← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061116.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061116.3 Rolnummer: 2001-0407 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-18 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 14:41 Fiches 1 - 3 Het Hof merkt dienaangaande op dat het wel degelijk bevoegd is om in het kader van de beslissing tot terugvordering uitsluitsel te verkrijgen over de staat van invaliditeit van appellant dit eventueel na aanstelling van een gerechtelijk deskundige nu de al of niet gegrondheid van de terugvordering van beweerde onrechtmatig genoten uitkeringen conform art. 101 ZIV-wet juist hiervan afhankelijk is. Inderdaad indien appellant ten tijde van zijn niet toegelaten activiteit toch nog een arbeidsongeschiktheid had van minstens 50 % van medisch oogpunt uit dan kan de terugvordering beperkt worden, hetgeen appellant vraagt. De beslissing van een verzekeringsinstelling tot terugvordering is geen beslissing die definitief de rechten op terugvordering vastlegt. Wanneer, bij niet-terugbetaling de verzekeringsinstelling zich tot het arbeidsgerecht wendt om een uitvoerbare titel te bekomen kan bij betwisting, het arbeidsgerecht zowel de rechtmatigheid als de begroting van de terugvordering beoordelen (Arbh. Gent, afd. Brugge, 08/04/2003, T.S.R. 2003, 179). Het Hof stelt overigens vast dat geïntimeerde op geen enkel ogenblik de volle rechtsmacht van het hof betwist heeft. De heropening der debatten dringt zich hiertoe op. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK arbeidsongeschiktheid - beslissing tot terugvordering - bevoegdheid - beoordeling staat van invaliditeit - aanstelling deskundige. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 580 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING arbeidsongeschiktheid - beslissing tot terugvordering - bevoegdheid - beoordeling staat van invaliditeit - aanstelling deskundige. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 100 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 101 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 580, onder VII DN - artikel 100 en

  1. Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN, AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2010407 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: M B, wonende te , appellant, verschijnend in persoon en bijgestaan door zijn raadsman mr. A. C., advocaat te Tongeren, tegen : DE LANDSBOND DER LIBERALE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1050 Brussel, Livornostraat 25, geïntimeerde verschijnend bij mr. M. F., advocaat te Borgloon. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 28 november 2001 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 3 december 2001 conform artikel 792 van het Gerechtelijke Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 28 december 2001; - de conclusies en aanvullende conclusies van appellant respectievelijk neergelegd en ontvangen ter griffie op 15 september 2003 en 31 mei 2006 en de conclusies en aanvullende conclusies van geïntimeerde respectievelijk ontvangen ter griffie op 9 januari 2003 en 22 september
  2. Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 21 september
  3. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. I. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Met een verzoekschrift neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 28 december 2001 tekent appellant hoger beroep aan tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 28 november
  4. Het bestreden vonnis werd in toepassing van artikel 792, tweede lid, Ger. W, bij gerechtsbrief van 3 december 2001 ter kennis gebracht van partijen. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar vorm en inhoud. Het hoger beroep is ontvankelijk. II. FEITENRELAAS EN VOORGAANDE RECHTSPLEGING
  5. Appellant werd door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit van het RIZIV als invalide erkend vanaf 20 oktober 1986 tot en met 31 maart
  6. Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt van 15 oktober 1998 werd hij veroordeeld voor het organiseren van drugtrafiek in de periode tussen 1 en 30 december 1992 tot een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van 100.000 BEF, subsidiair twee maanden gevangenisstraf, met een uitstel voor de hoofdgevangenisstraf voor zover deze nog niet werd ondergaan en een deel van de geldboete gebracht op 75.000 BEF subsidiair 40 dagen gevangenisstraf.
