← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061212.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061212.1 Rolnummer: 2000-0022 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-01-10 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-07-02 14:49 Fiches 1 - 2 Uit de verklaringen van de werkloze en uit de beschrijving van de 'ambtsverplichtingen voor conciërge bij administratief centrum' blijkt dat de verschillende werkzaamheden, binnen en buiten de gewone werkuren, van die aard waren dat er in hoofde van de conciërge geen sprake kan zijn van een deeltijdse tewerkstelling, doch van een voltijdse tewerkstelling zodat zij niet zonder arbeid en zonder loon was in de zin van artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit en als dusdanig verplicht is de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen terug te betalen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - toekenningsvoorwaarden - conciërge - voltijdse tewerkstelling Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - terugvordering van uitkeringen - conciërge - voltijdse tewerkstelling Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 169 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N - artikel 44 en onder V A N - artikel

  1. Annotaties Publicaties: SRK 2009 - nr. 3 - - blz. 154 - blz. 156 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2000022 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWAALF DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: V. D. P., appellante, op de zitting vertegenwoordigd door mr. K. C., advocaat te 2018 Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.
  2. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 2 februari 2000, 2 maart 2004, 24 juni 2004, 10 oktober 2006 en 24 oktober 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 3 juni 1999 (A.R. 306.411); - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 december 1999 (A.R. 306.411); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 13 januari 2000; - de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 juli 2002; - de conclusies voor appellante, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 januari 2004; - de tweede conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 18 november 2004; - de aanvullende conclusies voor appellante, ontvangen op de griffie van dit hof op 23 maart 2005; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2006, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 24 oktober 2006; - de repliek van appellante op het advies van het openbaar ministerie, neergelegd op de griffie van dit hof op 3 november
  3. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van geïntimeerde (stukken 2 en 3 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen) en de bundel van de raadsman van appellante bestaande uit 17 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 10 oktober
  4. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2006 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
  5. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 13 januari 2000, tekende V. D. P. hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 16 december 1999 (A.R. 306.411). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 21 december
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  7. Feiten en voorgaande rechtspleging V. D. P. geniet sinds 3 juni 1996 een inkomensgarantie-uitkering als deeltijdse werkneemster bij het gemeentebestuur te Kapellen. Op 17 juli 1998 besliste de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen - in toepassing van de artikelen 44, 45, 139, 142, 143, 144, 146 en 169 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - (stuk 19 administratief dossier: C 29/71122/45/CS): - V. D. P. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 3 juni 1996 (artikelen 44 en 45); - de uitkeringen terug te vorderen die V. D. P. onrechtmatig heeft genoten vanaf 3 juni 1996 (artikel 169). De directeur nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 2 administratief dossier): Er blijkt uit een onderzoek uitgevoerd door de dienst controle dat uw tewerkstelling als conciërge bij het gemeentebestuur te Kapellen het karakter heeft van een voltijdse tewerkstelling. U moest namelijk altijd beschikbaar zijn voor het voorbereiden van vergaderingen en ook in de weekends moest u de permanentie verzekeren. Aangezien u niet zonder arbeid en zonder loon was, kunt u geen uitkeringen genieten vanaf 03.06.1996 (artikel 44 van bovenvermeld K.B.). Elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald (artikel 169, eerste lid van bovenvermeld K.B.)." Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 15 oktober 1998, tekende V. D. P. beroep aan tegen de beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van 17 juli
  8. Bij tussenvonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 3 juni 1999 werd: - de vordering van V. D. P. ontvankelijk verklaard; - de heropening van de debatten bevolen teneinde partijen toe te laten hun standpunt uiteen te zetten met betrekking tot volgende punten: - de toepasselijkheid van de CAO nr. 31 van 22/11/1977 betreffende de huisbewaarders van flatgebouwen; - het foutief invullen van het formulier C131A. Op dit formulier werd immers slechts een tewerkstelling van 14 uren aangegeven en werd de gratis woonst en nutsvoorzieningen niet begroot; - de beschikbaarheid van eiseres op de arbeidsmarkt. - de beslissing over de kosten aangehouden. Bij eindvonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 december 1999 werd(en): - de vordering van V. D. P. ongegrond verklaard; - de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheids-bureau te Antwerpen van 17 juli 1998 bevestigd; - de kosten in toepassing van artikel 1017, tweede lid Ger. W. ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening gelegd, aan de zijde van V. D. P. vereffend op 3.780 frank rechtsplegingsvergoeding. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 13 januari 2000 tekende V. D. P. hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis.
