id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 13 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061213.2 Rolnummer: 2005-0698 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-01-23 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 14:50 Fiches 1 - 3 Bewijsmateriaal dat door de werkgever-callcenter werd verkregen door het afluisteren van de telefoongesprekken tussen de werknemer-teleoperator en derden, zonder medeweten en zonder toestemming van laatstgenoemden, louter met de bedoeling de kwaliteit van de geleverde arbeid te controleren, werd onrechtmatig verkregen zodat hiermee geen rekening kan worden gehouden. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . STRAFWETBOEK Misdrijven betreffende het geheim van privé-communicatie en -telecommunicatie - afluisteren telefoongesprekken. Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 314bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Gerangschikt onder I C - artikel 314 bis, onder I O - artikel 2 en onder II AAN - artikel 17, 2°. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSFEER Begripsomschrijvingen - beginsel - werkingssfeer - afluisteren telefoongesprekken Wettelijke bepalingen: Wet - 08-12-1992 - 2 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Nota: Gerangschikt onder I C - artikel 314 bis, I O - artikel 2 en onder II AAN - artikel 17, 2°. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN Algemene verplichting van de partijen - verplichtingen van de werknemer - handelen volgens bevelen en instructies - afluisteren van telefoongesprekken Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 17,2° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder I C - artikel 314 bis, onder I O - artikel 2 en onder II AAN - artikel 17, 2° Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2050698 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES E. D., appellante, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mevrouw K. VAN MOL, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie, bij volmacht, tegen : nv S. B., geïntimeerde, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. B. COOLS, advocaat te 1180 Brussel. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 8 november
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 december 2005 en 8 november
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 4 oktober 2005, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 31 oktober 2005; x de beschikking d.d. 29 maart 2006 overeenkomstig art. 747, ,§ 2 Ger.W.; x de conclusies van partijen, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 15 mei 2006 door geïntimeerde en op 28 juni 2006 door appellante. x de syntheseconclusies neergelegd ter griffie van dit arbeidshof door geïntimeerde op 1 september 2006 en de eerste aanvullende (tevens syntheseconclusies), neergelegd ter griffie van dit arbeidshof door appellante op 8 september
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 2 december 2003, vorderde mevrouw D. veroordeling van de nv S. B., hierna de nv genoemd, tot betaling van 30.369,72 EUR opzeggingsvergoeding, 878,22 EUR pro rata eindejaarspremie, 91,64 EUR feestdagenloon en 148,78 EUR vakantiegeld einde dienst op eindejaarspremie en feestdagenloon, meer de wettelijke intrest, minstens de verwijlintrest vanaf 25 juni 2003, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. In conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 20 januari 2005, deed mevrouw D. afstand van de inmiddels betaalde pro rata eindejaarspremie en het hierop becijferde vakantiegeld einde dienst. Bij bestreden vonnis van 4 oktober 2005 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en lieten de nv toe met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van de volgende feiten:
- Dat verweerster na een kwaliteitscontrole op maandag 23 juni 2003 heeft vastgesteld dat eiseres uitgaande gesprekken bewust van bij het begin van het contact heeft afgebroken.