  7. Na het controleonderzoek afgelegd op 8 november 1999 door de Dienst voor administratieve controle van het RIZIV bij geïntimeerde wordt bij aangetekend schrijven van 2 december 1999 aan geïntimeerde de volgende vaststelling gemeld: "Betrokkene is arbeidsongeschikt sedert 20 oktober 1986 en werd door de Geneeskundige raad voor invaliditeit verder als invalide erkend tot en met 31 maart
  8. Er werd uitgekeerd: - in invaliditeit: - van 1.11.1994 tot en met 30.11.1994: 26 x 902 BEF = 232.452 BEF - van 1.12.1994 tot en met 30.4.1996: 443 x 920 BEF = 407.560 BEF - van 1.5.1996 tot en met 30.9.1997: 444 x 957 BEF = 416.916 BEF - van 1.10.1997 tot en met 30.5.1999: 521 x 957 BEF = 498.597 BEF - van 1.6.1999 tot en met 12.8.1999: 63 x 976 BEF = 61.488 BEF - van 13.8.1999 tot en met 9.10.1999: 50 dagen nihil, administratieve sanctie - van 10.10.1999 tot en met 31.10.1999: 18 x 976 BEF = 17.568 BEF 1.425.581 BEF Betrokkene heeft derhalve vanaf 1 december 1992, bij toepassing van artikel 100,§1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en onder voorbehoud van de eventuele toepassing van artikel 101 van vorenvermelde wet, een einde gesteld aan zijn arbeidsongeschiktheid. Aldus werd er ten onrechte betaald, in invaliditeit, op basis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, artikel 100, par. 1: 1.425.581 BEF. De eerste zin van het derde lid van artikel 174 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14.07.1994 inzake verjaring is van toepassing. Deze brief stuit de verjaring zoals voorzien in artikel 174,7° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14.07.
  9. U dient voormeld geval te regulariseren overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen."
  10. Bij aangetekend schrijven van 16 december 1999 vordert geïntimeerde van appellant een bedrag van 1.450.957 BEF de teveel ontvangen invaliditeitsuitkeringen over de periode 01/11/1994 tot en met 30/11/1999 terug.
  11. Op 17 maart 2000 legt geïntimeerde een verzoekschrift neer ter griffie van de arbeidsrechtbank te Tongeren teneinde te horen zeggen voor recht dat appellant de som van 1.450.957 BEF dient terug te betalen.
  12. Op 6 januari 2000 neemt appellant verhaal tegen de beslissing van geïntimeerde van 16 december 1999 voor de arbeidsrechtbank te Hasselt.
  13. Bij vonnis van 27 april 2000 verklaart de arbeidsrechtbank te Hasselt zich onbevoegd en verwijst zij de zaak naar de arbeidsrechtbank te Tongeren.
  14. Bij aangetekend schrijven van 30 oktober 2001 laat het RIZIV, Dienst voor administratieve controle aan geïntimeerde weten dat tijdens de controlebezoeken van 1 oktober 2001 tot 3 oktober 2001 bij geïntimeerde gebleken is dat een bedrag van 157.822 BEF teveel voor kosten geneeskundige verzorging werd uitbetaald over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 maart
  15. Vanaf 1 april 2000 was appellant ingeschreven als persoon ten laste bij zijn moeder J. V.. (zie administratief dossier betreffende eisuitbreiding van geïntimeerde neergelegd ter griffie van het hof op 9 januari 2003).
  16. Bij vonnis van 28 november 2001 voegt de arbeidsrechtbank te Tongeren de vorderingen van partijen samen en verklaart ze ontvankelijk. De vordering van geïntimeerde wordt gegrond verklaard en voor recht wordt gezegd dat appellant dient terug te betalen aan geïntimeerde de som van 1.450.957 BEF méér de gerechtelijke intresten vanaf de datum van het indienen van het verzoekschrift. De vordering van appellant wordt ongegrond verkaard en de bestreden beslissing wordt bevestigd. Geïntimeerde wordt verwezen in de kosten.
  17. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 28 december 2001 stelt appellant hoger beroep in tegen voormeld vonnis.
