← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070115.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070115.2 Rolnummer: 2005-0303 Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-05-24 Raadplegingen: 149 - laatst gezien 2026-07-02 15:10 Fiches 1 - 2 Een arbeidsongeval kan 'een zeer courante handeling' betreffen, en een bewijs van een externe op het lichaam inwerkende kracht is geen vereiste voor het bewijs van de plotselinge gebeurtenis. Voor het bestaan van een arbeidsongeval in de zin van de artikelen 7 en 9 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 moet de vereiste plotselinge gebeurtenis zich niet onderscheiden van de normale dagtaak en niet meer dan normale inspanningen vergen of het maken van een meer dan normale lichaamsbeweging veronderstellen, nu het volstaat dat het aanwijsbaar element, al dan niet behorend tot de normale arbeidstaken, het letsel heeft kunnen veroorzaken, zonder dat er wordt vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de (normale) uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het is de wetsverzekeraar die het tegenbewijs dient te leveren (eventueel zoals in casu d.m.v. een onderzoek van haar inspectiediensten). Het algemeen beginsel dat de Arbeidsongevallenwet de openbare orde raakt, dient genuanceerd door aan te nemen dat ook binnen het arbeidsongevallenrecht op geldige wijze feitelijke gegevens kunnen worden erkend. De bewijsvoering door erkenning is toegelaten voor zover zij betrekking heeft op louter materiële feiten en niet op juridische feiten. Het Hof treedt dit standpunt bij indien het voorwerp beperkt blijft tot feitelijke gegevens, doch een erkenning dat het een arbeidsongeval betreft is niet mogelijk, daar het bepalen dat het om een arbeidsongeval gaat tot de openbare orde behoort. Toepassing : Na lezing van de aangifte van het ongeval, met de daarin vermelde activiteit en het schrijven van de werkgever dat geïntimeerde een arbeidsongeval opliep alsmede dat geïntimeerde bij zijn eerste activiteit 's morgens bij het buitengaan een foutieve beweging maakte waarbij hij zijn knie verdraaide, meent het Hof dat het geloofwaardig is en aanvaardbaar dat de noppen van de werkschoenen op of in het stalen rooster, dat volgens verklaring van de werkgever reeds jaren voor de deur lag, bleven haperen. Verder is het een medische discussie uit te maken of er een causaal verband bestaat tussen de letsels en de plotse gebeurtenis zoals door geïntimeerde aangehaald. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek - Aanwijzing Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - aanstelling deskundige - delegatie van rechtsmacht Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 962 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Nota: Gerangschikt onder I A - art. 962 en onder VI A - art.

  1. I A UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Algemeen Vrije woorden: Beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - begripsomschrijving - vermoeden van ongeval - aanwijsbaar element Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: Gerangschikt onder I A - art. 962 en onder VI A - art.
  2. VI A Tekst van de beslissing Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2050303 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: S, met maatschappelijke zetel te G. appellante, verschijnend bij mr. F. L. DE VLIEGHER, advocaat te 9000 GENT. tegen: K. T., wonende te L. geïntimeerde, verschijnend bij mevr. P. GEYSKENS, vakbondsafgevaardigde en volmachtdrager, ten kantore van ACV Limburg, Mgr. Broekxplein 6 te 3500 HASSELT. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgende arrest. Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden tussenvonnis op 6 september 2005 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Hasselt gekend onder A.R. nr. 2050399 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 13 december 2005 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 18 december 2006 van deze kamer. PROCESVERLOOP - PRECEDENTEN
  3. Geïntimeerde stelt op 1 juni 2004 het slachtoffer geweest te zijn van een arbeidsongeval, tengevolge waarvan hij als letsel een mediale meniscusscheur van de linkerknie opliep en dat zich (volgens zijn eigen relaas) in de volgende omstandigheden voordeed. Tijdens zijn tewerkstelling als betonmixer chauffeur bij de firma W. B. N.V. te L. stapte hij bij het verlaten van het bureel over een metalen rooster dat zich aan de buitenkant van de deur bevindt. Bij het maken van een draaibeweging naar rechts om naar zijn vrachtwagen te gaan is hij met de noppen die zich onderaan zijn schoen bevinden blijven 'hangen' in het metalen rooster. Hij voelde onmiddellijk een pijnscheut aan de linkerknie. Hij heeft nog getracht verder te werken doch heeft zijn werk tussen 11.00 uur en 12.00 uur moeten staken. De huisarts van geïntimeerde, Dr. Lagrain, stelde een vermoedelijke laterale meniscusscheur links vast. Appellante als wetsverzekeraar weigert het ongeval als arbeidsongeval te erkennen omdat er volgens haar geen plots feit, nodig om te kunnen spreken van een arbeidsongeval, noch een uitwendige oorzaak, bewezen wordt. Het normaal naar rechts wegstappen is volgens de verzekeraar een banale beweging die zich om het even waar kan voordoen en kan volgens appellante niet als een plots feit worden aanzien, omdat het niet abnormaal is. Bovendien is appellante van oordeel dat de medische vaststellingen van dokter Schuermans uitsluiten dat de bilaterale miniscale aandoening zich plots zou hebben geopenbaard en van traumatische oorsprong zou zijn.
