id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 november 2006 ECLI nr: ECLI:B
§2
UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie - Algemeen Vrije woorden: beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - toepassingsgebied - nietigheid van overeenkomst strijdig met de wet - arbeidsongeval - wettelijke subrogatie - vordering ziekteverzekeraar - aard - verplicht mededeelbaar - voorstel minnelijke regeling - akkoord slachtoffer - weigering arbeidsongeval - verplichte kennisgeving aan ziekteverzekeraar - termijn Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 6 § 2 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: I A - VI A - VII DN Gerangschikt onder I A art 764, 10° onder VI A art 6 §2, onder VI A art 63 §
§2
Vrije woorden: beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - procedure - verplichting van verzekeraar ingeval van betwisting over arbeidsongeschiktheid - arbeidsongeval - wettelijke subrogatie - vordering ziekteverzekeraar - aard - verplicht mededeelbaar - voorstel minnelijke regeling - akkoord slachtoffer - weigering arbeidsongeval - verplichte kennisgeving aan ziekteverzekeraar - termijn Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 63 § 2 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: I A - VI A - VII DN Gerangschikt onder I A art 764, 10°, onder VI A art 6 §2, onder VI A art 63 §
§2
UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Algemeen Vrije woorden: sociale zekerheid voor werknemers - coördinatie ziekte- en invaliditeitsverzekering - arbeidsongeval - wettelijke subrogatie - vordering ziekteverzekeraar - aard - verplicht mededeelbaar - voorstel minnelijke regeling - akkoord slachtoffer - weigering arbeidsongeval - verplichte kennisgeving aan ziekteverzekeraar - termijn Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 136 § 2 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: I A - VI A - VII DN Gerangschikt ondre I A art 764,10°, ondre VI A art 6 §2, ondre VI A art 63 §
§2Tekst van de beslissing zevende kamer eindarrest op tegenspraak (t.a.v.
de partij in gedwongen tussenkomst: toepassing van art. 751 Ger.W.) arbeidsongeval ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN afdeling Antwerpen ARREST AR nr. 970791 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: HZIV, met zetel voorheen gevestigd te X, tegenwoordig te Y, appellante, incidenteel geïntimeerde, verschijnend bij mr. K. Van Caneghem loco mr. P.B. Martens, advocaat te Sint Michiels, tegen: M, voorheen genaamd de A, met maatschappelijke zetel gevestigd te Z, geïntimeerde, incidenteel appellant, verschijnend bij mr. C. Vanherf loco mr. P. Engels, advocaat te Antwerpen, en in aanwezigheid van: RK, partij in gedwongen tussenkomst, voorheen wonende te w, tegenwoordig te v. niet verschijnend. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 oktober 1997, 24 april 1998, 13 november 1998, 14 maart 2000, 5 september 2005, 20 februari 2006, 18 september 2006 en 16 oktober 2006. Gelet op de stukken van de rechtspleging, ondermeer: - de dagvaarding uitgaande van de HZIV, verder in dit arrest "de H" genoemd, en gericht aan de arbeidsongevallenverzekeraar A, thans M genaamd, verder in dit arrest "de wetsverzekeraar" genoemd, betekend door C. Somers, gerechtsdeurwaarder te Antwerpen, op 21 september 1993; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 19 juni 1997 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening werd bijgebracht; - het verzoekschrift in hoger beroep uitgaande van de H en gericht aan de wetsverzekeraar, neergelegd ter griffie van dit hof op 18 september 1997, regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; - de conclusie voor de wetsverzekeraar, neergelegd ter griffie van dit hof op 6 maart 1998; - de conclusie voor de H, neergelegd ter griffie van dit hof op 15 september 1998; - de aanvullende conclusie voor de wetsverzekeraar, ontvangen ter griffie van dit hof op 27 april 1999; - de beschikking met toepassing van artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 17 augustus 1999; - de dagvaarding uitgaande van de H in gedwongen tussenkomst van de heer RK, betekend door C. Somers, gerechtsdeurwaarder te Antwerpen, op 6 augustus 1999; - de aanvullende conclusie voor de H, neergelegd ter griffie van dit hof op 30 september 1999; - de tweede aanvullende conclusie voor de wetsverzekeraar, neergelegd ter griffie van dit hof op 15 november 1999; - de syntheseconclusie voor de H, neergelegd ter griffie van dit hof op 31 december 1999; - de syntheseconclusie voor de wetsverzekeraar, neergelegd ter griffie van dit hof op 31 januari 2000; - de "vervangende" syntheseconclusie voor de H, neergelegd ter griffie van dit hof op 28 december 2001; - de gerechtsbrief op verzoek van de H met toepassing van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek verzonden aan de heer RK op 5 april 2005; - de "aanvullende" conclusie voor de H, ontvangen ter griffie van dit hof op 15 maart 2006; - de "aanvullende" conclusie voor de wetsverzekeraar, neergelegd ter griffie van dit hof op 14 juni 2006; - de akte van gedinghervatting voor de wetsverzekeraar, neergelegd ter openbare terechtzitting van 18 september 2006. Gelet op de regelmatige oproeping van partijen voor de openbare terechtzitting van 18 september 2006, overeenkomstig artikel 754 van het Gerechtelijk Wetboek. Appellante en geïntimeerde werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 18 september 2006, waarna de debatten werden gesloten. De heer FS, substituut-generaal, gaf op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2006 voorlezing van zijn schriftelijk advies, dat tevens in het dossier van de rechtspleging werd neergelegd, en dat meegedeeld werd aan partijen overeenkomstig artikel 767, § 3, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek op 17 oktober 2006. Appellante en geïntimeerde repliceerden op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie: de repliek van appellante werd ontvangen ter griffie van dit hof op 26 oktober 2006, de repliek van geïntimeerde werd neergelegd ter griffie van dit hof op 31 oktober 2006 en beiden aldus binnen de repliektermijn van 14 dagen, waarna het hof de zaak in beraad nam. 1. Ontvankelijkheid. