← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061116.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061116.2 Rolnummer: 2005-0616 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-18 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 14:41 Fiches 1 - 2 Om de schulden inzake sociale zekerheidsbijdragen, die ontstaan zijn na het overlijden van de werkgever ingevolge het verderzetten van zijn bedrijvigheid in het kader van een vereffening van diens nalatenschap door de algemene legatarissen, te kunnen verhalen op het persoonlijk vermogen van deze laatsten is vereist dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst wordt bewezen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tussen de verschillende personeelsleden en deze algemene legatarissen. Daarvoor moet aangetoond worden dat de personeelsleden verder in dienst gehouden werden niet alleen tot realisatie van de boedel louter in functie van de vereffening daarvan, maar ook om de algemene legatarissen/vereffenaars toe te laten de handelsbedrijvigheid verder te zetten in hun persoonlijk voordeel. Wanneer de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid faalt in deze bewijslast kan hij bij de algemene legatarissen, vereffenaars van de nalatenschap, die deze hebben aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving, slechts de verschuldigde bijdragen opvorderen als last van de nalatenschap, zodat zij niet gehouden kunnen zijn als beneficiaire erfgenaam om deze schuld te voldoen met hun persoonlijk vermogen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK bijdrageregeling - nalatenschap - vereffening handelsactiviteit - kosten van vereffening - lasten van de nalatenschap - algemene legataris - aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 802 - 32 ELI link Pub nr 1804032152 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING toepassingsgebied - personen - bijdrageregeling - nalatenschap - vereffening handelsactiviteit - kosten van vereffening - lasten van de nalatenschap - algemene legataris - aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1§1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 802 en onder VII A - artikel 1 ,§

  1. Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2050616 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. G. LEYNS loco mr. E. VAN ACKER, advocaat te 9000 GENT, tegen :
  2. MLDB, wonende te x,
  3. AB, in haar hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen RDB wonende te x,
  4. PDB, in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen RDB wonende te x,
  5. MDB, in haar hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen RDB wonende te x,
  6. RDB en MLDB, onregelmatige vennootschap over gemeenschappelijke naam, met vennootschapszetel gevestigd te x, verweerders in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. R. VAN TOMME, advocaat te 9000 GENT. Na beraadslaging over de zaak, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 7 september 2005, van 20 januari 2006 en van 21 september
  7. Gelet op de stukken van de rechtspleging en in het bijzonder op: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 27 november 1989, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Gent; x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het arrest van 12 maart 2001, op tegenspraak gewezen door het hof te Gent; x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het arrest van Cassatie van 16 februari 2004; x de dagvaarding van 2 augustus 2005 van mr. P. Dekeyser, gerechtsdeurwaarder met studie te Gent, ontvangen op de griffie van dit hof op 31 augustus 2005; x de conclusies voor verweerders in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 5 januari 2006; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 1 februari 2006; x de conclusies voor verweerders in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 14 februari 2006; x het schriftelijke advies van het openbaar ministerie gelezen en neergelegd op de zitting van 21 september 2006 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek; x de repliekconclusies van eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 28 september 2006; x de repliekconclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 4 oktober