  4. Bij dagvaarding van 23 december 2004 vordert geïntimeerde vergoedingen overeenkomstig de arbeidsongevallenwetgeving, voor de periode van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 1 juni 2004 tot en met 7 september 2004, evenals het eigen aandeel in de medische kosten ten bedrage van 153,22 EUR, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten en de gedingkosten. Geïntimeerde wijst er ten gronde op dat de huisarts Dr. LAGRAIN (in een medisch attest) bevestigt dat hij vóór 1 juni 2004 nooit door geïntimeerde werd geraadpleegd omwille van klachten aan de linkerknie. Zowel geïntimeerde als Dr. LAGRAIN zijn van oordeel dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de scheur van de mediale meniscus aan de linkerknie en het ongeval van 1 juni
  5. In ondergeschikte orde verzoekt geïntimeerde een geneesheer - deskundige aan te stellen met de opdracht de aard der letsels te beschrijven, de duur van de ongeschiktheden en hun graad te bepalen en de consolidatiedatum vast te stellen.
  6. Bij tussenvonnis van 6 september 2005 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk, doch alvorens recht te doen ten gronde, stelde zij dokter G. TIMMERMANS aan als geneesheer - deskundige met de gebruikelijke opdracht inzake arbeidsongevallen. Appellante als wetsverzekeraar tekende hoger beroep aan met verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 13 december
  7. POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellante postuleert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt in datum van 6 september 2005, te vernietigen en opnieuw recht te doen. Te zeggen voor recht dat K. T. op 1 juni 2004 niet het slachtoffer was van een arbeidsongeval, nu hiervan geen bewijs voorligt, noch van het letsel, noch van de plotselinge gebeurtenis. De vordering van geïntimeerde lastens appellante af te wijzen. Geïntimeerde postuleert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Dientengevolge het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen. Appellante bijkomend te veroordelen tot alle kosten van het geding. MOTIVERING - BEOORDELING
  8. Het bestreden vonnis dient bevestigd te worden en het Hof verwijst naar de motieven van de eerste rechter waarbij het Hof zich kan aansluiten om de in het aangevochten vonnis ontwikkelde redenen die wij ons eigen maken en zulks zover als nodig en zover deze niet in tegenspraak zijn met onderhavige. ACTUELE WETTELIJKE EN JURISPRUDENTIELE PRINCIPES
  9. Voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet wordt, krachtens artikel 7, eerste lid, van die wet als arbeidsongeval aangezien, elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt. Artikel 7, tweede lid bepaalt: "Het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst wordt, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst." Krachtens artikel 9 van die wet wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt, wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen. De wetgever heeft geen complete bepaling van het arbeidsongeval gegeven. Deze beslissing stoelde op de bekommernis de breedst mogelijke interpretatie toe te laten met het oog op de ruimst mogelijke bescherming van de fysische integriteit van de werknemer. (J.R. RAUWS, De behoefte aan een definitie van het wettelijk begrip arbeidsongeval anno 1971, R.W. 1976-1977, 2008 e.v.; Parl. Besch., Senaat, 1969-1970, nr. 328, 10; Parl. Besch., Senaat, 1970-1971, nr. 215, 49; J. HUYS, De professionele risicoverzekering dekt ook de "gewone risico's" bij het uitvoeren van de arbeidsovereenkomst, R.W. 1998-1999, 572). Artikel 9 geeft zelf geen concrete wettelijke inhoud aan het begrip plotse gebeurtenis. Een plotse gebeurtenis kan volgens de rechtsleer worden omschreven als een duidelijk in de tijd en ruimte lokaliseerbare gebeurtenis die bovendien slechts een korte tijdspanne in beslag neemt (C. Persyn, R. Janvier, W. Van Eeckhoutte, o.c. 1244-1253) en die het letsel heeft kunnen veroorzaken.
