id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour du travail d'Anvers Jugement/arrêt du 21 décembre 2006 No ECLI: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061221.13 No Rôle: 2005-0519 Domaine juridique: Autres - Droit constitutionnel - Droit de la sécurité sociale Date d'introduction: 2008-10-20 Consultations: 292 - dernière vue 2026-07-02 14:53 Fiches 1 - 3 De beslissing tot schrapping van de aangegeven prestaties als werknemer vormt een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991, daar het niet erkennen van het werknemersstatuut een eenzijdige rechtshandeling is met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor de 'werknemer' in kwestie. Alleen het kennelijk misbruik van de beroepsmogelijkheid, bijvoorbeeld wanneer dit hoger beroep lichtzinnig wordt ingesteld of met een zuiver dilatoir oogmerk, kan het ingestelde hoger beroep tergend en roekeloos maken. Thésaurus UTU: DROIT JUDICIAIRE DROIT JUDICIAIRE - VOIES DE RECOURS - DROIT JUDICIAIRE ET CASSATION DROIT JUDICIAIRE - VOIES DE RECOURS - DROIT JUDICIAIRE ET CASSATION - Appel (droit judiciaire) Mots libres: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - tergend en roekeloos beroep - kennelijk misbruik - I A Bases légales: Code Judiciaire - 10-10-1967 - 1072 bis - 30 Lien DB Justel 19671010-30 Thésaurus UTU: DROIT JUDICIAIRE - COMPÉTENCE - Compétence matérielle - Tribunal de première instance - Appel DROIT PUBLIC ET ADMINISTRATIF Mots libres: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - publiek- en administratief recht - tergend en roekeloos hoger beroep - kennelijk misbruik - I L Bases légales: Loi - 29-07-1991 - 2 - 36 Lien ELI No pub 1991000416 Thésaurus UTU: DROIT SOCIAL - SÉCURITÉ SOCIALE DROIT SOCIAL - SÉCURITÉ SOCIALE - Sécurité sociale - Travailleurs salariés DROIT SOCIAL - SÉCURITÉ SOCIALE - Sécurité sociale - Travailleurs salariés - Champ d'application Mots libres: Sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - toepassingsgebied - personen - beslissing tot schrapping als werknemer - bestuurshandeling - motiveringsplicht - VII A Bases légales: Loi - 27-06-1969 - 1, § 1 - 04 Lien ELI No pub 1969062710 Note: Gerangschikt onder I A - artikel 1072 bis, onder I L - artikel 2 en onder VII A - artikel 1, §
- Texte de la décision ARREST A.R. Nr. 2050519 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EENENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (RSZ), met zetel gevestigd te x, x, eiser in hoger beroep, incidenteel geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. I. VAN DEN BOSSCHE loco mr. DE GREEF, advocaat te x, tegen : 1/ PC, wonende te x, x, 2/ nv CCE, met zetel gevestigd te x, x, verweerders in hoger beroep, incidenteel appellanten, voor wie verschijnt: mr. K. STAPPERS, advocaat te x. Na beraadslaging wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 7 september 2005, van 21 september 2006 en van 19 oktober 2006; Gelet op de stukken van de rechtspleging en in het bijzonder op: * het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 18 april 2005, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen; * het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 11 juli 2005 en vervolgens, zoals artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek voorschrijft, op 11 juli 2005 ter kennis gebracht aan wie het behoort; * het verzoekschrift, op de griffie van dit hof ontvangen op 6 januari 2006, waarmee eiser in hoger beroep vraagt om de conclusietermijnen te regelen en om de rechtsdag te bepalen (toepassing van artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek); * de beschikking van 25 januari 2006 van raadsheer J. Verhavert, in toepassing van artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek; * de conclusies voor verweerders in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 24 februari 2006; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 7 april 2006; * de conclusies voor verweerders in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 5 mei 2006; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 31 mei 2006; * de conclusies voor verweerders in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 16 juni 2006; * het schriftelijke advies van het openbaar ministerie gelezen en neergelegd op de zitting van 19 oktober 2006 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek; * de repliekconclusies van eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 9 november