  8. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 15 juni
  9. Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 21 september
  10. De ontvankelijkheid Het hoger beroep werd door het arbeidshof te Gent in zijn arrest van 12 maart 2001 ontvankelijk verklaard. Deze beoordeling werd door het Hof van Cassatie niet vernietigd in zijn arrest van 16 februari
  11. Het hof leidt dit af uit het feit dat het Hof van Cassatie het arrest a quo ten gronde slechts gedeeltelijk vernietigde. Hierdoor bleef een gedeelte van het arrest a quo overeind, wat enkel mogelijk is indien het hoger beroep ontvankelijk is. Het hof stelt dus vast dat het hoger beroep ontvankelijk is. De voorgeschiedenis RDB en MLDB werden door de RSZ op 2 september 1988 gedagvaard om RSZ bijdragen te betalen over het eerste kwartaal van
  12. Zij werden gedagvaard enerzijds in hun persoonlijke naam en anderzijds samen als een feitelijke, onregelmatige vennootschap. RDB en MLDB zijn de erfgenamen van MDB, die destijds samen met haar echtgenoot, RVH, een speculaasfabriek uitbaatte in Eeklo. MDB overleed op 5 april
  13. Zij was op dat ogenblik weduwe van RVH. Bij openbaar testament van 3 juni 1982 stelde zij RDB en MLDB, haar neef en nicht, aan tot algemene legatarissen van haar nalatenschap. Tot deze nalatenschap behoorde de speculaasfabriek, die als éénmanszaak was uitgebaat. Op het ogenblik van het overlijden van MDB was haar patrimonium bezwaard met kaskredieten, toegekend door de toenmalige Bank Brussel-Lambert aan de speculaasfabriek voor een bedrag van minstens 10.950.000 BEF. Daarnaast waren er nog andere schulden, o.a. fiscale schulden. De BBL had tot waarborg van haar kredieten een hypothecaire inschrijving genomen enerzijds op de handelszaak zelf maar ook op veertien woonhuizen in Eeklo gelegen. Om de schuld aan de BBL af te betalen, konden RDB en MLDB deze ervan overtuigen de geplande uitwinning van alle eigendommen te laten varen en een meer gunstige oplossing te aanvaarden, namelijk de geleidelijke verkoop ervan aan de meest biedende. Wat de handelszaak betreft, deze hebben RDB en MLDB een tijd draaiende gehouden in de hoop een gunstige overnameprijs te bereiken. De zaak was verouderd en veel gegadigden werden niet gevonden. Blijkbaar werd ze uiteindelijk overgedragen aan de cv E met machtiging van de rechter. Na het overlijden van MDB schrapte de RSZ haar aansluitingsnummer en opende hij een nieuw aansluitingsnummer op naam van RDB en MLDB, verenigd in een feitelijke vennootschap. Deze laatsten waren met deze gang van zaken niet akkoord. Zij waren blijkbaar wel bereid verder aangifte te doen voor de prestaties van het personeel, gepresteerd na het overlijden van MDB, maar dan enkel onder haar inschrijvingsnummer. Men kwam blijkbaar niet tot een akkoord en de RSZ dagvaardde enerzijds de feitelijke vennootschap RDB en MLDB en anderzijds RDB en MLDB afzonderlijk en in eigen naam. De eerste rechters kwamen tot het besluit dat RDB en MLDB enkel waren opgetreden in hun hoedanigheid van beneficiaire erfgenamen, dat zij in die hoedanigheid ertoe gehouden waren de nalatenschap van MDB te vereffenen en dat de RSZ schulden bijgevolg niet op hun persoonlijke goederen konden worden verhaald. Noch persoonlijk, noch als vennoot van een onregelmatige vennootschap onder gemeenschappelijke naam waren zij schuldenaars van de RSZ. Evenmin bleek uit het dossier, aldus de eerste rechters, dat RDB en MLDB de bedrijvigheid van de speculaasfabriek hadden verder gezet met het oog op persoonlijke winst en niet in het kader van het beheer van de nalatenschap. De RSZ werd dan ook van zijn vordering afgewezen. Hij tekende tegen dit vonnis hoger beroep aan bij het arbeidshof te Gent op 5 juni