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep en het incidenteel beroep dienen dan ook ontvankelijk verklaard te worden. 2. Feiten en voorgaanden. De HZIV houdt voor dat haar verzekerde, RK, op 14 maart 1991, in dienst van de NV C.S.B het slachtoffer was van een arbeidsongeval: bij het uitvoeren van zijn dagtaak als containerhersteller, waarbij met hamers op ijzeren platen van containers moest geklopt worden, kreeg hij last in de rechterpink en ringvinger. Het slachtoffer was arbeidsongeschikt van 14 maart 1991 tot 30 juni 1992. A genaamd, thans de M, arbeidsongevallenverzekeraar van voormelde firma (verder in dit arrest "de wetsverzekeraar" genoemd), weigerde de feiten d.d. 14 maart 1991 als een arbeidsongeval te erkennen. De HZIV, verder in dit arrest "de H genoemd", verleende echter provisionele tussenkomsten ingevolge de arbeidsongeschiktheid van de heer RK. Met een aangetekend schrijven van 25 augustus 1993 vorderde de H een bedrag van 451.493 BEF (11.192,22 EUR) terug van de wetsverzekeraar. Aangezien beide partijen niet tot een akkoord konden komen dagvaardde de H de wetsverzekeraar op 21 september 1993 voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen teneinde te horen zeggen voor recht dat RK het slachtoffer werd van een arbeidsongeval op 14 maart 1991 met als gevolg een arbeidsongeschiktheid tot 30 juni 1992, dienvolgens een bedrag van 393.888 BEF (9.764,23 EUR), bestaande uit een bedrag van 360.513 BEF (8.936,88 EUR) ten titel van uitkeringen en 33.375 BEF (827,34 EUR) ten titel van gezondheidszorgen (later herleid tot 30.238 BEF of 749,58 EUR), terug te betalen aan de H, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 14 maart 1991, met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. De H vroeg bovendien de uitvoerbaarheid van het vonnis. Deze vordering werd door de H vrijwillig herleid tot 390.751 BEF of 9.686,46 EUR (conclusie neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 13 september 1996). Met tegensprekelijk eindvonnis van 19 juni 1997 verklaarden de eerste rechters de vordering van de H ontvankelijk maar ongegrond, verwezen de H in de kosten van het geding en verklaarden het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 18 september 1997 tekende de H hoger beroep aan tegen voormeld vonnis. Met dagvaarding in gedwongen tussenkomst d.d. 6 augustus 1999, uitgaande van de H en gericht tegen de heer RK, vorderde de H de gedwongen tussenkomst van de heer RK teneinde het te vellen arrest aan hem gemeen en tegenstelbaar te horen verklaren. 3. Eisen in hoger beroep. - De HZIV, appellante, incidenteel geïntimeerde, vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtsprekend in hoofdorde te zeggen voor recht dat de heer RK op 14 maart 1991 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval met een arbeidsongeschiktheid tot 30 juni 1992 voor gevolg en dienvolgens de wetsverzekeraar te veroordelen tot betaling van 390.751 BEF of 9.686,46 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 17 oktober 1991 op 8.181 BEF (202,80 EUR), vanaf 11 januari 1992 op 22.057 BEF (546,78 EUR), vanaf 15 september 1991 op 292.801 BEF, (7.258,35 EUR), vanaf 15 mei 1992 op 67.712 BEF (1.678,54 EUR), de gerechtelijke intresten vanaf 21 september 1993 en de kosten van beide aanleggen. In ondergeschikte orde verzoekt de H over te gaan tot de aanstelling van een deskundige met de gebruikelijke opdracht, teneinde de gevolgen van het arbeidsongeval voor het slachtoffer vast te stellen. Wat het incidenteel beroep van de wetsverzekeraar betreft, verzoekt de H dit minstens ongegrond te verklaren en de wetsverzekeraar te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. - De wetsverzekeraar, M (voorheen A), geïntimeerde, incidenteel appellant, verzoekt het hof akte te nemen van zijn incidenteel beroep in zoverre het bestreden vonnis de vordering ontvankelijk verklaarde; dienvolgens in dit opzicht voormeld vonnis te wijzigen en de oorspronkelijke vordering onontvankelijk te verklaren. Voor het overige het hoger beroep af te wijzen, het bestreden vonnis te bevestigen en de H te verwijzen in de kosten van het geding. Verder de vordering tot tussenkomst van de heer RK onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en appellante ervan af te wijzen. Appellante te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. - RK, partij in gedwongen tussenkomst, legde geen conclusie neer. 4. Beoordeling door het hof. 4.1. De situering van het geschil. In haar conclusies, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 15 maart 2006, verduidelijkt de H dat haar vordering initieel in de inleidende dagvaarding ten onrechte werd begroot op 393.888 BEF (9.764,29 EUR) en dat zij haar vordering reeds in haar conclusie neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 13 september 1996 vrijwillig had herleid tot het bedrag van 390.751 BEF (9.686,46 EUR). Vermits de H van oordeel is dat de door haar betaalde uitkeringen en kosten het gevolg zijn van het letsel dat door haar verzekerde werd opgelopen ten gevolge van het arbeidsongeval van 14 maart 1991, zag zij zich verplicht, bij gebreke aan enig initiatief van de heer RK, zelf een vordering in te stellen tegen de wetsverzekeraar tot vaststelling van de gevolgen op lichamelijk vlak van dit arbeidsongeval voor het slachtoffer en tot terugbetaling van het bedrag van 390.751 BEF (of 9.686,46 EUR). Zij meent deze vordering in rechte te kunnen stellen ten opzichte van de wetsverzekeraar op grond van de wettelijke subrogatie in toepassing van artikel 136, § 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, dan wel op grond van een rechtstreekse vordering zoals voorzien in artikel 73 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of op grond van artikel 63, § 2 van diezelfde wet. 4.2. De vordering op grond van de wettelijke subrogatie voorzien in artikel 136, § 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (hierna ZIV-wet genoemd). 4.2.