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 21 september
- Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 19 oktober
- De ontvankelijkheid Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn naar termijn en vorm regelmatig ingesteld. De ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Ze zijn beiden dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat C&C E houdt zich bezig met de invoer van Grundig dicteerapparaten voor ziekenhuizen en dealers. De zaak was in handen van de familie C. Hoofdaandeelhouder was moeder C, MD, die samen met haar man en haar drie zonen de aandelen bezat. In 2001 is er een wijziging. Moeder C behoudt één aandeel en de zonen J en WC bekomen 75 aandelen. WC is advocaat en hij neemt op papier niet actief deel aan het bestuur van de firma. Hij is gehuwd met PC, die blijkbaar telkens optreedt als WC moet optreden, maar die zelf geen aandelen heeft. PC heeft als bediende gewerkt voor C&C van september 1986 tot 15 mei 1992 en terug vanaf 26 juli
- Blijkbaar zijn er twijfels over het juiste statuut van PC want in september-oktober 2003 geeft de controledienst van de RSZ opdracht om na te gaan of PC en PC wel ressorteren onder het stelsel van sociale zekerheid. Er wordt een onderzoek gevoerd en op basis ervan laat de RSZ op 20 februari 2004 aan C&C weten dat hij van oordeel is dat PC voor haar tewerkstelling ten onrechte werd onderworpen aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. Er zou over haar geen gezag zijn uitgeoefend. De RSZ ging over tot ambtshalve schrapping voor de periode: eerste kwartaal 1999 tot en met het eerste kwartaal
- Op 23 april 2004 dagvaardden zowel PC als C&C de RSZ. Zij eisen het werknemersstatuut voor PC op. Het bestreden vonnis De eerste rechters, in een vonnis van 18 april 2005, verklaren deze vordering grotendeels gegrond: de RSZ ging ten onrechte tot schrapping over. De raadsman van C&C verklaarde op de terechtzitting van 21 september 2006 dat het vonnis werd betekend op 13 juni
- Eisen in hoger beroep De RSZ tekende op 11 juli 2005 hoger beroep aan tegen het vonnis. Hij vraagt om het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en de oorspronkelijke vorderingen als ongegrond af te wijzen. PC en C&C E stellen bij conclusies van 24 februari 2006 incidenteel beroep in en zij vorderen thans: "Primair Het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Bijgevolg te zeggen voor recht dat de beslissingen van de RSZ van 20 februari 2004 artikel 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswet schenden en derhalve om deze reden dienen te worden vernietigd en voorts, voor het overige het besteden vonnis te bevestigen waar de Arbeidsrechtbank zegde voor recht dat mevrouw C vanaf 26 juli 1993 tot en met het eerste kwartaal 2004 bij de nv C&C E in het kader van een arbeidsovereenkomst prestaties heeft verricht en aldus terecht onderworpen is aan het stelsel van sociale zekerheid voor werknemers, en zij de vernietiging heeft bevolen van de ambtshalve schrapping d.d. 20 februari
- Verder akte te verlenen dat zij bij huidige conclusie een nieuwe vordering stellen, strekkende tot: - betaling door de RSZ van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep, ex aequo et bono begroot op 10.250 euro en tot - terugbetaling door geïntimeerde van het ereloon en de kosten van hun advocaat, voorlopig begroot op 7.500 euro provisioneel. Beide bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke intrest vanaf heden. In ondergeschikte orde. Minstens, alvorens verder recht te doen, hen toe te staan om met alle middelen van recht, inclusief getuigen, te bewijzen dat: - wijlen mevrouw x tijdens de tewerkstelling van mevrouw C, ondersteund door HC, de beleidsbeslissingen nam bij C&C E; - na het overlijden van mevrouw D, op 23 juli 2003, HC dit deed; - mevrouw