  18. In beroepsbesluiten neergelegd ter griffie van het hof op 9 januari 2002 doet geïntimeerde een eisuitbreiding voor een bedrag van 3.912,31 EUR, zijnde de ten onrechte uitbetaalde kosten geneeskundige verzorging in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 maart
  19. In totaal vordert geïntimeerde aldus thans de som van 39.880,60 EUR terug van appellant. III. IN RECHTE A. NOPENS DE UITBREIDING VAN DE TERUGVORDERING
  20. Bij beroepsbesluiten neergelegd ter griffie van het hof op 9 januari 2003 breidt geïntimeerde zijn vordering, zoals begroot in eerste aanleg uit met het bedrag van 3.912,31 EUR, zijnde kosten geneeskundige verzorging die aan appellant ten onrechte werden uitbetaald in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 maart
  21. Appellant is echter van mening dat de eisuitbreiding van geïntimeerde een nieuwe eis in hoger beroep is en dat het niet gaat om de uitbreiding van de vordering. De eisuitbreiding van geïntimeerde betreft geneeskundige verzorging of "medische uitgaven" die geen uitstaans hebben met de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
  22. Artikel 807 Ger.W. bepaalt dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. De uitbreiding of wijziging van een vordering, zoals in artikel 807 Ger. W. bepaald, is eveneens krachtens artikel 1042 in hoger beroep toegelaten. (Cass. 3 november 1972, Arr. Cass. 1973, 219; Cass. 24 november 1972, arr. Cass. 1973, 298, R.W. 1972/1973, 1761; Cass. 3 mei 1978, Arr. Cass. 1978, R.W. 1978/1979, 1378; Cass. 7 januari 1980, Arr. Cass. 1979/1980, 529 en J.T.T. 1981,71). Dit veronderstelt wel dat de in hoger beroep uitgebreide of gewijzigde vordering reeds bij de eerste rechter aanhangig was gemaakt (Cass. 2 december 1982, Arr. Cass. 1982/1983, 454; R.W. 1982/1983, 2811). Welnu, geïntimeerde vorderde voor de arbeidsrechtbank te Tongeren het bedrag van 1.450.957 BEF terug, zijnde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die aan appellant ten onrechte werden uitbetaald over de periode van 1 januari 1994 tot en met 30 november
  23. Hetzelfde bedrag werd van appellant teruggevorderd bij aangetekend schrijven van 16 december
  24. Tijdens het controlebezoek afgelegd op 8 november 1999 aan geïntimeerde werd door het RIZIV, Dienst voor administratieve controle, vastgesteld dat aan appellant het bedrag van 1.425.581 BEF teveel werd uitgekeerd in invaliditeit in de periode van 1 november 1994 tot en met 31 oktober
  25. Op 8 december 1999 verstuurde de Dienst Betwiste Zaken van geïntimeerde een interne nota aan de Dienst Uitkeringen waarin vermeld wordt dat het verslag van het RIZIV uitgebreid wordt met een bijkomende terugvordering van 25.376 BEF, zijnde de invaliditeitsuitkeringen over de periode van de maand november
  26. Het is pas naar aanleiding van de controleonderzoeken van het RIZIV, Dienst voor administratieve controle, van 1 tot 3 oktober 2001, dat vastgesteld werd dat er teveel aan geneeskundige verzorging uitbetaald was in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 maart 2000 voor een totaal bedrag van 157.822 BEF (3.912,31 EUR). Het teveel uitbetaalde aan geneeskundige verzorging gebeurde omdat appellant niet voldeed aan de bepalingen van artikel 123 van de Gecoördineerde Ziektewet van 14 juli
  27. Van de bijkomende terugvordering betreffende de geneeskundige verzorging hebben de eerste rechters nooit kennis gekregen. De stukken betreffende de bijkomende terugvordering werden ter griffie van het hof neergelegd op 9 januari 2003, één jaar na de datum van de inleidingszitting op 17 januari
  28. Nu geïntimeerde voor het eerst in hoger beroep kosten voor geneeskundige verzorging voor een bedrag van 3.912,31 EUR van appellant terugvordert, is die eisuitbreiding niet toelaatbaar. Voor zoveel als nodig merkt het hof nog op dat de ziekteverzekering een verschillende regeling voor verplichte verzekering instelt voor: - ziektekosten (geneeskundige verzorging) - inkomstenderving bij arbeidsongeschiktheid (uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid) De ziektekostenverzekering is afgestemd op het gezin en niet op het individu en wordt toegekend op grond van arbeid of sociale situatie. Doel van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is een loondervingsvergoeding toekennen in geval van arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van een ziekte of een ongeval. In tegenstelling met wat in de ziektekostenverzekering het geval is, zijn de rechthebbenden op uitkeringen, alleen de gerechtigden zelf en niet tevens de personen ten hunnen laste. (W. VAN EECKHOUTTE, "Sociaal Compendium 05/06 - Socialezekerheidsrecht met fiscale notities, Band 1; nrs. 15300, 15381 en 15702). De terugvordering van de invaliditeitsuitkeringen (artikel 100 ,§1) en de eisuitbreiding betreffende de ziektekosten (artikel 123) steunen bovendien op verschillende rechtsgronden. B. NOPENS DE TERUGVORDERING
  29. Appellant werd sedert 20 oktober 1986 door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit (afgekort G.R.I.) steeds als invalide erkend tot en met 30 maart