- a)Het verplicht mededeelbaar karakter van de subrogatoire vordering van de mutualiteit tegen de arbeidsongevallenverzekeraar: Krachtens artikel 764, 10° van het Gerechtelijk Wetboek worden op straffe van nietigheid aan het openbaar ministerie meegedeeld, de vorderingen bedoeld in onder meer artikel 580 van dat wetboek. Overeenkomstig artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis: "1° van geschillen betreffende de verplichting van de werkgever (...) opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, gezinsbijslag, werkloosheid, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, rust- en overlevingspensioen, jaarlijkse vakantie, bestaanszekerheid, sluiting van ondernemingen, en door de verordeningen waarbij sociale voordelen aan de werknemers en leerlingen worden toegekend; 2° van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van werknemers en leerlingen en hun rechtverkrijgenden, welke voortvloeien uit de wetten en verordeningen bedoeld onder 1°: (...)". De ZIV-wet van 14 juli 1994 voorziet in een wettelijke basis voor de mutualiteit om een subrogatoire vordering in te stellen tegen de arbeidsongevallenverzekeraar. Overeenkomstig artikel 136, § 2, 4de lid, van de ZIV-wet treedt de verzekeringsinstelling "rechtens in de plaats van de rechthebbende; deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden." De rechtsgrond voor een dergelijke subrogatoire vordering van de mutualiteit is dus duidelijk gelegen in de ZIV-wet en niet in de wetgeving die de schade vergoedt, zoals in casu de arbeidsongevallenwet. De vraag stelt zich dan ook of een dergelijke subrogatoire vordering verplicht mededeelbaar is aan het openbaar ministerie nu de rechter die ervan kennis neemt hoe dan ook dient te toetsen of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 136, § 2 van de ZIV-wet is voldaan. In geval van een subrogatoire vordering op grond van artikel 136, § 2, derde lid van de ZIV-wet treedt de verzekeringsinstelling in beginsel rechtens in de plaats van de rechthebbende tot beloop van het bedrag van de prestaties toegekend in uitvoering van de ZIV-wet, voor het geheel van de sommen die krachtens de Arbeidsongevallenwet verschuldigd zijn, en die dezelfde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden (Cass., 25 november 2002, AR nr. S.00.0056.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021125.11, www.cass.be; Cass., 8 februari 1999, AR nr. S.97.0148.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990208.6, A.C., 1999, nr. 70; Cass. 6 mei 1991, A.C., 1990-91, nr. 459; Cass. 19 december 1988, AR nr. 6350, A.C., 1988-89, nr. 233). Zulks impliceert dat de rechter die kennis neemt van een dergelijke vordering in de eerste plaats het bedrag dient te bepalen van de prestaties waarop de verzekerde werknemer recht heeft op grond van de ZIV-wet. In een arrest van 6 januari 2003 oordeelde het Hof van Cassatie dat de voorwaarden tot toekenning van de door de verzekeringsinstelling verleende prestaties waarvoor de verzekeringsinstelling over het wettelijk subrogatierecht beschikt, evenals het bedrag van deze prestaties, geregeld worden door de wetgeving inzake de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (Cass., 6 januari 2003, AR nr. C.00.0140.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030106.13., www.cass.be). De omstandigheid dat daaromtrent geen betwisting bestaat tussen partijen vermag hieraan geen afbreuk te doen, nu deze materie van openbare orde is zodat de rechter ambtshalve dient te verifiëren of de ZIV-wet correct werd toegepast. In een arrest van 12 november 1998, gewezen in een zaak waarbij de mutualiteit een regresvordering had ingesteld in gemeen recht tegen de voor het (gewoon) ongeval aansprakelijke derde en waarin de verzekerde geen partij was in het geding, oordeelde het Hof van Cassatie dat de beslissing die genomen is in het kader van de toepassing van de wet op de ziekte- en invaliditeitsverzekering niet kan worden bekritiseerd door de rechter in gemeen recht die uitspraak doet over bedoelde regresvordering, zodat alleen de arbeidsrechtbank terzake bevoegd is (Cass., 12 november 1998, A.C., 1998, nr. 482). De rechter die kennis neemt van de subrogatoire vordering van de mutualiteit zal dus in eerste instantie noodzakelijk uitspraak dienen te doen over de rechten van de verzekerde werknemer welke voortvloeien uit de ZIV-wet. Bedoelde vordering betreft zodoende een geschil in de zin van artikel 580, 2° van het Gerechtelijk Wetboek, zodat de arbeidsrechtbank op die grond bevoegd is om er kennis van te nemen en de zaak meteen verplicht mededeelbaar wordt aan het openbaar ministerie (in diezelfde zin: J. PETIT, Sociaal Procesrecht, Algemene reeks 14, die Keure, 2000, p. 126; S. RENETTE, Arbeidsongevallen, ARON, Ced-Samson, Comm. 5.3/4, 44, die in een voetnoot verwijst naar Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 16 december 1996, onuitg., AR nr. 2/6/92; Arbrb. Luik, 7 juni 1971, Pas. 1971, III, 108; Arbrb. Brussel, 21 oktober 1976, inf. RIZIV 1977, 104). Het Hof van Cassatie oordeelde overigens reeds dat geschillen betreffende rechten van de werknemer welke voortvloeien uit de wetgeving inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering verplicht mededeelbaar zijn aan het openbaar ministerie (Cass., 30 maart 1987, AR nr. 5237, A.C., 1986-97, p. 994). De zaak werd dan ook meegedeeld aan het openbaar ministerie dat zijn schriftelijk advies heeft neergelegd ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2006. 4.2.