Cgeen beleidsbeslissingen nam/neemt; - mevrouw C wel degelijk onder leiding en toezicht van Mevrouw Den na diens overlijden, van HC, arbeidsprestaties geleverd heeft; - mevrouw C een vast maandloon ontvangt en vaste werkuren heeft; - mevrouw C 20 dagen vakantie heeft per jaar, die ze in overleg met mevrouw D, sedert haar overlijden met HC, opnam/opneemt; - mevrouw C geen deelname in de winst heeft. Tevens, alvorens verder recht te doen te zeggen voor recht dat nv C&C E haar samenwerking met mevrouw C blijft administreren als een arbeidsovereenkomst en geïntimeerde te bevelen deze kwalificatie te respecteren onder het oorspronkelijk inschrijvingsnummer van de nv C&C E. Bijgevolg de ambtshalve schrapping, die geïntimeerde ondertussen reeds heeft uitgevoerd, ongedaan te maken en het bericht van wijziging van bijdragen van 10 augustus 2004 te vernietigen. In deze hypothese de kosten aan te houden. In uiterst ondergeschikte orde De oorspronkelijke vordering van de nv C&C E tot terugbetaling door appellant van de aan hem betaalde sociale zekerheidsbijdragen vanaf 26 juli 1993, die betrekking hebben op de tewerkstelling van mevrouw C, ontvankelijk en gegrond te verklaren. Bijgevolg de RSZ in uiterst ondergeschikte orde te veroordelen tot terugbetaling aan de nv C&C E van: de onverschuldigde sociale zekerheidsbijdragen (provisioneel) voor een bedrag van 40.191,86 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest vanaf 15 december 2004." Volgens het recht C&C werpt in eerste instantie op dat de beslissing van de RSZ van 20 februari 2004 moet worden vernietigd omdat deze beslissing niet uitdrukkelijk is gemotiveerd, zoals de wet voorschrijft. Met andere woorden is de beslissing van de RSZ van 20 februari 2004 een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991, betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen? Omdat het schrappen van gedane aangiften en daardoor het niet erkennen van het werknemersstatuut voor PC een eenzijdige rechtshandeling is met een individuele strekking, die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor PC, is het hof van oordeel dat de beslissing van 20 februari 2004 van de RSZ een bestuurshandeling is in de zin van de voornoemde wet van 29 juli
- Hiermee sluit het hof zich aan bij het oordeel van de eerste rechters. Ook het openbaar ministerie zit op dezelfde lijn. Er is wel degelijk sprake van een eenzijdige rechtshandeling wanneer de RSZ een beslissing neemt, zonder enige verdere tussenkomst van wie dan ook, die onmiddellijk rechtsgevolgen teweeg brengt voor een burger, ook al voert de RSZ hierbij een hem door de wet opgedragen verplichting uit. De ratio legis van het waarom van de motivering van een bestuurshandeling moet niet worden gezocht bij de oorzaak van deze bestuurshandeling maar wel bij het effect ervan in het rechtsverkeer, in casu het wegnemen van het werknemersstatuut bij PC. Er is wel degelijk een verschil tussen de situatie waarbij de RSZ overgaat tot regularisatie van een bepaalde toestand en daardoor bijkomende bedragen opvordert buiten de techniek van het dwangbevel om en de situatie waarbij de RSZ iemand van de toepassing van het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers uitsluit. In de eerste situatie moet hij beroep doen op de rechter om zijn vordering hard te maken. In de tweede situatie grijpt de RSZ rechtstreeks in het rechtsverkeer, zonder tussenkomst van de rechter. Wanneer de RSZ beroep moet doen op de rechter, is de toepassing van de wet van 29 juli 1991 overbodig omdat de rechter krachtens de grondwet zijn beslissingen moet motiveren. In overeenstemming met de eerste rechters is het hof ook van oordeel dat de beslissing van de RSZ van 20 februari 2004 wél afdoende is gemotiveerd in de zin van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991, betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Het afdoende karakter van de wettelijk voorgeschreven motivering moet deze keer wél worden beoordeeld, rekening houdende met de aard van de bevoegdheid bij de overheid, waaruit de beslissing is voortgekomen. In casu kadert de beslissing van 20 februari 