  30. Dit staat niet ter betwisting.
  31. Geïntimeerde vordert thans van appellant de door hem genoten invaliditeitsuitkeringen terug en dit vanaf 1 november 1994 tot en met 30 november 1999 ten bedrage van 1.450.457 BEF of 35.968,29 EUR. Geïntimeerde steunt zich hiervoor op art. 100 van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
  32. Artikel 100 van de Gecoördineerde Ziektewet van 14 juli 1994 bepaalt: ",§
  33. Wordt als arbeidsongeschikt erkend als bedoeld in deze gecoördineerde wet, de werknemer die alle werkzaamheden heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of verergeren van letsels en functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot één derde of minder dan één derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepscategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou hebben kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding. ,§
  34. Wordt als arbeidsongeschikt erkend de werknemer die, onder de voorwaarden bepaald in de in artikel 80,5°, bedoelde verordening, een vooraf toegelaten arbeid hervat op voorwaarde dat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct. behoudt." Geïntimeerde verwijst naar een onderzoek van de Dienst Geneeskundige Controle van het RIZIV waaruit gebleken is dat appellant een handel in amfetamines heeft gedreven in de periode 1 tot en met 30 december 1992 en dat appellant hiervoor werd veroordeeld door de correctionele rechtbank te Hasselt bij vonnis van 15 oktober
  35. Geïntimeerde stelt dat appellant door het uitvoeren van deze, zij het verboden, economische werkzaamheden zelf een einde gesteld heeft aan zijn arbeidsongeschiktheid vanaf 1 december 1992 en derhalve vanaf dat ogenblik ten onrechte invaliditeitsuitkeringen heeft ontvangen. Geïntimeerde vordert echter slechts terug vanaf 1 november 1994 ingevolge de verjaringsregeling welke vijf jaar bedraagt bij bedrieglijk inzicht van de gerechtigde wat in casu bewezen is door de correctionele veroordeling van appellant voor handel in amfetamines.