- b)Het eerste luik van de subrogatoire vordering van de H: de verleende prestaties. Overeenkomstig artikel 136, § 2, 4de lid van de ZIV-wet geldt de indeplaatsstelling van de verzekeringsinstelling tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties. De voorwaarden tot toekenning van de door de verzekeringsinstelling verleende prestaties waarvoor zij over het wettelijk subrogatierecht beschikt, evenals het bedrag van deze prestaties, worden geregeld door de wetgeving inzake de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (Cass., 6 januari 2003, AR nr. C.00.0140.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030106.13, www.cass.be). In casu vordert de H de terugbetaling van de door haar aan haar verzekerde uitbetaalde ziekte-uitkeringen en kosten van gezondheidszorgen ten bedrage van respectievelijk 360.513 BEF (8.936,88 EUR) en 30.238 BEF (749,58 EUR), meer de vergoedende intrest vanaf 23 januari 1990 en de gerechtelijke intrest. Deze uitkeringen hebben betrekking op de tijdelijke arbeidsongeschiktheid van haar verzekerde van 14 maart 1991 tot en met 30 juni 1992, welke volgens de H in causaal verband stond met het arbeidsongeval van 14 maart 1991. Het hof stelt vast dat de H bij het toekennen van de litigieuze ziekte-uitkeringen en gezondheidszorgen de ZIV-wet correct heeft toegepast, zonder dat daaromtrent tussen partijen betwisting bestaat. 4.2.
- c)Het tweede luik van de subrogatoire vordering van de H: de sommen verschuldigd op grond van de arbeidsongevallenwetgeving. Artikel 136, § 2, lid 4 (destijds artikel 76 quater van de ZIV-wet) bepaalt: "De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende; deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden." De H was op grond van diezelfde bepaling verplicht provisioneel tussen te komen en treedt vervolgens ingevolge de wettelijke subrogatie van rechtswege in de rechten van het slachtoffer ten opzichte van onder meer de arbeidsongevallenverzekeraar (zie Cass., 6 januari 2003, Inf. RIZIV 2003, 502: "De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties voor het geheel van de sommen die krachtens het gemeen recht verschuldigd zijn en die dezelfde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.") Nu de verzekeringsinstelling of mutualiteit rechtens in de plaats van haar sociaal verzekerde treedt, kan zij ook in zijn plaats aanspraak maken op de schadeloosstelling die aan deze laatste verschuldigd is krachtens de arbeidsongevallenwetgeving. Zo leidt de verzekeringsinstelling, die een vordering instelt voor de strafrechter om de derde die aansprakelijk is voor de schade naar aanleiding waarvan de prestaties werden toegekend te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van deze prestaties, geen burgerlijke vordering in die verschillend is van deze van het slachtoffer, maar stelt zij de vordering in van het slachtoffer zelf, in wiens plaats zij treedt (Cass., 3 september 2003, Inf. RIZIV 2004, 219). De vordering van de verzekeringsinstelling op grond van de wettelijke subrogatie tegen de arbeidsongevallenverzekeraar is bijgevolg geen eigen vordering, maar wel de vordering van het slachtoffer van het arbeidsongeval zelf die door de ziekteverzekeraar wordt ingesteld. Bij arrest van 12 juni 1986 oordeelde het Hof van Cassatie overigens expliciet dat de verzekeringsinstelling die een subrogatoire vordering instelt tegen de arbeidsongevallenverzekeraar op grond van het toenmalige artikel 70, § 2, vierde lid, ZIV-wet (thans artikel 136, § 2, vierde lid, gecoördineerde wet van 14 juli 1994), "geen vordering instelt die verschilt van die van de getroffene, maar wel, door een afzonderlijke vordering, de rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen van de getroffene zelf instelt, in wiens plaats zij rechtens optreedt krachtens (voormelde bepaling)" (Cass., 12 juni 1986, AR nr. 7414, A.C., 1985-86, nr. 642; zie ook Cass., 28 november 1984, AR nr. 3862, A.C., 1984-85, nr. 202; Cass., 4 mei 1984, AR nr. 4194, A.C., 1983-84, nr. 511 en de aldaar onder voetnoot 2 vermelde arresten). Door de subrogatie verdwijnt in feite de oorspronkelijke schuldeiser (de rechthebbende/slachtoffer van het arbeidsongeval) en neemt de gesubrogeerde (de verzekeringsinstelling) diens vordering over zowel ten aanzien van de arbeidsongevallenverzekeraar als ten aanzien van de eventuele aansprakelijke derde. Vermits de subrogatie aldus tot gevolg heeft dat de ene persoon de plaats inneemt van de andere alsof het die persoon zelf was, heeft de ziekteverzekeraar in principe ook het recht voor de arbeidsrechtbank te vorderen dat zijn verzekerde het slachtoffer werd van een arbeidsongeval en dat de gevolgen daarvan zouden vastgelegd worden. Nu overeenkomstig artikel 136, § 2, 4de lid van de ZIV-wet de indeplaatstelling door de verzekeringsinstelling in onderhavig geval slechts geldt voor het geheel van de sommen die krachtens de arbeidsongevallenwet verschuldigd zijn, veronderstelt een op dit artikel gesteunde subrogatoire vordering dat door de rechter bepaald wordt op welk bedrag het slachtoffer van een arbeidsongeval aanspraak kan maken op grond van die wet. De overeenkomsten daaromtrent tussen de rechthebbende en diegene die schadeloosstelling verschuldigd is, kunnen overigens niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming (artikel 136, § 2, 5de lid, ZIV-wet). Voor de uitoefening van het subrogatierecht is daarenboven geen gerechtelijke actie vanwege of door de getroffene zelf noodzakelijk of vereist. Artikel 136, § 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (vroeger het artikel 76 quater, § 2 van de ZIV-wet) vindt immers toepassing wanneer de schade door een andere wetgeving kan gedekt worden, zelfs indien de gerechtigde de toekenning van de prestaties van die wetgeving niet vraagt. De vordering ingesteld door de gesubrogeerde verzekeringsinstelling staat trouwens niet los van de (civiele) vordering van de getroffene, maar is diens rechtsvordering zelf (Arbh. Antwerpen, AR 2010387, www.juridat.be). 4.2.
