id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061122.15 Rolnummer: 2006-0053 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-30 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 14:43 Fiche De steuntrekker die nalaat aan het OCMW mee te delen dat hij met een leercontract/deeltijds onderwijs tewerkgesteld was bij een slager, handelt in strijd met artikel 60 van de OCMW-wet. Uit het gegeven dat eiser de kans op een voltijdse tewerkstelling verspeeld heeft door een leercontract af te sluiten bij een slager, een knelpuntberoep, kan niet worden afgeleid dat eiser een gebrek aan werkbereidheid vertoont. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Algemeen Vrije woorden: taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - maatschappelijke dienstverlening - informatieplicht aanvrager - werkbereidheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 60 § 1 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Annotaties Publicaties: SRK 2008 - - nr. 2, blz. 103-104 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2060053 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak van: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANTWERPEN, gevestigd te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 32, appellant, vertegenwoordigd door mevrouw A. B., consulent rechten, volmachtdraagster, tegen: de heer A. M., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. T. R., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 1 maart 2006, 14 juni 2006 en 25 oktober
- Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: * het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 14 december 2005 uitgesproken door de veertiende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan het O.C.M.W. van Antwerpen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 21 december 2005; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 20 januari 2006 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 23 januari
- Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 25 oktober
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 20 januari 2006, tekende het O.C.M.W. van Antwerpen hoger beroep aan tegen een vonnis van 14 december 2005 (A.R. 380.852) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. De machtiging daartoe werd verleend door de raad voor maatschappelijk welzijn op 24 februari
- Het vonnis werd aan het O.C.M.W. van Antwerpen ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 21 december
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorafgaande procedure A. M. werd geboren op 24 februari 1983 en bezit de nationaliteit van Afghanistan. Niet geweten is sedert wanneer hij in België verblijft. Hij zou op niet gekende datum asiel hebben aangevraagd en, in het kader van een harmonieuze spreiding van vreemdelingen, toegewezen zijn aan de gemeente Sint-Martens-Latem, waar het plaatselijk O.C.M.W. hem zou gesteund hebben tot 31 maart
- Op 8 maart 2004 werd zijn verblijfstoestand geregulariseerd op grond van artikel 9, 3, van de Vreemdelingenwet, werd hij ingeschreven in het vreemdelingenregister en genoot hij met ingang van april 2004 maatschappelijke dienstverlening door het O.C.M.W. van Antwerpen. A. M. werd in arbeidsbegeleiding genomen. Begin december 2004 kreeg hij de opdracht zich aan te bieden voor een te begeven betrekking. Hij ging daar niet op in. Uit het sociaal verslag van 21 december 2004 blijkt dat hij met ingang van 2 november 2004 op eigen initiatief een leercontract had gesloten met een slager, zonder hiervan melding te hebben gemaakt aan de maatschappelijk werker. Het bijzonder comité voor sociale bijstand besliste op 5 januari 2005 het levensminimum af te schaffen vanaf 1 december 2004, met de motivering: "U bent niet bereid om werk te zoeken. U verkoos op eigen houtje een leercontract te starten terwijl u de mogelijkheid had een full-time tewerkstelling op maat te starten." A. M. stelde hiertegen geen beroep in. Eind mei 2005 vroeg A. M., via het ACV, bijpassingen op zijn inkomen uit leercontract. Op 27 juni 2005 besliste het bijzonder comité voor sociale bijstand de beslissing van 5 januari 2005 te behouden, met als motivering: "U ging niet in op een concreet aanbod dat u een ruimer inkomen zou bezorgen. U koos zonder voorgaand overleg voor een opleiding en beperkte tewerkstelling waardoor u financieel afhankelijk blijft aan OCMW Antwerpen." Deze beslissing werd A. M. ter kennis gebracht bij aangetekende brief op niet gekende datum. A. M. tekende hiertegen verhaal aan bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie op 22 juli
- In hun vonnis van 14 december 2005 verklaarden de eerste rechters de vorde-ring ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, vernietigden de bestreden beslissing van het bijzonder comité voor sociale bijstand van 27 juni 2005 en zegden voor recht dat A. M. gerechtigd was op een equivalent leefloon, onder aftrok van de genoten inkomsten uit arbeid, voor de periode vanaf 1 december
- Het O.C.M.W. van Antwerpen stelde tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 20 januari
- Eisen in hoger beroep Het O.C.M.W. van Antwerpen vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en de beslissing van het bijzonder comité voor sociale bijstand van 27 juni 2005 te bevestigen. A. M. neemt geen geschreven conclusies.