  10. De uitvoering van de gewone en normale dagtaak kan een plotselinge gebeurtenis zijn, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt. Het is niet vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de uitoefening van de normale dagtaak of van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.
  11. Het oordeel dat "het uitvoeren van een draai- en hefbeweging (...) een zodanige alledaagse gebeurtenis (is), te meer daar geen noemenswaardig gewicht werd geheven - welke behoort tot de normale uitoefening van de dagtaak en welke op geen enkele wijze verschilt van de op andere ogenblikken gedane inspanningen" alsmede de eiseres niet moet worden gemachtigd tot het aangeboden getuigenbewijs omdat die "enkel maar (zou) kunnen getuigen (...) dat (de eiseres) een draaibeweging maakte en een doos uit de rekken nam, derhalve een banale en onbeduidende beweging uitvoerde welke de werknemer ondervindt bij de uitvoering van zijn beroep, vermits het zich op iedere andere plaats en op een ander ogenblik had kunnen voordoen" en de gevolgtrekking dat aldus de plotselinge gebeurtenis een aanwijsbaar element vereist dat wordt aangetoond dat onderscheiden is van de uitoefening van de normale dagtaak, schendt de artikelen 7 en 9 van de Arbeidsongevallenwet (Cass. 13 november 2006, S.06.0049.N., onuitg.).
  12. Een arbeidsongeval kan dus ook "een zeer courante handeling" betreffen, en een bewijs van een externe op het lichaam inwerkende kracht is geen vereiste voor het bewijs van de plotselinge gebeurtenis.
  13. Inzake arbeidsongevallen is het derhalve voldoende dat de getroffene of zijn rechthebbenden het bestaan van een letsel en van een plotselinge gebeurtenis (het bewijs moet zeker zijn), in tijd en ruimte situeerbaar, waardoor het letsel kan zijn veroorzaakt, aanwijzen (artikel 870 Ger.W. en 1315 B.W.), zodat het letsel, alsdan met toepassing van artikel 9 van de Arbeidsongevallenwet, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt. Letsel en plotselinge gebeurtenis dienen overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Uit artikel 9 Arbeidsongevallenwet blijkt dat het letsel en de plotselinge gebeurtenis onderscheiden bestanddelen zijn van het ongeval. Het "letsel" geeft aanleiding tot schadevergoeding. Het letsel is immers de schade en zonder schade geen vergoeding. De schade heeft wel een bepaalde betekenis nl. de schade die op de ene of de andere manier de fysische of mentale integriteit van de werknemer aantast. Die integriteit is aangetast zodra het letsel voor de werknemer kosten meebrengt nl. medische of farmaceutische kosten (Arbeidsongevallen, ARON, Kluwer, Hoofdst. 1, afd. 2, Comm. 1.2/75, nr. 3270). De bewijslast van het letsel berust op het slachtoffer. Het letsel hoeft niet plotseling te zijn: het moet enkel veroorzaakt zijn door een plotselinge gebeurtenis. Het Hof stelt vast dat niet betwist werd dat geïntimeerde een letsel had opgelopen, door partijen omschreven als een mediale meniscusscheur van de linkerknie.