- Dat eiseres na een gesprek met haar trainer/coach heeft toegegeven dat zij dit deed uit frustratie omdat zij van de inbound naar de outbound was overgeplaatst." III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van mevrouw D. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, haar oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren. Ondergeschikt, met name in de hypothese dat dit arbeidshof de door de eerste rechters bevolen onderzoeksmaatregel zou bevestigen, verzoekt mevrouw D. haar persoonlijke verschijning te bevelen m.b.t. volgende feiten: - dat mevrouw D. tijdens de kwaliteitscontrole van 23 juni 2003 sommige telefoongesprekken noodgedwongen diende in te haken omdat zij uitkwam op een faxapparaat, de betrokkene verhuisd of overleden was, de betrokkene onbereikbaar was na afgesproken tijd/pogingen, of de firma onbestaand was; - dat mevrouw D. van de nv een lijst kreeg waarop de op te bellen personen/firma's stonden, en dat zij deze lijst diende te volgen; de zaak terug te verwijzen naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen en de kosten alsdan voor te behouden. In uiterst ondergeschikte orde, indien het arbeidshof de gevraagde persoonlijke verschijning niet zou toestaan, verzoekt mevrouw D. te worden toegelaten tot het tegenbewijs van de feiten zoals bevolen door de eerste rechters, middels haar persoonlijke verschijning; de zaak terug te verwijzen naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen en de kosten alsdan voor te behouden. Bij conclusie, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 15 mei 2006 stelde de nv incidenteel beroep in, met name in zoverre de eerste rechters oordeelden dat het dossier van de nv onvoldoende elementen bevat om te kunnen besluiten dat mevrouw D. zich effectief schuldig heeft gemaakt aan de ingeroepen tekortkomingen. De nv vordert te zeggen voor recht dat de door de nv aangebrachte bewijselementen (schriftelijke verklaringen van de werknemers en rapporten) op zich volstaan als bewijs van de feiten die in de ontslagbrief d.d. 23 (?) juni 2003 als dringende reden worden omschreven en de vordering van mevrouw D. ongegrond te verklaren. Ondergeschikte vraagt de nv het bestreden vonnis te bevestigen en de zaak in toepassing van artikel 1068, lid 2 Ger.W. te verwijzen naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen opdat het door de eerste rechters bevolen getuigenverhoor kan worden gehouden in toepassing van art. 920 Ger.W. en de beslissing over de kosten aan te houden. In uiterst ondergeschikte orde vordert de nv te zeggen voor recht dat mevrouw D. slechts gerechtigd is op een bruto opzeggingsvergoeding van 7 maanden loon. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- De feiten De nv is een onderneming (call center) die in opdracht van klanten telefonische oproepen beantwoordt (inbound) of telefonische contacten legt (outbound). Mevrouw D. is in dienst getreden van de nv op 22 februari 1995 als tele-operator, met een arbeidsovereenkomst voor de uitvoering van een bepaald project. Op 19 december 1997 sloten partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, voor dezelfde functie. Tot april 2003 was mevrouw D. tewerkgesteld in de afdeling "inbound", daarna werd zij overgeplaatst naar de afdeling "outbound". Op 25 juni 2003 verzond de nv een aangetekende brief aan mevrouw D., waarvan de inhoud luidt als volgt: "Hiermee bevestigen wij dat wij in het ontslaggesprek van 24 juni 2003 uw arbeidsovereenkomst onmiddellijk hebben beëindigd en dit om dringende redenen. Hierna volgt een beschrijving van de feiten die aan de basis liggen van het ontslag om dringende redenen: Na een kwaliteitscontrole op maandag 23 juni hebben wij ontdekt dat mevrouw D. uitgaande gesprekken bewust van bij het begin van het contact afbreekt. Na een gesprek met de trainer/coach gaf zij toe dat zij dit deed uit frustratie omdat zij van inbound naar outbound was overgeplaatst. Dit was eerder gebeurd omdat zij daar de vooropgestelde kwaliteitsnormen niet behaalde. Deze actie bezorgt zowel de klant als S. zelf grote schade omdat op deze manier zorgvuldig geselecteerde contacten verloren gaan. Uiteraard brengt dit de goede naam van S. bij zijn opdrachtgevers in gevaar. Wij zijn van mening dat deze feiten kunnen omschreven worden als ernstige tekortkomingen die elke verdere professionele samenwerking tussen ons onmiddellijk en definitief onmogelijk maken". Dit ontslag werd geprotesteerd door de vakorganisatie van mevrouw D. met een brief van 12 augustus
- In deze brief deed de vakorganisatie gelden dat de kwaliteitscontrole gebeurde via het afluisteren van telefoongesprekken door een derde, met name de trainer/coach en een inbreuk vormde op de privacy van mevrouw D. en de door haar gecontacteerde derden. Verder werd formeel betwist dat mevrouw D. zich schuldig zou hebben gemaakt aan de haar verweten fouten.