  14. RDB overlijdt op 10 augustus
  15. Op 2 februari 1996 dagvaardt de RSZ zijn erfgenamen in hervatting van het geding. De RSZ voert voor het arbeidshof aan: x dat RDB en MLDB meer hebben gedaan dan het vereffenen van de nalatenschap. Zij hebben de uitbating verder gezet met de bedoeling persoonlijk winst te maken. Zo hebben zij bijvoorbeeld de stock volledig verwerkt en ze hebben daarvoor het personeel in dienst gehouden; x de RSZ was van oordeel dat het om meer ging dan om een louter beheer van de nalatenschap. Meer bepaald ging het om daden van beschikking, die het bewijs zijn van een feitelijke vennootschap die tussen de erfgenamen tot stand was gekomen; x verder meende de RSZ dat de door hem gevorderde bedragen geen schulden waren van voor het overlijden van MDB, waarvoor desgevallend het voorrecht van boedelbeschrijving geldt, maar wel schulden van na het overlijden, waarvoor het genoemde voorrecht niet kan worden tegengesteld; x de uitbating van de handelszaak na het overlijden van MDB was, aldus de RSZ, in handen van de onregelmatige vennootschap, die als zodanig optrad en handelsactiviteiten uitoefende; x verder wijst de RSZ erop dat RDB en MLDB peroonlijke eigendommen in hypotheek gaven om de kredietopeningen van de BBL te waarborgen, wat hun persoonlijke betrokkenheid bewijst. De RSZ vroeg dan ook om het vonnis te vernietigen en om de verweerders in beroep te veroordelen om de bedragen te betalen die hij voor de eerste rechters had gevorderd. Het arbeidshof te Gent wees in het arrest van 12 maart 2001 het hoger beroep af als ongegrond en bevestigde het vonnis van de eerste rechters. Het sloot zich aan bij het advies van het openbaar ministerie, in die zin dat "met de eerste rechter enkel kan besloten worden dat de geïntimeerden wijlen RDB en MLDB de handelszaak tijdelijk geëxploiteerd hebben in onverdeeldheid in het raam van hun verplichting de nalatenschap te beheren en te vereffenen, namelijk in geld om te zetten, en dat appellant (in geval van niet akkoord met het beheer en deze wijze van vereffening door beide beneficiare erfgenamen) nagelaten heeft gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheden tot tussenkomst bepaald in het Burgerlijk Wetboek (cfr. o.m. artikel 804 B.W.) Tegen dit arrest voorzag de RSZ zich in cassatie. In een eerste middel werd aan het arbeidshof verweten dat er niet was geantwoord op het pertinente verweer dat RDB en MLDB persoonlijke eigendommen in hypotheek hadden gegeven. Bijgevolg was de beslissing dat de RSZ het bestaan van een vennootschap niet aantoonde en dat hij faalde in zijn bewijslast, niet regelmatig met redenen omkleed. In een tweede middel geeft de RSZ aan dat naast het, in hoofdorde, ontwikkelde verweer dat er een feitelijke vennootschap was tot stand gekomen tussen wijlen RDB en MLDB, door hem in ondergeschikte orde was aangevoerd dat de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen alleszins als een last van de massa of nalatenschap moet worden beschouwd, waarvoor de erfgenamen, die in hun hoedanigheid van vereffenaars als werkgever zijn te beschouwen van het personeel, bij voorrang moeten instaan. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het eerste middel feitelijke grondslag mist en dat het tweede middel pertinent was. Eisen thans in hoger beroep De RSZ vraagt nog steeds om het bestreden vonnis te vernietigen en om zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. Bijgevolg de verweerders in hoger beroep te veroordelen om aan hem te betalen 3.819,32 euro (waaronder 347,55 euro gerechtskosten) op basis van het rekeninguittreksel van 5 juni 1987, meer de intresten zoals gevorderd in de dagvaarding. Hij vraagt om MLDB te veroordelen tot betaling van de helft van deze bedragen en de erfgenamen van RDB solidair minstens ondeelbaar tot de andere helft. Iedereen van hen moet dan solidair of minstens ondeelbaar worden veroordeeld tot de kosten van het geding. De CDB vragen om het