  9. Eisen in hoger beroep V. D. P. (appellante) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren; - dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende: x de vordering van V. D. P. gegrond te verklaren in al zijn onderdelen; x de bestreden beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van 17 juli 1998 (C29/1122/45/CS) te vernietigen; x subsidiair te zeggen voor recht dat de terugvordering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dient te worden beperkt tot de laatste 150 dagen van de onverschuldigde toekenning; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen, aan de zijde van V. D. P. begroot op 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 273,67 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - het vonnis a quo te bevestigen; - over de kosten te oordelen als naar recht.
  10. Ten gronde 5.
  11. Motivering van de administratieve beslissing In toepassing van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991) moeten de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk worden gemotiveerd; de opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en zij moeten afdoende zijn. Appellante roept een schending in van voormelde wet van 29 juli 1991 voorhoudende dat de administratieve beslissing gesteund is op onjuiste juridische gronden. In de bestreden administratieve beslissing wordt de uitsluiting van het recht op uitkeringen gesteund op de artikelen 44 en 45 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit). Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze, in toepassing van artikel 44 Werkloosheidsbesluit, wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn; de activiteit voor een derde waarvoor de werknemer enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen wordt, in toepassing van artikel 45, eerste lid, 2° Werkloosheidsbesluit, als arbeid beschouwd. Voornoemde artikelen 44 en 45 gelden zowel voor de volledig werkloze als voor de gedeeltelijk werkloze (deeltijdse werknemer met behoud van rechten). Overeenkomstig artikel 27, 4° van het Werkloosheidsbesluit wordt onder uitkering verstaan: de werkloosheidsuitkering, de wachtuitkering, de overbruggingsuitkering, de PWA-inkomensgarantie-uitkering en de andere uitkeringen bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3 van het Werkloosheidsbesluit. Artikel 131bis, waarin de voorwaarden tot het recht op de inkomensgarantie-uitkering worden gesteld, is in het Werkloosheidsbesluit gesitueerd onder hoofdstuk IV (berekening van de uitkering) afdeling 3 (andere uitkeringen). Met de in artikel 44 vermelde uitkeringen wordt dus ook de inkomensgarantie-uitkering bedoeld. Aangezien in de bestreden administratieve beslissing de juiste juridische regels worden weergegeven die geleid hebben tot een uitsluiting van het recht op uitkeringen kan er geen schending van voormelde wet van 29 juli 1991 weerhouden worden. 5.
