← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070119.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070119.1 Rolnummer: 1998-0068 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-08 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 15:12 Fiche Bij wijze van tegeneis ingesteld op 21 november 1997 verzoekt appellante om de toekenning van de kinderbijslagen in het stelsel van het sociaal statuut der zelfstandigen van 1 oktober 1991 t/m 31 december

  1. Het R.S.V.Z. stelt dat deze tegenvordering verjaard is. Geïntimeerde spreekt dit tegen en stelt dat de verjaringstermijn liep tot aan de kennisgeving vanwege het R.S.V.Z. dd. 11 januari 1996, aangezien appellante tot dan in de veronderstelling leefde dat zij het statuut van werknemer had (appellante als zaakvoerder had met zichzelf een arbeidsovereenkomst afgesloten). In toepassing van artikel 39 van het K.B. van 8 april 1976 in de versie zoals die van toepassing was op het ogenblik dat appellante haar tegenvordering voor het eerst instelde, impliceert dit concreet dat de vordering van de laatste (d.w.z. in het laatste kwartaal van 1992) in het stelsel van de zelfstandigen opengevallen kinderbijslagen verjaarde op 31 december
  2. De vordering werd pas nadien, op 21 november 1997, door appellante ingesteld, en is bijgevol verjaard. Het ontstaan van het recht op kinderbijslagen en de daaraan gekoppelde aanvang van de verjaringstermijnen wordt in genendele afhankelijk gesteld van één of andere "opschortende voorwaarde" (bijvoorbeeld van de beslissing tot onderwerping in het stelsel van het sociaal statuut der zelfstandigen, of de in dat verband gevoerde procedure). Appellante was steeds zelfstandige in de beschouwde periode, en niet één of andere beslissing of uitspraak vormt de grondslag voor het eventueel bekomen van de met die hoedanigheid overeenstemmende kinderbijslag, maar wel het feit dat appellante in wezen steeds aan de voorwaarden daartoe voldaan heeft. Vanuit het eigen toepasselijke wettelijke kader kan dan voorts enkel worden vastgesteld dat de dienovereenkomstige vordering van appellante verjaard is, zonder dat daarover verder nog discussie kan bestaan. De verwijzing van appellante naar een overmachtsituatie kan hierin geen verandering brengen. Er kan namelijk enkel sprake zijn van overmacht indien het gaat om een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die men niet heeft kunnen voorzien of kunnen voorkomen (vgl. Cass. 18/09/2000, JTT 2000, 441; Cass. 29/11/1999, JTT 2000, 97; Cass. 16/03/1998, RW 1998-99, 1398). Appellante ligt zelf aan de oorzaak van het verkeerd aangekleefde sociaalrechtelijke statuut, en heeft in dat verband geenszins aangetoond dat er in haren hoofde sprake zou zijn van een overmachtsituatie. De ingetreden verjaring blijft bijgevolg onherroepelijk van toepassing. De tegeneis van appellante is derhalve onontvankelijk wegens verjaring. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . GEWAARBORGDE GEZINSBIJSLAG verjaring - vordering tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde uitkeringen - ontstaan van het recht op gezinsbijslag - overmacht. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 08-04-1976 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1976040801 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN, AFDELING HASSELT ARREST A.R. 980068 OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN. In de zaak: R. D., wonende te , appellante verschijnend bij mr. P. C.; tegen : RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, met zetel te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein nr. 6, geïntimeerde, verschijnend bij mr. A. L. loco mr. L. F.. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 20 oktober
  3. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 20 maart 1998, 17 januari 2002, 15 februari 2002, 19 april 2002, 20 september 2002, 18 oktober 2002, 18 juni 2004, 15 oktober 2004, 17 december 2004, 18 maart 2005, 20 mei 2005, 20 oktober 2006 en 17 november
  4. Gelet op de onmogelijkheid om te zetelen in dezelfde samenstelling als ten tijde van de tussenarresten van 19 april 2002 en 18 oktober 2002, wordt de zaak in zijn geheel, in zoverre er voorheen door het hof nog geen einduitspraak over zou zijn verleend, hernomen door de anders samengestelde zetel van het arbeidshof. I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 27 januari 1998; - het verzoekschrift tot hoger beroep per gewone post ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 25 februari 1998; - de conclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 27 oktober 1999; - de conclusies van appellante ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 19 januari 2000; - de conclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 12 april 2000; - de beschikking dd. 16 oktober 2001 overeenkomstig artikel 750 ,§2 gerechtelijk wetboek; - de aanvullende besluiten van appellante ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 2 november 2001; - de besluiten van geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 11 januari 2002; - het advies van het openbaar ministerie neergelegd ter openbare terechtzitting van 15 februari 2002; - het tussenarrest van dit hof van 19 april 2002 waarmee een heropening der debatten werd bevolen; - de besluiten van appellante genomen na tussenarrest ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 12 september 2002; - het tussenarrest van dit hof van 18 oktober 2002 waarmee de zaak naar het Arbitragehof werd verzonden, met verzoek uitspraak te doen over een prejudiciële vraag; - de beslissing van het Arbitragehof neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 10 februari 2004; - de synthese-beroepsbesluiten van appellante ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 11 augustus 2004; - de beroepsbesluiten van geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 18 januari 2006; - de beschikking dd. 22 mei 2006 overeenkomstig artikel 750 ,§2 gerechtelijk wetboek; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie neergelegd ter openbare terechtzitting van 17 november 2006; - de schriftelijke repliek op het advies van het openbaar ministerie van appellante, ter griffie van dit arbeidshof ontvangen op 7 december