  14. In casu voerde geïntimeerde, tot bewijs van het feit dat hij op 1 juni 2004 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval, als plotselinge gebeurtenis aan dat hij bij het maken van een draaibeweging naar rechts om naar zijn vrachtwagen te gaan met de noppen die zich onderaan zijn schoen bevinden is blijven 'hangen' in het metalen rooster en onmiddellijk een pijnscheut voelde aan de linkerknie en geïntimeerde steunt vooreerst op het aangifteformulier om te stellen dat plotselinge gebeurtenis en letsel zich voordeden tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst alsmede dat de "plotselinge gebeurtenis" voldoende aangetoond is. Het Hof dient te oordelen of hic et nunc op afdoende wijze het bewijs wordt geleverd van de feiten die als plotselinge gebeurtenis in aanmerking zouden kunnen genomen worden. Verder is er het resultaat van het inspectie-onderzoek vanwege appellante, dat in dezelfde richting wijst. Een eenvoudige verklaring van het slachtoffer is onvoldoende, indien deze niet geschraagd wordt door voldoende eensluidende en overeenstemmende gegevens. Volgens artikel 1349 van het Burgerlijk wetboek zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Deze gevolgtrekkingen worden luidens artikel 1353 van het Burgerlijk wetboek, in de gevallen waarin het bewijs door vermoedens is toegelaten, aan het beleid van de rechter overgelaten, voor zover hij hierbij het wettelijk begrip "feitelijk vermoeden" niet miskent door aan bekende feiten gevolgen te verbinden die er onverenigbaar mee zijn. Geïntimeerde vermeldde in conclusies de bekende, feitelijke elementen (de feiten werden quasi onmiddellijk gemeld; de huisarts werd onmiddellijk geraadpleegd en deze stelde de letsels vast; de ongevalsaangifte bevat een (gedetailleerde) weergave van de feiten) waaruit zij bij wege van vermoedens afleidde dat moest worden aangenomen dat zich op 1 juni 2004 tijdens de werkuren, de plotselinge gebeurtenis had voorgedaan die hij aanvoerde. Anders oordelen zou strijdig zijn met de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk wetboek door het regelmatig door geïntimeerde aangevoerd bewijs door vermoedens niet in acht te nemen. TOEPASSING
  15. Na lezing van de aangifte van het ongeval, met de daarin vermelde activiteit en het schrijven van de werkgever dat geïntimeerde een arbeidsongeval opliep alsmede dat geïntimeerde bij zijn eerste activiteit 's morgens bij het buitengaan een foutieve beweging maakte waarbij hij zijn knie verdraaide, meent het Hof dat het geloofwaardig is en aanvaardbaar dat de noppen van de werkschoenen op of in het stalen rooster, dat volgens verklaring van de werkgever reeds jaren voor de deur lag, bleven haperen. Verder is het een medische discussie uit te maken of er een causaal verband bestaat tussen de letsels en de plotse gebeurtenis zoals door geïntimeerde aangehaald. 9.
  16. Resumerend is het Hof derhalve van oordeel dat voor het bestaan van een arbeidsongeval in de zin van artikelen 7 en 9 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 de vereiste plotselinge gebeurtenis zich niet moet onderscheiden van de normale dagtaak en niet meer dan normale inspanningen moet vergen of het maken van een meer dan normale lichaamsbeweging veronderstellen, nu het volstaat dat het aanwijsbaar element, al dan niet behorend tot de normale arbeidstaken, het letsel heeft kunnen veroorzaken, zonder dat er wordt vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de (normale) uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Bij de concrete beoordeling van deze zaak, en meer in het bijzonder het bestaan van een bijzonder aanwijsbaar element dat het letsel heeft kunnen veroorzaken, dient er geen sprake te zijn van buitengewone werkomstandigheden (een banale beweging volstaat; een gebeurtenis die onderscheiden was van de normale uitvoering van de beroepsbezigheid is niet vereist). Het komt het Hof immers voor dat het Hof van Cassatie duidelijk geen "abnormaliteitsvereiste" bij de beoordeling van de plotselinge gebeurtenis vereist. (Cass. 6 maart 2006, S.05.0104.N.; Cass. 7 februari 2005, S.04.0158.N.; Cass. 6 september 2004, S.04.0080.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040906.7., J.T.T. 2005, 26; Cass. 5 april 2004, J.T.T. 2004, 468, concl. LECLERCQ). Het aangehaalde feit of element moet zich niet onderscheiden van de normale dagtaak en moet niet meer dan normale inspanningen vergen of het maken van meer dan normale lichaamsbewegingen, bijzondere werkomstandigheden of abnormale arbeidsgegevens. 9.