  36. Appellant betwist niet dat hij in de periode waarvoor hij strafrechtelijk gesanctioneerd werd (tussen 1 en 30 december 1992) inderdaad een beroepsbezigheid heeft uitgeoefend zonder de vereiste voorafgaande toelating van de adviserend geneesheer. In hoofdorde betwist hij de terugvordering en steunt zich op de artikelen 101, minstens 102 van de Gecoördineerde Ziektewet van 14 juli 1994 omdat hij volgens hem vanuit geneeskundig oogpunt een vermindering van zijn vermogen van tenminste 50% behouden heeft. Hij verwijst naar de bijgebrachte medische gegevens en postuleert de aanstelling van een geneesheer-deskundige. Meer ondergeschikt postuleert appellant dat de terugvordering zou worden beperkt tot de periode die de strafrechter, het RIZIV en geïntimeerde zelf hebben weerhouden voor wat betreft de feiten, namelijk deze tussen 1 en 30 december
  37. Ten onrechte betoogt geïntimeerde derhalve dat appellant geen enkel juridisch argument of wetsartikel aangeeft op basis waarvan deze door hem ingeroepen beperking van de terugvordering hem zou toekomen. Artikel 101 van dezelfde Gecoördineerde Ziektewet bepaalt: "De als arbeidsongeschikt erkende werknemer die arbeid heeft verricht zonder de in artikel 100,,§2 bedoelde voorafgaande toelating, maar die, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct. behouden heeft, moet de uitkeringen die hij ontving voor de dagen of de periode tijdens welke hij die niet toegelaten arbeid heeft verricht, terugbetalen. (...)" (Het eerste lid van artikel 101 werd ingevoegd door artikel 140 van de Wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen (B.S. 5 februari 1999, blz. 3.571)) Artikel 102 van dezelfde Gecoördineerde Ziektewet vervolgt: "De als arbeidsongeschikt erkende werknemer, die vóór de inwerkingtreding van artikel 101 arbeid heeft verricht zonder de in artikel 100,,§2, bedoelde voorafgaande toelating en ten gevolge hiervan op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 101 niet meer voldoet aan de voorwaarden om de prestaties bedoeld in titel IV te ontvangen, wordt vermoed arbeidsongeschikt te zijn gebleven tot de inwerkingtreding van artikel 101 op voorwaarde dat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct. behouden heeft. De overeenkomstig het eerste lid als arbeidsongeschikt beschouwde werknemer kan slechts opnieuw aanspraak maken op de in titel IV bedoelde prestaties vanaf de inwerkingtreding van artikel 101, indien hij vanaf dit ogenblik arbeidsongeschikt is bevonden overeenkomstig artikel 100,,§,§1 of 2." (...) (Het eerste lid van artikel 102 werd ingevoegd door artikel 141 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen. (B.S. 5 februari 1999, blz. 3.571)). Voormelde artikelen zijn er gekomen als een reactie van de wetgever op bepaalde bijzonder strenge jurisprudentie met betrekking tot het eerste element van de arbeidsongeschiktheidsdefinitie van artikel 100 ,§1 met name het onderbreken van alle werkzaamheden en dus het voor arbeidsongeschikte geldende arbeidsverbod. Als reactie tegen de onbillijke gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien werden, onmiddellijk volgend op art. 100 van de ZIV-wet twee temperingsbepalingen ingelast door een wet van 18 oktober 1991 (B.S. 17 december 1991). In de voorbereidende werken van deze wet verklaart de Minister "dat het duidelijk is dat een als arbeidsongeschikt erkende werknemer die werkzaamheden heeft verricht zonder voorafgaande toelating van de adviserend geneesheer, in de huidige regeling veel te streng worden bestraft". Inderdaad dient er te worden vastgesteld dat benevens de terugvordering en de administratieve sancties waarvan de betrokkene het voorwerp uitmaakt, ook andere nadelige gevolgen uit de overtreding van het arbeidsverbod voortvloeien: aangezien de betrokkene niet langer als arbeidsongeschikt is erkend vervalt de verzekerbaarheid van hemzelf en de personen die hij ten laste heeft in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging, en gaan tevens de rechten die de betrokkene geniet in het kader van de andere sectoren van de sociale zekerheid verloren. Op deze punten moeten de nieuwe artikelen 101 en 102 van de ZIV-wet (in de oude ZIV-wet: de art. 56bis en 56ter) een billijker verhouding tussen straf en overtreding bewerkstelligen. Voortaan geldt dat de werknemer die arbeid heeft verricht zonder de in artikel 100, ,§2 