  5. II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
  6. Het hof verwijst op dienende wijze naar de feitenweergave in de tussenarresten van 19 april 2002 en 18 oktober
  7. Recapitulatief kan de zaak als volgt worden gesitueerd.
  8. Mevrouw R.D., appellante, was in de periode van 1 oktober 1991 t/m 20 oktober 1992 zaakvoerder van de BVBA P.S. (hierna aangeduid als de BVBA). Terzelfdertijd was zij in deze vennootschap als werkneemster ingeschreven, en werden er voor haar in die hoedanigheid bij de R.S.Z. sociale zekerheidsbijdragen als werkneemster betaald. Appellante ontving in die hoedanigheid (als werkneemster) vanwege de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers/R.K.W. kinderbijslagen voor haar twee minderjarige kinderen. Op vraag van de R.K.W. (brief van 15 februari 1994) ging de R.S.Z. over tot onderzoek naar het zelfstandig zaakvoerderschap van appellante in de BVBA. Na onderzoek deelde de R.S.Z. op 24 oktober 1995 aan de R.K.W. mee dat appellante uit hoofde van haar prestaties bij de BVBA niet onderworpen was aan het stelsel van de sociale zekerheid der werknemers, met de mededeling dat de niet-verjaarde periode van aangifte bij de R.S.Z. (van het 4de kwartaal 1991 tot het 4de kwartaal 1992) geannuleerd zou worden. Het RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN (R.S.V.Z.), geïntimeerde, liet bij brief van 11 januari 1996 aan appellante weten dat zij in haar hoedanigheid van zaakvoerder van de BVBA onderworpen was aan het sociaal statuut der zelfstandigen vanaf 1 oktober 1991 tot 31 december 1992, en dat zij zich bij een sociaal verzekeringsfonds diende aan te sluiten. Bij gebrek aan reactie hierop van appellante, stelde het R.S.V.Z. geïntimeerde in gebreke met een aangetekend schrijven van 14 maart
  9. Appellante reageerde met de mededeling dat zij in oktober 1992 haar bedrijf verkocht had en dat ze verder geen zelfstandige meer was. Het R.S.V.Z. ging daarop over tot ambtshalve aansluiting van appellante als zelfstandige bij de Nationale Hulpkas voor de Sociale verzekeringen der Zelfstandigen voor de periode van 1 oktober 1991 tot 31 december 1992, hetgeen aan appellante gemeld werd met een brief van 28 mei 1996, waar een afrekening van de verschuldigde bijdragen aan was toegevoegd. Er volgde nog briefwisseling over en weer, maar appellante betaalde de gevorderde bijdragen niet.
  10. Het R.S.V.Z. is vervolgens op 10 juli 1997 overgegaan tot dagvaarding van appellante bij de arbeidsrechtbank te Tongeren, erop gericht om appellante te horen veroordelen tot de achterstallige bijdragen en aanhorigheden in het sociaal statuut der zelfstandigen over de periode van het 4de kwartaal van 1991 t/m het 4de kwartaal van 1992, ten belope van 4.774,48 EUR (192.610,-BEF), vermeerderd met verhogingen, intresten, en kosten. In deze procedure bij de arbeidsrechtbank stelde appellante de volgende tegeneisen in opzichtens het R.S.V.Z. - de betaling van de kinderbijslagen voor haar twee kinderen over de periode van 1 oktober 1991 t/m 31 december 1992 in het statuut der zelfstandigen, t.b.v. 2.071,15 EUR (83.550,- BEF) ; - een schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W., gelijk aan de som waartoe appellante eventueel zou veroordeeld worden. Bij vonnis van 27 januari 1998 kende de arbeidsrechtbank te Tongeren de hoofdvordering van het R.S.V.Z. integraal toe. De arbeidsrechtbank wees de tegenvorderingen van appellante als zijnde ongegrond af. Appellante stelde tegen dit vonnis hoger beroep in bij dit hof, zaak die thans gekend is als onderhavige procedure.