- De beoordeling Overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet behoort het aan de nv om het bewijs te leveren van de correcte naleving van de wettelijk voorgeschreven termijnen en formaliteiten, evenals van het bestaan en het zwaarwichtig karakter van de als dringende reden ingeroepen feiten. De correcte naleving van de door artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet voorgeschreven termijnen en formaliteiten blijkt uit de neergelegde stukken en staat als zodanig ook niet ter discussie. Het bewijs van de realiteit en het zwaarwichtig karakter van de ingeroepen feiten mag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 Arbeidsovereenkomstenwet, door alle middelen van recht worden bewezen, getuigen en vermoedens inbegrepen. Deze bepaling staat er uiteraard niet aan in de weg dat ook in dit kader enkel rechtmatig verkregen bewijsmateriaal mag worden aangewend. Zo zal, in beginsel, in burgerlijke zaken een bewijs dat werd verkregen door middel van een misdrijf niet geoorloofd zijn. (Allemeersch, B. en Scollens, P., "Behoorlijk bewijs in burgerlijke zaken. Over de geoorloofdheidsvereiste in het burgerlijk bewijsrecht.", R.W., 2002-2003, 51 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer). Ook bewijsmiddelen die werden verkregen met miskenning van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kunnen, in bepaalde omstandigheden, als onrechtmatig verkregen bewijs worden geweerd. (Allemeersch, B. en Scollens, P., o.c., 55 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) Artikel 314 bis Strafwetboek, ingevoegd bij wet van 30 juni 1990 en in werking getreden op 3 februari 1995 bepaalt: " ,§
- Met gevangenisstraf van zes maanden tot één jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot tienduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die : 1° ofwel, opzettelijk, met behulp van enig toestel privé-communicatie of -telecommunicatie, waaraan hij niet deelneemt, tijdens de overbrenging ervan, afluistert of doet afluisteren, er kennis van neemt of doet van nemen, opneemt of doet opnemen, zonder de toestemming van alle deelnemers aan die communicatie of telecommunicatie; 2° ofwel, met het opzet een van de hierboven omschreven misdrijven te plegen, enig toestel opstelt of doet opstellen. ,§
- Met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot twintigduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij, die wetens, de inhoud van privé-communicatie of -telecommunicatie die onwettig afgeluisterd of opgenomen is of waarvan onwettig kennis genomen is, onder zich houdt, aan een andere persoon onthult of verspreidt, of wetens enig gebruik maakt van een op die manier verkregen inlichting. Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, gebruik maakt van een wettig gemaakte opname van privé-communicatie of - telecommunicatie." Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juni 1990 blijkt dat "privé-communicatie" moet worden begrepen als elke communicatie die niet bestemd is om door iedereen te worden gehoord en eveneens professionele communicatie insluit, wanneer het niet de bedoeling is dat die communicatie gehoord wordt door anderen dan de gesprekspartners. (Parl. St. Senaat, 1992-93, nr. 943/1, 7 en nr. 843/2, 36, De Herdt, P., "De Wet van 30 juni 1994 en het afluisteren: Een sociaalrechtelijke toets", Or., 1995,108) Dit standpunt sluit trouwens aan bij de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, waarin wordt gesteld dat zowel gesprekken met een privaat karakter, als zakelijke gesprekken beschermd worden door artikel 8 E.V.R.M. (Claeys, T. en Dejonghe D., "Gebruik van e-mail en internet op de werkplaats en controle door de werkgever", J.T.T., 2001, 126 en de aldaar geciteerde rechtspraak) Anders dan de eerste rechters is het arbeidshof dan ook van oordeel dat de telefoongesprekken tussen mevrouw D. en de personen die zij in opdracht van de nv diende op te bellen, met de bedoeling te trachten vanwege laatstgenoemden antwoord te krijgen op een aantal vragen omtrent hun telefoongebruik, vallen onder het begrip "privé-communicatie" in de zin van genoemd artikel 314 bis. Weliswaar kaderden deze gesprekken voor mevrouw D. in de uitvoering van haar arbeidsovereenkomst, maar dit gold uiteraard niet voor de door haar gecontacteerde personen. Bovendien