van de ZIV-wet bedoelde voorafgaande toelating vanwege de adviserend geneesheer, slechts de uitkeringen die hij ontving voor de dagen of de periode tijdens dewelke hij die arbeid heeft verricht, moeten terugbetalen, en dat behoudens in geval van bedrieglijk opzet het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen in behartenswaardige gevallen geheel of gedeeltelijk kan afzien van de terugvordering. Verder wordt de betrokkene geacht arbeidsongeschikt te zijn gebleven en worden de dagen waarvoor de uitkeringen worden teruggevorderd, aangezien als dagen waarop een uitkering is toegekend om de rechten van de werknemer en van de personen te zijnen laste op de prestaties van de sociale zekerheid te bepalen. Om van deze maatregel te genieten moet de betrokkene een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50% behouden hebben vanuit medisch oogpunt. Art. 102 van de ZIV-wet, eveneens ingevoerd door de Wet van 18 oktober 1991 is een bepaling van overgangsrecht ten aanzien van personen die vóór de inwerkingtreding van art. 101 van de ZIV-wet hun statuut van arbeidsongeschikte hebben verloren of het voorwerp van een terugvordering hadden uitgemaakt. Indien een verzekerde tijdens de periode van niet toegelaten activiteit een vermindering van zijn vermogen met ten minste 50% behouden heeft van geneeskundig oogpunt uit, wordt de betrokkene vermoed verder arbeidsongeschikt te zijn gebleven (medische regularisatie). De betrokkene kan na die periode opnieuw aanspraak maken op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen indien hij voldoet aan de wettelijke bepalingen. Wanneer de medische regularisatie wordt geweigerd, omdat de betrokkene over de periode van niet toegelaten activiteit geen vermindering van zijn vermogen heeft behouden van ten minste 50% van geneeskundig oogpunt uit, moet de betrokkene indien hij meent dat hij na die periode opnieuw arbeidsongeschikt beschouwd moet worden, opnieuw aangifte doen van zijn arbeidsongeschiktheid bij de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling met het oog op een eventuele erkenning van de arbeidsongeschiktheid. De arbeidsongeschiktheid van meer dan 66% vanuit socio-economisch oogpunt zoals zij beoogt wordt bij de 1ste paragraaf van artikel 100 is duidelijk niet meer eisbaar in het kader van art. 101 en
  38. Het komt er uitsluitend op aan te bepalen of de betrokkene een arbeidsongeschiktheid van 50% vertoont op fysisch of fysiologisch vlak. Het is de gangbare praktijk dat indien het niet om een volledige werkhervatting gaat - wat in casu het geval is nu appellant een niet-toegelaten activiteit heeft uitgeoefend tijdens de periode van 1 tot 30 december 1992 - de diensten van het R.I.Z.I.V. of van het ziekenfonds die de vaststelling doen van de overtreding van de stopzettingsvoorwaarde, de betrokkene attent maken op de mogelijkheid om bij de adviserend geneesheer een aanvraag in te dienen voor de toepassing van art. 101 Z.I.V.-wet. De adviserend geneesheer beoordeelt of de criteria om art. 101 toe te passen, voldaan zijn. Als dit niet het geval is, betekent hij een negatieve beslissing aan de verzekerde, die binnen een termijn van drie maanden beroep kan aantekenen bij de arbeidsrechtbank van zijn woonplaats. Bij een positieve beoordeling van de wettelijke voorwaarden beslist de adviserend geneesheer zelf voor de toepassing van art. 101 in de periode van primaire arbeidsongeschiktheid d.w.z. tijdens de eerste 12 maanden van de arbeidsongeschiktheid. Als gevolg van de toepassing van art. 101 worden de uitkeringen die verzekerde heeft ontvangen op dagen waarop hij de activiteit uitvoerde, teruggevorderd. In de periode van invaliditeit beslist de adviserend geneesheer niet zelfstandig maar maakt hij zijn voorstel betreffende de toepassing van art. 101 over de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit (GRI) van het R.I.Z.I.V. die de beslissing neemt . (zie P. Donceel: "De gevolgen van de overtreding van het arbeidsverbod in de uitkeringsverzekering" Medi-ius jg. 2001-1 p. 11-15). Uit het controleverslag van de Dienst voor administratieve controle van het R.I.Z.I.V. blijkt dat aan appellant een administratieve sanctie werd opgelegd van 50 daguitkeringen in de periode van 13 augustus 1999 tot en met 9 oktober 1999 omdat hij als gerechtigde zijn verzekeringsinstelling (geïntimeerde) niet heeft in kennis gesteld van de spontane hervatting van het werk en verder uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen (artikel 2,6° van het koninklijk besluit tot vaststelling van de administratieve sancties die toepasselijk zijn op rechthebbenden van de regeling voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.) In het administratief dossier is echter geen enkel document te vinden waaruit zou kunnen afgeleid worden dat appellant na de vaststelling van de niet-toegelaten activiteit op de hoogte werd gebracht van de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor toepassing van art. 101 Z.I.V.