen, zich steunend op artikel 82, ,§2 van het Werkloosheidsbesluit hetwelk bepaalt dat de langdurige werkloze niet kan geschorst worden van uitkeringen indien hij aantoont dat hij uitzonderlijke en ononderbroken inspanningen heeft geleverd om werk te vinden gedurende de gehele periode van zijn werkloosheid, met uitsluiting van de periodes tijdens dewelke hij niet beschikbaar moest zijn voor de arbeidsmarkt. De eerste rechter heeft de administratieve beslissing van 5 september 2000 vernietigd oordelend: - enerzijds dat de inspanningen om werk te vinden moeten beoordeeld worden vanaf 25 juli 1996, zijnde datum van de vorige verwittiging wegens langdurige werkloosheid; - anderzijds dat geïntimeerde voor de periode na juli 1996 afdoende aantoont dat zij uitzonderlijke en ononderbroken inspanningen heeft geleverd om aan de werkloosheid te ontsnappen gelet op haar tewerkstelling bij het PWA, het OCMW van Bornem, de bvba Eikevliet, via interimarbeid en de bekomen vrijstelling van 1 januari 1997 tot en met 31 december
  12. Appellant acht zich gegriefd door het eerste vonnis en laat gelden: - dat de inspanningen moeten worden bewezen gedurende de volledige duur van de werkloosheid; men kan dus niet volstaan met te verwijzen naar een eerder administratief beroep dat gegrond werd verklaard op objectieve gronden, namelijk het feit dat het gezinsinkomen lager lag dan het wettelijk voorzien grensbedrag; - dat geïntimeerde van 1987 tot juli 1996 geen enkele sollicitatie noch tewerkstelling bewijst; - dat geïntimeerde evenmin uitzonderlijke en ononderbroken inspanningen bewijst voor de periode na 25 juli
  13. 5.
  14. Beoordeling Het staat zonder betwisting vast dat geïntimeerde op de dag van de ontvangst van de verwittiging beantwoordde aan de objectieve criteria zoals vastgelegd in de artikelen 80 en 81 van het Werkloosheidsbesluit zodat de directeur, nadat de vervaldag van de overschrijding werd bereikt, een beslissing tot schorsing kon nemen. Uit de tekst van artikel 82, ,§2 van het Werkloosheidsbesluit blijkt evenwel dat de werkloze niet kan geschorst worden wegens langdurige werkloosheid indien cumulatief voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: - de inspanningen moeten uitzonderlijk zijn, hetgeen in de gebruikelijke betekenis van het woord betekent 'meer dan gewoon'; - de inspanningen moeten ononderbroken zijn hetwelk inhoudt dat er geen periodes mogen zijn tijdens dewelke de werkloze niet actief naar werk zocht met uitsluiting evenwel van de periodes tijdens dewelke hij niet beschikbaar moest zijn voor de arbeidsmarkt; - de inspanning moet erop gericht zijn om werk te vinden; - de inspanningen moeten verricht zijn gedurende heel de duur van de werkloosheid. De eerste rechter oordeelde ten onrechte dat de ononderbroken en uitzonderlijke inspanningen enkel dienen beoordeeld te worden vanaf 25 juli 1996, zijnde datum van de vorige verwittiging wegens langdurige werkloosheid. Immers, artikel 82, ,§2 is zeer duidelijk: de uitzonderlijke en ononderbroken inspanningen om werk te vinden moeten geleverd worden gedurende de gehele werkloosheidsduur. Door de beslissing van de nationale administratieve commissie van 9 september 1996 (stuk 1 bundel geïntimeerde) die het beroep van geïntimeerde gegrond heeft verklaard op objectieve gronden, meer bepaald het feit dat het gezinsinkomen lager lag dan het wettelijk voorziene grensbedrag, wordt de werkloosheidsduur niet onderbroken. De langdurige werkloosheid die de nieuwe verwittiging verantwoordt omvat derhalve de werkloosheidsduur die de eerste verwittiging wettigde met het gevolg dat in huidig geschil de geleverde inspanningen om werk te vinden dienen beoordeeld te worden over de periode vanaf augustus 1987 (aanvang werkloosheid) tot 24 mei 2000 (datum tweede verwittiging langdurige werkloosheid). Ter staving van de ononderbroken en uitzonderlijke inspanningen verwijst geïntimeerde naar volgende stukken: - het formulier C 80; - de prestaties verricht in het kader van een plaatselijk werkgelegen-heidsagentschap en de bekomen vrijstelling in toepassing van artikel 79, ,§ 4bis van het Werkloosheidsbesluit voor de periode 1 juli 1997 tot en met 31 december 1998; - de deeltijdse tewerkstelling (van 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999) bij het OCMW Bornem; - de deeltijdse tewerkstelling vanaf 18 oktober 1999 bij de bvba Eikevliet; - een deeltijdse beroepsopleiding van 6 oktober 1998 tot 23 december 1998; - voltijds interim-arbeid van 2 november 1999 tot 18 december
  15. Bij studie van voormelde stukken stelt het hof vast: - dat geïntimeerde meerdere lange periodes van volledige werkloosheid heeft gehad, meer bepaald tijdens de jaren 1988 (313 dagen), 1991 (234 dagen), 1992 (233,5 dagen), 1993 (234,5 dagen), 1994 (310 dagen), 1995 (312 dagen) en 1996 (314 dagen) (zie formulier C 80: stuk 4 administratief dossier); - dat geïntimeerde voor deze periodes van volledige werkloosheid geen enkel sollicitatiebewijs voorlegt waaruit haar inspanningen om werk te vinden zouden kunnen afgeleid worden; enkel voor de periode waar geïntimeerde een vrijstelling heeft bekomen in toepassing van artikel 79, ,§ 4bis van het Werkloosheidsbesluit, in casu voor de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 1998, diende geïntimeerde niet beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt zodat voor deze periode geen inspanningen om werk te vinden moeten worden bewezen; - dat geïntimeerde, louter aan de hand van een aantal tewerkstellingsbewijzen tijdens de jaren 1997-1999 via het PWA-stelsel, via interimarbeid, bij het OCWM te Bornem en bij bvba Eikenvliet, geenszins uitzonderlijke en ononderbroken inspanningen aantoont tijdens haar volledige duur van werkloosheid; - dat het volgen van een deeltijdse beroepsopleiding van 6 oktober 1998 tot 23 december 1998, gelet op een werkloosheidsduur van 120 maanden tijdens de jaren 1987-1999, evenmin als een uitzonderlijke inspanning kan worden aangemerkt. Gelet op alle voornoemde elementen besluit het hof dat geïntimeerde faalt in de op haar rustende bewijslast dat zij voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 82, ,§2 van het Werkloosheidsbesluit zodat de eerste rechter ten onrechte de administratieve beslissing van 5 september 2000 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Mechelen heeft vernietigd. Het hoger beroep is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 12 oktober
  16. Appellant werd gehoord in zijn opmerkingen over het advies. Geïntimeerde verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis uitgesproken op 21 februari 2002 in de openbare zitting van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen (A.R. 76.491), behoudens wat de ontvankelijkheid van de vordering en de kosten van het geding betreft. Opnieuw recht doende. Verklaart de initiële vordering van M. V. D. V. ongegrond. Bevestigt de administratieve beslissing van 5 september 2000 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Mechelen, met als kenmerk C29/71223/83/DV. Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van M. V. D. V. op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op negen november tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061109.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.