  11. Intussen had de R.K.W. met een brief van 12 februari 1996 van appellante een bedrag van 3.184,96 EUR (128.481,-BEF) teruggevorderd, uit hoofde van ten onrechte genoten kinderbijslagen over de periode van oktober 1991 t/m december
  12. Tegen deze terugvordering werd door appellante beroep ingesteld bij de arbeidsrechtbank te Tongeren, die bij vonnis van 10 december 1996 de vordering van appellante ongegrond verklaarde, en de alsdan door de R.K.W. ingestelde tegenvordering in terugbetaling van het vermelde bedrag gegrond verklaarde. Tegen dit vonnis werd door appellante eveneens hoger beroep aangetekend bij dit hof, alwaar deze zaak zich momenteel op de bijzondere rol van de vierde kamer (afdeling Hasselt) bevindt.
  13. In de zaak van het hoger beroep tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren, houdende de veroordeling van appellante tot betaling van de bijdragen in het sociaal statuut der zelfstandigen (zie hiervoor, II.3.), sprak het hof op 19 april 2002 een tussenarrest uit waarbij het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard ("-/- Ontvangt het hoger beroep -/-"), en waarbij een heropening der debatten werd bevolen teneinde (samengevat) partijen standpunt te laten innemen omtrent de door het Openbare Ministerie in zijn schriftelijk advies geformuleerde suggestie om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen. Met een daaropvolgend (tussen)arrest van 18 oktober 2002 besliste het hof, het eerder tussenarrest verder uitwerkend en alvorens verder recht te spreken, om de zaak naar het Arbitragehof te verzenden, met verzoek uitspraak te doen over de volgende prejudiciële vraag : "Schendt artikel 104, derde en zesde lid van het Gerechtelijk Wetboek gelezen in samenhang met artikel 81, vierde en zevende lid van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, samengelezen met eensdeels artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en anderdeels artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten, doordat in de betwistingen voor de arbeidsrechtbank omtrent de hoedanigheid van werknemer of van zelfstandige geen uitspraak wordt gedaan door een kamer, nadat ze zo is aangevuld dat ze buiten één rechter in de arbeidsrechtbank bestaat uit twee rechters in sociale zaken benoemd als zelfstandige en aangevuld met twee rechters in sociale zaken benoemd respectievelijk als werkgever en als werknemer, en doordat in de betwistingen voor het arbeidshof omtrent dezelfde hoedanigheid geen uitspraak wordt gedaan door een kamer, nadat ze zo is samengesteld dat ze buiten twee raadsheren in het arbeidshof en één raadsheer in sociale zaken, benoemd als zelfstandige, aangevuld wordt met twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en als werknemer."
  14. Het Arbitragehof velde op 29 januari 2004 een arrest (arrest nr. 15/2004) en kwam daarbij tot navolgende beoordeling : "Artikel 104, derde en zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gelezen in samenhang met artikel 81, vierde en achtste lid, van hetzelfde Wetboek, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten."
  15. Partijen legden na de tussenarresten van dit hof en na het arrest van het Arbitragehof nog besluiten neer, waarin zij hun respectieve standpunten hebben 'geactualiseerd'. III. EISEN NA TUSSENARRESTEN
  16. Appellante verzoekt om het bestreden vonnis te vernietigen; te zeggen voor recht dat de vordering van geïntimeerde tot betaling hoofdens sociale bijdragen "sociaal statuut zelfstandigen" van de som van 4.774.68 EUR, meer de verhoging van 3% per kwartaal op de som van 2.756,97 EUR vanaf 1 april 1997 en vermeerderd met de gerechtelijke intresten ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. In ondergeschikte orde vordert appellante om het bestreden vonnis te vernietigen en te zeggen voor recht dat de door appellante ingestelde tegeneis ontvankelijk en gegrond is. Dientengevolge geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de som gelijkwaardig aan het bedrag waartoe appellante veroordeeld zou worden lastens geïntimeerde; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. In uiterst ondergeschikte orde vordert appellante om het bestreden vonnis te vernietigen en te zeggen voor recht dat de vordering van geïntimeerde verminderd dient te worden met het bedrag van 2.017,70 EUR, zijnde het bedrag van de verhoging en de kosten. De vordering van geïntimeerde eveneens te beperken in verhouding tot het door appellante gedurende de betwiste periode werkelijk genoten inkomen, zijnde 14.659,56 EUR. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kinderbijslag over de periode van 1 oktober 1991 tot en met 31 december 1992, ten bedrage van 2.071,15 EUR. Dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.