  12. De uitsluiting van het recht op uitkeringen Geïntimeerde, verwijzend naar een onderzoek uitgevoerd door de dienst controle, laat gelden dat de tewerkstelling van appellante als conciërge bij het gemeentebestuur te Kapellen het karakter heeft van een voltijdse tewerkstelling. Uit de door appellante afgelegde verklaringen blijkt dat de opgegeven tewerkstelling van 14 uren per week niet strookte met de werkelijk gepresteerde uren als conciërge bij de gemeente Kapellen. Tijdens een verhoor van 10 maart 1998 verklaarde appellante (stuk 15 administratief dossier: proces-verbaal van verhoor van 10 maart 1998): "Ik werk deeltijds gedurende 15 uur per week voor de gemeente Kapellen. Normaal werk ik van 7.30 uur tot 8.30 uur en van 16 uur tot 17 uur en 's maandags nog van 20.00 tot 21.00 uur (als het schepencollege is). In totaal word ik slechts voor die 15 uur betaald. Bovendien ben ik conciërge en moet ik 24 uur op 24 beschikbaar zijn voor eventuele vergaderingen. Dan moet ik alles klaarzetten en afruimen. Dit weekend ben ik op zondag om 9 uur koffie gaan zetten voor een tentoonstelling van de gemeente. Om 17 uur ben ik dan gaan opruimen en de deuren sluiten. Ook in de weekends moet ik thuisblijven. Voor deze activiteiten word ik enkel in natura vergoed, nl. gratis woonst en verbruik van nutsvoorzieningen." Uit voormelde verklaring van 10 maart 1998 komt duidelijk tot uiting dat appellante, naast een deeltijdse tewerkstelling van 15 uren tevens als conciërge gedurende 24 uren beschikbaar moet zijn en voor al die bijkomende activiteiten in natura werd vergoed (gratis woonst en verbruik van nutsvoorzieningen). Haar verklaring van 7 april 1998 (stuk 18 administratief dossier: proces-verbaal van verhoor van 7 april 1998) heeft dezelfde teneur. Zij benadrukt haar beschikbaarheid 24 uur op 24 en het verplicht doorlopend gebruik van de conciërgewoning. Zij zegt wel dat ze zich na de sluiting van het administratief centrum kan laten vervangen. Ook de laatste verklaring van appellante van 9 juli 1998 (stuk 18 administratief dossier: proces-verbaal van verhoor van 9 juli 1998) ligt weer in dezelfde lijn maar is iets genuanceerder wanneer het over de beschikbaarheid gaat. Tijdens de openbare zitting van 24 juni 2004 werd er door het openbaar ministerie om een bijkomend onderzoek verzocht in verband met de tijdsbesteding van appellante bij de uitvoering van haar functie van conciërge. Uit het onderzoeksverslag, opgesteld door de sociaal controleur van geïntimeerde (stuk 3 dossier auditoraat-generaal arbeidshof Antwerpen) blijkt dat het bijkomend onderzoek bij het gemeentebestuur van Kapellen erg moeizaam tot stand kwam. Slechts nadat een proces-verbaal van waarschuwing werd opgesteld lastens de gemeente Kapellen werd met schrijven van 4 oktober 2004 een overzicht gegeven van de dagindeling en tijdsbesteding van appellante. In een schrijven van 4 oktober 2004 van de schepen voor personeel van de gemeente Kapellen wordt meegedeeld dat het niet onmiddellijk mogelijk is een zeer gedetailleerde tijdsbesteding te bezorgen omdat bepaalde gegevens niet meer beschikbaar waren. Wel wordt een overzicht gegeven van de dagindeling van appellante met de opmerking dat appellante een zekere vrijheid bezat om haar dagindeling aan te passen zodat de opgegeven uren slechts indicatief zijn. Het openbaar ministerie merkt in zijn schriftelijk advies terecht op "dat die opstelling van de tijdsbesteding van appellante een erg theoretische benadering is die niet buiten de lijntjes kleurt van de vooropgestelde 14 uur, zoals die aanvankelijk werd vastgelegd bij de aanwerving. Men kan zich ook afvragen in hoeverre de informatie van het gemeentebestuur van Kapellen naar aanleiding van het bijkomend onderzoek, betrouwbaar is, aangezien het gemeentebestuur bij het opstellen van de dagindeling van appellante, rechter en partij is. De deeltijdse tewerkstelling van appellante (14 uur per week, betaald in speciën en permanentie in het gebouw, betaald in natura) kan een constructie zijn van het gemeentebestuur die haar financieel goed uitkwam omdat een deel van de prestaties van appellante dan vergoed werden door de werkloosheid. Appellante had ook geen reden tot klagen omdat zij naast de verloning voor de 14 uur per week, een woning met nutsvoorzieningen ter beschikking had en daar bovenop nog van werkloosheidsuitkeringen genoot." Het