2004 van de RSZ in zijn gebonden bevoegdheid. Dit houdt in dat de hij op de feiten, die hem worden voorgelegd, de wet moet toepassen. Hij heeft geen keuze. De wet wordt geacht door iedereen gekend te zijn. In die context is de manoeuvreerruimte van de RSZ beperkt. Het is de wet die de richting aangeeft. Als de RSZ binnen deze beperkte ruimte een beslissing neemt, moet hij enkel verduidelijken waarom hij op die specifieke feiten een bepaalde wettelijke regel toepasselijk acht. In casu is de wettelijke regel van artikel 1, §1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders aan de orde. Hij bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." In zijn beslissingen van 20 februari 2004 verwijst de RSZ, zij het impliciet, naar deze regel door aan te geven dat één van de noodzakelijke bouwstenen van een arbeidsovereenkomst ontbreekt, lees: door dit ontbreken is er geen arbeidsovereenkomst voorhanden, lees: bij het ontbreken van een arbeidsovereenkomst vindt de RSZ-wet geen toepassing. Bovenop geeft de RSZ aan welke noodzakelijke bouwsteen van de arbeidsovereenkomst er volgens hem ontbreekt, namelijk het gezag. Ook geeft de RSZ aan dat hij dit gebrek aan gezag niet zomaar uit zijn mouw schudt, maar dat hij zich baseert op de elementen van zijn dossier. PC dient zich te realiseren dat zij op 4 december 2003 een uitvoerige verklaring heeft afgelegd aan de inspecteur-controleur van de RSZ, verklaring waarvan haar, op haar verzoek trouwens, onmiddellijk een kopie ter hand werd gesteld. Zo onbekend kan het verslag van de inspectiedienst voor haar dan ook niet gebleven zijn. Met deze principes en deze gegevens in het achterhoofd, is het hof van oordeel dat PC, toen haar op 20 februari 2004 door de RSZ werd meegedeeld dat zij ten onrechte werd onderworpen aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers, uit de brief van de RSZ kon afleiden welke rechtsregel de RSZ op haar situatie wou toepassen en waarom. Op dat ogenblik voldeed de RSZ, binnen het kader van zijn gebonden bevoegdheid, zij het net, aan de op hem rustende motiveringsplicht. Dit neemt niet weg dat de kwaliteit van deze motivering vatbaar is voor verbetering. Verdere uitleg door de RSZ bij de inhoud en de omvang van het gebrek aan gezag in de concrete situatie van PC ware allicht wenselijk geweest, maar deze informatie was niet essentieel bij de verduidelijking over welke dienstige rechtsregel door de RSZ zou worden toegepast. Conclusie: De beslissing van de RSZ van 20 februari 2004 was een bestuurshandeling, onderworpen aan de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Beschouwd vanuit de gebonden bevoegdheid, waarbinnen de RSZ opereert, voldeed de motivering door de RSZ in zijn brief van 20 februari 2004 aan PC en aan haar opdrachtgever net aan het minimum. * * * Ten gronde argumenteert de RSZ eerst en vooral dat PC bij C&C ook bestuurder was. In dat geval komt het aan C&C en PC toe om aan te tonen dat deze laatste naast naar taken als bestuurder voor de vennootschap ook technische, commerciële of administratieve taken uitoefende, die duidelijk onderscheiden waren van de taken die voortvloeiden uit haar mandaat. Bovendien moeten zij bewijzen dat PC zich voor de uitoefening van die taken in een ondergeschikt verband bevond. Het hof is het met dit uitgangspunt eens. Het bewijs dat in dit verband dienstig is, is het proces-verbaal van verhoor van PC, dat op 4 december 2003 werd opgemaakt. Van dit proces-verbaal heeft PC een kopie ontvangen. Zij legt deze kopie neer als stuk 2 van haar dossier. In deze verklaring geeft PC aan dat zij de volledige administratie doet, dat ze af en toe naar de klanten gaat en dat ze de betalingen uitvoert. Dit takenpakket is een uitgesproken takenpakket van een uitvoerende bediende, niet van een bestuurder, die zich bezighoudt met het besturen van een bedrijf. De taken die eerder bij de functie van bestuurder aansluiten, zijn: het tekenen van contracten en van officiële documenten, het bepalen van de prijzen en het bespreken van de voorwaarden met de leveranciers. Deze taken kon PC niet of enkel na akkoord van haar schoonmoeder of schoonbroer