  17. Geïntimeerde verzoekt het hof om het hoger beroep van appellante ongegrond te verklaren; dienvolgens het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren integraal te bevestigen en appellante te veroordelen tot de kosten van het geding. IV. IN RECHTE IV.a. Het arrest van het Arbitragehof - consequenties Het arrest van dit hof van 18 oktober 2002 had de zaak verzonden naar het Arbitragehof met verzoek uitspraak te doen over de prejudiciële vraag betreffende de samenstelling van de zetel. Het Arbitragehof heeft in het arrest nr. 15/2004 van 29 januari 2004 de gestelde prejudiciële vraag ontkennend beantwoord en heeft voor recht gezegd dat "artikel 104, derde en zevende lid van het Gerechtelijk Wetboek, gelezen in samenhang met artikel 81, vierde en achtste lid van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag van De Rechten van de Mens en artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, niet schendt." De prejudiciële vraagstelling aan het Arbitragehof had in deze zaak concreet zijn belang bij de beoordeling van de vraag of onderhavige zaak kon worden samengevoegd met de zaak inzake de terugvordering door de R.K.W. van de door appellante in het stelsel van de sociale zekerheid der werknemers genoten gezinsbijslagen, zaak die momenteel aanhangig is op de bijzondere rol van de vierde kamer van dit hof (zie hoger, II.4.). Gelet op de ontkennende beoordeling van de prejudiciële vraag door het Arbitragehof, en rekening houdend met het gegeven dat appellante in het licht van deze uitspraak van het Arbitraghof niet verder aandringt op een samenvoeging van beide zaken (enerzijds onderhavige zaak, anderzijds de zaak van appellante tegen de R.K.W.), worden bedoelde zaken, die met een anders samengestelde zetel dienen te worden behandeld, niet samengevoegd. IV.b. Nopens de (oorspronkelijke) vordering van het R.S.V.Z.
  18. De basisdiscussie waarover het hof zich ten gronde dient uit te spreken, betreft in essentie de vraag of appellante over de beschouwde periode (vanaf 1 oktober 1991 tot 31 december 1992) op sociaalrechtelijk vlak als werkneemster (stelling appellante), dan wel als zelfstandige (stelling geïntimeerde) moet worden aangemerkt.
  19. Appellante voert aan dat zij in de BVBA P.S. met een arbeidsovereenkomst in ondergeschikt verband werkte voor haar echtgenote, de heer B. Het hof is van oordeel dat dit standpunt niet kan worden bijgetreden. Appellante was, eigenares zijnde van 665 van de 700 aandelen van deze BVBA (de 35 andere deelbewijzen waren in handen van haar echtgenoot), de enige zaakvoerder van deze BVBA. De sociaalrechtelijke uitwerking van een werknemersfunctie (d.w.z. voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst) die wordt uitgeoefend in de vennootschap waarin men zelf een bestuurdersmandaat bekleedt, is slechts aanvaardbaar : - indien het gaat om de uitoefening van technische, commerciële of administratieve activiteiten die duidelijk te onderscheiden zijn van die welke uit het vennootschappelijke mandaat voortvloeien ; - indien het gaat om activiteiten die in een band van ondergeschiktheid tegenover de vennootschap worden uitgeoefend (vgl. VAN EECKHOUTTE, W. , "Sociaal Compendium Arbeidsrecht", 2002-2003, blz. 476-480 ; cf. de aldaar onder nr. 2088 vermelde rechtspraakverwijzingen). Waar hier mogelijk nog de eerste voorwaarde vervuld is - de uitoefening van een aparte 'technische' functie, te onderscheiden van het zaakvoerderschap (appellante stelt voorop dat zij in de BVBA werkzaam was als receptioniste in het horeca-gedeelte van de zaak) - is op geen enkele denkbare wijze aan de tweede voorwaarde voldaan. Het was namelijk appellante zelf die hier als enige zaakvoerder binnen de BVBA het werkgeversgezag vertegenwoordigde. Onjuist is de door appellante aangevoerde argumentatie dat zij in ondergeschikt verband werkte van haar echtgenoot, die volgens appellante de eigenlijke directeur van de BVBA zou zijn geweest. Dergelijke voorstelling van zaken strookt niet met de juridisch- vennootschappelijke realiteit volgens dewelke niet de echtgenoot van appellante zaakvoerder was van de BVBA, maar integendeel appellante zelf. De combinatie in hoofde van één en dezelfde persoon van de hoedanigheid van werknemer en enig zaakvoerder van een BVBA, vormt op zich een juridische onmogelijkheid. De hoedanigheid van werkgever en werknemer kan namelijk niet in 'één en dezelfde hand' verenigd zijn. Appellante kon als werkneemster niet in ondergeschikt verband staan van zichzelf als werkgever/zaakvoerder. De zogenaamde arbeidsovereenkomst die appellante met zichzelf als zaakvoerder had afgesloten, moet dientengevolge als onbestaande beschouwd worden.