kan men bezwaarlijk voorhouden dat deze gesprekken bestemd waren om door iedereen/anderen dan de gesprekspartners te worden gehoord. Het arbeidshof stelt tevens vast dat niet ter discussie staat dat de nv beschikt over en gebruik maakt van technische middelen die het mogelijk maken dat zij van op afstand telefoongesprekken tussen haar tele-operatoren en de door hen gecontacteerde personen afluistert en dat zij dit op 23 juni 2003 ook effectief heeft gedaan m.b.t. de telefoongesprekken die mevrouw D. heeft gevoerd. Niets in het dossier laat verder toe te besluiten dat de gecontacteerde personen en/of mevrouw D. hun toestemming hebben verleend voor het afluisteren van deze gesprekken. De nv beweert weliswaar dat de kwaliteitscontroles voorafgaand werden besproken met en goedgekeurd door de syndicale afvaardiging, doch dit volstaat uiteraard niet om te besluiten dat mevrouw D. zou hebben ingestemd met het afluisteren van haar telefoongesprekken op 23 juni
- Dat mevrouw D. zelf voorafgaand zou zijn ingelicht omtrent de controle van 23 juni 2003 blijkt uit niets, a fortiori blijkt niet dat zij hiermee heeft ingestemd. Dat de gesprekspartners van mevrouw D. niet hebben ingestemd en zelfs niet op de hoogte waren van het afluisteren staat zelfs niet ter discussie. Bijgevolg heeft de nv het bepaalde in artikel 314 bis Strafwetboek miskend. Het inmiddels opgeheven artikel 109ter D van de wet van 21 maart 1991 bevat een aantal uitzonderingen, waarin de bepalingen van artikel 314bis Strafwetboek geen toepassing vinden, onder meer: 1° wanneer de wet het stellen van de bedoelde handelingen toestaat of oplegt; 2° wanneer de bedoelde handelingen worden gesteld met als enig doel de goede werking van het netwerk na te gaan en de goede uitvoering van een telecommunicatiedienst te garanderen; 3° wanneer de handelingen worden gesteld om de interventie van hulp- en nooddiensten mogelijk te maken die antwoorden op aan hen gerichte verzoeken om hulp... Soortgelijke bepalingen zijn thans opgenomen in artikel 125 van de wet van 13 juni
- Het arbeidshof is daarbij van oordeel dat de nv deze uitzonderingsbepalingen niet kan inroepen in deze zaak. Het staat immers niet ter discussie dat het enige motief voor het afluisteren van de telefoongesprekken van mevrouw D. op 23 juni 2003 erin bestond de kwaliteit van haar werk te controleren. Het werkgeversgezag dat de werkgever ontleent aan de arbeidsovereenkomst en het bepaalde in artikel 17,2° Arbeidsovereenkomstenwet vormen echter geen voldoende wettelijke grondslag om te worden aanvaard als wettelijke uitzondering op het strafrechtelijk verbod tot afluisteren, gelet op de vaagheid en de algemeenheid van deze arbeidsrechtelijke regels. (Dumortier, J., "Internet op het werk: controlerechten van de werkgever", Or., 2000, 38 en de aldaar geciteerde rechtspraak; Hendrickx, F., " Privacy en arbeidsrecht", Brugge, die Keure, 1999, 199) Het is dan ook slechts ten overvloede dat het arbeidshof wenst op te merken dat het afluisteren van de telefoongesprekken gevoerd door een tele-operator, louter en alleen met de bedoeling de kwaliteit van zijn prestaties te evalueren, een disproportionele inbreuk betekent op de bescherming van het privé-leven, zowel voor de tele-operator als voor zijn gesprekspartners en dat andere methodes (zie syntheseconclusie mevrouw D. p.12) kunnen worden gehanteerd om op een zinvolle wijze het functioneren van tele-operatoren te beoordelen, methodes die geen of alleszins een veel minder verregaande inmenging in de persoonlijke levenssfeer veroorzaken. Dit was ten andere ook de terechte mening van de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in zijn advies van 30 januari