uitoefenen, althans volgens haar verklaring. De RSZ, die zijn argumentatie zelf ook steunt op deze verklaring van PC, bewijst niet dat het er op de werkvloer anders aan toeging. Het hof is dan ook van oordeel dat er wel degelijk een onderscheid te maken valt in het takenpakket van PC: enerzijds zijn er de bestuurstaken waarvoor ze blijkbaar bijstand nodig had en anderzijds waren er de puur uitvoerende taken, die het grootste deel van haar tijd in beslag namen. Wanneer ze op een bepaald ogenblik verklaarde dat ze de zaak alleen voerde, pleit dit niet tegen het bestaan van een werknemersstatuut maar wel voor het bestaan ervan. Immers wie anders dan PC heeft de administratieve taken voor zijn rekening genomen? In normale omstandigheden heeft men daarvoor een bediende of meerdere bedienden in dienst. Moest een dergelijke bediende wél in dienst van C&C zijn geweest dan was het voor PC veel moeilijker om aan te tonen dat ze naast de taken van bestuurder ook nog andere taken uitoefende. Blijft dan de beoordeling over of PC in de uitoefening van haar administratieve taken onder het gezag stond van anderen. De uitoefening van dit gezag valt bijna woordelijk uit haar verklaring af te leiden. Het weze herhaald dat deze verklaring volle bewijskracht heeft, vermits ze ook door de RSZ zelf wordt aangewend. Er zijn in het dossier geen andere bewijselementen aanwezig die een andere realiteit laten zien dan deze die PC beschrijft. Eerst en vooral geeft PC in haar verklaring aan dat zij altijd bediende is geweest en dat ze altijd als werknemer werkte zowel voor C&C maar ook voor andere opdrachtgevers. Zo werkte zij voor K en voor HSA. Dan is zij deeltijds beginnen werken enerzijds voor C&C en anderzijds voor TERA. Blijkbaar kwam zij bij C&C werken op vraag van haar schoonouders. Tussen 15 mei 1992 en 26 juli 1993 is ze dan weer weggegaan bij C&C en is ze gaan werken bij SD. Daarna is ze teruggekeerd bij C&C. Uit deze beschrijving van haar verleden komt PC niet naar voren als een zakenvrouw, als een zelfstandige bestuurder, maar wel als een uitvoerende bediende. Uit de toon van haar verklaring kan ook worden afgeleid dat haar schoonouders, die wél zakenmensen waren, haar niet direct zagen als een zakenpartner maar ook als een uitvoerende bediende. Immers over belangrijke beslissingen moest er overleg worden gepleegd. Contracten kon zij niet alleen tekenen. Prijsbepaling werd gedaan door de zaakvoerder, niet door haar. De contacten en contracten met de leveranciers verliepen via iemand anders. Zij had geen aandelen en voor haar was er geen winstdeelname. Belangrijk is ook dat er over haar controle werd uitgeoefend. Zo verklaarde PC dat haar schoonmoeder woonde op de zetel van het bedrijf en toezicht hield op de tijd dat ze kwam werken. Haar schoonmoeder controleerde ook haar werk. Ze vroeg immers overzichten. De bedrijfsrevisor controleerde de boekhouding. Een belangrijke indicatie van de uitoefening van gezag was dat PC op vaste tijdstippen moest komen werken: van 's morgens half negen tot 's avonds vijf uur en dat gedurende 5 dagen per week. Zij had 20 vakantiedagen niet meer. Zij kon deze vakantie opnemen wanneer ze wou, maar ze moest wel haar schoonmoeder verwittigen. Na het overlijden van haar schoonmoeder gebeurt het overleg blijkbaar met de andere eigenaars en vooral met haar schoonbroer. Ondertussen heeft PC uiteraard veel routine verworven en zijn directe ingrepen vanuit het bestuur allicht niet meer nodig. In ieder geval blijft de mogelijkheid bestaan dat gezag over PC wordt uitgeoefend. Deze elementen maken duidelijk dat PC grotendeels taken uitvoerde in ondergeschikt verband. Immers wat ze moest doen, de wijze waarop, waar en wanneer, werd opgedragen vanuit C&C. Ze kon niet vrijelijk met haar tijd omgaan, zoals een bestuurder of zakenvrouw dit wel kan doen. Samengevat: er werd gezag over haar uitgeoefend. Verder is het eigenaardig dat de RSZ het statuut van werknemer bij PC zolang heeft erkend. Hij zet dit statuut pas op de helling vanaf het eerste kwartaal 1999 niet eerder. Voor de voorafgaande periode erkent hij bijgevolg het werknemersstatuut. Toch geeft