- d)De toelaatbaarheid van de subrogatoire vordering. De wetsverzekeraar is de mening toegedaan dat de oorspronkelijke vordering van de H als niet toelaatbaar diende afgewezen te worden omdat er geen enkele rechtsband zou bestaan tussen de H en de wetsverzekeraar en er bijgevolg een gebrek aan hoedanigheid in hoofde van de H dient vastgesteld te worden. Deze argumentatie is gesteund op de redenering dat nu de heer RK de weigering van de wetsverzekeraar om het aangegeven letsel te erkennen als zijnde het gevolg van een arbeidsongeval nooit heeft betwist of in rechte aangevochten, niet kan voorgehouden worden dat hij een schuldvordering op basis van de Arbeidsongevallenwet bezit ten opzichte van de wetsverzekeraar en hij dus niet de hoedanigheid van schuldeiser van de wetsverzekeraar heeft. De wetsverzekeraar houdt met andere woorden voor dat nu de heer RK te zijnen opzichte geen vordering heeft gesteld er ook geen sprake meer kan zijn van welke vordering dan ook van de H als gesubrogeerde in de rechten van haar verzekerde ten opzichte van de wetsverzekeraar. De wetsverzekeraar lijkt aldus te suggereren dat er in hoofde van de heer RK sprake is van een stilzwijgende afstand van zijn vordering ten aanzien van de arbeidsongevallenverzekeraar, zodat er ook van subrogatie geen sprake meer kan zijn. Waar de wetsverzekeraar voorhoudt dat er geen enkele rechtsband zou bestaan tussen de H en hemzelf, gaat hij voorbij aan het wezen zelf van de subrogatie: de verzekeringsinstelling stelt immers geen andere rechtsvordering in dan die van de getroffene, maar stelt, bij een afzonderlijke vordering, de rechtsvordering in tot betaling van de vergoedingen van de getroffene zelf, in wiens rechten zij rechtens is getreden (Cass., 12 juni 1986, A.C., 1985-86, nr. 642). De argumentatie van de wetsverzekeraar kan hoe dan ook niet worden gevolgd nu de overeenkomst die tot stand is gekomen tussen de getroffene van een arbeidsongeval en de arbeidsongevallenverzekeraar tegen de verzekeringsinstelling niet kan worden tegengeworpen dan met haar instemming (artikel 136, § 2, 5de lid ZIV-wet; Cass. 12 juni 1986, A.C. 1985-86, nr. 642). Bovendien merkte het openbaar ministerie terecht op dat er in deze zelfs geen geldige definitieve dading tot stand is gekomen tussen de wetsverzekeraar en de heer RK. De wetsverzekeraar lijkt immers uit het oog te verliezen dat de arbeidsongevallenwetgeving van openbare orde is, zodat de regelgeving inzake deze materie strikt en beperkend geïnterpreteerd dient te worden en de schadeloosstelling van een arbeidsongeval niet conventioneel of bij wijze van minnelijke schikking kan gebeuren (COOMANS, C., "Deskundigenonderzoek in sociale zekerheidsaangelegenheden" in JANVIER, R., VAN REGENMORTEL, A. en VERVLIET, V. (eds.), Actuele problemen van het sociale zekerheidsrecht, 8, Brugge, die Keure, 2003, 441, nr. 27). De arbeidsongevallenwetgeving voorziet met betrekking tot het sluiten van een overeenkomst over de vergoedingen die verschuldigd zijn aan het slachtoffer van het ongeval een specifieke procedure, waarbij gestreefd werd naar het inbouwen van voldoende waarborgen ter bescherming van de rechten van de getroffen werknemer. Artikel 65 van de Arbeidsongevallenwet voorziet dat de partijen verplicht zijn de overeenkomst betreffende de voor het arbeidsongeval verschuldigde vergoedingen ter bekrachtiging aan het FAO over te leggen, op de wijze en onder de voorwaarden bepaald door de Koning en dat de overeenkomst slechts uitwerking heeft na bekrachtiging door het FAO. Overeenkomstig artikel 6, § 2 van de Arbeidsongevallenwet is elke overeenkomst welke tot stand is gekomen op een wijze strijdig met de bepalingen van de wet van rechtswege nietig. In casu kan de wetsverzekeraar dergelijke definitieve, door het FAO bekrachtigde, overeenkomst betreffende de voor het arbeidsongeval verschuldigde vergoedingen niet voorleggen. Uit de feitelijke gegevens van dit dossier, zoals hoger weergegeven, blijkt dat er tussen partijen geen uitdrukkelijk akkoord over de voor het arbeidsongeval verschuldigde vergoedingen is tot stand gekomen. Bij gebreke aan dergelijke overeenkomst kan de wetsverzekeraar niet voorhouden dat de heer RK uit hoofde van het arbeidsongeval geen vordering meer zou kunnen instellen hebben binnen de door artikel 69 van de Arbeidsongevallenwet bepaalde verjaringstermijn. 4.2.
- e)Besluit: Samen met de eerste rechters en de heer substituut-generaal in zijn schriftelijk advies, dient aldus vastgesteld te worden dat de H gerechtigd is op grond van de wettelijke subrogatie, waardoor zij in de plaats van de heer RK diens vorderingen op de wetsverzekeraar kan uitoefenen, om de vordering tot vaststelling van de erkenning van het arbeidsongeval en van de gevolgen daarvan, alsook tot recuperatie van de door haar betaalde vergoedingen voor de periodes van tijdelijke werkonbekwaamheid welke niet erkend worden door de wetsverzekeraar in te stellen, temeer daar deze vordering werd aanhangig gemaakt voor de bevoegde rechtbank binnen de wettelijk voorziene verjaringstermijn. Nu de wetsverzekeraar steeds heeft voorgehouden dat er geen sprake kan zijn van een arbeidsongeval, zal in eerste instantie daarover uitspraak moeten gedaan worden. 4.2.