arrest van het arbeidshof te Gent te bevestigen in die zin dat de sociale zekerheidsbijdragen een last uitmaken van de nalatenschap waartoe zij slechts gehouden zijn in hun hoedanigheid van beneficiaire erfgenamen doch in geen geval ten persoonlijke titel en slechts tot beloop van de activa van de nalatenschap. Volgens het recht Het Hof van Cassatie heeft het arrest van het arbeidshof te Gent van 12 maart 2001 slechts gedeeltelijk vernietigd. De beoordeling door het arbeidshof van de kwestie of RDB en MLDB nu een feitelijke onregelmatige vennootschap uitmaakten, werd bevestigd. Van dergelijke feitelijke en onregelmatige vennootschap is geen sprake. Vanuit die hoedanigheid zijn RDB en MLDB geen schuldenaars van de RSZ. Deze beslissing is definitief. Staat enkel nog ter beoordeling open: de vordering van de RSZ ten aanzien van de CDB, in elke andere hoedanigheid dan deze van vennoot van een feitelijke vennootschap. Zo heeft de RSZ steeds voorgehouden dat de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen, verschuldigd voor de periode na het openvallen van de nalatenschap van wijlen MDB, een last van de massa of van de nalatenschap uitmaken waarvoor de erfgenamen bij voorrang met hun persoonlijke goederen moeten instaan. Deze erfgenamen, in hun hoedanigheid van vereffenaars van deze nalatenschap, zijn als werkgever te beschouwen over het personeel dat, na het openvallen van de nalatenschap, in dienst werd gehouden. In zijn beroepsconclusies verduidelijkt de RSZ onder de titel 'aanpassing van de vordering' dat de algemene legataris de schulden en de lasten van de nalatenschap persoonlijk moet betalen voor zijn aandeel en hypothecair voor het geheel, waarbij hij verwijst naar artikel 1009 van het burgerlijk wetboek. Dit zou, nog steeds volgens de RSZ, betekenen dat de algemene legataris, wanneer het geen hypothecaire schuld betreft, de schuld van de nalatenschap moet betalen naar evenredigheid van zijn erfdeel, wat in casu zou inhouden dat MLDB gehouden is tot betaling van de helft van het door de RSZ gevorderde bedrag en de erfgenamen van RDB samen tot de andere helft. De CDB brengen daar tegen in dat deze stelling onjuist is omdat de RSZ daarbij over het hoofd ziet dat RDB en MLDB de nalatenschap van wijlen MDB hebben aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving, gegeven dat overigens niet ter discussie staat. De RSZ verwijst ten onrechte naar de toepassing van artikel 1009 van het burgerlijk wetboek omdat deze bepaling enkel van toepassing is wanneer de algemene legataris tot de erfenis komt samen met een erfgenaam, aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent. Dit scenario doet zich in deze zaak niet voor. Het openbaar ministerie geeft in zijn advies terecht aan: "Het is echter wel zo dat wanneer de algemene legataris of legatarissen tot de erfenis komen zonder reservataire erfgenamen, zij zoals een wettige erfgenaam ook gehouden zijn de schulden te betalen, zelfs met hun eigen vermogen, op grond van het principe dat al wie het vermogen verkrijgt de schulden moet betalen (Zie DEKKERS, R., Handboek burgerlijk recht, D. III, uitg. E. BRUYLANT - N.V. STANDAARD-BOEKHANDEL, 2de uitg., 1971, blz. 715 (nr. 1256)." Met erfschulden worden 'de schulden en lasten' der nalatenschap bedoeld. Schulden zijn de door de erflater aangegane schulden, terwijl lasten niet de lasten zijn waarmee de erflater bepaalde legaten bezwaarde, maar schulden als gevolg van zijn overlijden, zoals de begrafeniskosten en ook de kosten van inventaris, vereffening en verdeling (Zie DEKKERS, R., Handboek burgerlijk recht, D. III, uitg. E. BRUYLANT - N.V. STANDAARD-BOEKHANDEL, 2de uitg., 1971, blz. 716 en 717 (nr. 1260). Het hof sluit zich bij de navolgende verduidelijking van het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies aan: "In principe staan de algemeen legataris en de legataris onder algemene titel voor deze erfschulden en erflasten in tot en met hun eigen vermogen, ultra vires hereditatis. Maar de algemeen legataris en de legataris onder algemene titel genieten, zoals de wettige erfgenaam, het recht om met voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden (artikel 802 B.W.)