  17. Het tegenbewijs van het bij artikel 9 Arbeidsongevallenwet bedoelde wettelijk vermoeden inzake het oorzakelijk verband tussen een bewezen letsel en een plotselinge gebeurtenis, wordt slechts geleverd wanneer wordt aangetoond dat het letsel zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan zonder de bedoelde plotselinge gebeurtenis (oorzakelijkheidsbegrip). Het is de wetsverzekeraar die het tegenbewijs dient te leveren (eventueel zoals in casu d.m.v. een onderzoek van haar inspectiediensten). Daarnaast kan "in het kader van het door de wetsverzekeraar (wettelijk) te leveren tegenbewijs" een geneesheer - deskundige worden aangesteld. De omstandigheid dat een bepaalde beweging zich ook elders en op een ander ogenblik kan voordoen, neemt niet weg dat door het slachtoffer kan worden aangetoond dat het letsel in de concrete omstandigheden van de zaak werd veroorzaakt door dergelijke beweging die een bijzonder aanwijsbaar element in de uitoefening van de gewone arbeidstaak uitmaakt. De causaliteit tussen een feit en een letsel wordt niet opgeheven door de loutere omstandigheid dat dit feit zich ook op een ander ogenblik en zonder aanwijsbare aanleiding had kunnen voordoen. Door deze vaststelling wordt immers niet aannemelijk gemaakt dat het letsel zich, zonder de door het slachtoffer aangewezen plotselinge gebeurtenis, ook en op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan. Het slachtoffer moet niet aanvoeren dat de plotselinge gebeurtenis "effectief" het letsel heeft veroorzaakt, maar wel het letsel "heeft kunnen" veroorzaken. 10.
  18. Ten overvloede wenst het Hof wel op te merken dat de argumentatie van geïntimeerde (in rechte) dat het algemeen beginsel dat de Arbeidsongevallenwet de openbare orde raakt, dient genuanceerd door aan te nemen dat ook binnen het arbeidsongevallenrecht op geldige wijze feitelijke gegevens kunnen worden erkend. De bewijsvoering door erkenning is toegelaten voor zover zij betrekking heeft op louter materiële feiten en niet op juridische feiten. Het feit dat de Arbeidsongevallenwet de openbare orde raakt staat volgens geïntimeerde een dergelijke erkenning niet in de weg. 10.
  19. Het Hof treedt dit standpunt bij indien het voorwerp beperkt blijft tot feitelijke gegevens, doch een erkenning dat het een arbeidsongeval betreft is niet mogelijk, daar het bepalen dat het om een arbeidsongeval gaat tot de openbare orde behoort. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 6 september 2005, gewezen onder A.R. nr. 2050399, zij het op licht gewijzigde gronden. Zegt voor recht dat de bevolen onderzoeksmaatregel, zoals geformuleerd door het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 6 september 2005 gewezen onder A.R. nr. 2050399 dient bevestigd te worden. Verzendt dienvolgens met toepassing van artikel 1068, 2° lid Ger.W. de zaak terug naar de Arbeidsrechtbank te Hasselt, met het oog op de verdere afhandeling en uitvoering van het deskundig onderzoek waartoe Dr. G. TIMMERMANS, chirurg, orthopedist, werd beopdracht. Verwijst appellante (wetsverzekeraar) in de kosten van het geding in hoger beroep in toepassing van art. 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971; aan de zijde van geïntimeerde vereffend op nihil. Laat de kosten aan de zijde van appellante onvereffend bij gebrek aan afgifte van een kostenstaat. Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de openbare terechtzitting van vijftien januari tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: de heer J. MARTENS, Kamervoorzitter, de heer A. REMANS, Raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer R. URBAIN, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer - arbeider, mevrouw L. COLLA, e.a. Adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070115.2 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040906.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.