- f)Kwalificatie van de feiten d.d. 14 maart 1991. Voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet wordt als een arbeidsongeval beschouwd elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt. Het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst wordt, behouden tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst (artikel 7 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971). Artikel 9 voorziet dat wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van het letsel een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, het letsel behoudens tegenbewijs vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt. Naast het bestaan van een letsel dient door het slachtoffer dus ook het bewijs geleverd te worden van een plotselinge gebeurtenis welke zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de overeenkomst om van een arbeidsongeval te kunnen spreken. De eerste rechters hebben er terecht op gewezen dat in casu het bewijs van deze plotselinge gebeurtenis niet wordt bewezen. In de aangifte van het arbeidsongeval wordt door de werkgever gemeld dat "het slagen met een hamer" de plotselinge gebeurtenis zou zijn en "het verzeren van rechterpink en ringvinger" het letsel. Uit het dossier kan verder afgeleid worden dat het slagen met zware hamers tot de normale dagtaak van de heer RK behoorde. De normale uitoefening van de dagtaak kan de plotse gebeurtenis in de zin van de wet uitmaken op voorwaarde dat hierin een aanwijsbaar element wordt aangetoond dat het letsel kan veroorzaakt hebben. Het letsel dat ontstaat tijdens de uitvoering van repetitieve bewegingen, zoals bijvoorbeeld werkzaamheden met een zware hamer, kan het gevolg zijn van een plotse gebeurtenis op voorwaarde dat dit repetitief werk verricht werd gedurende een korte tijdspanne. De plotse gebeurtenis dient immers niet ogenblikkelijk te zijn, maar dient zich wel voor te doen binnen een redelijk aanvaardbare korte tijd. Bij repetitieve bewegingen die zich uitstrekken over een langere periode en die tot de normale taak behoren kan er slechts sprake zijn van een plotse gebeurtenis wanneer een wel bepaald feit kan aangewezen worden dat een overbelasting doet ontstaan met het letsel als gevolg (Arbh. Antwerpen, 17 november 1992, R.W., 1992-93, 1201). Het is evenwel duidelijk dat in onderhavige zaak niet het bewijs wordt geleverd van het bestaan van zo een handeling die aanwijsbaar is in de tijd en de ruimte. Een normale handeling of beweging die aan de oorsprong ligt van een letsel, niet omwille van de enkele beweging maar omwille van de herhaling ervan op lange termijn, kan niet de plotse gebeurtenis in de zin van de Arbeidsongevallenwet uitmaken. Vermits er aldus geen bewijs wordt geleverd van het bestaan van een plotselinge gebeurtenis kan in het kader van de Arbeidsongevallenwet geen sprake zijn van een arbeidsongeval en kan noch de vordering van het slachtoffer, noch van diegene die gesubrogeerd is in diens rechten gegrond verklaard worden. 4.3. De rechtstreekse vordering zoals voorzien in artikel 73 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. Deze wetsbepaling voorziet dat de getroffene of rechthebbende en de persoon die de begrafeniskosten, de medische, farmaceutische, heelkundige en verplegingskosten heeft ten laste genomen een rechtstreekse vordering heeft tegen de verzekeraar of tegen het FAO, indien de werkgever geen verzekeringscontract heeft afgesloten of indien de verzekeraar zijn verplichtingen niet nakomt. Gelet op het voorgaande (vermeld onder punt 4.2.
- f)is het overbodig nog verder in te gaan op de beoordeling van de vordering van de H gesteund op deze juridische basis. Artikel 73 van de Arbeidsongevallenwet kan immers uitsluitend ingeroepen worden indien er sprake is van een arbeidsongeval. 4.4. De vordering van de H op basis van artikel 63, § 2 van de Arbeidsongevallenwet. Indien de arbeidsongevallenverzekeraar weigert het ongeval als een arbeidsongeval te erkennen, dient hij, overeenkomstig artikel 63, § 2 van de Arbeidsongevallenwet, de verzekeringsinstelling waarbij de getroffene is aangesloten of waarbij hij is ingeschreven overeenkomstig de wetgeving betreffende de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, te verwittigen. Deze kennisgeving, vergezeld van een afschrift van de aangifte van het ongeval, geldt als een verklaring van arbeidsongeschiktheid die tijdig werd ingediend bij de verzekeringsinstelling (artikel 63, § 2, eerste en tweede lid van de Arbeidsongevallenwet). Volgens artikel 63, § 2, lid 3 van de Arbeidsongevallenwet is de volgende sanctie toepasselijk: "De vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid bepaald door de verplichte verzekering tegen ziekte- en invaliditeit zijn door de verzekeringsonderneming die nalaat de verklaring bedoeld in het eerste lid tijdig te doen, verschuldigd vanaf het begin van de arbeidsongeschiktheid tot en met de dag van de verklaring aan de werknemer die, buiten de aangifteformaliteit, de voorwaarden vervult om ze te bekomen. Die vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid worden aan de getroffene betaald door de verzekeringsonderneming van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, die ze rechtstreeks verhaalt op de verzekeringsonderneming" Deze wettelijk verplichte kennisgeving heeft tot doel de eventuele rechten van de getroffene ten aanzien van de ZIV-wetgeving te beschermen (Cass., 14 december 1987, A.C., 1987-88, p. 491; J.