." "Indien de algemene legataris opteert voor het voordeel van de boedelbeschrijving houdt dit in dat de eigen zaken van de beneficiaire erfgenaam gescheiden blijven van die van de nalatenschap in toepassing van artikel 802 B.W. en dat hij slechts gehouden is tot betaling van de 'schulden en de lasten' van de nalatenschap tot het bedrag van de waarde der goederen die hij verkrijgt (zie artikel 802, lid 2 B.W.). De beneficiaire erfgenaam is slechts gehouden tot beloop van de baten der nalatenschap (pro viribus), doch enkel met die baten (cum viribus) (Zie DEKKERS, R., Handboek burgerlijk recht, D. III, uitg. E. BRUYLANT - N.V. STANDAARD-BOEKHANDEL, 2de uitg., 1971, blz. 365 en 366 (nr. 599)." De erfschuldeisers hebben uitzonderlijk een verhaal op het eigen vermogen van de beneficiaire erfgenaam wanneer deze geen gevolg geeft aan een aanmaning tot afrekening (artikel 803, lid 3 B.W.), wanneer uit de rekening een voor hem nadelig saldo blijkt (artikel 803, lid 3 B.W.), wanneer de erfgenaam in zijn beheer een fout begaat (artikel 1382 B.W.) of wanneer hij persoonlijke schulden aanging. Een beneficiaire erfgenaam is eigenaar van de erfgoederen mits betaling der schulden en lasten welke die bezwaren. Omdat de erfschuldeisers er belang bij hebben dat de erfgoederen, die hun enig pand uitmaken, zoveel mogelijk opbrengen, mag de erfgenaam ze niet vrij beheren en zijn op dat vlak in de wettelijke bepalingen waarborgen en voorzorgsmaatregelen ingebouwd (zie de artikelen 803 tot en met 808 van het B.W.). Toepassing in deze zaak De vraag in rechte is of de RSZ schulden, die ontstaan zijn na het overlijden van MDB, lasten zijn van haar nalatenschap dan wel of de tewerkstelling van het personeel (de oorzaak van het stand komen van deze schulden) niet of niet louter de vereffening van deze nalatenschap heeft gediend. De RSZ blijft er namelijk op hameren dat de voortzetting van de bedrijvigheid in het speculaasfabriek na het overlijden van MDB het persoonlijk belang heeft gediend van RDB en MLDB. Immers, zo geeft de RSZ aan, waren bepaalde persoonlijke eigendommen van RDB en MLDB mee in pand gegeven tot waarborg van de kredieten die liepen bij de BBL. Door de vereffening van de handelszaak zolang te rekken, hebben RDB en MLDB hun in pand gegeven eigendommen kunnen vrijwaren, zodat er aan heel de operatie toch wel een persoonlijk voordeel kleefde dat losstaat van de pure vereffening van de nalatenschap. Indien het scenario, zoals het nu werd voltrokken na het overlijden van MDB, zou verschillen van een loutere vereffening en verdeling van haar nalatenschap, dan komt het de RSZ toe dit verschil tussen beide scenario's zichtbaar te maken en te omschrijven. Vervolgens moet de RSZ aantonen dat dit verschil inderdaad door RDBen MLDB in het leven werd geroepen om louter hun persoonlijke belangen te dienen. Verder moet de RSZ bewijzen dat RDB en MLDB actief het personeel van de fabriek heeft ingezet om dit persoonlijk voordeel te realiseren en dat zij over dit personeel gezag hebben uitgeoefend. Immers om hen in hun persoonlijk vermogen aan te spreken tot het betalen van RSZ-bijdragen is vereist dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst is bewezen tussen RDB en MLDB en de verschillende personeelsleden (toepassing van artikel 1, ,§1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders dat bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden."). De elementen, die er kunnen op wijzen dat bij de vereffening van de nalatenschap van MDB niet enkel de belangen van de overledene speelden, maar dat ook andere belangen werden gediend, komen in het dossier niet uit de verf. Naar de tewerkstelling van het personeel na het overlijden toe, leidt het geen twijfel dat dit 'dienen van andere belangen', bij