  20. De sociaalrechtelijke verzekeringsplicht van zelfstandigen, inbegrepen die van de vennootschappelijke mandatarissen, vindt zijn wettelijke grondslag in artikel 3 van het K.B. n(38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Artikel 3, ,§ 1 van K.B. n(38 bepaalt dat onder zelfstandige wordt verstaan : "ieder natuurlijk persoon, die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is". Nu het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet kan worden aangenomen (zie hoger, IV.b.2.), blijft er over de realiteit, erin bestaande dat appellante prestaties verrichtte voor de BVBA, waarin zijzelf meerderheidsaandeelhouder en zaakvoerder was. In het licht van de hogervermelde bepalingen van artikel 3, ,§ 1 van K.B. n(38 was appellante als vennootschappelijk mandataris onmiskenbaar aan te merken als een zelfstandig beroepsbeoefenaar, onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen. (cf. eveneens de bepalingen van artikel 2 van het uitvoerings-K.B. van 19 december 1967). Bijgevolg is de door het R.S.V.Z. ingestelde vordering, houdende de invordering van de bijdragen in toepassing van het sociaal statuut der zelfstandigen, volledig rechtmatig en correct.
  21. Appellante voert nog aan dat het R.S.V.Z. gehandeld zou hebben in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar de terzake door appellante aangevoerde argumentatie wordt door het hof niet gevolgd. In eerste instantie merkt het hof op dat de bepalingen betreffende de onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen de openbare orde raken. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet worden ingeroepen wanneer ze leiden tot een beleid dat ingaat tegen de wettelijke bepalingen van openbare orde (vgl. Cass. 14 juni 1999, J.T.T. 1999, 384; Cass. 30 oktober 2000, J.T.T. 2000, 497; Cass. 29 november 2004, J.T.T. 2005, 104, Arbh. Antwerpen 2 april 2004, Soc. Kron. 2005, 286). Het inroepen van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel, kan derhalve nooit tot gevolg hebben dat de sociaal verzekerde vrijgesteld wordt van de betaling van sociale zekerheidsbijdragen wanneer hij/zij volgens de wettelijke voorwaarden daartoe verplicht wordt. Vanuit deze invalshoek beschouwd, zijn bijgevolg de door appellante aangevoerde grieven i.v.m. een mogelijke schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, en ongeacht of ze al dan niet feitelijk gefundeerd zouden zijn (zie hierna verder, IV.b.6.), niet terzake dienend. De invordering van de bijdragen-sociaal statuut kan er immers niet ongedaan door worden gemaakt.
  22. De verwijzing van appellante naar "de verbondenheid tussen alle betrokken openbare besturen" kan hier evenmin leiden tot een andere gevolgtrekking. Weliswaar ligt aan de beslissing van het R.S.V.Z. initieel een door de R.S.Z. gevoerd onderzoek en beslissing ten grondslag - uitgevoerd nadat de R.K.W. eerder (bij brief van 15 februari 1994) daaromtrent verzocht had. Het hof ziet echter niet in hoe appellante in de wisselwerking tussen deze overheidsinstellingen een schending van bepaalde beginselen van behoorlijk bestuur meent te kunnen ontwaren. Het is niet omdat de R.S.Z. initieel na onderzoek beslist heeft, vanuit zijn eigen toepasselijke wettelijk kader, dat appellante uit hoofde van haar prestaties bij de BVBA niet onderworpen was aan het stelsel van de sociale zekerheid der werknemers, dat daarom de beslissing van het R.S.V.Z. enkel en alleen op deze grondslag gesteund zou zijn. De beslissing van de R.S.Z. heeft mogelijk wel de aanzet gevormd voor de beslissing van het R.S.V.Z. tot ambtshalve aansluiting van appellante als zelfstandige en tot invordering van de als zelfstandige verschuldigde bijdragen, maar dit neemt uiteraard niet weg dat de beslissing van het R.S.V.Z., voorwerp van onderhavige betwisting, wel degelijk op een eigen wettelijk en reglementair kader steunt. Het hof verwijst hier op dienende wijze naar de juridische afweging die hij in functie van de alsdan toepasselijke reglementering heeft gemaakt (zie hoger, IV.b.