vermoeden dat appellante meer presteerde dan de beweerde 14 uur - afgeleid uit de door haar afgelegde verklaringen - wordt nog versterkt door de beschrijving van de 'ambtsverplichtingen voor conciërge bij het administratief centrum' zoals weergegeven in het uittreksel uit het register der beraad-slagingen van de gemeenteraad van 29 mei 1995 (stuk 2 dossier auditoraat arbeidsrechtbank Antwerpen: uittreksel uit het register der beraadslagingen van de gemeenteraad - zitting 29 mei 1995): - De conciërge bij het administratief centrum staat onder het toezicht van de secretaris voor de bewaking, de portiersfunctie en de goed en vlotte functionering van het administratief centrum, de installaties en diensten. Hierin is ook begrepen de dagelijkse zorg voor de behoorlijke verwarming, verlichting en verluchting van alle plaatsen van het gemeentehuis. - De conciërge dient de verschillende werkzaamheden binnen of buiten de gewone werkuren te verrichten, veroorzaakt door de specifieke activiteiten van het administratief centrum, zoals de onthaaldienst bij de vergaderingen, het schikken van de collegezaal voor vergaderingen en andere aangelegenheden. - De conciërge is verplicht doorlopend gebruik te maken van de vrije woonst in de conciërgewoning bij het administratief centrum. Bij elke afwezigheid dient hij/zij in vervanging te voorzien. De vervanger dient door de gemeentesecretaris of het College van Burgemeester en Schepenen aanvaard te worden. Uit deze tekst blijkt dat de vervanging waarvan sprake in de derde paragraaf enkel betrekking heeft op het doorlopend verplicht gebruik van de woonst en niet op de specifieke activiteiten in het administratief centrum die beschreven zijn in de eerste twee paragrafen. Uit voormelde omschreven ambtsverplichtingen voor conciërge bij het administratief centrum te Kapellen en uit de door appellante afgelegde verklaringen volgt het bewijs dat de tewerkstelling van appellante als conciërge bij het gemeentebestuur te Kapellen het karakter heeft van een voltijdse tewerkstelling. 5.
  13. Terugvordering In toepassing van artikel 169, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit dient elk onrechtmatig ontvangen som te worden terugbetaald. Appellante beroept zich - in ondergeschikte orde - op artikel 169, tweede lid van het Werkloosheidsbesluit hetwelk bepaalt dat de terugvordering beperkt wordt tot de laatste honderdvijftig dagen van onverschuldigde toekenning wanneer de werkloze bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had. De term 'goede trouw' in artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit heeft een geëigende betekenis, namelijk de afwezigheid van enige tekortkoming van de werkloze in de concrete relatie met de werkloosheidsregelgeving. De werkloze moet, op de wijze voorzien in de werkloosheidsreglementering, via zijn uitbetalingsinstelling op de formulieren C4 (bewijs van werkloosheid) en C 131 A (werkloosheidsbewijs voor de inactiviteitsuren) aangifte doen van de normale arbeidsregeling (met invulling van een rooster in geval van deeltijdse tewerkstelling en een beschrijving van de arbeidsregeling indien het rooster niet volstaat) met tevens opgave van het voorziene maandloon. In huidig geschil heeft appellante geen juiste opgave gedaan van haar arbeidsregeling en evenzeer heeft zij nagelaten te vermelden dat zij naast een brutoloon van 462,66 euro (18.664 frank) per maand nog voordelen in natura genoot voor woonst en nutsvoorzieningen. Dienvolgens kan in huidig geschil geen toepassing gemaakt worden van artikel 169, tweede lid van het Werkloosheidsbesluit. Samenvattend besluit het arbeidshof dat de eerste rechter terecht de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 17 juli 1998 heeft bevestigd. Het hoger beroep is dienvolgens ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn grotendeels eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 24 oktober
  14. Appellante heeft op 3 november 2006 schriftelijk gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 16 december 1999 in de openbare zitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 306.411). Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van V. D. P. op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op twaalf december tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061212.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.