zoverre het concreet zou zijn aangetoond, verstrengeld is met de activiteiten die thuis horen in een normale vereffening van de nalatenschap. Deze laatste activiteiten hebben RDB en MLDB uitgevoerd met hun petje van beneficiaire erfgenaam op. Het is zeker niet zo dat na het overlijden het personeel louter en alleen werd ingezet om de persoonlijke belangen van RDB en MLDB te dienen, in de periode waarvoor de RSZ zijn vordering instelt. In die periode werd het personeel zeker ook ingezet om de waarde van de boedel op te krikken teneinde de afbetaling van de schulden van deze boedel zelf te optimaliseren. De inzet van het personeel, zo het niet beperkt zou gebleven zijn tot de realisatie van de boedel in functie louter van de vereffening ervan, zou dan (mede) hebben gediend om de eigen belangen van de erfgenamen te dienen. De kosten van deze inzet, waartoe de RSZ-bijdragen behoren, zouden dan eerlijkheidshalve verdeeld moeten worden in een aandeel dat hoort bij de vereffening van de nalatenschap en een aandeel dat ten laste komt van hen die uit de operatie persoonlijk profijt hebben gehaald. Alleen is het zo dat het aan de RSZ toekomt om deze belangenvermenging duidelijk en concreet aan te tonen, om het aandeel 'persoonlijke belangen' te isoleren uit het geheel van de vereffening, om dit aandeel te beschrijven en om het te kwantificeren. Het volstaat niet voor de RSZ, zoals hij in dit dossier doet, om gewoon te wijzen op deze belangenvermenging, zonder ze concreet te bewijzen, en om zonder enige nuance zijn hele vordering enkel te stapelen op de schouders van de erfgenamen in persoonlijke naam. Dergelijk concreet bewijs ad hoc is des te meer nodig nu de vordering van de RSZ in deze zaak slaat op slechts één kwartaal. Als de RSZ van oordeel is dat RDB en MLDB gehouden zijn tot betaling van zijn schulden in een andere hoedanigheid dan deze van beneficiaire erfgenamen dan moet hij daarvan het bewijs leveren, hetgeen hij niet minstens onvoldoende doet waardoor zijn vordering tegenover hen in deze andere, persoonlijke hoedanigheid ongegrond is. Blijft dan enkel over de RSZ-schulden als een last van de nalatenschap, dus als gevolg van een inzet van het personeel in het kader van een vereffening van de nalatenschap enkel in functie van de 'belangen' van de boedel. Het hof sluit zich hier aan bij het advies van het openbaar ministerie: "Gelet op de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving door de algemene legatarissen en onder verwijzing naar artikel 802, lid 2 B.W., kan appellant zijn schuldvordering bijgevolg niet verhalen op het persoonlijk vermogen van deze erfgenamen". De vordering van de RSZ blijft dan ook ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 21 september
  16. Eiser in hoger beroep repliceerde met conclusies, ontvangen op de griffie van dit hof op 4 oktober
  17. Verweerders in hoger beroep repliceerden met conclusies, ontvangen op de griffie van dit hof op 4 oktober
  18. Recht doende op tegenspraak. Bevestigt ook na Cassatie het vonnis van de arbeidsrechtbank te Gent van 27 november
  19. Legt de kosten, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de RSZ. Vereffent de kosten x aan de zijde van eiser in hoger beroep op 61,62 euro dagvaarding, 69,16 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 71,44 euro dagvaarding hervatting geding, 237,97 euro rechtsplegingsvergoeding beroep, 49,57 euro uitgavenvergoeding, 102,64 euro dagvaarding na cassatie en 291,52 euro rechtspleginsgvergoeding beroep; x aan de zijde van verweerder in hoger beroep op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zestien november tweeduizend en zes, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer L. DE WINTER, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer J. VAN DEN EYNDE, raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw L. VAN CALSTER, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061116.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.