de RSZ niet aan waar ergens in 1999 er een dermate kentering kwam in de samenwerking tussen PC en C&C, die maakte dat het werknemersstatuut niet langer kon worden volgehouden. Op basis van de elementen die worden voorgelegd, kan het hof enkel afleiden dat in de wijze van werken van PC doorheen de jaren geen verandering is gekomen. De eerste rechters hebben dan ook op goede gronden beslist dat er geen aanleiding was om het werknemersstatuut op de helling te zetten. Tergend en roekeloos hoger beroep. Het hof kan zich, wat deze vordering betreft, aansluiten bij het advies van het openbaar ministerie, dat luidt als volgt: De bestraffing van het tergend en roekeloos hoofdberoep wordt geregeld door artikel 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek. Op grond van die bepaling kan een schadevergoeding worden gevorderd door de geïntimeerde bij volledige afwijzing van het hoofdberoep. Tevens kan de rechter ambtshalve een burgerlijke geldboete opleggen wegens het nadeel dat door het instellen van hoger beroep wordt berokkend aan de rechtsbedeling. Daarnaast kan voor andere vormen van misbruik van hoger beroep schadevergoeding worden gevorderd op grond van de algemene regeling van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Het instellen van hoger beroep is volkomen rechtmatig wanneer het rechtsmiddel strekt tot vrijwaring van een beschermenswaardig belang, met name de hervorming of vernietiging van een nadelige rechterlijke uitspraak, op grond van ernstige grieven. Alleen kennelijk misbruik van de mogelijkheid om zich tot de beroepsrechter te wenden, bijvoorbeeld wanneer het beroep lichtzinnig wordt ingesteld of met een zuiver dilatoir oogmerk, kan tot veroordeling tot schadevergoeding aanleiding geven. De toch wel uitvoerige, meer gedetailleerde en deels nieuwe argumentatie van appellant in graad van hoger beroep, laat niet toe te concluderen dat appellant op lichtzinnige wijze hoger beroep zou ingesteld hebben. Aan appellant kan alleszins ook geen kwaadwillige houding in graad van hoger beroep verweten worden, door de betwisting inzake de bewijslast betreffende de al dan niet terechte onderwerping aan het stelsel van de sociale zekerheid van de werknemers te handhaven. Deze betwisting kan principieel genoemd worden in het licht van de recente rechtspraak. De vordering tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep moet bijgevolg afgewezen worden. Nieuwe vordering: betaling van de kosten en erelonen van de advocaat van verweerders in hoger beroep. Het betreft hier een nieuwe vordering in hoger beroep die niet steunt op een feit of een akte die in de dagvaarding werd aangevoerd. Deze vordering kan niet toelaatbaar worden geacht zonder artikel 807 van het gerechtelijk wetboek te schenden (Cass., 19 april 2002, R.W. 2003-2004, 419 - Cass., 6 juni 2005, www.juridat.be C.02.0351.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050606.5). Deze vordering is niet toelaatbaar. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 19 oktober
- Eiser in hoger beroep repliceerde met conclusies, ontvangen op de griffie van dit hof op 9 november
- Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 18 april
- Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de nieuwe vordering in betaling van de kosten en erelonen van de advocaat van verweerders in hoger beroep onontvankelijk. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de RSZ. Vereffent de kosten aan de zijde van de RSZ op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van verweerders in hoger beroep op 9,00 euro uitgifte vonnis en op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van eenentwintig december tweeduizend en zes, die samengesteld was uit: de heer x, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer x, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer x, raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw x, griffier. Document PDF ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061221.13 Publication(s) liée(s) citant: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050606.5 Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div