  23. en 3.) Uiteraard is appellante niet enkel geconfronteerd geweest met een beslissing van de R.S.Z., maar heeft zij zich eveneens ten volle op de door het R.S.V.Z. getroffen beslissing kunnen verweren en heeft zij er haar argumenten over kunnen doen gelden. Het hof wijst er bovendien op dat noch de R.S.Z. noch de R.K.W. in onderhavige procedure procespartij zijn (en er als zodanig door appellante ook niet in werden betrokken), zodat de verwijzing van appellante naar een eventuele verantwoordelijkheid van de R.S.Z. en naar de eventuele onmogelijkheid om tegen de R.S.Z.-beslssing beroep te kunnen instellen, te dezen niet relevant is. De schijnbaar andersluidende argumentatie van appellante faalt en wordt door het hof verworpen.
  24. Afgezien van hetgeen het hof hiervoren reeds stelde i.v.m. de implicaties van het openbare orde karakter van de toepasselijke reglementering (zie hiervoren, IV.b.4.), volgt het hof evenmin inhoudelijk het door appellante aangevoerde middel alwaar gesteld wordt dat het R.S.V.Z. handelde in strijd met het redelijkheidsbeginsel, en met het rechtzekerheids-en vertrouwensbeginsel. Het hof onderkent hier in hoofde van het R.S.V.Z. de door appellante vermelde miskenning van de vernoemde beginselen niet. Appellante doet het uitschijnen als zou zij door de beslissing van het R.S.V.Z. van 11 januari 1996 retroactief zelfstandige geworden zijn voor de jaren 1991-1992, met alle schadelijke gevolgen vandien (betaling van bijdragen als zelfstandige, zonder dat zij het voordeel van het kindergeld als zelfstandige kan genieten). Dergelijke voorstelling van zaken schijnt het hof onjuist toe. Het is namelijk appellante zelf die, in 1991-1992 zelfstandige zijnde, ten onrechte het werknemersstatuut aangenomen heeft, zonder dat daarvoor de vereiste ermee corresponderende socio- juridische onderbouw aanwezig was. Appellante was op dat ogenblik ook onmiskenbaar zelfstandige en had zich normalerwijze in het daarmee overeenstemmende sociaalrechtelijke statuut in orde dienen te stellen, hetgeen zij toen nagelaten heeft. Deze handelwijze van appellante kan aan het R.S.V.Z. niet ten kwade worden geduid. De latere beslissing van het R.S.V.Z. komt slechts neer op de sociaalrechtelijke regularisatie van een voorheen ook reeds bestaande realiteit. Het R.S.V.Z. heeft met deze regularisatie - het in overeenstemming brengen van de sociaalrechtelijke context met de reeds bestaande realiteit - enkel maar op correcte wijze uitvoering verleend aan de op hem rustende wettelijke opdracht. Dat deze regularisatie pas na verloop van enkele jaren plaatsvond, vloeit als zodanig voort uit de logische gang der zaken (het R.S.V.Z. moest er eerst op één of andere wijze kennis van krijgen), maar dit tijdsverloop kan zeker niet worden beschouwd als een aan het R.S.V.Z. toeschrijfbare inbreuk op welkdanig beginsel van behoorlijk bestuur. Er kan trouwens worden opgemerkt dat de R.S.Z. op 24 oktober 1995 zijn beslissing tot niet-onderwerping van appellante in het sociale zekerheidstelsel voor werknemers kenbaar maakte, en dat het R.S.V.Z. daarop enkele maanden later, op 11 januari 1996, aan appellante meedeelde dat zij onderworpen was aan het sociaal statuut der zelfstandigen en dat appellante zich bij een sociaal verzekeringsfonds diende aan te sluiten. In het licht van dit gegeven is er zeker geen sprake van een aan het R.S.V.Z. toeschrijfbaar buitensporig tijdsverloop of van een inbreuk op een beginsel van behoorlijk bestuur (rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel). De andersluidende argumentatie van appellante faalt en wordt door het hof verworpen. IV.c.De door appellante van geïntimeerde gevorderde schadevergoeding In ondergeschikte orde vordert appellante de veroordeling van geïntimeerde op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens appellante wijst het tijdsverloop van 4,5 jaar tussen het tijdstip van arbeid waarop de gevorderde bijdragen steunen en de vordering van de bijdragen, op nalatigheid van de openbare besturen. Appellante vordert de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van de som gelijkwaardig aan het bedrag waartoe zij zou veroordeeld worden lastens geïntimeerde. Aan geïntimeerde kan geen nalatigheid ten laste worden gelegd. Geïntimeerde betoogt terecht dat de briefwisseling waarnaar appellante verwijst, handelt tussen de R.K.W. en de R.S.Z., briefwisseling die aan geïntimeerde niet tegenstelbaar is. Bovendien is noch de R.S.Z, noch de R.K.W. partij in deze procedure. Het hof verwijst voorts op dienende wijze naar hetgeen zij hiervoren reeds overwogen heeft, onder punt IV.b.