- Ten gronde Artikel 60, §1, van de O.C.M.W.-wet van 8 juli 1976 bepaalt: "De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien. De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend. Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld in artikel 44 geldt tot bewijs van het tegendeel wat b-treft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend. (...)." Een sociaal onderzoek werd ingesteld. Zo'n sociaal onderzoek heeft tot doel na te gaan of de aanvrager van maatschappelijke dienstverlening voldoet aan de wettelijke voorwaarden om er aanspraak op te maken. Te dien einde moet een duidelijk inzicht in de bestaansmiddelen waarover de aanvrager beschikt worden verkregen. De aanvrager heeft de plicht om hieraan voluit mee te werken en volledige en juiste informatie te verschaffen, die vervolgens ook controleerbaar moet kunnen zijn door het O.C.M.W. Wanneer de aanvrager nalaat te antwoorden op relevante vragen van het O.C.M.W. of enkel onduidelijke, oncontroleerbare of onnauwkeurige informatie verschaft, dan kan de vraag om maatschappelijke dienstverlening worden geweigerd. In het kader van de arbeidsbegeleiding werd aan A. M. voorgesteld zich aan te melden bij een zendmastbedrijf. Anders dan bij een gewone sociale tewerkstelling, ging het hier om een specifieke opleiding en werkervaring die tot een vaste voltijdse aanwerving kon leiden. A. M. ging op dit aanbod niet in. Achteraf bleek dat hij op dat ogenblik reeds met een leercontract/deeltijds onderwijs tewerkgesteld was bij een slager. Hij liet na deze cruciale informatie aan het O.C.M.W. van Antwerpen te melden, zodat hij handelde in strijd met artikel 60 van de O.C.M.W.-wet en het O.C.M.W. terecht de financiële steun kon weigeren. De bestreden beslissing werd derhalve correct genomen, zij het op een andere grond. Bij de beoordeling van huidig geschil kan men niet anders dan vaststellen dat A. M. de kans op een voltijdse tewerkstelling bij het zendmastbedrijf verspeeld heeft door een leercontract te sluiten dat slechts 431,42 EUR per maand oplevert, en dat hij alzo door eigen toedoen de gemeenschap belast doordat deze moet zorgen voor een bijpassing bij zijn loon. Evenwel kan uit dit alles niet besloten worden dat A. M. een gebrek aan werkbereidheid vertoont. Het hof kan zelfs begrip opbrengen voor de keuze die hij maakte, nu blijkt dat hij thans ijverig bezig is aan zijn derde en laatste leerjaar en zijn kansen op de arbeidsmarkt als slager, een knelpuntberoep, aanzienlijk zullen zijn. In huidig specifiek dossier bestaat er dan ook aanleiding toe om financiële steun te verlenen aan A. M. als bijpassing bij zijn loon tot aan het bedrag gelijk aan het leefloon als een alleenstaande. Het O.C.M.W. van Antwerpen zal er wel op toezien dat A. M. zijn inspanningen verder zet en zijn laatste jaar voltooit. A. M. van zijn kant is gehouden steeds correcte informatie te geven en geen inlichtingen achter te houden. Evenwel dient te worden opgemerkt dat het in casu gaat om maatschappelijke dienstverlening die voornamelijk betrekking heeft op een periode die in het verleden ligt. In tegenstelling tot het bestaansminimum maakt maatschappelijke dienstverlening geen deel uit van de sociale zekerheid; ze is geen vervangingsinkomen, maar een antwoord op bestaande en onmiddellijke behoeften van een persoon met de bedoeling deze in staat te stellen een menswaardig leven te leiden. Het is een wezenlijk kenmerk van maatschappelijke dienstverlening, en ook haar enige bestaansreden, dat deze enkel op het ogenblik van de nood van nut is. Artikel 1 van de O.C.M.W.-wet bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening en dat deze tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het is echter niet mogelijk om iemand met terugwerkende kracht in staat te stellen een menswaardig leven te leiden voor een periode die al lang voorbij is. Er kan derhalve enkel nog bijstand verleend worden tot leniging van de heden nog bestaande gevolgen van een voorheen geleid mensonwaardig bestaan in zover dit de betrokkene belet thans een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. In tegenstelling tot het bestaansminimum is maatschappelijke dienstverlening van nature een instrument dat aangepast moet worden aan de reële en actuele behoeften van elke begunstigde. (Arbitragehof, arrest nr. 112/2003 van 17 september 2003). De bewijslast ligt bij A. M. Hij faalt daarin. Aangenomen mag worden dat A. M. in het verleden in de mogelijkheid was een leven te hebben geleid dat beantwoordde aan de menselijke waardigheid. Het tegendeel wordt alleszins niet aangetoond. Er wordt geen enkel bewijs geleverd dat, doordat hij voordien slechts een bedrag van 431,42 EUR per maand ontving, hij zich heden nog steeds in een zodanig precaire toestand bevindt dat hij niet de mogelijkheid heeft menswaardig te leven. Geschreven verklaringen van kennissen over de behoeftigheid of schulden van A. M. zijn niet controleerbaar en dienen dan ook beschouwd te worden als welwillendheidattesten. Schulden dienen te worden bewezen aan de hand van originele en officiële stukken. A. M. voldoet niet aan deze vereiste. De beweerde achterstallige betaling van amper twee maanden huur dient te worden gestaafd aan de hand van deurwaardersexploten of vonnissen, en niet door vrijblijvende brieven en loutere beweringen. A. M. is derhalve gerechtigd op een bijpassing bij zijn loon met ingang van dit arrest. Het hoger beroep is gedeeltelijk gegrond. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer J. DEKEERSMAEKER, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2006, waarover partijen verklaren geen opmerkingen te hebben. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Doet het vonnis van 14 december 2005 (A.R. 380.852) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen teniet waar het financiële steun als bijpassing bij het loon toekent vanaf 1 december 2004; zegt voor recht dat A. M. recht heeft op financiële steun als bijpassing bij zijn loon met ingang van de datum van dit arrest. Bevestigt het vonnis voor het overige. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het O.C.M.W. van Antwerpen, door A. M. begroot op 142,80 EUR rechtsplegingsvergoeding en door het hof vereffend op 145,76 EUR rechtsplegingsvergoeding; de kosten van het O.C.M.W. van Antwerpen worden door het hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op tweeëntwintig november tweeduizend en zes. Het hof bestond uit: mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, de heer R. PEETERS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, mevrouw G. SCHAMPAERT, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061122.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div