-M. BOLLE, Arbeidsongevallen, Wet en toepassingsbesluiten, teksten en bespreking, 1990, Vaillant-Carmanne, 340). De inhoud van de kennisgeving aan de ziekteverzekeraar is niet aan vormvereisten onderworpen (Arbh. Luik, 5 oktober 1984, T.S.R., 1985, 329). Onverminderd het bestaan van een geval van overmacht, begint de wettelijke termijn, waarover de arbeidsongevallenverzekeraar beschikt om de verzekeringsinstelling inzake ziekte en invaliditeit te verwittigen, te lopen vanaf het tijdstip waarop de arbeidsongevallenverzekeraar de verklaring van het arbeidsongeval ontvangt, ook al wordt in die verklaring de identiteit van de verzekeringsinstelling niet vermeld (Cass., 14 januari 1991, A.C., 1990-91, nr. 242). Het Hof van Cassatie oordeelde bij het geciteerd arrest dat de arbeidsongevallenverzekeraar niet ontslagen is van de hem bij artikel 63, § 2, eerste lid van de Arbeidsongevallenwet opgelegde verplichting de verzekeringsinstelling inzake ziekte en invaliditeit te verwittigen wanneer de identiteit van de verzekeringsinstelling hem niet ter kennis is gebracht op het formulier van de ongevalverklaring (Cass., 14 januari 1991, A.C., 1990-91, nr. 242, zie ook Cass., 7 februari 1983, A.C., 1982-83; nr. 321). Bijgevolg moet de arbeidsongevallenverzekeraar al het nodige doen om de vereiste gegevens voor de toepassing van artikel 63, § 2 van de Arbeidsongevallenwet tijdig te verzamelen terwijl alleen overmacht hem van deze verplichting kan vrijstellen (Arbh. Brussel, 13 februari 1978, De Verzekering, 1979, 93; Arbh. Antwerpen, 12 december 1984, J.T.T., 1985, 204). De arbeidsongevallenverzekeraar die weigert het ongeval als arbeidsongeval te erkennen, blijft verplicht de verzekeringsinstelling inzake ziekte en invaliditeit van de getroffene binnen de voorgeschreven termijn te verwittigen, ook wanneer de getroffene zelf zijn verzekeringsinstelling heeft verwittigd (Cass., 6 maart 1989, A.C., 1988-89, p. 767; Cass., 14 december 1987, A.C., 1987-88, nr. 230; Cass., 3 maart 1986, A.C. 1985-86, nr. 420; Cass., 27 februari 1984, A.C., 1983-84, nr. 357). In onderhavige zaak werd de op 15 maart 1991 opgestelde aangifte van het ongeval op 25 maart 1991 ontvangen door de arbeidsongevallenverzekeraar zoals blijkt uit de afstempeling met datum van ontvangst op die aangifte (stuk 1, dossier overtuigingsstukken van de wetsverzekeraar). Zulks impliceert dat de wetsverzekeraar tot en met 24 april 1991 de tijd had om zijn wettelijke verplichting tot verwittiging van de ziekteverzekeraar van de heer RK te voldoen. Uit de overtuigingsstukken voorgelegd door partijen blijkt dat: - de ongevalaangifte de identiteit van de ziekteverzekeraar van de heer RK niet vermeldde; - met brief van 27 maart 1991 de wetsverzekeraar de heer RK in kennis stelde van zijn weigering om het arbeidsongeval ten laste te nemen, terwijl hij tevens aan deze laatste vroeg zo vlug mogelijk de naam en het adres van deze verzekeraar aan hem te laten kennen, alsmede deze verzekeraar terzake in te lichten; - met brief d.d. 9 april 1991 de H de wetsverzekeraar aanschreef met betrekking tot het arbeidsongeval van 14 maart 1991 (stuk 6, dossier overtuigingsstukken van de H); - met brief d.d. 16 april 1991 de wetsverzekeraar aan de H liet weten dat het ongeval door hem werd afgewezen op grond van de bepalingen van de wet op de arbeidsongevallen (stuk 6, dossier overtuigingsstukken van de wetsverzekeraar); - met brief d.d. 19 april 1991 de H liet weten dat zij het "bericht met de weigering van tenlastename" mocht ontvangen en zij tevens vroeg op welke bepaling van de wet laatstgenoemde zich beriep voor deze weigering (stuk 4, dossier overtuigingsstukken van de wetsverzekeraar); - met brief d.d. 25 april 1991 de wetsverzekeraar hierop antwoordde dat het ongeval door hem werd afgewezen omdat de aangehaalde klachten niet het gevolg zijn van een arbeidsongeval (stuk 5, dossier overtuigingstukken van de wetsverzekeraar). Uit dit overzicht blijkt dat de H als ziekteverzekeraar van de getroffene binnen de termijn voorzien in artikel 63, § 2 van de Arbeidsongevallenwet door de wetsverzekeraar met zijn brief van 16 april 1991 werd in kennis gesteld van de weigering om het arbeidsongeval als dusdanig te erkennen. In haar repliek op het advies van het openbaar ministerie betwist de H de brief van de wetsverzekeraar d.d. 16 april 1991 (stuk 6, bundel geïntimeerde) te hebben ontvangen. Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Het hof leidt de ontvangst van de brief immers af uit de brief die de H in antwoord daarop aan de wetsverzekeraar verstuurde op 19 april 1991 (stuk 4, bundel wetsverzekeraar). In de brief van 16 april 1991 brengt de wetsverzekeraar de H, onder terugzending van haar rekening, ter kennis dat "dit ongeval door ons werd afgewezen op grond van de bepalingen van de wet op de arbeidsongevallen", waarop de H op 19 april 1991 antwoordt: "Wij ontvingen uw bericht met weigering van tenlastename. Kan U ons mededelen op welke bepaling van de Wet U zich beroept voor deze weigering?" De inhoud van deze brief d.d. 19 april 1991 sluit aldus onmiddellijk aan bij het schrijven van de wetsverzekeraar d.d. 16 april 1991 en neemt het kenmerk van dit schrijven over ("Uw kenm.: 428768/1/KP/VDM"). De H wijst er evenwel terecht op dat ingevolge artikel 63 van de Arbeidsongevallenwet de wetsverzekeraar haar niet alleen in kennis moest stellen van de weigering tot erkenning als arbeidsongeval, doch ook dat hij bij deze kennisgeving een afschrift van de aangifte van het ongeval moest voegen. Uit het schrijven van 25 april 1991 van de wetsverzekeraar blijkt echter dat deze heeft nagelaten om voormeld afschrift te verzenden aan de H. Overeenkomstig artikel 63, § 2, tweede lid van de Arbeidsongevallenwet geldt de kennisgeving van de weigering tot erkenning als arbeidsongeval "vergezeld van een afschrift van de aangifte van het ongeval, als een verklaring van arbeidsongeschiktheid die tijdig bij de verzekeringsinstelling werd ingediend." Uit de tekst van de wet volgt zodoende a contrario dat een kennisgeving, zoals in casu, niet vergezeld is van een afschrift van de ongevalsaangifte niet als een verklaring van arbeidsongeschiktheid kan in aanmerking genomen worden in het kader van de ZIV-wetgeving. Een dergelijke gebrekkige kennisgeving kan dan ook de eventuele rechten van de getroffene ten aanzien