- Gelet op het voorgaande is het arbeidshof van oordeel dat de nv het bewijs van de door haar ingeroepen feiten niet mag leveren aan de hand van bewijsmiddelen die werden verkregen door het onrechtmatig afluisteren van de telefoongesprekken die mevrouw D. op 23 juni 2003 heeft gevoerd. Gelet op het voorgaande kan de nv uiteraard niet worden toegelaten om met getuigen het bewijs te leveren van de vaststellingen die haar aangestelden in haar opdracht hebben bekomen via het afluisteren van de telefoongesprekken van mevrouw D.. In dezelfde gedachtegang en in de mate dat zij betrekking hebben op gegevens die werden bekomen door het afluisteren van telefoongesprekken tussen mevrouw D. en derden, kan het arbeidshof met de door de nv neergelegde schriftelijke verklaringen geen rekening houden. Deze schriftelijke verklaringen, duidelijk opgesteld op verzoek van de nv, door een aantal werknemers om gebruikt te worden in het kader van deze procedure, zijn bovendien hoe dan ook bewijselementen die met de grootste omzichtigheid moeten worden beoordeeld. Er is immers geen enkele garantie dat deze verklaringen een correct en volledig beeld geven van de werkelijkheid en het kan geenszins worden uitgesloten dat deze verklaringen werden "gekleurd" om de nv als werkgever ter wille te zijn. De neergelegde schriftelijke verklaringen worden door dit arbeidshof dan ook niet aanvaard als bewijs van hun inhoud. Wat de door de nv neergelegde "rapporten" betreft moet het arbeidshof vaststellen dat de in dit kader neergelegde stukken niets meer zijn dan in tabelvorm weergegeven cijfermateriaal. Op welke wijze en door wie deze tabellen werden opgesteld is niet duidelijk. Bijgevolg kan niet worden vastgesteld dat deze stukken een correcte cijfermatige weergave vormen van de door mevrouw D. geleverde prestaties. Deze stukken vormen dan ook geenszins het bewijs van het feit dat mevrouw D. zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk, vroegtijdig afbreken van gesprekken. Anderzijds stelt het arbeidshof vast dat de nv aanvoert dat het bewijs van de ingeroepen tekortkomingen niet alleen uit de uitgevoerde controles blijkt, maar ook uit het feit dat mevrouw D. tijdens een rechtstreeks gesprek met haar coach/teamleider zou hebben toegegeven dat zij opzettelijk, vroegtijdig gesprekken heeft afgebroken, uit onvrede met haar overplaatsing van de "inbound" naar de "outbound". Het arbeidshof stelt vast dat het verweer van mevrouw D. wat dit argument betreft beperkt blijft tot de bewering dat een getuigenverhoor desbetreffend ondoelmatig zou zijn, omdat het tegendeel reeds uit de door de nv neergelegde stukken zou blijken. Dit verweer is manifest onjuist. Geen van de neergelegde stukken laat immers toe te besluiten dat mevrouw D. zich niet schuldig zou hebben gemaakt aan het ingeroepen vroegtijdig afbreken van gesprekken en er is ook geen enkel stuk waaruit blijkt dat zij dit nooit mondeling heeft toegegeven. In die omstandigheden en gelet op de principiële bewijsvrijheid inzake arbeidsovereenkomsten, komt het gepast voor de nv toe te laten dit feit, zoals hierna geherformuleerd, met getuigen te bewijzen. Anderzijds komt het niet opportuun voor de persoonlijke verschijning van mevrouw D. te bevelen, nu zij haar standpunt m.b.t. de haar verweten tekortkomingen en de haar toegeschreven mondelinge uitlatingen reeds voldoende heeft uiteengezet in conclusies. Gelet op het voorgaande komt het gepast voor het bestreden vonnis te vernietigen, behalve in zoverre het uitspraak deed over de ontvankelijkheid, en alvorens ten gronde te beslissen, aan de nv toe te staan met getuigen het bewijs te leveren van het hierna vermelde feit. Vermits deze onderzoeksmaatregel door dit arbeidshof werd bevolen op eigen gronden en derhalve geen bevestiging inhoudt van de door de eerste rechters bevolen onderzoeksmaatregel, dient de zaak niet te worden terugverwezen naar de eerste rechters. (zie Cass., 16 september 1991, Arr. Cass. 1991-92, 54) OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 4 oktober 2005, behalve in zoverre het de vordering van mevrouw D. ontvankelijk verklaarde. Alvorens ten gronde te beslissen; Laat de nv toe door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van het feit dat mevrouw D. tijdens gesprekken op 23 en 24 juni 2003 heeft toegegeven dat zij uitgaande telefoongesprekken na het tot stand komen van de verbinding, opzettelijk vroegtijdig heeft afgebroken en dat zij dit deed uit frustratie omdat zij was overgeplaatst van "inbound" naar "outbound". Laat mevrouw D. toe tot het tegenbewijs van dit feit met dezelfde rechtsmiddelen. Belast, bij toepassing van artikel 1072 Ger. W., de arbeidsrechtbank te Antwerpen met de uitvoering van de bevolen maatregel. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van dertien december tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061213.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div