  25. Aan het R.S.V.Z. kan geen fout worden verweten. De vordering van appellante op grond van artikel 1382 B.W. is derhalve ongegrond. IV.d. De verhogingen en de kosten Appellante vraagt (in uiters ondergeschikte orde) om het bedrag van de door geïntimeerde ingestelde vordering te zien verminderen met de verhoging wegens de te late betaling en de kosten, met een bedrag van 2.017,70 EUR. Appellante verwijst hier naar het gegeven dat het R.S.V.Z. pas 4,5 jaren na datum bijdragen invorderde, en dat bijgevolg appellante gewoonweg niet eerder betalingen kon verrichten, zodat volgens appellante de verhoging wegens laattijdige betaling tegen elk gevoel van redelijkheid zou indruisen. Ook dit standpunt van appellante kan door het hof niet worden bijgetreden. Indien appellante zich initieel, zoals het betaamde, zelf in orde had gesteld met de betaling van de bijdragen in het sociaal statuut der zelfstandigen, dan was er uiteraard geen sprake geweest van achterstallen, evenmin als van daarop aanrekenbare verhogingen en kosten. De toepassing van de verhogingen zelf is correct en vloeit voort uit de bepalingen van artikel 44 van het K.B. van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het K.B. nr. 38 (het A.R.S.). De verhogingen zijn uit hoofde van de wet zelf van ambtswege, zonder ingebrekestelling, verschuldigd (artikel 44, ,§ 4 A.R.S.). Er is volgens het hof geen wettelijke basis voorhanden, evenmin als een gegronde reden daartoe, om hier de verhogingen (+ kosten) op de achterstallige bijdragen geen toepassing te doen vinden. Bovendien kan in toepassing van artikel 48 A.R.S. enkel door het R.S.V.Z. verzaakt worden aan de betaling van de bedoelde verhogingen, en kunnen de arbeidsgerechten zich daarbij niet in de plaats van het R.S.V.Z. stellen. In de mate dat de vraag van appellante bedoeld is als een vraag tot verzaking aan de verhogingen, is derhalve het arbeidshof terzake onbevoegd. IV.e. Het bij de berekening van de bijdragen in aanmerking te nemen inkomen. Appellante voert aan dat haar inkomen in de 'bewuste periode' niet 16.497,96 EUR zou bedragen, maar wel 14.659,55 EUR, en zij verwijst daarvoor naar de desbetreffende loonfiches. Geïntimeerde heeft in dit verband terecht verwezen naar de bepalingen van artikel 11, ,§ 2, lid 6 van het K.B. nr.
  26. In toepassing van deze wettelijke bepaling is het de administratie der directe belastingen die het R.S.V.Z. de inlichtingen verstrekt i.v.m. de bedrijfsinkomsten waarop de sociale bijdragen moeten worden berekend (hetgeen eveneens bevestigd wordt door artikel 33 van het A.R.S.). Alleen de administratie der belastingen is bevoegd om de wetgeving betreffende de inkomstenbelasting toe te passen; eenmaal de beslissing op fiscaal vlak definitief is geworden, kan er aan deze beslissing niet meer getornd worden. Het definitief karakter van de beslissing op fiscaal vlak kan door/voor de arbeidsgerechten dan ook niet meer in vraag worden gesteld (vgl. Cass. 14 januari 2002, J.T.T. 2002, 115 ; Arbh. Antwerpen 15 januari 1993, R.W. 1992-93, 1408 ; Arbh. Antwerpen 19 maart 1993, Soc. Kron. 1997, 611). De fiscus deelde aan het R.S.V.Z. mee dat appellante voor het jaar 1992 belast werd op een bedrijfsinkomen van 16.497,96 EUR. Het is zonder enige twijfel dit bedrag dat voor de berekening van de bijdragen in aanmerking moet worden genomen. Het andersluidende standpunt van appellante wordt door het hof niet gevolgd. IV.f. De door appellante van geïntimeerde geëiste kinderbijslag
  27. In de veronderstelling dat de vordering van het R.S.V.Z. gegrond zou worden verklaard, verzocht/verzoekt appellante bij wijze van tegeneis om de toekenning van de kinderbijslagen in het stelsel van het sociaal statuut der zelfstandigen, ten belope van 2.071,15 EUR (83.550,-BEF) (m.b.t. de periode van 1 oktober 1991 t/m 31 december 1992). Deze tegenvordering werd door appellante voor het eerst geformuleerd tijdens de procedure in eerste aanleg bij de arbeidsrechtbank, middels aldaar op 21 november 1997 ter griffie neergelegde besluiten. Het R.S.V.Z. heeft naar de uitspraak van de arbeidsrechtbank verwezen, waarbij geoordeeld werd dat deze tegenvordering van appellante verjaard was. Geïntimeerde spreekt dit tegen en stelt dat de verjaringstermijn wegens overmacht niet liep tot aan de kennisgeving vanwege het R.S.V.Z. d.d. 11 januari 1996, aangezien appellante tot dan in de veronderstelling leefde dat zij het statuut van werknemer had. Bijgevolg is volgens appellante de tegenvordering nog tijdig ingesteld, en zou er van verjaring geen sprake zijn.