van de ZIV-wetgeving in het gedrang brengen, terwijl de verplichting vervat in artikel 63, § 2 van de Arbeidsongevallenwet er, zoals hoger gezegd, precies op gericht is bedoelde rechten te beschermen (Cass., 14 december 1987, A.C., 1987-88, p. 491). De op 16 april 1991 door de wetsverzekeraar gedane kennisgeving beantwoordt aldus niet aan de in de wet gestelde voorwaarde zodat het arbeidshof tot het besluit komt dat de wetsverzekeraar de op hem rustende verplichting niet heeft nageleefd. In deze omstandigheden is de wetsverzekeraar in beginsel gehouden de vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid, bepaald door de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, te betalen. Deze betaling is verschuldigd vanaf het begin van de arbeidsongeschiktheid tot en met de dag van de verklaring aan de werknemer die, buiten de aangifteformaliteit, de voorwaarden vervult om ze te bekomen of m.a.w. tot de dag dat de afwijzing of de twijfelachtige aard van het ongeval aan de werknemer meegedeeld wordt (artikel 63, § 2, derde lid van de Arbeidsongevallenwet). De H leidt ten onrechte uit deze bepaling af dat de wetsverzekeraar zou dienen in te staan voor alle provisionele tussenkomsten van de H welke betrekking hebben op de tijdelijke arbeidsongeschiktheid van haar verzekerde van 14 maart 1991 tot en met 30 juni 1992. De wetsverzekeraar kan slechts gehouden zijn tot de provisionele tussenkomsten op het vlak van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor de periode van 14 maart 1991, zijnde de dag van het beweerde ongeval, tot 27 maart 1991, zijnde de datum van het aangetekend schrijven van de wetsverzekeraar tot kennisgeving aan het slachtoffer van de weigering van erkenning van het ongeval als arbeidsongeval. Bij aangetekend schrijven van 27 maart 1991 deelde de wetsverzekeraar immers aan de heer RK mee dat het ongeval geweigerd wordt daar het aangehaald letsel niet het gevolg is van een arbeidsongeval. Zoals blijkt uit stuk 9 van het bundel van de H beantwoordt de heer RK voor de periode van 14 maart 1991, zijnde de dag van het beweerde ongeval, tot 27 maart 1991, zijnde de datum van het aangetekend schrijven van de wetsverzekeraar tot kennisgeving van de weigering van erkenning van het ongeval, niet aan de voorwaarden om vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid te bekomen op grond van de ZIV-wet, daar hij gedurende deze periode een gewaarborgd loon ontving van zijn werkgever, C.S.B. De H bevestigde voor de eerste rechters overigens dat zij enkel terugvordert wat zij provisioneel uitbetaald heeft aan het slachtoffer, daarin "uiteraard niet begrepen het gewaarborgd loon dat het slachtoffer heeft ontvangen." De door artikel 63, § 2, derde lid van de Arbeidsongevallenwet voorziene sanctie kan dan ook geen toepassing vinden, daar de heer RK gedurende de bewuste periode van 14 maart 1991 tot 27 maart 1991 niet aan de voorwaarden voldeed om vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid te bekomen van het ziekenfonds. De vordering die de H gesteld heeft op grond van artikel 63, § 2 van de Arbeidsongevallenwet dient dan ook te worden verworpen. 4.5. De vordering in gemeenverklaring van het arrest. De wetsverzekeraar houdt voor dat deze vordering in tussenkomst en gemeenverklaring van het arrest niet toelaatbaar is omdat ze voor de eerste maal in hoger beroep wordt gesteld in strijd met artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek. Hoewel van minder belang, gelet op het voorgaande, kan dit verweer van de wetsverzekeraar niet aanvaard worden. Op grond van artikel 812, lid 2 kan enkel de vordering in gedwongen tussenkomst die het verkrijgen van een veroordeling van de in tussenkomst geroepen partij tot voorwerp heeft niet voor de eerste maal in hoger beroep plaatsvinden, terwijl in casu de vordering in tussenkomst uitgaande van de H uitsluitend de gemeenverklaring van het te vellen arrest aan de heer RK beoogt. 4.6. Eindbesluit. Gelet op de hoger vermelde overwegingen besluit het hof, samen met het openbaar ministerie, dat de door de H ingestelde vorderingen ongegrond dienen te worden verklaard. De vordering in gemeenverklaring van het te vellen arrest aan de heer RK is ontvankelijk en gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer FS, substituut-generaal, in zijn eensluidend schriftelijk advies, voorgelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2006 waarop appellante en geïntimeerde repliceerden, en waarna het hof de zaak in beraad nam. Recht doende op tegenspraak (met toepassing van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van de partij in gedwongen tussenkomst). Verleent akte aan M dat zij het geding hervat dat ingesteld werd door A. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 19 juni 1997, zij het op andere gronden. Verklaart dit arrest gemeen en tegenstelbaar aan de heer RK, partij in gedwongen tussenkomst. Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerde op 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding). Vereffent deze kosten aan de zijde van appellante op 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding), 60,73 EUR (uitgavenvergoeding) en 91,52 EUR (dagvaarding in tussenkomst). Laat de kosten aan de zijde van de partij in gedwongen tussenkomst onvereffend bij gebrek aan een neergelegde kostenbegroting. Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zevenentwintig november tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: MZ, raadsheer, voorzitter van de kamer, MVG, raadsheer in sociale zaken als werkgever, LVN, raadsheer in sociale zaken als werknemer, P, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061127.7 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990208.6 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021125.11 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030106.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div