-wet of dat hij werd opgeroepen voor een medisch onderzoek aangaande zijn arbeidsongeschiktheid noch blijkt dat er na medisch onderzoek een administratieve beslissing werd getroffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheid vanuit geneeskundig oogpunt van 50%. Het hof wenst derhalve, vooraleer te oordelen over de gegrondheid van de terugvordering, dat geïntimeerde klaarheid hieromtrent schept en zo niets van dit alles gebeurde wenst het hof, alvorens zelf eventueel een geneesheer deskundige aan te stellen geïntimeerde en/of het R.I.Z.I.V. zelf de kans te geven vooralsnog over te gaan tot zulk medisch onderzoek hetgeen het R.I.Z.I.V. trouwens reeds zelf incalculeerde nu hij in zijn aangetekende ingebrekestelling dd. 2 december 1999 aan geïntimeerde het volgende stelt (cfr. stuk 14 adm. dossier): "Uit een onderzoek ingesteld door de Dienst voor geneeskundige controle is gebleken dat betrokkene bij vonnis, dd. 15 oktober 1998, van de Correctionele Rechtbank te HASSELT veroordeeld werd wegens het drijven van handel in amfetamines tijdens de periode van 1 tot en met 30 december
  39. Betrokkene heeft derhalve vanaf 1 december 1992, bij toepassing van artikel 100, ,§1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1998 en onder voorbehoud van de eventuele toepassing van artikel 101 van voormelde wet, een einde gesteld aan zijn arbeidsongeschiktheid." (eigen onderlijning door het hof). Het hof merkt dienaangaande nog op dat het wel degelijk bevoegd is om in het kader van de beslissing tot terugvordering uitsluitsel te verkrijgen over de staat van invaliditeit van appellant dit eventueel na aanstelling van een gerechtelijk deskundige nu de al of niet gegrondheid van de terugvordering van beweerde onrechtmatig genoten uitkeringen conform art. 101 ZIV-wet juist hiervan afhankelijk is. Inderdaad indien appellant ten tijde van zijn niet toegelaten activiteit toch nog een arbeidsongeschiktheid had van minstens 50% van medisch oogpunt uit dan kan de terugvordering beperkt worden, hetgeen appellant vraagt. De beslissing van een verzekeringsinstelling tot terugvordering is geen beslissing die definitief de rechten op terugvordering vastlegt. Wanneer, bij niet-terugbetaling de verzekeringsinstelling zich tot het arbeidsgerecht wendt om een uitvoerbare titel te bekomen kan bij betwisting, het arbeidsgerecht zowel de rechtmatigheid als de begroting van de terugvordering beoordelen. (Arbh. Gent, Afd. Brugge 8 april 2003, T.S.R. 2003, 179). Het hof stelt overigens vast dat geïntimeerde op geen enkel ogenblik de volle rechtsmacht van het hof betwist heeft. De heropening der debatten dringt zich hiertoe op. O P D I E G R O N D E N, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. N., advocaat-generaal, in de lezing van zijn schriftelijk advies op de zitting van 5 oktober 2006 waaromtrent appellant tijdig een schriftelijke repliek voerde, repliek die werd ontvangen ter griffie van het hof op 25 oktober 2006 en waaromtrent geïntimeerde niet meer repliceerde. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Geeft geïntimeerde akte van haar uitbreiding van eis. Verklaart deze eisuitbreiding niet toelaatbaar. Alvorens uitspraak te doen over de gegrondheid van de oorspronkelijke eis van terugvordering van huidige geïntimeerde. Heropent de debatten teneinde geïntimeerde toe te laten de door het hof gevraagde informatie bij te brengen en/of de handelen zoals gevraagd in het motiverend gedeelte van huidig arrest. Stelt de zaak voor verdere behandeling op de zitting van 15 februari 2007 te 14.30 uur. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van zestien november tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061116.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.