  28. Artikel 7 van de Wet van 29 maart 1976 betreffende de gezinsbijslag voor zelfstandigen bepaalt dat de Koning de verjaringstermijnen bepaalt voor de rechtsvorderingen die strekken tot het bekomen van de betaling van de gezinsbijslag of de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde gezinsbijslag. Aan deze wetsbepaling werd uitvoering gegeven door het K.B. van 8 april 1976 'houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen'. Artikel 39 van dit K.B., in de versie zoals die van toepassing was op het ogenblik dat appellante haar tegenvordering voor het eerst instelde (21 november 1997), luidt als volgt : "De vordering tot betaling van de uitkeringen bepaald bij dit besluit, verjaart na verloop van drie jaar. De termijn van 3 jaar neemt een aanvang de eerste dag van de maand die volgt hetzij op het kalenderkwartaal waarop de kinderbijslag betrekking heeft, hetzij op dat waarin de geboorte plaats heeft gehad, naar gelang het geval". Voorts wordt bepaald dat de verjaringstermijn gestuit wordt volgens de oorzaken vermeld in het Burgerlijk Wetboek, of bij een ter post aangetekend schrijven. Tenslotte wordt bepaald dat de bevoegde instelling in geen geval het voordeel van de bij dit artikel bepaalde verjaring mag verzaken. Toegepast op de gegevens van onderhavige zaak, impliceert dit dan concreet dat de vordering van de laatste (d.w.z. in het laatste kwartaal van 1992) in het stelsel van de zelfstandigen opengevallen kinderbijslagen verjaarde op 31 december
  29. De vordering werd pas nadien, op 21 november 1997, door appellante ingesteld, en is bijgevolg verjaard. Het ontstaan van het recht op gezinsbijslagen en de daaraan gekoppelde aanvang van de verjaringstermijnen wordt in genendele afhankelijk gesteld van één of andere "opschortende voorwaarde" (bijvoorbeeld van de beslissing tot onderwerping in het stelsel van het sociaal statuut der zelfstandigen, of de in dat verband gevoerde procedure). Appellante was steeds zelfstandige in de beschouwde periode, en niet één of andere beslissing of uitspraak vormt de grondslag voor het eventueel bekomen van de met die hoedanigheid overeenstemmende kinderbijslag, maar wel het feit dat appellante in wezen steeds aan de voorwaarden daartoe voldaan heeft. Vanuit het eigen toepasselijke wettelijke kader kan dan voorts enkel worden vastgesteld dat de dienovereenkomstige vordering van appellante verjaard is, zonder dat daarover verder nog discussie kan bestaan. De verwijzing van appellante naar een overmachtsituatie kan hierin geen verandering brengen. Er kan namelijk enkel sprake zijn van overmacht indien het gaat om een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die men niet heeft kunnen voorzien of kunnen voorkomen (vgl. Cass. 18 september 2000, J.T.T. 2000, 441 ; Cass. 29 november 1999, J.T.T. 2000, 97 ; Cass. 16 maart 1998, R.W. 1998-99, 1398). Appellante ligt zelf aan de oorzaak van het verkeerd aangekleefde sociaalrechtelijke statuut, en heeft in dat verband geenszins aangetoond dat er in haren hoofde sprake zou zijn van een overmachtsituatie. De ingetreden verjaring blijft bijgevolg onherroepelijk van toepassing. De tegeneis van appellante is derhalve onontvankelijk wegens verjaring. -oOo- Het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank wordt door het hof bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond. -oOo- OP DIE GRONDEN : HET HOF, Met naleving van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer advocaat-generaal R. N., in zijn deels gelijkluidend schriftelijk advies ter openbare terechtzitting van 17 november
  30. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Na de tussenarresten van 19 april 2002 en van 18 oktober 2002, en na het arrest van het Arbitragehof van 10 februari 2004 verder recht doend. Verklaart het hoger beroep ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 27 januari
  31. Verwijst appellante overeenkomstig de bepalingen van artikel 1017, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek in de kosten van de huidige beroepsprocedure. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerde op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Vereffent deze aan de zijde van appellante op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van negentien januari tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070119.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.